Voor het eerst sinds jaren zat ik weer eens in de trein.
Tegenover mij zat een oude heer die zich duidelijk zat af te vragen of het tegen de regels van de stiltecoupé was om het woord tot mij te richten.
De drang om te spreken, won het al snel van de regelskwestie.
‘Tja, ja, we worden oud,’ zei hij, mij door zijn ‘we’ in het complot betrekkend.
‘Als ik die jongelui zie, denk ik: was ik nog maar zestien.’ Gelukkig was hij in het geheel niet uit op een reactie mijnerzijds.
Hij wilde gewoon wat kwijt en omdat hij…
lees volledige artikel »