Printen Venster sluiten
H&W
Huisarts en Wetenschap, jaargang 2010, nummer 6:321-333

NHG-Standaard

NHG-Standaard Ulcus cruris venosum

Belangrijkste wijzigingen

  • Uit praktische overwegingen is er gekozen voor wondbedekkers die minder vaak verwisseld hoeven te worden en daarmee patiëntvriendelijker zijn.

Kernboodschappen

  • Compressietherapie is de belangrijkste pijler van de behandeling van ulcus cruris venosum en vermindert ook de recidiefkans.
  • De behandeling is goed uitvoerbaar in de eerste lijn. Verwijzing naar de dermatoloog is zelden nodig.
  • Bij de voorlichting is het van belang duidelijk te maken dat het genezingsproces lang duurt.
  • Bij een deel van de patiënten kan de recidiefkans worden verminderd door behandeling van mogelijk aanwezige varices. De huisarts overlegt met de patiënt of hij hiervoor in aanmerking wil komen.

Inbreng van de patiënt

De NHG-Standaarden geven richtlijnen voor het handelen van de huisarts; de rol van de huisarts staat dan ook centraal. Daarbij geldt echter altijd dat factoren van de kant van de patiënt het beleid mede bepalen. Om praktische redenen komt dit uitgangspunt niet telkens opnieuw in de richtlijn aan de orde, maar wordt het hier expliciet vermeld. De huisarts stelt waar mogelijk het beleid vast in samenspraak met de patiënt, met inachtneming van diens specifieke omstandigheden en met erkenning van diens eigen verantwoordelijkheid, waarbij adequate voorlichting een voorwaarde is.

Afweging door de huisarts

Het persoonlijk inzicht van de huisarts is uiteraard bij alle richtlijnen een belangrijk aspect. Afweging van de relevante factoren in de concrete situatie zal beredeneerd afwijken van het hierna beschreven beleid kunnen rechtvaardigen. Dat laat onverlet dat deze standaard bedoeld is om te fungeren als maat en houvast.

Delegeren van taken

NHG-Standaarden bevatten richtlijnen voor huisartsen. Dit betekent niet dat de huisarts alle genoemde taken persoonlijk moet verrichten. Sommige taken kunnen worden gedelegeerd aan de praktijkassistente, praktijkondersteuner of praktijkverpleegkundige, mits zij worden ondersteund door duidelijke werkafspraken, waarin wordt vastgelegd in welke situaties de huisarts moet worden geraadpleegd en mits de huisarts toeziet op de kwaliteit. Omdat de feitelijke keuze van de te delegeren taken sterk afhankelijk is van de lokale situatie, bevatten de standaarden daarvoor geen concrete aanbevelingen.

Inleiding

De NHG-Standaard Ulcus cruris venosum geeft richtlijnen voor diagnostiek, behandeling en preventie van een veneus ulcus. Het ulcus cruris venosum is een defect van de huid van het onderbeen, meestal aan de mediale zijde, tot in de subcutis of dieper en heeft weinig neiging tot genezing. Het ontstaat op basis van chronische veneuze insufficiëntie (CVI). In deze standaard wordt verder gesproken over een veneus ulcus, wat ook wel ‘open been’ genoemd wordt. Het beleid bij CVI staat beschreven in de NHG-Standaard Varices. Ook diabetespatiënten met een veneus ulcus aan het onderbeen kunnen volgens de NHG-Standaard Ulcus cruris venosum worden behandeld. De behandeling van een ulcus cruris op basis van arteriële, neurologische (vooral de diabetische neuropathie) en andere stoornissen valt buiten het bestek van deze standaard. Het beleid bij een voetulcus, veroorzaakt door decubitus of diabetes, wordt besproken in respectievelijk de NHG-Standaard Decubitus en Diabetes mellitus type 2.

Achtergronden

Epidemiologie

De gemiddelde incidentie van een veneus ulcus in de huisartsenpraktijk bedraagt 1,0 per 1000 patiëntjaren voor vrouwen en 0,3 per 1000 patiëntjaren voor mannen. De incidentie in de leeftijdsgroep boven de 75 jaar bedraagt 8,3 per 1000 patiëntjaren voor vrouwen en 2,2 per 1000 patiëntjaren voor mannen.[[vn:3491]] Een veneus ulcus komt onder de 45 jaar vrijwel niet voor. Een veneus ulcus neigt tot recidiveren. De recidiefkans bedraagt bij patiënten, behandeld met ambulante compressietherapie, ruim 10% per jaar, waarbij de kans op recidief het grootst is in het eerste jaar na genezing.1

Prognose

De genezingsduur van een veneus ulcus is relatief lang. Normaliter is de wondgenezing na drie weken behandeling met compressietherapie in volle gang. In een vroeg stadium van de behandeling kan men op basis van wondkenmerken (wondoppervlakte bij het eerste consult, snelheid van wondgenezing en de procentuele verandering van de wondoppervlakte) de genezing op de lange termijn voorspellen. Als bij een ulcus kleiner dan tien cm2 dat minder dan twaalf maanden oud is, na vier weken behandeling verbetering is opgetreden, is de kans circa driekwart dat het ulcus binnen zes maanden geneest.[[vn:3492]] Vanwege de lange duur van de behandeling, pijn en isolatie is de kwaliteit van leven van patiënten met een veneus ulcus verminderd.[[vn:3493]] Indien na twee maanden geen genezingstendens gezien wordt bij adequate behandeling, wordt de patiënt verwezen. Zie de paragraaf Consultatie en verwijzing.2

(Patho)fysiologie en etiologie

Bij het ontstaan van een veneus ulcus speelt CVI een essentiële rol. CVI kan het gevolg zijn van insufficiëntie van zowel het oppervlakkige, het perforerende als het diepe veneuze systeem.[[vn:3494]] Tekenen van insufficiëntie van het oppervlakkige systeem zijn varicosis en tromboflebitis. Het falen van de perforerende venen wordt veroorzaakt door primaire klepinsufficiëntie. Het falen van de diepe venen kan door primaire klepinsufficiëntie worden veroorzaakt, maar ook door secundaire klepinsufficiëntie na een doorgemaakte diepe veneuze trombose, waarbij het trombotische proces de klep beschadigt (posttrombotisch syndroom). De druk in de venen en de capillairen neemt bij alle vormen van insufficiëntie toe, wat leidt tot het ontstaan van afwijkingen in het capillaire vaatbed en veranderingen in cutis en subcutis. Zo ontstaan de volgende tekenen van CVI: corona phlebectatica, varices, oedeem, orthostatisch eczeem, hyperpigmentatie, atrofie blanche, induratie, dermato- en liposclerose en een ulcus.[[vn:3495]] Het effect van compressietherapie berust op het compenseren van de veneuze insufficiëntie. De veneuze afvloed wordt vergroot doordat de spierpompwerking verbetert, met als gevolg verlaging van de veneuze druk. Zie ook de NHG-Standaard Varices. Risicofactoren die worden geassocieerd met het ontstaan van veneuze ulcera zijn: diabetes mellitus, hartfalen, oedeem in de onderbenen, hypertensie, reumatoïde artritis, immobiliteit (paresen, uitgebreid beentrauma (fracturen, operatieve ingrepen)), varices, langdurig staan, andere huidaandoeningen (zoals eczeem, psoriasis).[[vn:3496]] Voor roken, overgewicht en een slechte voedingstoestand is geen associatie gevonden.[[vn:3497]]

Richtlijnen diagnostiek

Het ulcus cruris venosum is een aandoening waarbij inspectie de belangrijkste informatie levert. De anamnese is vooral gericht op het opsporen van onderliggende oorzaken van het ulcus, waarbij ook arteriële, neurologische en andere oorzaken aandacht krijgen. In de praktijk kan het soms moeilijk zijn onderscheid te maken tussen een veneus of arterieel ulcus, toch zijn er verschillende kenmerken (zie tabel 1). Soms kan er ook sprake zijn van een gemengd veneus en arterieel ulcus.

Tabel1Kenmerken van ulcera die een veneuze of arteriële oorzaak meer aannemelijk maken maken

Anamnese

De huisarts vraagt naar:

  • ontstaan, duur en beloop van de klachten;
  • pijnklachten (een arterieel ulcus is vaak pijnlijker dan een veneus ulcus);[[vn:3498]]
  • tekenen van infectie zoals koorts, algehele malaise en functieverlies (pijn veroorzaakt immobiliteit);
  • invloed op dagelijks leven, zoals nachtelijke onrust en immobiliteit (cave sociale isolatie);3
  • voorgeschiedenis:
      • een eerder doorgemaakt ulcus cruris venosum;
      • aandoeningen van het vaatstelsel die een veneuze oorzaak aannemelijk maken, zoals diepe veneuze trombose,[[vn:3499]] tromboflebitis6, varices, claudicatioklachten, lymfoedeem, ingrepen aan vaatstelsel van benen en/of bekken;
      • aanwezigheid van risicofactoren (zie de paragraaf (Patho)fysiologie en etiologie).6

Lichamelijk onderzoek

  • Inspecteer het ulcus:
      • lokalisatie van het ulcus (een veneus ulcus zit vaak mediaal, een arterieel ulcus vaak lateraal);[[vn:3500]]
      • grootte van het ulcus, dit kan op meerdere manieren: noteer de grootste lengte en breedte en schat de diepte, of maak een digitale foto van het ulcus en leg daarbij zowel horizontaal als verticaal een liniaal langs het ulcus;[[vn:3501]]
      • wondrand: begrenzing, ondermijning van de rand, re-epithelisatie, maceratie;[[vn:3502]]
      • wondbodem: necrose (zwart), beslag (geel), granulatie en epithelisatie (rood) (zie tabel 2 in bijlage 1 en de paragraaf Controle).
  • Let op tekenen van infectie:
      • wondinfectie: roodheid, zwelling, pijn, toename van het exsudaat, pussende en/of stinkende wond. Hypergranulatie kan ook een teken van infectie zijn;[[vn:3503]]
      • uitbreiding in omliggend weefsel: impetigo, erysipelas, cellulitis en necrotiserende fasciitis. Zie de NHG-Standaard Bacteriële huidinfecties;
  • Let op aanwijzingen voor onderliggende oorzaken:
      • tekenen van CVI aan het onderbeen: varices, corona phlebectatica, pitting-oedeem, orthostatisch eczeem, atrofie blanche, hyperpigmentatie, hyperkeratose, induratie (verharding van omliggend weefsel) en dermatoliposclerose. Zie de NHG-Standaard Varices;5
      • tekenen van perifeer arterieel vaatlijden: vergelijk in het linker- en rechterbeen de huidtemperatuur en de capillary refill, palpeer de pulsaties van de a. femoralis, a. tibialis posterior en a. dorsalis pedis. Overigens is bij 10% van de gezonde mensen de a. dorsalis pedis afwezig. Zie de NHG-Standaard Perifeer arterieel vaatlijden;
      • tekenen van hartfalen: aanwezigheid van perifeer pitting oedeem. Zie ook de NHG-Standaard Hartfalen;
      • tekenen van insufficiëntie van het lymfesysteem: aanwezigheid van perifeer non-pitting oedeem.

Aanvullend onderzoek

  • Routinematig laboratoriumonderzoek is niet nodig. Laboratoriumonderzoek is wel aanbevolen bij de volgende indicaties:
      • Vermoeden van hartfalen. Bepaal een (NT-pro)BNP, Hb, Ht, TSH en glucose. Zie de LESA Rationeel aanvragen van laboratoriumdiagnostiek en de NHG-Standaard Hartfalen.
      • Vermoeden van diabetes mellitus. Bepaal de glucosewaarde bij niet-vorderende wondgenezing ondanks adequaat zwachtelen. Dit kan veroorzaakt worden door een nog onbekende diabetes mellitus. Zie de NHG-Standaard Diabetes Mellitus.
  • Bepaal de enkel-armindex als de a. dorsalis pedis bij lichamelijk onderzoek niet palpabel is. Het is belangrijk om arteriële insufficiëntie uit te sluiten, omdat ambulante compressietherapie bij patiënten met arteriële insufficiëntie kan leiden tot ischemie. Voor de werkwijze zie de NHG-Standaard Perifeer arterieel vaatlijden. Bij een enkel-armindex < 0,9 is het onzeker of de patiënt wel in aanmerking komt voor ambulante compressietherapie en is verwijzing naar een vaatfunctie-afdeling geïndiceerd.
  • Verwijs patiënten voor duplexonderzoek naar de vaatfunctieafdeling, indien deze na voorlichting (zie de paragraaf Voorlichting) over vermindering van de kans op een recidiefulcus interesse hebben voor variceschirurgie. Dit onderzoek kan ook na genezing van het ulcus plaatsvinden.
Het routinematig afnemen van een wondkweek is niet zinvol. Als het ulcus zelf geïnfecteerd is, wordt het ulcus behandeld met wondbedekkers (zie tabel 2 in bijlage 1). Als de omgeving van het ulcus geïnfecteerd is, wordt dit behandeld volgens de NHG-Standaard Bacteriële huidinfecties.[[vn:3504]] In uitzonderingsgevallen bestaat er een indicatie voor het afnemen van een biopsie. Geadviseerd wordt dit over te laten aan de dermatoloog.14

Evaluatie

Er is sprake van een ulcus cruris venosum bij een ulcus met de volgende kenmerken:

  • een huiddefect, meestal aan de mediale zijde,10 dat ten minste twee weken bestaat en/of geen genezingstendens vertoont binnen twee weken na start van de behandeling;
  • een grillig begrensde ulcusrand, zonder ondermijning;
  • tekenen van CVI in de omgeving.5

De differentiaaldiagnose van een ulcus cruris venosum is:

  • arterieel ulcus: een droog ulcus, meestal aan de laterale zijde van het onderbeen of pretibiaal (zie tabel 1). Claudicatioklachten, afwezigheid of vermindering van pulsaties in de a. femoralis, tibialis posterior en dorsalis pedis, een verlaagde enkel-armindex en vermindering van temperatuur van de huid en aanhoudende pijn8 wijzen in deze richting;
  • hypertensief ulcus van Martorell (ulcus cruris arteriole scleroticum): een zeldzaam ulcus dat wordt gezien bij patiënten met langdurige, ernstige en meestal suboptimaal ingestelde hypertensie. De ulceratie wordt veroorzaakt door ischemie ten gevolge van een verhoogde vaatweerstand. De ulcera zijn meestal gelokaliseerd op het onderbeen, boven het enkelgebied, zijn in het begin meestal zwart-necrotisch en zeer pijnlijk;
  • neuropathisch ulcus: sensibiliteitsstoornissen (vaak wijzend op diabetische neuropathie);
  • neoplastisch ulcus: plaveiselcelcarcinoom, basaalcelcarcinoom, maligne melanoom of lymfoom. Denk hieraan bij een afwijkend beloop en een atypisch beeld;
  • ulcus ten gevolge van infecties: mycose of bacteriële infectie;
  • ulcus door een auto-immuunziekte: parapemphigus, pyoderma gangraenosum, vasculitis;
  • exogeen ulcus: door fysische of chemische schade, artefact, trauma.

Richtlijnen beleid

De behandeling van een ulcus cruris venosum bestaat uit voorlichting, wondbehandeling, ambulante compressietherapie en nazorg. De belangrijkste pijler van de behandeling is ambulante compressietherapie, waardoor de veneuze insufficiëntie zoveel mogelijk wordt gecompenseerd. Door de patiënt te laten lopen wordt de kuitspierpomp optimaal benut. Het gevolg hiervan is een verbetering van de microcirculatie, waardoor genezing mogelijk wordt. Het behandelingsplan moet duidelijke afspraken bevatten over controle door de huisarts na drie weken, na twee maanden en op indicatie.[[vn:3505]] De huisarts kan de behandeling delegeren aan de praktijkassistente of praktijkondersteuner. De huisarts kan ook de wijkverpleegkundige of huidtherapeut inschakelen. De huisarts is in alle gevallen eindverantwoordelijk en verifieert de vakbekwaamheid van degene die de behandeling uitvoert. Het advies is om eenduidige regionale afspraken te maken met degenen die de wondbehandeling uitvoeren en de apothekers.

Voorlichting

Voorlichting is een wezenlijk onderdeel van de behandeling. Het heeft als doel de patiënt te motiveren en diens acceptatie en therapietrouw te bevorderen.[[vn:3506]]

  • Bespreek de ontstaanswijze van CVI en een veneus ulcus.
  • Leg uit dat de behandeling van een veneus ulcus vaak lang duurt.
  • Leg het principe van de behandeling en het belang van oedeembestrijding door middel van zwachtelen en bewegen uit. Vertel dat het been enkele weken tot maanden gezwachteld moet worden.
  • Leg zonodig uit dat diuretica alleen zinvol zijn indien er sprake is van oedeem ten gevolge van hartfalen. Bij statisch oedeem door CVI zijn diuretica niet zinvol.[[vn:3507]]
  • Leg uit dat de patiënt langdurig gebruik moet maken van aangemeten therapeutische elastische kousen om een recidiefulcus te voorkomen.
  • Vertel mobiele patiënten met een redelijke levensverwachting zonder aanwijzingen voor arteriële insufficiëntie, bij wie de CVI (mede) veroorzaakt lijkt te worden door oppervlakkige reflux door varices, dat de kans op een recidiefulcus nadat het ulcus genezen is met mogelijk de helft verminderd kan worden door middel van varicesbehandeling. Om de bijdrage van varices aan de CVI te kunnen beoordelen is een duplexonderzoek noodzakelijk. Patiënten met interesse in de mogelijkheid van varicesbehandeling worden verwezen voor duplexonderzoek naar de vaatfunctie afdeling als het ulcus weer (bijna) dicht is.[[vn:3508]]

In aansluiting op de gegeven mondelinge voorlichting, kunt u de patiënt de NHG-Patiëntenbrieven Open been en Dikke benen door slechte vaten meegeven. Deze brieven zijn gebaseerd op de NHG-Standaard Ulcus cruris venosum, en bevatten informatie over het veneuze ulcus en de behandeling ervan. Zie voor een overzicht van alle NHG-Patiëntenbrieven de rubriek Patiëntenvoorlichting op www.nhg.org.

Wondbehandeling

Bij wondbehandeling wordt het beleid primair opgesteld vanuit de algemene behandelingsprincipes: zorg voor een vochtig wondmilieu, bestrijd overtollig exsudaat of een ernstige infectie en verwijder necrose. Een vochtig wondmilieu en het bestrijden van overtollig exsudaat draagt bij aan een snellere wondgenezing. Bij natte wonden is het zaak het vocht te absorberen, bij vochtige wonden het vocht te reguleren en bij droge wonden is het van belang vocht in de wond te brengen. Bij een veneus ulcus kunnen meerdere fases (in volgorde van afnemende ernst: necrose (zwart ulcus), debris/beslag (geel ulcus) en granulatie/epithelisatie (rood ulcus) aanwezig zijn. Voor afbeeldingen zie de rubriek Richtlijnen op www.nhg.org of het Handboek verrichtingen in de huisartsenpraktijk. Het is belangrijk om de meest ernstige fase het eerst aan te pakken. Er is weinig onderzoek naar de effectiviteit van de verschillende wondbedekkers. Van nieuwere materialen zoals alginaten, hydrocolloïden, hydrogels en schuimverbanden is dan ook niet aangetoond dat ze een beter effect hebben op de wondgenezing dan traditioneel verband, zoals Engels pluksel met een indifferente zalf. In deze standaard is toch gekozen voor het gebruik van de nieuwere materialen, omdat ze zorgen voor een vochtig wondklimaat en minder frequent verwisseld hoeven te worden. Het laatste is van belang omdat verbandwisseling vaak pijnlijk is. Bijlage 1 geeft een handleiding voor de praktische uitvoering van de wondbehandeling. Tabel 2 in deze bijlage met adviezen over de keus van de wondbedekker afhankelijk van de wondfase berust voor een groot deel op praktijkervaringen.[[vn:3509]] Het advies is om met een aantal wondbedekkers ervaring op te doen en over de keus ervan regionale afspraken te maken met degenen die de behandeling uitvoeren en de apothekers.

Ambulante compressietherapie

Het adequaat aanleggen van een compressieverband is essentieel voor een goede behandeling. Zonder ambulante compressietherapie heeft wondbehandeling geen zin.[[vn:3510]] In de beginfase is er veelal oedeem aanwezig. Door het zwachtelen slinkt het been. De frequentie van het zwachtelen is afhankelijk van de hoeveelheid vochtproductie van het veneuze ulcus, de conditie van het veneuze ulcus, de hoeveelheid oedeem en de mobiliteit van de patiënt. Zwachtel bij veel wondvocht en oedeem in het begin dagelijks, anders volstaat drie keer per week. Zodra de benen slank gezwachteld zijn en er een genezingstendens zichtbaar is, neemt de zwachtelfrequentie af naar twee keer per week. De zwachtels blijven dag en nacht zitten. Het heeft de voorkeur het aantal zwachtelmethoden beperkt te houden, omdat het belangrijk is dat de zwachteltechniek op de juiste manier wordt toegepast. Eerste keus is een compressieverband met korte-rekzwachtels. Bij patiënten bij wie de korte rekzwachtels niet goed blijven zitten en bij niet-mobiele patiënten is een vierlaags verband een alternatief. In de bijlagen 2 en 3 worden deze technieken beschreven. Er is geen bewijs dat het nieuwe tweelaags compressiekoussysteem beter werkt dan deze vormen van ambulante compressietherapie.20 Indien door het zwachtelen het oedeem verdwenen is, kunnen de zwachtels vervangen worden door aangemeten therapeutische elastische kousen als ambulante compressietherapie. Verwijs patiënten met een enkel-armindex < 0,9 naar de vaatfunctie-afdeling voor een duplexonderzoek ter beoordeling van de conditie van de beenarteriën. Een enkel-armindex < 0,6 en een arteriële druk < 70 mmHg zijn absolute contra-indicaties voor ambulante compressietherapie.

Instructies bij ambulante compressietherapie De volgende adviezen aan de patiënt zijn van belang voor een goed resultaat van de behandeling:

  • Lopen en bewegen. Motiveer de patiënt zoveel mogelijk te blijven lopen om de terugstroom van veneus bloed uit de benen te bevorderen. In de praktijk blijkt het vaak moeilijk om ouderen hiertoe aan te zetten. Corrigeer eventuele bijkomende orthopedische problemen (bijvoorbeeld met steunzolen en goede (aangepaste) schoenen) of adviseer de aanschaf van een rollator.
  • Oefenen om de kuitspierpomp te activeren. Laat de patiënt in staande houding beide hielen van de grond tillen en weer neerzetten of bij immobiliteit dorsaal-plantaire voetbewegingen uit voeren als het been is gezwachteld. Schakel zonodig ter ondersteuning een fysiotherapeut in.
  • Hoogleggen van de benen. Dit gaat het ontstaan van oedeem tegen. In liggende positie (ook ’s nachts) legt de patiënt zijn benen boven het niveau van het hart en in zittende positie boven het zitniveau (de benen maken een hoek van 10 tot 30 graden omhoog).

Factoren die de behandeling kunnen compliceren

  • Contactallergie berust meestal op een overgevoeligheid voor lokaal aangebrachte preparaten of voor stoffen uit verbandmiddelen. Een contactallergie belemmert de genezing van het veneuze ulcus. Bij gebruik van indifferente middelen (met name vetcrèmes zoals vaseline-cetomacrogolcrème en koelzalf (unguentum leniens) is de kans op een allergische reactie gering en wordt de huid beschermd tegen uitdroging. Zie de NHG-Farmacotherapeutische richtlijn Contactallergie.
  • Comorbiditeit als diabetes mellitus, hartfalen, hypertensie, adipositas, reumatologische en neurologische aandoeningen komt regelmatig voor en kan de genezing van een veneus ulcus bemoeilijken.
  • Hypergranulatie kan optreden in de epithelialisatiefase door te veel vochtopname van het granulatieweefsel (met name bij gebruik van hydrocolloïden, hydrogel en schuimverbanden), maar kan ook een teken van infectie zijn. De behandeling bestaat uit het wisselen van de wondbedekker en/of het aanstippen met een zilvernitraatstift.13
  • Pijn. De behandeling met compressieverband kan extra ongemak veroorzaken naast de eventuele pijn van het veneuze ulcus zelf.8 Indien de pijn ten gevolge van het zwachtelen niet vermindert na ongeveer tien minuten lopen, moeten de zwachtels opnieuw worden aangebracht. Helpt dit ook niet om de pijn te verminderen, heroverweeg dan de diagnose, want dit kan wijzen op arteriële ischemische pijn.

Medicamenteuze behandeling Medicamenteuze behandeling bij patiënten met een ulcus cruris is alleen geïndiceerd bij complicaties:

  • Indien het veneuze ulcus gepaard gaat met een bacteriële infectie in de omgeving van het ulcus (zoals erysipelas of cellulitis) is een systemische behandeling met antibiotica geïndiceerd. Zie de NHG-Standaard Bacteriële huidinfecties. Start pas met ambulante compressietherapie als de pijn dit toelaat.
  • Pijn kan worden veroorzaakt door het veneuze ulcus zelf (maar staat meestal niet op de voorgrond) of een teken van infectie zijn. Heroverweeg de diagnose bij ernstige pijnklachten (cave arterieel ulcus).8 Pijn kan leiden tot immobiliteit die voorkomen moet worden met adequate pijnbestrijding. Zie de NHG-Farmacotherapeutische richtlijn Pijnbestrijding. Als wondverschoning of debridement gepaard gaat met veel pijn kan ook gekozen worden voor lokale pijnbestrijding door middel van lidocaïneprilocaïnecrème. [[vn:3511]] Na aanbrengen van een dosis van 1 tot 2 gram/10 cm² onder occlusie kan na 30 tot 45 minuten een debridement plaatsvinden door de huisarts. Maak hierover afspraken met degene die de wondbehandeling uitvoert. Voorzichtigheid is geboden bij patiënten met een groot ulcus vanwege de systemische toxiciteit; daarom maximaal 10 gram per keer gebruiken.
  • Het gebruik van ibuprofenschuimverband wordt niet aanbevolen, omdat de effectiviteit nog onvoldoende is aangetoond en er geen langetermijngegevens bekend zijn.
  • Het gebruik van diuretica om statische oedemen bij CVI te bestrijden is ongewenst.17 Diuretica worden alleen voorgeschreven als het oedeem mede door hartfalen veroorzaakt wordt. Zie de NHG-Standaard Hartfalen.

Controle Bij iedere verbandwisseling wordt het ulcus opnieuw geïnspecteerd, wordt nagegaan of een andere wondbedekker nodig is en wordt het ulcus schoongemaakt en opnieuw verbonden. Daarbij wordt geïnformeerd naar de therapietrouw,16, 8, 3 pijnbeleving en de gevolgen van het ulcus voor het dagelijks leven. Normaliter is de genezing drie weken na aanvang van de behandeling duidelijk in gang. Tekenen van wondgenezing zijn:

  • afname van omvang en diepte van het veneuze ulcus;
  • het schoner worden van het veneuze ulcus;
  • granulatie, de groei van kleine capillairen en bindweefsel om oppervlakkige wonden op te vullen. Granulatieweefsel is helderrood van kleur. Granulatie dient te worden onderscheiden van hypergranulatie wat juist een teken van infectie kan zijn;13
  • epithelialisatie, hierbij groeien de ulcusranden naar elkaar toe en wordt het ulcus geleidelijk bedekt met epitheelweefsel dat vanuit de rand of follikelresten groeit. Er vindt daarna nog langdurig remodellering van het collageen plaats. Een ulcus cruris venosum laat op termijn zelden duidelijke littekens achter.

Indien de huisarts de behandeling van het veneuze ulcus delegeert, verricht de huisarts controles na drie weken, na twee maanden en op indicatie (bijvoorbeeld wekelijks bij debridement).15,11 Het advies is om bij elke controle steeds op dezelfde manier de grootte van het ulcus vast te leggen (zie de paragraaf Lichamelijk onderzoek), zodat het beloop in de tijd geobjectiveerd kan worden. Digitale foto’s kunnen het overleg tussen de huisarts en degene die de behandeling uitvoert vergemakkelijken. Zie bijlage 1 voor een handleiding van de praktische uitvoering van de controle.

Consultatie of verwijzing Bij een ongecompliceerd ulcus cruris venosum is verwijzing zelden nodig. Verwijzing naar de tweede lijn (dermatoloog of vaatchirurg, afhankelijk van de regionale situatie) is geïndiceerd bij:

  • het ontbreken van een genezingstendens van het ulcus na twee maanden adequate wondbehandeling en ambulante compressietherapie;2
  • twijfel aan de veneuze origine van het ulcus (zie de paragraaf Evaluatie);
  • een groot of diep ulcus dat mogelijk chirurgisch kan worden gesloten;
  • een ulcus waarbij de CVI gecompliceerd wordt door lymfoedeem.

Verwijs voor aanvullend duplexonderzoek naar de vaatfunctie-afdeling bij:

  • mobiele patiënten met varices en belangstelling voor behandeling daarvan ter vermindering van de kans op een recidiefulcus (zie paragraaf Voorlichting);
een enkel-armindex < 0,9; ter beoordeling van de conditie van het arteriële vaatstelsel.

Behandelingsvormen in de tweede lijn Er is onvoldoende bewijs dat negatieve druktherapie, [[vn:3512]] ultrageluidtherapie [[vn:3513]] en pneumatische compressietherapie23 effectiever zijn dan conventionele therapie. De huisarts kan wel te maken krijgen met negatieve druktherapie, omdat deze methode geregeld geadviseerd wordt op dermatologische poliklinieken. De patiënten nemen de negatieve drukpomp dan dikwijls mee naar huis, waar de wijkverpleegkundige de behandeling overneemt. Daarnaast wordt in de tweede lijn voor debridement gebruik gemaakt van madentherapie en voor een niet-sluitend veneus ulcus skingrafting. [[vn:3514]] Het opheffen van de CVI door varices of insufficiënte venae perforantes kan door middel van sclerocompressietherapie, endovasculaire behandelingen en vaatchirurgische behandeling.[[vn:3515]] Zie voor meer informatie de NHG-Standaard Varices.

Nazorg en preventie Bij patiënten met een genezen ulcus cruris venosum zijn de volgende zaken van belang:

  • Het langdurig dragen van therapeutische elastische kousen [[vn:3516]] is van groot belang om adequate compressie te handhaven. Het dragen van dergelijke kousen stuit bij veel patiënten op weerstand. Bespreek daarom duidelijk de voordelen: voorkómen van een recidief van het veneuze ulcus, bescherming bij het stoten, tegengaan van oedeemvorming en een minder moe gevoel in de benen. Ook de nadelen dienen expliciet aan de orde te komen: moeilijk aantrekken, stijf gevoel in de benen, cosmetisch minder fraai en de noodzaak van levenslang dragen. Voor verdere informatie over elastische kousen zie de NHG-Standaard Varices:
  • Voorlichting. Bij de nazorg gelden nog steeds dezelfde adviezen als beschreven in de paragraaf Instructies bij ambulante compressietherapie, alleen het oefenen wordt nu gedaan met de elastische kous aan;
  • Huidverzorging. Om de huid in goede conditie te houden is het advies om elke dag de huid met een indifferente crème/zalf (bijvoorbeeld vaselinecetomacrogolcrème of koelzalf (unguentum leniens), deze zijn hypoallergeen en parfumvrij) in te smeren.

Totstandkoming

In oktober 2007 startte een werkgroep van huisartsen met de ontwikkeling van de NHG-Standaard Ulcus cruris venosum. De werkgroep bestond uit de volgende leden: L. Apeldoorn, huisarts; F.S.R. Balak, huisarts; N. van Hof, nurse practitioner; H.J. de Nooijer, huisarts; V. Vleesch Dubois, huisarts; N.M.M. van Rijn-van Kortenhof, huisarts en wetenschappelijk medewerker NHG. Door de werkgroepleden werd geen belangenverstrengeling gemeld.
In juli 2009 werd de ontwerpstandaard voor commentaar verstuurd naar vijftig aselect gekozen huisartsen uit het NHG-ledenbestand. Vijftien commentaarformulieren werden retour ontvangen. Daarnaast werd commentaar ontvangen van een aantal referenten, te weten: prof.dr. H.A.M. Neumann, dermatoloog Erasmus MC Rotterdam; dr. C. Sanders, dermatoloog UMC Utrecht; dr. H.D.W.M. van de Pavoordt, vaatchirurg St. Antonius Ziekenhuis Nieuwegein; dr. D.Th. Ubbink, epidemioloog AMC Amsterdam; P. van Royen, huisarts verbonden aan Domus Medica in België; prof.dr. J.M.A. Sitsen, arts-klinisch farmacoloog namens het College voor Zorgverzekeringen; prof.dr. A.L.M. Lagro-Janssen, Universitair Medisch Centrum St. Radboud; dr. T. Schalekamp, B.J.J.F. van den Bemt, J. van Engeldorp Gastelaars, apothekers namens de werkgroep voor Farmacotherapie en Geneesmiddelinformatie (WFG) van KNMP/WINAp; J. Hekman en A. Brand, huisartsen namens de NHG-Adviesraad Standaarden; dr. H.C.P.M. van Weert, huisarts en hoofdredacteur Huisarts en Wetenschap. Naamsvermelding als referent betekent overigens niet dat iedere referent de standaard inhoudelijk op elk detail onderschrijft.
In maart 2010 werd de standaard becommentarieerd en geautoriseerd door de NHG-Autorisatiecommissie.
De begeleiding van de werkgroep en de redactie van de tekst van de standaard was in handen van N.M.M. van Rijn-van Kortenhof, huisarts en wetenschappelijk medewerker van de afdeling Richtlijnontwikkeling en Wetenschap. Dr. Tj. Wiersma was betrokken als seniorwetenschappelijk medewerker van de afdeling Richtlijnontwikkeling en Wetenschap.
De gevolgde zoekstrategieën voor het vinden van de onderbouwende literatuur zijn te vinden bij de webversie van deze standaard (zie www.nhg.org). © 2010 Nederlands Huisartsen Genootschap

Bijlage 1: Wondbehandeling en keus van wondbedekkers

Bij wondbehandeling wordt het beleid primair opgesteld vanuit de algemene behandelingsprincipes: zorg voor een vochtig wondmilieu, bestrijd overtollig exsudaat of een ernstige infectie en verwijder necrose. Een vochtig wondmilieu en het bestrijden van overtollig exsudaat draagt bij aan een snellere wondgenezing. Bij natte wonden is het zaak het vocht te absorberen, bij vochtige wonden het vocht te reguleren en bij droge wonden is het van belang vocht in de wond te brengen. Er is weinig onderzoek naar de effectiviteit van de verschillende wondbedekkers. Van nieuwere materialen zoals alginaten, hydrocolloïden, hydrogels en schuimverbanden is dan ook niet aangetoond dat ze een beter effect hebben op de wondgenezing dan traditioneel verband zoals Engels pluksel met een indifferente zalf. In deze standaard is gekozen voor het gebruik van de nieuwere materialen, omdat ze zorgen voor een vochtig wondklimaat en minder frequent verwisseld hoeven te worden. Het laatste is van belang omdat verbandwisseling vaak pijnlijk is. Ook de kosten van de verschillende wondbedekkers zijn nagenoeg gelijk. De keus van wondbedekkers zoals weergegeven in tabel 2 berust deels op algemene wondbehandelingsprincipes, deels op ervaringen uit de praktijk. Het advies is om met een aantal wondbedekkers ervaring op te doen en over de keus regionale afspraken te maken met degenen die de behandeling uitvoeren en de apotheek.

Stappenplan voor wondbehandeling:

  • Bij een veneus ulcus kunnen meerdere fases aanwezig zijn, in volgorde van afnemende ernst: necrose (zwart ulcus), debris/beslag (geel ulcus) en granulatie/epithelisatie (rood ulcus). Voor afbeeldingen zie de rubriek Richtlijnen op www.nhg.org en het Handboek verrichtingen in de huisartsenpraktijk. Het is belangrijk om de meest ernstige fase het eerst aan te pakken.
  • Maak het veneuze ulcus schoon door middel van de douche of in schoon kraanwater gedrenkte gazen.[[vn:3517]]
  • Verwijder met schaar en pincet de eventueel aanwezige necrose of debris (wondtoilet of debridement). Bij een pijnlijk debridement kan 30 tot 45 minuten van tevoren lidocaïneprilocaïnecrème in het ulcus worden aangebracht (zie de paragraaf Medicamenteuze therapie).19 Een uitzondering bij het debridement is het laten zitten van de droge necrose bij een zwart droog ulcus. Het droge necrotisch materiaal (korst) fungeert zelf als een wondbedekker. Let op: verwijder droge necrose wel indien de korst bij palpatie fluctueert. Dit betekent dat er onder de korst purulent exsudaat zit.
  • Bescherm de ulcusranden met een barrièrecrème, barrièrespray of zinkolie.
  • Behandel daarna het veneuze ulcus afhankelijk van wondfase (zwart, geel of rood), wondvochtigheidsgraad (nat, vochtig of droog) en infectiegraad met een wondbedekker (zie tabel 2). Maceratie is meestal een teken van verkeerde verbandkeuze.12 Infectie van het ulcus zelf wordt behandeld met een wondbedekker (zie tabel 2). Breidt de infectie zich uit in de omgeving (bijvoorbeeld erysipelas of cellulitis) dan is systemische behandeling met antibiotica geïndiceerd. Zie de NHG-Standaard Bacteriële huidinfecties.
  • Nadat de wondbedekker is aangebracht, wordt een secundair verband aangebracht. Bij natte en vochtige ulcera wordt een absorberend verband gebruikt en bij droge ulcera een gaasverband.
  • Ten slotte wordt het been ingezwachteld (zie de paragraaf Ambulante compressietherapie).

Tabel2Keus wondbedekkers

Bijlage 2: De korterekzwachtelmethode

Bij de korterekzwachtelmethode wordt een niet-elastisch compressieverband aangelegd. Doel is het verbeteren van de veneuze bloedstroom, waardoor de wondgenezing wordt bevorderd. Deze verbetering komt tot stand doordat de oppervlakkige venen en de insufficiënte venae perforantes worden dichtgedrukt en de spierpomp weer effectief wordt. Het verband moet zijn grootste druk ontwikkelen aan de voet vanaf de tenenrij, waarna de druk proximaalwaarts tot aan de knie gelijkmatig hoort af te nemen. Het verband moet stevig aanliggen. Doordat het verband niet elastisch is, is er een lage rustdruk en kan het ook ’s nachts worden gedragen. Tijdens spieractiviteit is de werkdruk groot: er treden drukschommelingen op van 30 tot 40 mmHg.

Het aanleggen. Aanwezige enkelcoulissen, wreefcoulissen en pretibiale coulissen worden om de druk gelijkmatig te verdelen opgevuld met hydrofiele watten. Eventueel worden de watten gefixeerd met een elastische fixatiezwachtel van 6 cm breed. Hierna wordt het eigenlijke compressieverband aangelegd. Dit vereist oefening. Per keer worden twee rollen korterekzwachtels gebruikt, met een breedte van 10 cm. De eerste zwachtel begint onmiddellijk proximaal van de tenenrij. De zwachtel wordt rondom de voet, hiel en enkels stevig naar boven gedraaid, waarbij de voet zoveel mogelijk in dorsaalflexie wordt gehouden om een spitsvoet te voorkomen. De laatste toer van de eerste zwachtel eindigt vlak onder de knie. De tweede zwachtel wordt onder voortdurende druk in tegengestelde richting gedraaid, te beginnen met een slag om de voet en verder over het onderbeen. Hij eindigt op hetzelfde niveau als de eerste zwachtel, onder de knie. Om verschuiven van het verband tegen te gaan, wordt aan de mediale en laterale zijde van het verband een lange hechtpleister aangebracht. Vervolgens wordt de kleur van de tenen na lopen beoordeeld. Indien er kort na het aanleggen veel pijn ontstaat, moet rekening worden gehouden met arteriële problematiek. Zie voor meer informatie en afbeeldingen over het zwachtelen het Handboek verrichtingen in de huisartsenpraktijk.

Bijlage 3: De vierlaagszwachteltechniek

Het vierlaagsverband is een elastisch compressieverband, dat 's nachts niet verwijderd hoeft te worden. De eerste laag is een polsterverband, bedoeld om benige uitsteeksels tegen druk van de volgende lagen te beschermen. De tweede laag is een tussenlaag van katoenen crêpe. Dan volgen twee elastische zwachtels, waarvan de tweede laag cohesief is, zodat een goede fixatie plaatsvindt. Omdat het verband elastisch is, is de spierpomp niet nodig om werkdruk op te bouwen. Daarom is dit verband geschikt bij patiënten die niet mobiel zijn. Bij diegenen bij wie korterekzwachtels niet goed blijven zitten is dit verband ook een geschikt alternatief.

Het aanleggen. De eerste laag, het polsterverband, wordt aangelegd door het been van de tenen tot aan de knie spiraalsgewijs te omwikkelen. Geef geen druk, neem een overlapping van 50% en zie erop toe dat benige uitsteeksels goed bedekt zijn. Vervolgens wordt de tweede laag, de zwachtel van katoenen crêpe, op dezelfde wijze aangelegd met als doel de onderliggende laag te fixeren. De derde laag, die elastisch is, wordt vervolgens van de tenen tot de knie in een achtfiguur aangebracht onder 50% rek en met 50% overlapping. Ten slotte volgt de vierde laag, elastisch en zelfklevend, circulair aangelegd, met 50% rek en 50% overlapping. De kleeflaag goed aandrukken.

www.henw.org

Printen Venster sluiten