Huisarts en Wetenschap, jaargang 2005, nummer 13:653-653
In 2005 en 2006 komen herziene NHG-Standaarden uit over een aantal aandoeningen in het KNO-gebied. Het gaat om de standaarden allergische en hyperreactieve rhinitis, rinosinusitis, otitis externa, otitis media met effusie (OME) bij kinderen, acute keelpijn, slechthorendheid en otitis media acuta (OMA). Reden om deze aandoeningen eens nader onder de loep te nemen.
Van alle KNO-aandoeningen krijgt de huisarts het meest te maken met klachten uit de groep ‘allergische rhinitis, hooikoorts, niezen, loopneus’, gevolgd door acute keelpijn en sinusklachten (figuur).
Er is een duidelijke relatie tussen specifieke KNO-aandoeningen en de leeftijd van patiënten die met die aandoening bij hun huisarts komen. Slechthorendheid is vooral een ouderdomsprobleem: van de 1000 65-plussers bezoeken er 31 met dit probleem het spreekuur, tegen 8 patiënten onder 65 jaar. Twee keer zo veel mensen onder de 65 jaar komen met acute keelklachten in vergelijking met 65-plussers (31 versus 16). Hetzelfde geldt voor ‘allergische rhinitis, hooikoorts, niezen, loopneus’: 42 tegenover 24 patiënten. OMA komt vooral voor bij kinderen onder de 10 jaar.
Het merendeel van de verwijzingen voor KNO-aandoeningen gaat naar de KNO-arts, maar ook de kinderarts, dermatoloog/allergoloog en het audiologisch centrum krijgen patiënten doorgestuurd. In 2004 verwees de huisarts 17,4 van de 1000 patiënten naar de KNO-arts. Hiermee krijgt de KNO-arts ongeveer evenveel verwijzingen als de chirurg, orthopeed of oogarts. Iets meer dan de helft (52%) van deze verwijzingen is voor een van de aandoeningen waarvoor nu een herziene standaard verschijnt (tabel). Bij de resterende groep nemen verwijzingen voor ‘hypertrofie of chronische infectie van tonsillen of adenoïd’ (R90) en stemklachten (R23) een groot deel voor hun rekening (11% van het totaal). TabelVerwijzingen naar de KNO-arts (2004) Huisartsen verwijzen 40% van de patiënten met slechthorendheid. Ze zijn daarmee de groep die de grootste kans loopt te worden verwezen (zie figuur). De huisarts verwijst 1 op de 8 patiënten met OME: procentueel de tweede grote verwijscategorie. Patiënten met ‘allergische rhinitis, hooikoorts, niezen, loopneus’ – het KNO-beeld dat de huisarts het meest ziet – worden het minst vaak verwezen, namelijk slechts 2,2% van de patiënten.
De huisarts behandelt zelf verreweg de meeste patiënten met een aandoening waarvoor nu een herziene standaard uitkomt. Van de slechthorende patiënten wordt 40% verwezen. Zou 60% ten onrechte zonder gehoorapparaat ‘doof’ rondlopen? Op grond van de hier gepresenteerde gegevens kunnen we geen uitspraken doen over de (on)terechtheid van wel of niet verwijzen. Zeker is dat veel slechthorende patiënten geen specialistische behandeling nodig hebben. Denk bijvoorbeeld aan geruststelling als het gehoor bij onderzoek blijkt mee te vallen, wachten tot de verkoudheid over is of gewoon oren uitspuiten. Vroeger werden patiëntjes met OMA vaak verwezen voor paracentese. Tegenwoordig is OMA nog maar zelden een reden voor verwijzing is. Deze praktijk sluit aan bij de herziene standaard waarin nog maar een beperkte plaats is voor verwijzen.