Main content

Lage-rugpijn bij zwangerschap

P. Lucassen

Mens beschrijft in zijn dissertatie een aantal belangrijke aspecten van zwangerschapsgerelateerde lage rugpijn (PPPP = peripartum pelvic pain): lage-rugpijn of pijn elders in de bekkenregio (bijvoorbeeld de symphysis pubis) die voor het eerst ontstaat tijdens de zwangerschap of binnen drie weken na de bevalling. Het proefschrift bevat een dwarsdoorsnede-onderzoek, een randomised clinical trial en een serie onderzoeken naar de validiteit en betrouwbaarheid van een aantal fysisch-diagnostische tests. Uit het dwarsdoorsnede-onderzoek – 394 patiënten, allen lid van een patiëntenvereniging – bleek dat PPPP in hoge mate interfereert met een aantal dagelijkse activiteiten, zoals staan, zitten en lopen. Er was een positieve relatie tussen PPPP en tweelingzwangerschap, eerste zwangerschap, hogere leeftijd bij eerste zwangerschap, hoog geboortegewicht, forceps- of vacuümextractie, fundusexpressie en een geflecteerde wervelkolom tijdens de bevalling; een negatieve relatie bestond tussen PPPP en sectio caesarea. In de RCT – 44 vrouwen met PPPP bij wie de bevalling zes weken tot zes maanden eerder had plaatsgevonden – werd het effect onderzocht van spierversterkende oefeningen voor de schuine rompmusculatuur, spierversterkende oefeningen van de longitudinale rompspieren en het achterwege laten van oefeningen. Hiertoe werden de vrouwen ingedeeld in drie groepen. Er werd geen verschillen in effect gevonden. Uit het diagnostische deel van het proefschrift blijkt dat de ASLR-test (active straight leg raising) betrouwbaar en valide is bij vergelijking met de PPPP-test (posterior pelvic pain provocation), dat de ASLR-test correleert met röntgenologisch vastgestelde mobiliteit in de bekkengewrichten, en dat de kracht van ab- en adductie van de heupen goed discrimineert tussen patiënten met PPPP en gezonde vrouwen. Voor de huisarts zijn de conclusies uit dit proefschrift van beperkte waarde. Allereerst is het dwarsdoorsnede-onderzoek gedaan bij een dermate geselecteerde populatie dat de resultaten niet generaliseerbaar zijn voor patiënten die het spreekuur van de huisarts bezoeken. De resultaten van de RCT – die mogelijk verklaard kunnen worden door een lage power – sluiten aan bij het waarschijnlijk door huisartsen geprefereerde beleid – afzien van behandelen. Ten slotte is het de vraag of de resultaten van het diagnostische onderzoek valide zijn. Zo zijn vraagtekens te zetten bij de waarde van de gouden standaard (de PPPP-test) en werd geen onafhankelijke vergelijking gemaakt tussen de onderzochte tests en de gouden standaard. Mogelijk is in afwezigheid van een valide gouden standaard onderzoek naar de prognostische waarde van bevindingen bij lichamelijk onderzoek een vruchtbaarder invalshoek dan het vaststellen van de diagnostische waarde. Hierbij zouden de in dit proefschrift vastgestelde gevoeligheid voor verandering van de ASLR en de heup ab- en adductie een rol kunnen spelen.