Printen Venster sluiten
H&W
Huisarts en Wetenschap, jaargang 2009, nummer 1:22-39

NHG-Standaard

NHG-Standaard Hand- en polsklachten

Kernboodschappen

  • Diagnosen bij hand- en polsklachten kunnen in de regel zonder aanvullend onderzoek worden vastgesteld.
  • De huisarts behandelt de meeste hand- en polsklachten zelf.

Inbreng van de patiënt

De NHG-Standaarden geven richtlijnen voor het handelen van de huisarts; de rol van de huisarts staat dan ook centraal. Daarbij geldt echter altijd dat factoren van de kant van de patiënt het beleid mede bepalen. Om praktische redenen komt dit uitgangspunt niet telkens opnieuw in de richtlijn aan de orde, maar wordt het hier expliciet vermeld. De huisarts stelt waar mogelijk het beleid vast in samenspraak met de patiënt, met inachtneming van diens specifieke omstandigheden en met erkenning van diens eigen verantwoordelijkheid, waarbij adequate voorlichting een voorwaarde is.

Afweging door de huisarts

Het persoonlijk inzicht van de huisarts is uiteraard bij alle richtlijnen een belangrijk aspect. Afweging van de relevante factoren in de concrete situatie zal beredeneerd afwijken van het hierna beschreven beleid kunnen rechtvaardigen. Dat laat onverlet dat deze standaard bedoeld is om te fungeren als maat en houvast.

Delegeren van taken

NHG-Standaarden bevatten richtlijnen voor huisartsen. Dit betekent niet dat de huisarts alle genoemde taken persoonlijk moet verrichten. Sommige taken kunnen worden gedelegeerd aan de praktijkassistente, praktijkondersteuner of praktijkverpleegkundige, mits zij worden ondersteund door duidelijke werkafspraken, waarin wordt vastgelegd in welke situaties de huisarts moet worden geraadpleegd en mits de huisarts toeziet op de kwaliteit. Omdat de feitelijke keuze van de te delegeren taken sterk afhankelijk is van de lokale situatie, bevatten de standaarden daarvoor geen concrete aanbevelingen.

Inleiding

De NHG-Standaard Hand- en polsklachten geeft richtlijnen voor diagnostiek en behandeling van patiënten met klachten van de hand en pols in de huisartsenpraktijk. De huisarts wordt bij hand- en polsklachten meestal direct op het spoor van een specifieke aandoening gezet. Daarom behandelt deze standaard de diagnostiek en het beleid bij de meest voorkomende specifieke aandoeningen van de hand en pols: carpaletunnelsyndroom (CTS), ganglion, artrose van de hand, trigger finger en trigger thumb, mallet finger, contractuur van Dupuytren en tendovaginitis van De Quervain.[[vn:3196]] Aspecifieke hand- en polsklachten vallen buiten het bestek van deze standaard.[[vn:3197]] Deze standaard gaat verder, met uitzondering van de mallet finger, niet in op het beleid bij acute traumata van de hand en pols, zoals fracturen, rupturen en verwondingen. Buiten het bestek van deze standaard vallen ook aandoeningen die zich niet uitsluitend beperken tot de hand- en polsregio, zoals het complex regionaal pijnsyndroom (voorheen bekend als Sűdeckse dystrofie of sympathische reflexdystrofie), de ziekte van Raynaud (zie de Farmacotherapeutische richtlijn Raynaud fenomeen), aandoeningen van de huid (zoals huidinfecties, eczeem, epitheelcyste), bottumoren en reumatoïde artritis (zie NHG-Standaard Artritis). Tot slot gaat de standaard niet in op hand- en polsklachten die hun oorsprong elders in het lichaam hebben (zoals hand- en polsklachten door een cervicale hernia).

Achtergronden algemeen

Epidemiologie

In de algemene Nederlandse bevolking wordt de jaarlijkse prevalentie van hand- en polsklachten geschat op 125 per 1000 personen. De incidentie van handklachten in de Nederlandse huisartsenpraktijk bedraagt ongeveer 8 nieuwe episoden per 1000 patiënten per jaar en van polsklachten ongeveer 4 episoden per 1000 patiënten per jaar. De prevalentie van handklachten in de Nederlandse huisartsenpraktijk wordt geschat op 10 per 1000 patiënten en van polsklachten op zes per 1000 patiënten. De incidentie en prevalentie van zowel hand- als polsklachten in de huisartsenpraktijk zijn hoger voor vrouwen dan voor mannen.[[vn:3198]]

Beloop en prognose

Hand- en polsklachten gaan gepaard met pijn en vermindering van functies, hetgeen forse invloed kan hebben op de nachtrust en dagelijkse activiteiten. Van alle patiënten die in verband met hand- en polsklachten de huisarts bezoeken, is ongeveer een kwart na drie maanden hersteld. Na een jaar zegt ongeveer 40% van de patiënten hersteld te zijn.[[vn:3199]]

Ongunstige prognostische factoren zijn: hogere leeftijd, vrouwelijk geslacht, klachten die langer dan drie maanden bestaan bij het eerste consult, de neiging tot somatiseren, en het gevoel weinig controle te hebben over de pijnklachten en de gevolgen van de aandoening in het dagelijks functioneren.[[vn:3200]]

Richtlijnen diagnostiek en beleid algemeen

Bij de specifieke hand- en polsaandoeningen zijn in de regel anamnese en gericht lichamelijk onderzoek (inspectie, palpatie en bewegingsonderzoek) voldoende om de diagnose te stellen en andere diagnosen onwaarschijnlijker te maken (zie tabel 1). Aanvullend onderzoek is meestal niet nodig. Algemene aandachtspunten bij de presentatie van hand- en polsklachten zijn de lokalisatie, de aanleiding (denk hierbij aan een recent of een oud trauma), de aard, de ernst van de klacht, het tijdstip van optreden en de dagelijkse bezigheden (werk, hobby’s). Aandachtspunten bij lichamelijk onderzoek zijn kleur, doorbloeding, huidtemperatuur, zwelling of atrofie, bewegingsbeperkingen of paresthesieën, pijn bij bewegen, sensibiliteit en spierkracht.

De huisarts behandelt hand- en polsklachten in de regel zelf. Daarbij wordt meestal volstaan met voorlichting en advies, desgewenst gecombineerd met pijnstilling.[[vn:3201]] In aansluiting op de gegeven mondelinge voorlichting kunt u de patiënt – afhankelijk van de specifieke aandoening – de NHG-Patiëntenbrieven Carpaletunnelsyndroom, Ganglion van pols of hand, Artrose van uw hand, Springvinger, Malletvinger, Contractuur van Dupuytren of Peesirritatie van De Quervain meegeven (voor een overzicht van alle patiëntenbrieven zie www.nhg.org > patiëntenbrieven). Bij ernstige of langdurige klachten bestaat het verdere beleid – afhankelijk van de specifieke aandoening – uit ergonomische aanpassingen, spalkbehandeling,[[vn:3202]] oefentherapie, lokale corticosteroïdinjectie,[[vn:3203]] aanvullend onderzoek of operatieve behandeling.[[vn:3204]] Vraag naar ziekteverzuim en informeer in geval van ziekteverzuim bij de patiënt naar afspraken met de bedrijfsarts of overleg zo nodig met de bedrijfsarts bij werkgerelateerde of arbeidsrelevante hand- en polsklachten.[[vn:3205]]

Carpaletunnelsyndroom

Achtergronden

Het carpaletunnelsyndroom (CTS) bestaat uit een verzameling klachten veroorzaakt door compressie van de nervus medianus in het verloop van de carpale tunnel. De carpale tunnel is een nauwe doorgang aan de palmaire zijde van de pols. De tunnel wordt aan de dorsale zijde begrensd door de carpalia en aan de palmaire zijde door het ligamentum carpi transversum. In de tunnel lopen naast de zenuw ook de buigpezen van de duim en vingers.

CTS is een aandoening die meer bij vrouwen dan bij mannen voorkomt en vooral in de leeftijdscategorie van veertig tot zestig jaar.[[vn:3206]] De prevalentie van CTS in de algemene bevolking bedraagt ongeveer negentig per duizend voor vrouwen en ongeveer zes per duizend voor mannen. De incidentie in de huisartsenpraktijk wordt voor vrouwen geschat op ongeveer vier nieuwe episoden per duizend patiënten per jaar en voor mannen op ongeveer één nieuwe episode per duizend patiënten per jaar. In een normpraktijk (2350 patiënten) stelt de huisarts per jaar vier tot zes keer de diagnose CTS. Risicofactoren voor CTS zijn vrouwelijk geslacht, hogere leeftijd, overgewicht, posttraumatische en congenitale vormafwijkingen van de carpale tunnel, reumatoïde artritis, zwangerschap, ovariëctomie, diabetes mellitus en hypo- en hyperthyreoïdie.[[vn:3207]] Werkgerelateerde risicofactoren zijn snel repeterende bewegingen, hand-armtrillingen en ongunstige werkhoudingen (meer dan dertig graden dorsaal of palmaire flexie uit de neutrale polsstand).

CTS wordt veroorzaakt door drukverhoging in de carpale tunnel.[[vn:3208]] Deze drukverhoging veroorzaakt ischemie in de nervus medianus, dat aanleiding geeft tot verminderde zenuwgeleiding met als gevolg paresthesieën, sensibele uitval en pijn. Over de periode van ongeveer een jaar blijkt spontane vermindering van de klachten op te treden in ongeveer een kwart van de gevallen. Bij ongeveer de helft van de gevallen blijven de klachten onveranderd en bij ongeveer een kwart zijn de klachten verergerd.[[vn:3209]] Zwangerschap is een uitlokkende factor, maar de prognose na de bevalling is gunstiger; ongeveer de helft herstelt na een jaar. Andere gunstige prognostische factoren zijn een korte duur van de symptomen bij presentatie en een jongere leeftijd.

Richtlijnen diagnostiek

Er bestaat geen gouden standaard voor de diagnose CTS.[[vn:3210]] De diagnose kan in de huisartsenpraktijk in eerste instantie goed worden gesteld op grond van de anamnese en het klinisch beeld. Zenuwgeleidingsonderzoek is doorgaans niet noodzakelijk. De diagnose CTS wordt vermoed op grond van het typische klachtenpatroon in de anamnese: (nachtelijke) vaak pijnlijke tintelingen en/of een doof gevoel in de duim, wijsvinger en middelvinger en de radiale zijde van de ringvinger en de aansluitende regio van de handpalm. De paresthesieën kunnen zich echter ook in de hele hand voordoen en zelfs uitstralen naar de hele arm. De klachten kunnen de patiënt uit de slaap wekken en enkelzijdig of dubbelzijdig optreden. Wapperen met de handen kan verlichting geven van de klachten (flick-sign). Het lichamelijk onderzoek kan de diagnose aannemelijker maken, maar dient vooral om een indruk te krijgen van de ernst van de aandoening (atrofie, krachtsverlies). Lichamelijk onderzoek is ook van belang wanneer de anamnese aanleiding geeft om aan andere aandoeningen dan CTS te denken.

Anamnese

Vraag bij presentatie van de klacht tintelingen en/of sensibele uitval en/of pijn in de hand ter bevestiging of verwerping van de diagnose CTS naar:

  • de lokalisatie van de klachten;
  • verstoorde nachtrust;
  • handbewegingen die klachten kunnen doen verminderen (wapperen, af laten hangen);
  • activiteiten of houdingen die de klachten kunnen provoceren of verergeren.

Vraag ter bepaling van de ernst van de klachten naar:

  • enkel- of dubbelzijdigheid van de klachten;
  • het bestaan van klachten ’s nachts of overdag;
  • het intermitterend of continu zijn van de klachten;
  • onhandigheid/verminderde handfunctie (dingen uit de hand laten vallen, vaak optredend zonder krachtsverlies, maar ten gevolge van verminderde sensibiliteit);
  • verminderde kracht;
  • mate van hinder bij de dagelijkse werkzaamheden en activiteiten.

Vraag ter differentiatie van andere aandoeningen naar klachten van:

  • de nek en provocatie van de klachten door bewegingen van de nek;
  • de schouder;
  • de elleboog, onderarm en pols.

Lichamelijk onderzoek

De waarde van lichamelijk onderzoek[[vn:3211]] bij een patiënt met klachten van CTS is beperkt. Provocatietesten worden niet aanbevolen, omdat een positieve uitslag van een provocatietest niet differentieert tussen CTS en andere oorzaken voor paresthesieën in de hand en een negatieve uitslag niet bijdraagt aan het verwerpen van de diagnose CTS. Krachtsverlies van de musculus abductor pollicis brevis (verminderde kracht bij abductie van de duim tegen weerstand) en/of de musculus opponens pollicis (verminderde kracht bij het drukken van de duim tegen de basis van de pink) en atrofie van de duimmuis zijn klinisch relevante aanwijzingen voor het bestaan van een CTS. Deze bevindingen zijn weinig specifiek voor CTS, maar hebben een prognostische waarde omdat ze in een laat stadium optreden.

Beoordeel bij bijkomende klachten in de nek, schouder, elleboog, of onderarm:

  • of het gebied van de uitstraling correspondeert met dermatoom C6 of C7, het gebied van de nervus ulnaris of de nervus radialis.
  • of de klachten in de hand of pols kunnen worden geprovoceerd door bewegingen van de nek, schouder of elleboog (radiculair syndroom, neurogeen thoracic outlet syndroom).
  • of de klachten in de hand of pols geprovoceerd kunnen worden door palpatie van structuren in de nek, schouder of elleboog (ulnaropathie).

Aanvullend onderzoek

Bij een typische klinische presentatie is het in de eerste lijn niet nodig zenuwgeleidingsonderzoek te verrichten, omdat het geen consequenties heeft voor het directe beleid van de huisarts. In de tweede lijn is het gangbaar om voorafgaand aan een operatie zenuwgeleidingsonderzoek te verrichten.[[vn:3212]]

Evaluatie

Stel de diagnose CTS aan de hand van het klinisch beeld bij:

  • Pijn, tintelingen en/of sensibele uitval in dat gedeelte van de hand dat door de nervus medianus wordt geïnnerveerd (duim, wijs- en middelvinger).
  • De diagnose wordt ondersteund door de kenmerken nachtelijke klachten, klachten in beide handen, en – het meest uitgesproken in de dominante hand – verlichting door wapperen met de hand.

Symptomen die ook bij CTS kunnen passen zijn: functievermindering van de hand in de ochtenduren, klachten die bij het voortschrijden van de aandoening ook overdag bestaan, krachtsverlies en klachten in de gehele hand met soms ook uitstraling naar de arm.

Differentiaal diagnostische overwegingen zijn:

  • cervicale radiculopathie (C6 of C7);
  • ulnaropathie;
  • polyneuropathie;
  • onderliggende artrogene of tendomyogene aandoening van pols of hand;
  • aspecifieke hand- en polsklachten.

Richtlijnen beleid

Het beleid[[vn:3213]] bij geringe of kortdurende klachten is expectatief en bestaat alleen uit voorlichting en/of adviezen.

Voorlichting en adviezen

Bespreek het ontstaan van CTS, de risicofactoren, het te verwachte beloop (circa 25% verbetert na één jaar) en de te verwachten effecten, bijwerkingen en complicaties van de beschikbare behandelingsmogelijkheden. Bij zwangerschap is een afwachtend beleid en spalkbehandeling eerste keus. Bij ernstige klachten in de zwangerschap is het beleid niet anders dan buiten de zwangerschap.

Niet-medicamenteuze behandeling

Overweeg een spalkbehandeling (waarbij de pols in een neutrale stand gehouden wordt) bij patiënten met CTS-klachten die hinder veroorzaken bij dagelijkse activiteiten en bij contra-indicaties voor corticosteroïdinjecties of bij een voorkeur van de patiënt voor spalkbehandeling.[[vn:3214]] De huisarts kan dit zelf doen of hiervoor verwijzen naar een ergotherapeut. Men dient de spalk in ieder geval ‘s nachts te dragen en zo mogelijk ook overdag. Het dragen van een spalk kan de klachten op korte termijn (tot vier weken) verminderen. Indien het dragen van de spalk na zes weken niet leidt tot een vermindering van de klachten, heeft het geen zin deze behandeling voort te zetten.

Medicamenteuze behandeling

Overweeg bij CTS-klachten die hinder veroorzaken bij dagelijkse activiteiten een injectie met een corticosteroïd in de carpale tunnel of enkele centimeters proximaal van de polsplooi (1 ml triamcinolonacetonide 10 mg/ml).[[vn:3215]] Herhaal de injectie bij geen effect na twee tot drie weken. De kans op herstel van klinische symptomen op de korte termijn (tot vier weken) bij een injectie met een corticosteroïd, is 2,5 keer zo groot als de kans op herstel van symptomen na een placebobehandeling. De effectiviteit van een corticosteroïdinjectie op de lange termijn is onbekend. Indien er na twee juist geplaatste injecties met een tussenpoos van twee tot drie weken geen verbetering is opgetreden, is verdere injectiebehandeling niet zinvol. Bij CTS bij reumatoïde artritis is een corticosteroïdinjectie eerste keus.

Verwijzing

Overweeg een verwijzing voor een chirurgische interventie bij ernstige CTS-klachten (gepaard gaand met verminderde kracht van de musculus opponens pollicis of duimmuisatrofie of krachtsvermindering van de musculus abductor pollicis brevis), of bij langdurige aanhoudende klinische klachten waarbij onvoldoende symptoomverlichting door conservatieve behandeling of injectiebehandeling is opgetreden. Overweeg eveneens een verwijzing voor chirurgische behandeling bij klachten die het dagelijks functioneren in ernstige mate beïnvloeden of van invloed zijn op het functioneren op het werk, tenzij de patiënt dit niet als eerste wil.[[vn:3216]] De succeskans van chirurgie is groter in vergelijking met conservatieve behandeling, maar de verschillen in klinisch opzicht zijn gering. De succeskans van chirurgie wordt niet bepaald door de tijdsduur van de klachten voorafgaand aan de operatie. Gips- of spalkimmobilisatie na operatie wordt niet aanbevolen, omdat dit geen aantoonbaar voordeel biedt voor het herstel. Gedurende drie tot zes maanden na de operatie kan de patiënt nog last houden van verlies van kracht, functieverlies, littekenpijn, gevoeligheid van duim- en/of pinkmuis, gevoelsvermindering en tintelingen.

Ganglion

Achtergronden

Een ganglion[[vn:3217]] is een uitstulping van het gewrichtskapsel of van de peesschede die gevuld is met synoviale vloeistof. De meeste ganglia liggen aan de dorsale zijde van de pols. Een peesschede ganglion kan gevonden worden aan de volaire zijde van het MCP-gewricht dan wel proximale falanx. Een ganglion uitgaande van de gewrichten van de pols kan gevonden worden aan de dorsale en aan de radiovolaire zijde van de pols. Ten slotte kan er ook nog een ganglion worden gevonden aan de dorsale zijde van de DIP-gewrichten (mucoidcyste). Meestal geeft een ganglion geen klachten, soms zijn er pijnklachten bij bepaalde bewegingen.

In de algemene bevolking bedraagt de prevalentie van een ganglion 4,5 per 1000 personen en de incidentie 3,3 episoden per 1000 personen per jaar.[[vn:3218]] Een ganglion aan de hand of pols komt het meeste voor bij vrouwen en in de leeftijdscategorie tussen een leeftijd van twintig tot veertig jaar.

De oorzaak voor het ontstaan van een ganglion is meestal onbekend.[[vn:3219]] Een ganglion ter hoogte van het DIP-gewricht is meestal een gevolg van een degeneratieve afwijking (artrose van het DIP-gewricht). Ulceratie van de cyste komt uitsluitend voor aan het DIP-gewricht. Een ganglion kan een uiting zijn van artrose al dan niet na een fractuur. Er lijkt geen duidelijke relatie te bestaan met werk of vrijetijdsbesteding. Een ganglion kan geleidelijk of abrupt ontstaan en verdwijnt in bijna de helft van de gevallen weer spontaan.

Richtlijnen diagnostiek

De diagnose[[vn:3220]] kan aan de hand van lichamelijk onderzoek goed worden gesteld.

Lichamelijk en aanvullend onderzoek

  • Palpeer de zwelling en let op fixatie van de zwelling aan de onderlaag.
  • Bij twijfel: puncteer, aspireer of doorlicht de zwelling in een donkere ruimte met een fel lampje (diafanie). Gebruik bij aspiratie een dikke naald om de vaak geleiachtige vloeistof op te kunnen zuigen.

Evaluatie

Stel de diagnose ganglion bij een gladde en vast-elastische tot zeer vaste zwelling, gefixeerd aan de onderlaag ter hoogte van het DIP-gewricht, aan de dorsale zijde van de pols of ter hoogte van de overgang van het os scaphoïdeum en het os lunatum. Een helder soms geleiachtig punctaat of diafanie bij doorlichten bevestigt bij twijfel de diagnose. Indien er hinder bestaat bij een polsganglion, denk dan ook aan carpale instabiliteit als onderliggende oorzaak.2

Richtlijnen beleid

Voorlichting en adviezen

Het betreft een onschuldige aandoening die in de helft van alle gevallen spontaan verdwijnt. Wacht af als er geen klachten zijn.[[vn:3221]]

Aspiratie

Aspireer het ganglion met een dikke naald bij mechanische bezwaren of een cosmetisch probleem, of bij angst voor een kwaadaardige aandoening. Een helder, geleiachtig punctaat ondersteunt de diagnose. Aspiratie heeft vaak een kortdurend effect. De kans op een recidiefzwelling na de aspiratie is ongeveer 50%. Vanwege het ontbreken van bewijs voor effectiviteit wordt aspiratie gecombineerd met een corticosteroïdinjectie niet geadviseerd.

Verwijzing

Verwijs voor een chirurgische behandeling bij een ganglion met pijn, ADL-beperkingen en wanneer (eventueel meerdere) aspiratie(s) onvoldoende effect sorteerde(n). Hierbij vindt een open of een arthroscopische excisie van het ganglion plaats. De kans op een recidief na excisie is 1 tot 40%. Verwijs bij ulceratie van de cyste aan het DIP-gewricht (een afwijking bekend als mucoidcyste). Indien er sprake is van een ernstige artrose, kan het noodzakelijk zijn een artrodese van het DIP-gewricht uit te voeren (bereid de patiënt hierop voor).

Artrose van de hand

Achtergronden

Artrose is een klinisch syndroom gekenmerkt door gewrichtspijn, stijfheid en functiebeperking. Artrose in de hand komt meestal voor aan de volgende gewrichten:

  • duimbasis (CMC-I);
  • proximale vingergewrichten (PIP);
  • distale vingergewrichten (DIP).
Kenmerkend is de vorming van benige verdikkingen (noduli) bij de PIP-gewrichten (noduli van Bouchard) of bij de DIP-gewrichten (noduli van Heberden). Artrose in de pols is zeldzaam, maar er kan soms sprake zijn van artrose aan de radiale zijde van de pols (carporadiale gewricht).

Het merendeel van de mensen in de leeftijdscategorie ouder dan 55 jaar heeft radiologische kenmerken van artrose van de hand of pols, maar slechts ongeveer 20% van hen heeft ook klinische symptomen.[[vn:3222]] De prevalentie en incidentie van artrose zijn aanzienlijk hoger voor vrouwen dan voor mannen en nemen toe met de leeftijd. De gevolgen van artrose voor het dagelijks functioneren en voor de zelfredzaamheid van ouderen kan groot zijn, maar toch wordt lang niet altijd hulp gezocht. Artrose van CMC-I kan ook op veel jongere leeftijd al klachten geven.

Het verlies van gewrichtskraakbeen en de nieuwvorming van bot kunnen het gevolg zijn van langdurige mechanische belasting, een eerder trauma of instabiliteit van het gewricht.[[vn:3223]] Artrose komt ook vaak voor zonder aanwijsbare oorzaak (primaire artrose) of bij mensen met een inflammatoire vorm van artritis zoals reumatoïde artritis (secundaire artrose). Zie NHG-Standaard Artritis. Andere risicofactoren zijn een familiegeschiedenis van artrose, hogere leeftijd en overgewicht.[[vn:3224]]

Het merendeel van de patiënten rapporteert over een periode van twee jaar een toename van pijnklachten, maar artrose van de hand heeft niet altijd een progressief beloop.[[vn:3225]] Progressie gaat samen met verminderde knijpkracht van de handspieren. Artrose van het CMC-I-gewricht heeft onder meer door andere mogelijke oorzaken (eerder trauma of instabiliteit) en andere behandelingsmogelijkheden een andere (vaak minder gunstige) prognose. CMC-I-artrose gaat doorgaans gepaard met meer beperkingen in functie dan artrose van de PIP- of DIP-gewrichten. Pijnklachten bij artrose treden vaak op in exacerbaties (ook wel flares genoemd), die gepaard kunnen gaan met toegenomen stijfheid, warmte en hydrops (zie NHG-Standaard Artritis). Er zijn nog weinig gegevens over de invloed van comorbiditeit, werkgerelateerde en/of arbeidsrelevante factoren en psychosociale factoren (angst, depressie, ziekteperceptie) op het beloop van klachten bij handartrose en met name op de consequenties van de klachten voor functioneren.

Richtlijnen diagnostiek

Anamnese

Ter bevestiging van de diagnose[[vn:3226]] besteedt de huisarts aandacht aan:

  • eventueel recent of ouder trauma van de hand en/of pols;
  • de leeftijd van de patiënt (ouder dan 45 jaar);
  • de lokalisatie van de klachten; welke gewrichten zijn aangedaan (bij artrose van het CMC-I-gewricht worden pijnklachten in de duimmuis ter hoogte van de handpalm aangegeven);
  • de aanwezigheid van startpijn en startstijfheid; zwelling en ochtendstijfheid (korter dan een half uur);
  • pijn bij wringende bewegingen (veel voorkomende klacht bij artrose van het CMC-I-gewricht);
  • klachten aan andere gewrichten die duiden op artrose (met name knie of heup);
  • het voorkomen van artrose in de familie.

Ter bepaling van de ernst van klachten vraagt de huisarts naar:

  • de lokalisatie van de klachten; enkel- of dubbelzijdig;
  • mate van hinder in de dagelijkse werkzaamheden en activiteiten (grijpen en knijpen);
  • verminderde kracht.

Lichamelijk onderzoek

Beoordeel:

  • de lokalisatie van de klachten en vergelijk daarbij met de andere zijde;
  • de aanwezigheid van benige verdikkingen bij de PIP-gewrichten (noduli van Bouchard) of bij de DIP-gewrichten (noduli van Heberden);
  • de aanwezigheid van collaps van de duim (adductiecontractuur van CMC-I met hyperextensie van MCP-I geeft een vierkant aspect van de hand (square hand)).

Besteed aandacht aan:

  • de mobiliteit van de pols (flexie/extensie);
  • de mobiliteit van hand- en vingergewrichten (vuist maken);
  • de kracht van de handspieren (knijpen in twee vingers van arts).

Aanvullend onderzoek

Laboratoriumonderzoek is niet geïndiceerd bij artrose (zie NHG-Standaard Artritis). Röntgenonderzoek is niet zinvol om de diagnose artrose te stellen gezien de discrepantie tussen radiologische kenmerken van artrose van de hand of pols en de klinische symptomen.

Evaluatie

Stel de diagnose artrose bij:

  • aanhoudende gewrichtsklachten die toenemen bij belasting van de gewrichten;
  • leeftijd van 45 jaar of ouder (hoewel artrose soms bij jongere mensen kan voorkomen);
  • lichte, kortdurende ochtendstijfheid (minder dan een half uur);
  • benige verdikking met name bij PIP-gewrichten en DIP-gewrichten.

Differentiaal diagnostische overwegingen bij PIP- en DIP-artrose zijn:

  • reumatoïde artritis (gekenmerkt door: leeftijd bij diagnose vaak jonger dan veertig jaar, vaak symmetrische klachten, met name pols, MCP- en PIP-gewrichten aangedaan en DIP-gewrichten niet aangedaan, ochtendstijfheid duurt langer dan één uur);
  • andere vormen van artritis.

Differentiaal diagnostische overwegingen bij CMC-I-artrose zijn:

  • oude al dan niet miskende scaphoidlaesies of laesies van het scapholunate ligament na een eerder trauma bij CMC-I-artrose;
  • tendovaginitis van De Quervain.

Richtlijnen beleid

Voorlichting en adviezen

Geef uitleg over de mogelijke oorzaken van de aandoening en het mogelijke beloop. Adviseer – bij veel pijn – tijdelijk de aangedane gewrichten te ontzien bij dagelijkse activiteiten. Adviseer enkele eenvoudige oefeningen (polsen buigen en strekken, vuist maken, vingers strekken en spreiden), die kunnen helpen bij het behoud van kracht en de beweeglijkheid.[[vn:3227]]

Niet-medicamenteuze behandeling

Een spalk[[vn:3228]] voorkomt overbelasting van het gewricht en kan leiden tot afname van de pijnklachten. Een (hand)therapeut kan tevens een programma aanbieden waarin aandacht wordt besteed aan ergotherapeutische adviezen zoals omgaan met de klachten tijdens dagelijkse activiteiten en tips voor ontzien van aangedane gewrichten, en gerichte oefeningen ter versterking van handspieren en in standhouden van mobiliteit.[[vn:3229]] Een dergelijk programma kan gunstige effecten hebben op pijn, beperkingen in functioneren en knijpkracht.

Medicamenteuze behandeling

Adviseer desgewenst pijnstilling in periodes waarin pijn op de voorgrond staat. Overweeg het gebruik van een lokaal NSAID als eerste keus bij artrose. De effecten zijn bij artrose vrijwel vergelijkbaar met die van een oraal NSAID, maar met een veel lager risico op (gastro-intestinale) bijwerkingen. Paracetamol is tweede keus, omdat dit middel een breed veiligheidsprofiel heeft. Bij onvoldoende resultaat is een oraal NSAID derde keus. Het gebruik van voedingssupplementen, waaronder glucosamine en chondroïtine, wordt niet geadviseerd,[[vn:3230]] evenmin een corticosteroïdinjectie, vanwege het ontbreken van voldoende bewijs voor effectiviteit.[[vn:3231]]

Verwijzing

Behandel zo lang mogelijk conservatief. Als de pijn of de bewegingsbeperking (vooral van het CMC-gewricht) ondanks conservatieve behandeling (medicatie, oefentherapie of ergotherapie) blijft bestaan, overweeg dan een verwijzing naar een chirurg voor operatieve behandeling (artrodese, trapeziumresectie of trapeziumresectie met ligamentreconstructie al dan niet met interpositie van peesmateriaal).[[vn:3232]] De resultaten van chirurgie zijn niet bij iedereen gunstig: 60% is min of meer tevreden en ongeveer 30% blijft klachten houden. Er zijn geen aanwijzingen dat een bepaalde chirurgische techniek de voorkeur heeft wat betreft effecten op pijn of functioneren.

Trigger finger en trigger thumb

Achtergronden

Een trigger finger of een trigger thumb[[vn:3233]] oftewel een springvinger of springduim oftewel hokkende vinger of hokkende duim is een tenosynovitis van de flexorpezen van de vingers of van de duim. Irritatie van de peesschede leidt tot zwelling in de pees (nodus van Notta) en/of tot een vernauwing van de peesschede. De klachten beginnen vaak met een vervelend of pijnlijk gevoel aan de basis van de vinger. Het normale en soepele glijden van de buigpees tijdens buigen en strekken van de vinger wordt hierdoor belemmerd, hetgeen leidt tot pijn bij buigen en ‘hokken’ bij het strekken.

De aandoening komt meer voor bij vrouwen dan bij mannen en meer in de leeftijdscategorieën jonger dan zes jaar (waaronder pasgeborenen) en tussen de veertig en zeventig jaar.[[vn:3234]] De oorzaak van een trigger finger is niet bekend. Hoewel er gesproken wordt van een tenosynovitis worden er bij pathologisch anatomisch onderzoek geen verschijnselen van inflammatie gevonden. Een trigger finger lijkt geassocieerd te zijn met diabetes mellitus, reumatoïde artritis, hypothyreoïdie, CTS, jicht en repeterend gebruik van de vingers.

Richtlijnen diagnostiek

Anamnese

Vraag naar:

  • de lokalisatie van de pijnklachten;
  • belemmeringen bij het buigen of strekken van de vinger of duim;
  • gezwollen gevoel ter hoogte van de PIP-gewrichten van de vinger.

Lichamelijk onderzoek

Palpeer de flexorpees (in de handpalm, net proximaal van het MCP-gewricht) en let op een eventueel drukpijnlijke en met de beweging van de buigpezen meebewegende zwelling.

Evaluatie

Stel de diagnose trigger finger of trigger thumb[[vn:3235]] op basis van een vervelend of pijnlijk gevoel aan de palmaire zijde van de basis van de vinger of de duim en het moeilijker buigen of strekken van de vinger of duim. Soms is er sprake van lokale zwelling en/of lokale drukpijnlijkheid van de flexorpees.

Richtlijnen beleid

  • Geef bij geringe en kortdurende klachten voorlichting over het ontstaan van de klachten en volg daarnaast een expectatief beleid.
  • Overweeg bij klachten die hinder veroorzaken bij dagelijkse activiteiten een injectie met een corticosteroïd (1 ml triamcinolonacetonide 10 mg/ml).[[vn:3236]] De klinische symptomen verminderen in circa 60% van alle gevallen na één injectie. Herhaal de injectie bij het ontbreken van effect na twee tot drie weken. De klinische symptomen verminderen in 88% van de gevallen na twee injecties. Indien er na twee juist geplaatste injecties met een tussenpoos van twee tot drie weken geen verbetering is opgetreden is verdere injectiebehandeling niet zinvol.
  • Het dragen van een (nacht)spalk wordt niet geadviseerd, vanwege het ontbreken van voldoende bewijs voor effectiviteit.[[vn:3237]]
  • Overweeg een verwijzing naar de chirurg[[vn:3238]] indien de bovenstaande behandeling niet het gewenste resultaat oplevert. Chirurgische behandeling bestaat uit het openleggen van het begin van de peesschede (A1 pulley, eerste annulaire ligament van de buigpeeskoker) en is in 97% van de gevallen effectief.
  • Bij kinderen en pasgeborenen volgt een afwachtend beleid en bij aanhoudende klachten een verwijzing naar de chirurg.[[vn:3239]]

Mallet finger

Achtergronden

De mallet finger (hamervinger)[[vn:3240]] ontstaat door een ruptuur van de pees of van de peesaanhechting van de vingerextensor ter hoogte van de eindfalanx. Kenmerkend is de buigstand van de vinger in het DIP-gewricht en de onmogelijkheid van actieve extensie. De mallet finger ontstaat wanneer de distale falanx met kracht gebogen wordt. Klassiek gebeurt dit tijdens het sporten, zoals bij basketbal, voetbal (keepers), volleybal, maar het kan ook optreden bij tal van dagelijkse activiteiten, zoals bij het opmaken van bedden. Bij ouderen kan een gering trauma leiden tot deze typische aandoening. Daarbij wordt onderscheid gemaakt tussen een tendinogene mallet finger (ruptuur van de pees) en een ossale mallet finger (met een avulsiefractuur van de distale falanx).

Richtlijnen diagnostiek

Lichamelijk onderzoek

Let op:

  • de permanente flexiestand van het DIP-gewricht en
  • de onmogelijkheid van actieve extensie van de distale falanx.
Soms ontstaat er een zwanenhalsdeformatie (met hyperextensie van het PIP-gewricht). Het initiële trauma is in de regel niet pijnlijk; de pijnklachten ontstaan meestal daarna. Soms is er sprake van lokale zwelling.

Aanvullend onderzoek

Bij een mallet finger is het zinvol met röntgenonderzoek onderscheid te maken tussen een tendinogene mallet finger en een mallet finger met een kleine avulsiefractuur enerzijds en een mallet finger met een grotere avulsiefractuur (> 30% van het gewrichtsoppervlak van het DIP-gewricht) anderzijds. Dit onderscheid heeft consequenties voor het beleid en is op grond van het klinisch onderzoek niet goed mogelijk.

Richtlijnen beleid

  • Behandel een tendinogene mallet finger of een mallet finger met een kleine avulsiefractuur eerst gedurende zes weken met een malletspalk. Hiermee herstelt circa driekwart.
  • Breng bij het aanbrengen van de spalk het DIP-gewricht goed in extensie en zorg dat het PIP-gewricht vrij kan bewegen.
  • Benadruk dat de spalk constant gedragen wordt.
  • Instrueer de patiënt tussentijds geen flexiebeweging uit te voeren.
  • Instrueer de patiënt na zes weken de vinger weer geleidelijk te buigen.

Verwijzing

  • bij een avulsiefractuur waarbij meer dan 30% van het gewrichtsoppervlak is betrokken voor chirurgische behandeling (gelet de kans op het ontstaan van premature artrose na inadequate conservatieve behandeling);
  • naar een chirurg bij onvoldoende resultaat van conservatieve behandeling na zes weken.

Contractuur van Dupuytren

Achtergronden

Een contractuur van Dupuytren[[vn:3241]] is een fibromatose van de palmaire aponeurosis, die in 50% van de gevallen in beide handen voorkomt. Deze wordt gekenmerkt door het ontstaan van zeer vaste soms pijnlijke knobbels (noduli) in de handpalm en vingers, met name in pink en ringvinger, die zich kunnen ontwikkelen tot strengen van fibrotisch weefsel. Op langere termijn kan dit leiden tot een permanente flexiecontractuur van handpalm of vingers. Secundair kan het gewrichtskapsel verschrompelen en zullen de vingers stijver worden.

De exacte prevalentie van een contractuur van Dupuytren in Nederland is niet bekend. De prevalentie loopt uiteen onder verschillende bevolkingsgroepen (20 tot 42 per 1000 personen). De aandoening komt vooral voor bij mannen rond de vijftig jaar in Noordwest-Europa en is zeldzaam onder Noord-Afrikanen. Een contractuur van Dupuytren heeft deels een genetische oorsprong. Ongeveer een kwart van de patiënten heeft een familielid met soortgelijke klachten. De aandoening leidt niet altijd tot contractuurvorming. De prognose is slechter indien de klachten ontstaan op jonge leeftijd, de aandoening tevens in de familie voorkomt en bij diabetes mellitus.

Richtlijnen diagnostiek

  • Vraag naar het voorkomen van de aandoening in de familie.[[vn:3242]]
  • Inspecteer en palpeer de palmaire zijde van de vingers (vooral de vierde en vijfde straal) en de handpalm en let op kenmerkende noduli.
  • Bepaal de mate van flexiecontractuurvorming ter hoogte van het MCP- en PIP-gewricht.
  • Stel de diagnose bij vast-elastische, soms pijnlijke knobbels in de handpalm en vingers, met name in pink en ringvinger, die zich kunnen ontwikkelen tot strengen van fibrotisch weefsel.
  • Denk bij de differentiaal diagnose aan een posttraumatische contractuur.

Richtlijnen beleid

  • Geef uitleg over de aandoening en de prognose.[[vn:3243]] Er is geen permanente oplossing voor deze aandoening.
  • Wacht bij afwezigheid van een contractuur of bij een geringe contractuur in eerste instantie af.
  • Verwijs na voorlichting over operatiemorbiditeit en recidiefkans desgewenst voor een operatieve behandeling (fasciëctomie, dermatofasciëctomie of (naald)fasciotomie). Hierbij worden de fibrotische strengen verwijderd of alleen doorgenomen.
  • Geef uitleg dat de kans op een recidief na operatie op dezelfde of op een andere plaats groot is (circa 60%).

Tendovaginitis van De Quervain

Achtergronden

Een tendovaginitis van De Quervain[[vn:3244]] is een irritatie van de pezen van de musculus abductor pollicis longus en/of musculus extensor pollicis brevis. Deze wordt gekenmerkt door pijn aan de radiale zijde van de pols, een beperkte functie van de duim (vooral van grijpbewegingen en bij ulnairdeviatie van de pols) en zwelling aan de dorsoradiale zijde van de pols.

De prevalentie van een tendovaginitis van De Quervain in de algemene bevolking bedraagt 5 per 1000 personen voor mannen en 13 per 1000 personen voor vrouwen. De aandoening komt vooral voor bij vrouwen tussen 35 en 55 jaar en vaker tijdens zwangerschap en in de periode dat borstvoeding gegeven wordt.

De pezen van de musculus abductor pollicis longus en musculus extensor pollicis brevis lopen doorgaans gezamenlijk in een kanaal aan de dorsoradiale zijde van de pols. Door relatieve vernauwing van dit kanaal ontstaat er irritatie van de pezen. Hoewel er gesproken wordt van een tendovaginitis worden er bij pathologisch anatomisch onderzoek geen verschijnselen van inflammatie gevonden.

De aandoening komt vaak samen voor met chronische degeneratieve aandoeningen zoals artrose van het CMC-I-gewricht.

Richtlijnen diagnostiek

Anamnese

Vraag naar:

  • de lokalisatie van de pijn. De patiënt wijst met één vinger de pijn aan (doorgaans gelokaliseerd ter hoogte van het processus styloideus radii soms met uitstraling naar de duim of naar proximaal);
  • de ernst van de pijn (is er nachtelijke pijn of alleen pijn bij het bewegen?) en de mate van hinder;
  • voorgaande klachten in het gebied van de duim(muis) en de handpalm die zouden kunnen wijzen op CMC-I-artrose (zie onder artrose).

Lichamelijk onderzoek

Besteed aandacht aan:

  • roodheid, zwelling of crepitaties;
  • drukpijn op de radiale zijde van de pols en de betreffende pezen;
  • test van Finkelstein[[vn:3245]]: laat de patiënt een vuist maken waarbij de vingers de duim omvatten, en waarbij de duimnagel zo ver mogelijk naar de basis van de pink wordt gebracht. Vervolgens wordt de vuist door de arts naar ulnair gedevieerd, waarbij de vuist in lichte extensie wordt gehouden.

Evaluatie

Stel de diagnose tendovaginitis van De Quervain op basis van drie criteria:

  • pijn aan de radiale zijde van de pols;
  • pijn bij druk op de betreffende pezen;
  • positieve test van Finkelstein (bij het uitvoeren van de test wordt pijn aangegeven aan de dorsoradiale zijde van de pols).

Overweeg differentiaal diagnostisch artrose van het CMC-I-gewricht.

Richtlijnen beleid

De ernst van de klacht en de voorkeur van de patiënt geven richting aan het beleid.[[vn:3246]]

  • Geef bij minder ernstige en recent ontstane klachten uitleg over de aandoening.
  • Combineer dit eventueel met analgetica. De voorkeur gaat allereerst uit naar het gebruik van een lokaal NSAID. Paracetamol is tweede keus en een oraal NSAID is derde keus.
  • Geef bij onvoldoende effect van bovenstaande maatregelen en bij ernstige klachten een lokale corticosteroïdinjectie. Geef een injectie (1 ml triamcinolonacetonide 10 mg/ml) rondom de pezen aan de radiale zijde van de pols ter hoogte van de plek waar de patiënt de meeste pijn aangeeft. Het herstelpercentage na corticosteroïdinjectie bedraagt circa 80%. Herhaal de injectie bij uitblijven van verbetering na twee tot drie weken. Indien er na twee juist geplaatste injecties met een tussenpoos van twee tot drie weken geen verbetering is opgetreden is verdere injectiebehandeling niet zinvol.

Overweeg immobilisatie in de vorm van een spalk indien de patiënt niet opteert voor een injectie. Het herstelpercentage na spalkbehandeling bedraagt ongeveer 20%. De spalkbehandeling kan de huisarts zelf doen of daarvoor verwijzen naar een gespecialiseerd (hand)ergotherapeut. Overweeg bij onvoldoende resultaat van de bovenstaande behandeling een verwijzing naar de chirurg voor release van de pezen onder lokale anesthesie. Chirurgie heeft een herstelpercentage van 91% tegen hogere kosten en mogelijke chirurgische complicaties.

Totstandkoming

In januari 2008 startte een werkgroep met de NHG-Standaard niet-traumatische hand- en polsklachten. De werkgroep bestond uit de volgende leden: dr. C. Peters-Veluthamaningal, huisarts te Scheemda; W. Willems, huisarts te Amsterdam; J.G.E. Smeets, huisarts te Maastricht; mevrouw dr. D.A.W.M. van der Windt, epidemioloog verbonden aan het EMGO Instituut van de Vrije Universiteit te Amsterdam; mevrouw dr. M.N. Spies, epidemioloog verbonden aan het EMGO Instituut van de Vrije Universiteit te Amsterdam; dr. S.D. Strackee, plastisch chirurg AMC te Amsterdam; K. Vos, huisarts te Spijkenisse en mevrouw L.A. Wind, huisarts/gezondheidswetenschapper te Utrecht. Er werd geen belangenverstrengeling gemeld. Zeven huisartsen hebben in mei 2008 deelgenomen aan een focusgroep. In juni 2009 werd de conceptstandaard besproken in een tweede focusgroep die bijgewoond werd door twaalf huisartsen en huisartsenopleiders. In juni 2009 werd de ontwerpstandaard voor commentaar verstuurd naar vijftig aselect gekozen huisartsen uit het NHG-ledenbestand. Er werden achttien commentaarformulieren retour ontvangen. Als referenten bij de standaard traden op: dr. N. Delvaux en dr. Michels, huisartsen namens de Vlaamse Vereniging voor Huisartsen Domus Medica; dr. A.H. Schuurman, plastisch chirurg Universitair Medisch Centrum Utrecht; mevrouw J. van Engeldorp Gastelaars, apotheker, namens het Wetenschappelijk Instituut Nederlandse Apothekers; mevrouw prof.dr. A.L.M. Lagro-Janssen, hoogleraar huisartsgeneeskunde, Vrouwenstudies Medische Wetenschappen Universitair Medisch Centrum St. Radboud Nijmegen; prof.dr. J.M.A. Sitsen, arts-klinisch farmacoloog namens het College voor Zorgverzekeringen; dr. C.T.J. Hulshof, bedrijfsarts namens de Nederlandse Vereniging voor Arbeids- en Bedrijfsgeneeskunde; mevrouw S. van Vliet en D. Soeters, huisarten namens de NHG-Adviesraad Standaarden; dr. H.C.P.M. van Weert, huisarts, hoofdredacteur Huisarts en Wetenschap. Vermelding als referent betekent overigens niet dat iedere referent de standaard inhoudelijk op elk detail onderschrijft. In oktober 2009 werd de standaard becommentarieerd en geautoriseerd door de NHG-Autorisatiecommissie. De begeleiding van de werkgroep en de eindredactie berustten bij mevrouw L.A. Wind, huisarts/gezondheidswetenschapper en dr. J.J.X.R. Geraets, epidemioloog/gezondheidswetenschapper/fysiotherapeut en beiden wetenschappelijk medewerker van de afdeling Richtlijnontwikkeling en Wetenschap van het NHG. Dr. R.M.M. Geijer was betrokken als senior wetenschappelijk medewerker.

www.henw.org

Printen Venster sluiten