homeNHG-Standaard
Huisarts en Wetenschap, jaargang 2007, nummer 7:306-314
De NHG-Standaarden geven richtlijnen voor het handelen van de huisarts; de rol van de huisarts staat dan ook centraal. Daarbij geldt echter altijd dat factoren van de kant van de patiënt het beleid mede bepalen. Om praktische redenen komt dit uitgangspunt niet telkens opnieuw in de richtlijn aan de orde, maar wordt het hier expliciet vermeld. De huisarts stelt waar mogelijk zijn beleid vast in samenspraak met de patiënt, met inachtneming van diens specifieke omstandigheden en met erkenning van diens eigen verantwoordelijkheid, waarbij adequate voorlichting een voorwaarde is.
Het persoonlijk inzicht van de huisarts is uiteraard bij alle richtlijnen een belangrijk aspect. Afweging van de relevante factoren in de concrete situatie zal beredeneerd afwijken van het hierna beschreven beleid kunnen rechtvaardigen. Dat laat onverlet dat deze standaard bedoeld is om te fungeren als maat en houvast.
NHG-Standaarden bevatten richtlijnen voor huisartsen. Dit betekent niet dat de huisarts alle genoemde taken persoonlijk moet verrichten. Sommige taken kunnen worden gedelegeerd aan de praktijkassistente, praktijkondersteuner of praktijkverpleegkundige, mits zij worden ondersteund door duidelijke werkafspraken waarin wordt vastgelegd in welke situaties de huisarts moet worden geraadpleegd en mits de huisarts toeziet op de kwaliteit. Omdat de feitelijke keuze van de te delegeren taken sterk afhankelijk is van de lokale situatie, bevatten de standaarden daarvoor geen concrete aanbevelingen.
De NHG-Standaard Stoppen met roken geeft richtlijnen voor diagnostiek en beleid om rokers op een effectieve manier te adviseren en te begeleiden bij het stoppen met roken. Het doel van de standaard is de gezondheidsproblemen die roken met zich meebrengt te verminderen of te voorkomen, en daarmee de levensduur te verlengen en de kwaliteit van leven van de patiënt en diens omgeving te verbeteren. De schadelijke effecten van roken vormen een breed maatschappelijk gezondheidsprobleem. De patiënt is uiteindelijk zelf verantwoordelijk voor zijn rookgedrag, maar het is de taak van hulpverleners in de gezondheidszorg om hem te begeleiden als hij wil stoppen met roken. Aangezien jaarlijks 70% van de Nederlanders de huisarts bezoekt, is de huisartsenpraktijk de uitgelezen plaats voor een stoppen-met-rokeninterventie.Noot 1 De huisarts brengt de rookstatus in kaart, adviseert rokers te stoppen en biedt hen een stoppen-met-rokeninterventie aan. Met deze aanpak zijn stoppercentages van circa 20% te behalen. Bij een aantal aan roken gerelateerde aandoeningen, zoals COPD en hart- en vaatzoekten, heeft stoppen met roken meer effect dan een medicamenteuze behandeling.Noot 2 Op deze manier kunnen huisartsen dus een belangrijke bijdrage leveren aan het verminderen en voorkomen van aan roken gerelateerde gezondheidsproblemen, zowel individueel als op maatschappelijk niveau. De standaard sluit aan bij de multidisciplinaire richtlijn tabaksverslaving die het CBO heeft opgesteld die bewerkt is voor gebruik in de huisartsenpraktijk en bouwt voort op de reeds bestaande Minimale Interventiestrategie Stoppen met roken voor de Huisartsenpraktijk (H-MIS).Noot 3
Tabak is een verslavend genotmiddel dat nicotine bevat. Nicotine stimuleert de acetylcholinereceptoren in het autonome en het centrale zenuwstelsel, waardoor dopamine en adrenaline vrijkomen. Dopamine activeert het beloningscentrum in de hersenen, waardoor de roker genot ervaart. Adrenaline heeft een oppeppend effect. Rokers ervaren een lage dosis nicotine als stimulerend en concentratieverhogend, en een hoge dosis nicotine als rustgevend. De werking van nicotine op het beloningssysteem is vergelijkbaar met die van middelen als heroïne en cocaïne.Noot 4 Nicotineafhankelijkheid of tabaksverslaving is als aandoening opgenomen in de ICD-10 en de DSM-IV.Noot 5 Een deel van het rookgedrag wordt veroorzaakt door de behoefte de nicotineconcentratie op het gewenste peil te houden vanwege de prettige bijeffecten. Een ander deel wordt veroorzaakt door de hinderlijke neveneffecten van ontwenning. De ontwenningsverschijnselen die worden gerapporteerd zijn: prikkelbaarheid, ongeduld, rusteloosheid, snakken naar een sigaret, slechte concentratie, slapeloosheid, hoofdpijn, grotere eetlust en gewichtstoename. Deze symptomen ontstaan meestal twee tot twaalf uur na de laatste inname, met een piek na één tot drie dagen, en ze duren gemiddeld drie tot vier weken. De psychische afhankelijkheid van nicotine (craving) houdt echter veel langer aan en is moeilijk te doorbreken.Noot 6 Ook sociale factoren kunnen het moeilijk maken met roken te stoppen, houden het rookgedrag in stand of bevorderen het zelfs. De mate van nicotineafhankelijkheid wordt vooral bepaald door het aantal sigaretten dat iemand rookt en of iemand kort na het ontwaken een sigaret opsteekt. Deze twee factoren zijn van belang voor het advies van de huisarts over ondersteuning van het stoppen met roken met medicatie.Noot 7
Tabaksrook veroorzaakt onder meer ademhalingsziekten, kanker, hart- en vaatziekten en ziekten aan het maag-darmstelsel.Noot 8 , Noot 9 Blootstelling aan tabaksrook zorgt voor een chronische ontstekingsreactie in de centrale en perifere luchtwegen, met als gevolg bronchusobstructie. De polycyclische aromatische koolwaterstoffen in tabaksrook zijn carcinogeen; ze kunnen mutaties van genen in epitheelcellen veroorzaken waardoor deze cellen maligne worden. De cardiovasculaire schade ontstaat vooral doordat bloeddruk, hartslag en coronaire doorstroming toenemen. Daarnaast ontstaat er perifere vasoconstrictie. De doorbloeding van de extremiteiten neemt af, evenals die van de nieren en het colon. Roken stimuleert het maag-darmkanaal. Nicotine verhoogt de zuurproductie in de maag en doet tonus en motiliteit van het colon toenemen. De polycyclische aromatische koolwaterstoffen in tabaksrook zorgen bovendien voor een verhoogde kans op insulineresistentie en stimuleren bepaalde enzymsystemen in de lever, wat leidt tot een versnelde metabolisering van sommige geneesmiddelen. De grootte van de schade die door roken wordt aangericht is gerelateerd aan het aantal sigaretten en aan het aantal jaren dat men gerookt heeft. Van deze twee factoren heeft het aantal jaren de meeste invloed.4 Deze aantallen worden in de literatuur vaak vastgelegd in pakjaren.Noot 10 Tabaksrook is niet alleen schadelijk voor de roker. Ook meeroken (passief roken) brengt gezondheidsrisico’s met zich mee (zie Epidemiologie).
De belangrijkste redenen voor volwassenen om te stoppen met roken zijn: de gezondheid niet langer willen schaden (49%), gezondheidsklachten (15%), achteruitgang in conditie (10%) en dat de partner stopt (19%). Voor jongeren zijn gezondheidsredenen minder van belang (22%), zij stoppen vooral omdat ze roken niet lekker meer vinden (23%).Noot 11 De motivatie van de roker is bepalend voor het succes van de stoppen-met-rokenbehandeling. Naarmate iemand gemotiveerder is, is de kans groter dat hij ook daadwerkelijk stopt met roken. Deze standaard maakt daarom onderscheid tussen gemotiveerde rokers, overwegers en ongemotiveerde rokers.Noot 12 Gemotiveerde rokers zijn rokers die op dit moment of op korte termijn willen stoppen met roken. Overwegers zijn rokers die in de toekomst wel graag zouden willen stoppen maar dat om uiteenlopende redenen voor zich uitschuiven. Ongemotiveerde rokers zijn rokers die ondanks de steun en begeleiding die wordt aangeboden niet gemotiveerd zijn te stoppen met roken.
Van de Nederlandse bevolking rookt 28%.8 In 2004 overleden bijna 20.000 mensen aan de gevolgen van roken.8Tabaksgebruik is de belangrijkste enkelvoudige oorzaak van ziekte en sterfte, en verantwoordelijk voor naar schatting 21% van de verloren levensjaren. Ziekte en sterfte door tabaksgebruik worden vooral veroorzaakt door longkanker, COPD en coronaire hartziekten.9 Het hoogste percentage rokers vinden we in de leeftijdsgroep 25 tot 54 jaar. In deze leeftijdscategorie rookt ongeveer 35% van de mannen en 30% van de vrouwen. Onder ouderen is het percentage beduidend lager, van de 65-plussers rookt ongeveer 14%. Voor een deel komt dit doordat rokers eerder overlijden, maar het heeft ook te maken met het feit dat mensen op latere leeftijd minder snel beginnen en vaker stoppen met roken.Noot 13 Niet alleen rokers lopen een verhoogd risico aan de gevolgen van het roken te overlijden. Ook mensen die meeroken omdat ze in de omgeving verkeren van een roker, hebben ongeveer 25% meer kans om longkanker of hart- en vaatziekten (HVZ) te krijgen. Daarnaast veroorzaakt of verergert meeroken vooral bij kinderen luchtwegaandoeningen.Noot 14
Breng de rookstatus in kaart van patiënten die zelf om ondersteuning vragen bij stoppen met roken en van spreekuurbezoekers bij wie stoppen met roken extra van belang is. Voor een aantal patiëntengroepen is dat belang reeds onderstreept in NHG-Standaarden:Noot 15
De huisarts kan het in kaart brengen van de rookstatus uitbreiden naar geschikte situaties en naar groepen van patiënten bij wie veel gezondheidswinst te behalen valt.Noot 18
Zie figuur 1 voor het stroomdiagram eerste spreekuurbezoek. Vraag aan spreekuurbezoekers bij wie u het rookgedrag in kaart wilt gaan brengen naar de rookstatus: ‘Rookt u?’ (ja – gestopt – nee).
Afhankelijk van de rookstatus en de motivatie wordt de patiënt ingedeeld in een van onderstaande groepen:
De huisarts geeft alle rokers het advies te stoppen met roken. Dit is effectief gebleken en kost weinig tijd.Noot 19 Breng dit advies op een duidelijke, sterke en op de persoon afgestemde manier; benadruk het belang van het stoppen met roken voor de toekomstige gezondheid en leg waar mogelijk een relatie met ziekten, risicofactoren of klachten die op dat moment bij de patiënt aanwezig zijn. Bespreek, ongeacht de motivatie van de roker, wat de praktijk aan ondersteuning kan bieden en bied zo nodig een vervolgcontact aan. Maak met gemotiveerde rokers een vervolgafspraak voor een intensieve ondersteunende interventie (zie kader Intensieve ondersteunende interventie) en bied overwegers in een vervolgconsult een korte motivatieverhogende interventie aan (zie kader korte motivatieverhogende interventie). Spreek tegenover de gestopte roker uw waardering uit en onderstreep het belang. Vraag ongemotiveerde rokers toestemming om in een volgend consult terug te komen op de rookstatus en de motivatie (zie figuur 1).
Bied voorlichtingsmateriaal aan naar behoefte. Er zijn verschillende producten beschikbaar. NHG-Patiëntenbrieven zijn gebaseerd op de standaard en bevatten informatie over hulp en adviezen bij stoppen met roken. Voor patiënten die gemotiveerd zijn te stoppen met roken is er de NHG-Patiëntenbrief Stoppen met roken. Voor overwegers is er de NHG-Patiëntenbrief Overwegen van stoppen met roken. Voor de gestopte roker is er de NHG-Patiëntenbrief Volhouden van stoppen met roken. De NHG-Patiëntenbrieven zijn te vinden op de NHG-website (http://www.nhg.org > Patiëntenvoorlichting). Voor meer informatie over behandelmogelijkheden kunt u verwijzen naar STIVORO, het expertisecentrum voor tabakspreventie en tabakshulpverlening (http://www.stivoro.nl/huisarts).
Van alle rokers is 7% op een willekeurig moment gemotiveerd om te stoppen met roken.Noot 20 Geadviseerd wordt bij gemotiveerde rokers het ijzer te smeden als het heet is en hen de meest effectieve interventie aan te bieden. Deze bestaat uit een intensieve ondersteunende gedragsmatige interventieNoot 21 (zie kader korte motivatieverhogende interventie), die bij personen die tien of meer sigaretten per dag gebruiken gecombineerd wordt met nicotinevervangende middelen (NVM), nortriptyline of bupropion.Noot 22 , Noot 23 De interventie is op de persoon afgestemd en bestaat uit ten minste vier consulten van tien minuten in een periode van enkele maanden. Afhankelijk van de ernst van de verslaving en de behoefte van de patiënt wordt de contacttijd verlengd en/of het aantal follow-upconsulten uitgebreid.21
Bied rokers die overwegen te stoppen met roken, maar daar op dit moment nog niet aan toe zijn, een korte motivatieverhogende interventie aan (zie box 2).Noot 24
Nicotinevervangende middelen (NVM), nortriptyline en bupropion zijn ongeveer even effectief bij stoppen met roken. Gezien de vergelijkbare effectiviteit en de geringere bijwerkingen en contra-indicaties zijn NVM de eerste keus. Nortriptyline of bupropion worden in deze standaard beschouwd als gelijkwaardig en komen in aanmerking als de patiënt daar expliciet om vraagt of als eerdere stoppogingen met NVM zijn mislukt. Aanbevolen wordt om aan de intensieve ondersteunende interventie medicamenteuze ondersteuning toe te voegen als de patiënt meer dan tien sigaretten per dag gebruikt. Ook patiënten die minder dan tien sigaretten per dag gebruiken, kunnen in aanmerking komen voor medicatie als zij dat wensen. Afhankelijk van de mate van nicotineafhankelijkheid, de behoefte van de patiënt en eventuele contra-indicaties is er de mogelijkheid om één middel of een combinatie van middelen, aan te bieden (zie tabel 1). Nortryptiline en bupropion kunnen eventueel in combinatie met NVM gebruikt worden.
NVM zijn verkrijgbaar als kauwgom, pleister, sublinguale tablet en zuigtablet. Bij patiënten die per dag 10 sigaretten of meer roken, verhogen ze de kans op stoppen op lange termijn met 1,5 tot 2 keer tot circa 17% (NNT=14). Noot 25 De keuze kan worden gebaseerd op persoonlijke voorkeur. Bij een sterke nicotineafhankelijkheid (meer dan 20 sigaretten per dag en eerste sigaret binnen 30 minuten na ontwaken) is een hogere dosis NVM effectiever dan een lage dosis. NVM hebben relatief lichte bijwerkingen en kunnen ook gegeven worden aan rokers met aangetoonde HVZ en jongeren. NVM bij zwangeren lijken minder schadelijk dan roken tijdens de zwangerschap. Noot 26 Een recent myocardinfarct, instabiele angina pectoris, ernstige aritmieën en een recent CVA gelden als contra-indicaties. Voor aanvang van de behandeling dient het roken volledig te worden gestaakt (zie tabel 1). NVM zijn ook zonder recept verkrijgbaar en worden niet vergoed.
Nortriptyline is een tricyclisch antidepressivum en sinds 1963 op de markt als middel tegen depressie. Het is niet geregistreerd als middel voor stoppen met roken, maar in een dosering van 75 mg per dag wel effectief gebleken: de kans om te stoppen neemt toe tot 17% ten opzichte van 7% bij gebruik van placebo (NNT = 10).Noot 27 Nortriptyline is in deze standaard – die daarmee aansluit bij de multidisciplinaire richtlijn – opgenomen als middel voor stoppen met roken omdat de kosten laag zijn en vergoed worden, en de bijwerkingen en contra-indicaties bekend zijn. Wel moet de huisarts met de patiënt bespreken dat nortriptyline niet voor stoppen met roken geregistreerd is. Een recent myocardinfarct geldt als contra-indicatie. Voor ouderen en adolescenten bedraagt de begindosering een derde tot de helft van die voor volwassenen. Leg een stopdatum vast in de tweede behandelweek. De behandeling duurt zeven tot twaalf weken. Geleidelijk afbouwen van de inneming is bij deze (relatief lage) dosering niet nodig (zie tabel 1). Bupropion is ongeveer even effectief als nortriptyline; het doet de kans om te stoppen met circa 10% toenemen.Noot 28 Start de behandeling met bupropion terwijl de patiënt nog rookt. Leg een stopdatum vast in de tweede behandelweek. De maximale dosering bij ouderen is de helft van die bij volwassenen. De behandelingsduur is zeven tot negen weken, daarna wordt gestopt. Laat bupropion niet voor het slapen innemen, om de kans op slaapstoornissen te verminderen (zie tabel 1).
Andere middelen voor stoppen met roken worden niet geadviseerd. Het gebruik van varenicline wordt vooralsnog niet aanbevolen omdat het middel tot dusverre alleen is onderzocht bij gezonde proefpersonen en de effecten op de lange termijn nog onduidelijk zijn.Noot 29 Tabel1Medicatie bij stoppen met roken
Als het voor de huisarts niet mogelijk is een stoppen-met-rokeninterventie aan te bieden, wordt geadviseerd de patiënt te verwijzen, bijvoorbeeld naar STIVORO. Deze instantie biedt verschillende stoppen-met-rokenprogramma’s aan zoals ‘Advies op Maat’, telefonische coaching en de training ‘Pakje Kans’ (op regionaal niveau via de GG&GD of thuiszorg).Noot 30 Ook lokaal worden (via de GG&GD) diverse programma’s aangeboden. Ernstig verslaafde rokers kunnen bij instellingen voor verslavingszorg terecht. Op de afdelingen cardiologie en longziekten in ziekenhuizen zijn minimale interventiestrategieën in gebruik, respectievelijk de C-MIS en de L-MIS. Sommige ziekenhuizen beschikken over een stoppen-met-rokenpoli.
Om een niet-medicamenteus stoppen-met-rokenbeleid in de huisartsenpraktijk te kunnen realiseren, adviseert deze standaard om speciaal geïnstrueerde praktijkmedewerkers, zoals praktijkondersteuners, praktijkverpleegkundigen of praktijkassistentes, te laten meewerken aan de implementatie en uitvoering ervan. Naarmate de huisartsenpraktijk beschikt over voldoende speciaal geïnstrueerd personeel kan zij de implementatie op praktijkniveau uitbreiden.
In april 2006 begon een werkgroep met het schrijven van de NHG-Standaard Stoppen met roken. De werkgroep bestond uit de volgende leden: W. Bax, huisarts te Bergambacht, dr. N.H. Chavannes, huisarts-onderzoeker te Rotterdam, dr. A.J.M. Drenthen, senior wetenschappelijk medewerker van de sectie Preventie en Patiëntenvoorlichting van het NHG, dr. B.D. Frijling, huisarts te Rhenen, S. Guerrouj, praktijkondersteuner, P.W.M. Jansen, huisarts te Nijmegen, dr. J. Kaper, onderzoeker aan de Universiteit Maastricht, en J.R. van der Laan, huisarts te Utrecht. De werkgroep werd begeleid door L.A. Wind, huisarts en wetenschappelijk medewerker van de afdeling Richtlijnontwikkeling en Wetenschap van het NHG. Van de werkgroepleden verklaarde J. Kaper in het recente verleden onderzoek te hebben verricht naar de effectiviteit van varenicline en nicotinepleisters waarvoor subsidie verkregen was van de firma Pfizer. De overige leden van de werkgroep meldden geen belangenverstrengeling. In februari 2007 werd dit ontwerp voor commentaar naar vijftig at random gekozen huisartsen uit het NHG-ledenbestand gestuurd. Er werden zestien commentaarformulieren teruggestuurd. Daarnaast ontving de werkgroep commentaar op de conceptstandaard van een aantal referenten, te weten I. Stevens van STIVORO, P.G Tromp-Beelen, huisarts en verslavingsarts in Amsterdam, H. van Rens, huisarts te Beek, dr. I. Smeele, huisarts te Eindhoven en coördinator van de COPD & Astma Huisarts Adviesgroep (CAHAG), dr. G. Thijs, huisarts en projectmedewerker Preventie van Domus Medica in België, A. Brand en J. Hekman, beiden huisarts en lid van de NHG-Adviesraad Standaarden, J. Luinenberg, apotheker namens het Geneesmiddel Informatie Centrum KNMP/WINAp, A.C. van Loenen, klinisch farmacoloog en hoofdredacteur van het Farmacotherapeutisch Kompas, C. van Weel, hoogleraar huisartsgeneeskunde te Nijmegen en J.W.W. Coebergh, epidemioloog van het Integraal Kankercentrum Zuid te Eindhoven. Vermelding als referent betekent overigens niet dat de referent de standaard inhoudelijk op elk detail onderschrijft. In april 2007 werd de conceptstandaard geautoriseerd door de NHG-Autorisatiecommissie. De totstandkoming van deze standaard werd mede mogelijk dankzij een subsidie van het Partnership Stop-met-roken.
© 2007 Nederlands Huisartsen Genootschap
Ongevraagd ter sprake brengen van roken door de huisarts Uit een TNS-NIPO-enquête onder 1124 Nederlanders blijkt dat 84% van de bevolking het acceptabel vindt als de huisarts, zonder dat de patiënt erom vraagt, stoppen met roken aan de orde stelt [Lems 2006].
Longfunctieverlies als gevolg van roken
Zoals figuur 2 illustreert, is het voor de longfunctie altijd zinvol om te stoppen met roken. De figuur, uit de Amerikaanse Lung Health Study [Kanner 2001], toont in rood de aantallen patiënten die doorrookten, in wit de stoppers. Er bestaat een duidelijke dosisresponsrelatie: naarmate iemand meer rookt, daalt de longfunctie sneller, althans bij degenen die daarvoor gevoelig zijn. Bij patiënten met licht tot matig COPD die blijven roken, daalt het FEV1 jaarlijks met gemiddeld 62 ml, versus 31 ml bij diegenen die definitief stoppen. Dit laatste valt binnen de fysiologische grenzen van longfunctieverlies [Anthonisen 1994; Kanner 2001].
De Minimale Interventiestrategie Stoppen met roken De Minimale Interventiestrategie Stoppen met roken voor de Huisartsenpraktijk (H-MIS) is een in 1994 speciaal voor de Nederlandse huisartsenpraktijk ontwikkelde kortdurende interventie ter ondersteuning van stoppen met roken. De H-MIS kan worden toegepast door zowel huisarts als praktijkondersteuner. In zes stappen, verdeeld over twee tot drie consulten, worden het motivatieniveau en de nicotineafhankelijkheid vastgesteld en barrières besproken, wordt een stopdatum afgesproken, farmacotherapie geadviseerd en een zelfhulpgids en follow-upconsult aangeboden. Uit een RCT onder 530 patiënten uit 22 huisartsenpraktijken bleek de OR voor zelfgerapporteerde continue abstinentie na 6 en 12 maanden 3,04 (95%-BI 1,7-5,6), met een absoluut verschil van 5,1% tussen de interventie- en de controlegroep en een positief effect in de interventiegroep van 8,2%. In de interventiegroep kreeg 9,3% van de rokers NVM naast de consulten [Pieterse 2001]. Uit een pilotproject op het gebied van programmatische preventie van hart- en vaatziekten, uitgevoerd van 1998 tot 2000 onder duizend Nederlandse huisartsen, bleek dat niet meer dan 30% van de huisartsen de H-MIS gebruikt [Frijling 2004]. Belemmerende factoren zijn: angst dat het de relatie met de patiënt schaadt (deze veronderstelling wordt niet door onderzoek ondersteund), gebrek aan tijd, moeite om de werkwijze te veranderen, het ontbreken van een financiële vergoeding, onvoldoende kennis en vaardigheden van de assistent en moeilijk kunnen motiveren van patiënten [Drossaert 1999].
Effecten van nicotine Hoewel tabaksrook honderden stoffen bevat, is het duidelijk dat de nicotine verantwoordelijk is voor de opwekkende en verslavende werking van roken [Knol 2005]. Nicotine stimuleert de acetylcholinereceptoren in het centrale en perifere zenuwstelsel, wat leidt tot een verhoging van de afgifte van neurotransmitters als acetylcholine, (nor)adrenaline, dopamine en serotonine. De acute effecten van nicotine op de hogere hersenfuncties zijn complex. In lagere doses is nicotine opwekkend. Bij proefdieren leidt nicotine doorgaans tot activering van het gedrag. Een hoge dosis geeft versuffing. Rokers geven zelf ook aan dat een hogere dosis nicotine spanning wegneemt. EEG-registraties lijken deze bevindingen te bevestigen [Knol 2005]. De gevoeligheid van de nicotinereceptor kan snel afnemen (desensitisatie). Er zijn aanwijzingen dat dit reeds na het roken van één sigaret het geval is [Pidoplichko 1997]. Bovendien neemt het aantal nicotinereceptoren in de hersenen snel toe bij toediening van nicotine. Het rookgedrag van volwassenen wordt voor een groot deel verklaard door de behoefte een gewenst niveau van nicotine-inname in stand te houden als reactie op verlaagde nicotinerendementen, hetgeen leidt tot compenserend roken om ontwenningsverschijnselen tegen te gaan [Russel 1990]. Roken leidt hierdoor al snel tot lichamelijke en psychische afhankelijkheid. Nicotine heeft dezelfde effecten op het dopaminesysteem in de hersenen als andere psychoactieve middelen. De kans op verslaving is bij nicotine echter groter dan bij cocaïne, amfetamine en alcohol, mogelijk door de snelle desensitisatie en toename van het aantal nicotinereceptoren in de hersenen [Knol 2005]. Het roken van nicotine zorgt voor cardiovasculaire effecten. Centraal zorgt het voor stijging van de bloeddruk en hartslag, perifeer voor vasoconstrictie [Knol 2005]. De doorbloeding van de extremiteiten neemt af, evenals de doorbloeding van de nieren en het colon. [Bornmyr 1991; Srivastava 1990]. Niet alleen de nicotine in sigarettenrook is schadelijk voor hart en vaten. Ook de polycyclische aromatische koolwaterstoffen (PAK’s) in sigarettenrook zijn schadelijk vanwege hun carcinogene werking. Er is een positieve correlatie gevonden tussen het aantal gerookte sigaretten en de hoeveelheid DNA-adducts in weefsel, PAK’s gebonden aan DNA. In tumorweefsel worden significant meer DNA-adducts aangetroffen dan in gezond weefsel [Srivastrada 1990]. Daarnaast zorgen de PAK’s voor enzyminductie in de lever, met als mogelijk gevolg beïnvloeding van geneesmiddelconcentraties in plasma. Tot deze middelen behoren bijvoorbeeld paracetamol (zie NHG-Standpunt Paracetamol), theofylline, TCA’s, SSRI’s en antipsychotica [Knol 2005]. De schade die roken aanricht is gerelateerd aan zowel het aantal gerookte sigaretten als het aantal jaren dat men gerookt heeft, maar van deze factoren heeft de duur van het roken de meeste invloed [Doll 1994].
Tabaksverslaving als ziekte Tabaksverslaving is opgenomen in de International Classification of Diseases (ICD-10) [WHO 1992]. Ook in de DSM-IV is nicotineafhankelijkheid als stoornis opgenomen. De DSM-IV hanteert de volgende criteria voor afhankelijkheid van een middel [American Psychiatric Association 1995]. Problematisch gebruik van een middel met klinisch belangrijke gevolgen, blijkend uit drie (of meer) van de volgende verschijnselen die zich op enig moment gedurende dezelfde twaalf maanden voordoen.
Ontwenningsverschijnselen bij stoppen met roken De meeste mensen zullen bij stoppen met roken onttrekkingsverschijnselen ervaren, veroorzaakt door de verminderde nicotineconcentratie in het lichaam. Ontwenningsverschijnselen die kunnen optreden, zijn dysfore of depressieve stemming, slapeloosheid, prikkelbaarheid, angst, concentratieproblemen, rusteloosheid, verergering van psychiatrische comorbiditeit, vertraging van de hartslag, toename van eetlust of gewicht, obstipatie en hyperreactiviteit van de luchtwegen. Symptomen ontstaan twee tot twaalf uur na stoppen, met een piek na één tot drie dagen, en duren gemiddeld drie à vier weken. De psychische afhankelijkheid van nicotine (craving) houdt echter veel langer aan en is moeilijk te doorbreken. Ook na jarenlange onthouding kan de voormalige roker (bijvoorbeeld bij stress) weer snel in de oude gewoonte vervallen [Knol 2005]. Stoppen met roken leidt geregeld tot gewichtstoename. De gemiddelde gewichtstoename verschilt sterk in individuele onderzoeken. Reviews rapporteren gemiddelden tussen de 2,5 en de 6 kilo; mogelijk is de hoogste schatting juister dan de lagere [Peters 2005]. De hinderlijke neveneffecten van nicotineontwenning zijn een belangrijke oorzaak van het mislukken van vele pogingen om te stoppen.
Nicotineafhankelijkheid De mate van nicotineafhankelijkheid wordt bepaald door een aantal factoren. Hiervan zijn de hoeveelheid sigaretten die iemand rookt en de tijdsduur waarbinnen iemand na het ontwaken een sigaret opsteekt de belangrijkste. Als maat voor nicotineafhankelijkheid wordt aangehouden tien of meer sigaretten per dag of de eerste sigaret binnen dertig minuten na het opstaan [Fiore 2000; Heatherton 1991].
Sterfte door acht aan roken gerelateerde aandoeningen in 2004 (volwassenen van 20 jaar en ouder) Deze cijfers zijn berekend met het Chronische Ziekten Model (CZM) van het RIVM (tabel 2). Het CZM is een dynamisch populatiemodel dat voor 71 aandoeningen het effect berekent van ongezond gedrag op de levensloop: het schat de effecten van veranderingen in het vóórkomen van risicofactoren (onder andere roken en overgewicht) op het vóórkomen van chronische ziekten (onder andere hart- en vaatziekten, diabetes en diverse vormen van kanker) en de daaruit af te leiden sterfte in Nederland [STIVORO 2005; De Hollander 2006]. Tabel2Totale sterfte en sterfte door roken in 2004 in Nederland
Aan roken gerelateerde ziekten en aandoeningen In de Verenigde Staten wordt van de aan roken gerelateerde sterfte circa 31% veroorzaakt door HVZ, 28% door longkanker, 23% door COPD en astma, 8% door andere kanker dan longkanker, en de resterende 10% door andere oorzaken [Centers for Disease Control and Prevention 2005]. Rokers hebben een 4 maal zo grote kans om aan HVZ te overlijden als niet-rokers, en bij meer dan 90% van de COPD-patiënten wordt deze aandoening veroorzaakt door roken [US Department of Health and Human Services 2004]. Vergeleken met levenslange niet-rokers hebben rokende vrouwen 12 maal, en rokende mannen zelfs 22 maal meer kans om te sterven aan longkanker [American Cancer Society 2005]
Pakjaren Een pakjaar is het aantal jaren dat men heeft gerookt maal het aantal pakjes sigaretten per dag (een pakje is twintig sigaretten).
Redenen om te stoppen met roken Genoemde cijfers zijn afkomstig van een onderzoek van TNS-NIPO waarin 19.344 Nederlanders van 15 jaar en ouder zijn ondervraagd over hun rookgedrag [STIVORO 2006].
Mate van motivatie voor stoppen met roken bepaalt de keuze van de interventie De stoppen-met-rokenbehandeling is gebaseerd op reeds bestaande en onderzochte modellen van gedragsverandering waarin het motivatieniveau van de roker een belangrijke rol speelt. Deze modellen zijn het transtheoretische stages of change-model van Prochaska en Diclemente en het catastrofemodel voor gedragsverandering. Uit onderzoek blijkt dat de motivatie van de roker medebepalend is voor het succes van de interventie. Het stages of change-model onderscheidt vijf motivatiestadia: vooroverwegen, overwegen, voorbereiden, uitvoeren en volhouden [Prochaska 1997]. De stoppen-met-rokeninterventies die hierop zijn gebaseerd gaan uit van het idee dat het effectiever is aan te sluiten bij het motivatiestadium van de roker dan een algemene interventie te doen. Uit een review van 23 RCT’s blijkt dat er beperkt bewijs is voor dit model als het gaat om interventies op het gebied van stoppen met roken [Riemsma 2003]. Een cross-sectionele survey onder 918 rokers en 996 niet-rokers laat zien dat rokers die ongepland het besluit nemen te stoppen, meer kans van slagen hebben. Dit past in de catastrofetheorie van verslaving, die West heeft geformuleerd in een review [West 2006]. In deze theorie groeit de intentie om te stoppen met roken vanuit overtuigingen, ervaringen en de situatie waarin de roker zich op dat moment bevindt, dusdanig dat op een gegeven moment zelfs een kleine trigger genoeg is om metterdaad te stoppen (catastrophic change). West adviseert interventies te richten op het verhogen van de intentie te stoppen, het stimuleren van triggers en het onmiddellijk aanbieden van een behandeling op het moment dat een roker tot actie wil overgaan of zojuist is gestopt [West 2006]. Een ander onderzoek laat zien dat 52% van de stoppogingen gerapporteerd worden als ongepland. Deze bevindingen suggereren dat stoppen-met-rokeninterventies meer aandacht zouden kunnen besteden aan de natuurlijke dynamiek die hoort bij de motivatie om te stoppen [Larabie 2005]. Uit onderzoek blijkt dat een korte motivatieverhogende interventie, gebaseerd op het model van de vijf R’s,24 effectief is ter verhoging van de motivatie [Fiore 2000; Colby 1998; Prochaska 1991]. Gezien het geringe verschil in effectiviteit tussen een eenmalig advies en kortdurende motivatieverhogende interventie bij ongemotiveerden, kiest de werkgroep ervoor ongemotiveerden alleen een stoppen-met-rokenadvies te geven. Het bovenstaande verklaart tevens het onderscheid tussen gemotiveerde rokers, overwegers en ongemotiveerde rokers waar het gaat om de aan te bieden interventie.
Rokers in Nederland Genoemde cijfers zijn afkomstig uit rapporten van STIVORO [STIVORO 2005; STIVORO 2006].
Gevolgen van meeroken Het relatieve risico voor niet-rokers die samenleven met een roker op longkanker is ongeveer 24% toegenomen. Geschat wordt dat in Nederland elk jaar tussen de 110 en 270 mensen sterven aan longkanker als gevolg van meeroken [Hackshaw 1997]. Door de blootstelling aan omgevingstabaksrook neemt het risico op longkanker met circa 20% toe ten opzichte van mensen die niet aan tabaksrook worden blootgesteld [Gezondheidsraad 2003; Knol 2005]. De kans op coronaire hartziekten ligt voor niet rokers die samenleven met een roker ongeveer 20-30% hoger dan voor niet-rokers die samenleven met een niet-roker. Na twee jaar zonder blootstelling aan omgevingsrook is het verhoogde risico vrijwel verdwenen [He 1999]. Ook is bewezen dat meeroken de kans op verminderde longfunctie, astma en luchtweginfecties bij kinderen verhoogt [Institute of Medicine 2001]. Ook bij volwassenen zijn er aanwijzingen dat meeroken thuis of op het werk aanleiding kan geven tot klachten van de luchtwegen [Jaakkola 2002].
NHG-Standaarden waarin aandacht wordt besteed aan stoppen met roken In diverse HNG-Standaarden wordt aandacht besteed aan stoppen met roken [Wiersma 2007].
Patiënten met een recente diagnose gerelateerd aan rookgedrag Een stoppen-met-rokeninterventie na een ingrijpende diagnose die duidelijk gerelateerd is aan rookgedrag blijkt effectief. Wanneer rokers aan den lijve ondervinden wat de gezondheidsconsequenties zijn van hun rookgedrag, vormt dat niet zelden een reden om te stoppen. In een retrospectief cohortonderzoek bleek, voor een aantal aan roken gerelateerde diagnoses, dat meer mensen stopten in het jaar nadat de diagnose gesteld was dan in het voorafgaande jaar. Na een myocardinfarct was het aantal gestopte rokers 11,2 maal zo groot als in het jaar ervoor (95%-BI 8,9-14,0), na een CVA 7,2 maal zo groot (95%-BI 5,1-11,6), na de diagnose diabetes mellitus 2,5 maal zo groot (95%-BI 1,6-4,0) en na de diagnose kanker 4,8 maal zo groot (95%-BI 3,1-7,4) [Twardella 2006]. In een RCT onder patiënten met een hartinfarct, instabiele angina pectoris of bypassoperatie werd na twaalf maanden in de interventiegroep een stoppercentage van 57% gevonden, versus 37% in de controlegroep [Quist-Paulsen 2003]. Het belang van interventie voor deze patiëntengroep blijkt uit een meta-analyse van cohortonderzoeken naar het effect van stoppen met roken na een myocardinfarct. Onder stoppers was de gecombineerde OR voor sterfte ten opzichte van doorrokers gedurende twee tot tien jaar na diagnose 0,54 (95%-BI 0,46-0,62) [Wilson 2000]. Zelfs na het stellen van de diagnose niet-kleincellig longcarcinoom is stoppen met roken geassocieerd met minder sterfte; met name in vroege stadia neemt de overlevingskans toe naarmate de patiënt eerder is gestopt [Zhou 2006]. Ook voor rokers bij wie met behulp van spirometrie de diagnose COPD gesteld was, bleken stoppen-met-rokeninterventies effectief: in een groep van circa 4500 rokers met minimaal 10 pakjaren die allen een longfunctiemeting bij het advies kregen, leverde de diagnose luchtwegobstructie na een jaar 16,3% gevalideerde stoppers op versus 12% in de groep zonder luchtwegobstructie [Zhou 2006].
De invloed van roken op wondgenezing Er is ook onderzoek verricht naar de vraag of stoppen met roken leidt tot minder complicaties bij operatieve ingrepen. Uit een Cochrane-review blijkt dat roken een wezenlijke risicofactor is voor het ontwikkelen van operatieve en postoperatieve complicaties. Rokers ontwikkelen frequenter long- en circulatieproblemen. Daarnaast treden frequenter vertraagde wondgenezing en infecties op [Moller 2001]. In een RCT met 120 operatiepatiënten, van wie de helft zes tot acht weken voor de operatie een programma kreeg gericht op stoppen met roken of ten minste 50% reductie van het aantal sigaretten en de andere helft niet, kreeg 5% van de interventiegroep te maken met complicaties in de wondgenezing, tegenover 31% van de controlegroep (p = 0,001). De verschillen op andere eindpunten (cardiovasculaire problemen, secundaire chirurgie) waren niet significant [Moller 2002]. De auteurs van een recente systematische review van prospectieve cohortonderzoeken naar perioperatieve complicaties bij rokers en gestopte rokers komen tot de conclusie dat er onvoldoende bewijs is voor een beter perioperatief beloop bij pas gestopte rokers, maar dat het perioperatieve beloop wel enigszins beter is bij mensen die al langer voor de operatie gestopt zijn [Theadom 2006]. Er is dus onvoldoende grond om patiënten die op korte termijn een operatie moeten ondergaan te selecteren voor een stoppen-met-rokeninterventie.
Uitbreiding naar andere patiëntengroepen In eerste instantie kan men hierbij denken aan alle nieuwe patiënten (bijvoorbeeld bij een kennismakingsgesprek of met behulp van een inschrijvingsformulier). Ook jongeren komen in aanmerking, vanwege de grote gezondheidswinst op de lange termijn die bij deze groep te behalen is. De ernst van de verslaving wordt door jongeren vaak onderschat en bovendien hebben ze een andere denkwereld dan volwassenen. Uit onderzoek is gebleken dat intensieve gedragsmatige interventies bij jongeren effectief kunnen zijn. Wel is het belangrijk om zo goed mogelijk aan te sluiten op hun denk- en leefwereld en aandacht te schenken aan de situaties waarin zij verkeren [Nutbeam 1993; Aveyard 1999; Adelman 2001; Bouwens 2003]. Daarnaast kan de huisarts zich richten op patiënten uit sociaal-economische achterstandsgroepen, vanwege het grotere percentage rokers in deze groepen. Uit onderzoek waarin Nederlanders op basis van opleidingsniveau en beroep werden verdeeld in drie welstandsklassen, blijkt dat van degenen die behoren tot de hoogste welstandsklasse 21% rookt, versus 31% van degenen uit de laagste welstandsklasse [STIVORO 2006]. Tot slot kan de huisarts besluiten de rookstatus van alle patiënten in kaart te brengen.
Effecten van eenmalige en kortdurende stoppen-met-rokeninterventies Een review heeft uitgewezen dat een eenmalig advies om te stoppen met roken in de huisartsenpraktijk, gegeven door een huisarts en ondersteund door schriftelijk materiaal, een positief effect heeft. De interventiegroep had een OR van 1,27 (95%-BI 1,11-1,45) ten opzichte van de controlegroep, en het absolute verschil in het percentage stoppers was 2,1%. In dezelfde review bleek een korte ondersteunende interventie (meer dan één contact) een OR van 1,46 op te leveren (95%-BI 1,18-1,80), overeenkomend met een absoluut verschil van 4,4% [Ashenden 1997]. Ook in een andere meta-analyse [Fiore 2000] bleek een eenmalig advies, gegeven door een arts, effectief te zijn met een OR van 1,3 (95%-BI 1,1-1,6), wat overeenkomt met een absoluut verschil van 2,3%. Lancaster concludeert in een Cochrane-review dat een kort stoppen-met-rokenadvies gegeven door een arts effectief is, met een verschil van 2,5% in stoppercentage tussen patiënten die wel en die geen advies hebben ontvangen, wat overeenkomt met een NNT van 40 [Lancaster 2004]. Ervan uitgaande dat 70% van de Nederlanders de huisarts jaarlijks bezoekt, levert een eenmalig stoppen-met-rokenadvies in de huisartsenpraktijk een belangrijke bijdrage aan het landelijke aantal stoppers.
Intentie tot stoppen met roken Genoemde cijfers (zie tabel 3) zijn afkomstig van een onderzoek van TNS-NIPO waarin 19.344 Nederlanders van 15 jaar en ouder zijn ondervraagd over hun rookgedrag [STIVORO 2006]. Tabel3Intentie tot stoppen met roken
Effectiviteit intensieve gedragsmatige interventie De Amerikaanse richtlijn tabaksverslaving vond in een meta-analyse van gedragsmatige individuele interventies een sterke positieve dosisresponsrelatie tussen de intensiteit, de duur en het aantal sessies van de interventie en de geschatte abstinentieratio’s. De effectiviteit van de interventie neemt toe naarmate de interventie intensiever is, langer duurt en meer contacten bevat (zie tabel 4). Aan de hand van deze uitslag komt de Amerikaanse richtlijn tot besluit dat een intensieve interventie zou moeten bestaan uit ten minste vier sessies van tien minuten [Fiore 2000]. De Engelse richtlijn komt tot dezelfde conclusies. Volgens hen zou de intensieve interventie moeten bestaan uit ten minste vijf sessies van elk één uur. Een Cochrane-review bevestigt deze resultaten. Een directe vergelijking tussen intensieve en minimale interventies laat een klein, maar significant verschil zien in het voordeel van de intensieve interventies. Door de grote heterogeniteit tussen de studies werd er statistisch slechts een marginaal verschil gevonden [Lancaster 2006]. De CBO-richtlijn Tabaksverslaving komt tot dezelfde conclusies en stelt dat een intensieve interventie bestaat uit ten minste 4 sessies van 10 minuten. Tabel4Effectiviteit van interventies
Effectiviteit van een intensieve gedragsmatige interventie in combinatie met farmacotherapie In een RCT onder 160 rokers die meer dan 10 sigaretten per dag rookten, is de effectiviteit van nortriptyline versus placebo en minimale versus intensieve gedragsmatige ondersteuning onderzocht. Alle rokers ontvingen NVM. De combinatie van farmacologische en psychosociale interventie laat na 1 jaar hoge abstinentiepercentages zien. Het abstinentiepercentage na 52 weken bedroeg 50% in de groep die nortriptyline en intensieve ondersteuning kreeg. In de groep van nortriptyline en minimale ondersteuning was dit 18%. De combinatie van nortriptyline en intensieve ondersteuning kan dus voor hogere abstinentiepercentages zorgen [Hall 2004]. In een gerandomiseerd onderzoek naar de effectiviteit van bupropion in combinatie met intensieve dan wel kortdurende ondersteuning worden na 12 maanden abstinentiepercentages gevonden van 32,3% en 24,6% (OR 1,21; 95%-BI 1,08-1,35). Dit verschil was significant [Swan 2003]. Een Cochrane-review laat zien dat de absolute toename van abstinentie bij een interventie met NVM in combinatie met intensieve ondersteuning groter was dan bij NVM in combinatie met minimale ondersteuning [Silagy 2004].
De vijf A’s, bedoeld voor elke roker die wil stoppen De intensieve ondersteunende interventie is gebaseerd op het model van de vijf A’s van gedragsverandering. De Amerikaanse multidisciplinaire richtlijn, de CBO-richtlijn Behandeling van tabaksverslaving en andere richtlijnen gebruiken dit model voor rokers die willen stoppen met roken [Fiore 2000; Van Weel 2004]. Het bestaat uit de volgende elementen.
De vijf R’s, bedoeld voor rokers die op dit moment niet bereid zijn een stoppoging te ondernemen De korte motivatieverhogende interventie is gebaseerd op het model van de 5 R’s. De Amerikaanse multidisciplinaire richtlijn, de CBO-richtlijn Behandeling van tabaksverslaving en andere richtlijnen gebruiken dit model voor patiënten die nog niet bereid zijn te stoppen met roken [Fiore 2000; Van Weel 2004]. Het bestaat uit de volgende elementen.
Effectiviteit van NVM Een Cochrane-review stelt dat NVM effectief en veilig zijn. Bij pooling van 123 trials die het effect van een vorm van nicotinevervanging vergeleken met placebo of geen therapie, bleek het percentage stoppers aan het eind van de onderzoeksperiode (maximaal 12 maanden) gemiddeld 17% in de groepen die NVM gebruikten en 10% in de controlegroepen. Dit komt neer op een NNT van 14. De onderzoeken lieten geen significante verschillen zien tussen de diverse beschikbare toedieningsvormen van NVM. Uit de review blijkt tevens dat een hoge dosis NVM bij sterke nicotineafhankelijkheid effectiever is [Silagy 2006].
NVM en zwangerschap Uit een RCT blijkt dat het percentage zwangeren dat stopt in de groep die NVM krijgt even groot is als in de controlegroep. In de groep die NVM gebruikte, was het geboortegewicht van de kinderen wel significant hoger, een verschil bedroeg 186 gram (95%-BI 35-336 gram) [Wisborg 2000]. Uit een ander onderzoek blijkt dat NVM veiliger zijn dan sigaretten [McNeil 2001]. Het Royal College of Physicians beveelt het gebruik aan van NVM door zwangere vrouwen wanneer andere interventies hebben gefaald. Nicotine beïnvloedt de circulatie en de ademhaling van de foetus negatief. Roken tijdens de zwangerschap kan echter een groter risico vormen voor de vrucht dan het gebruik van NVM [Commissie Farmaceutische Hulp 2006].
Effectiviteit van nortriptyline In een Cochrane-review laten 6 trials zien dat het gebruik van nortriptyline de kans op stoppen met roken meer dan verdubbelt in vergelijking met placebobehandeling: 60/348 (17%), versus 25/355 (7%), OR 2,8. Nortriptyline heeft ook toegevoegde waarde indien het gebruikt wordt in combinatie met NVM. Van de 158 rokers die de combinatiebehandeling kregen, stopten er 42 (26,6%), van de 160 rokers die NVM met placebo kregen, stopten er 31 (19,4%, NNT = 14). Het effect is onafhankelijk van de aanwezigheid van depressie [Hughes 2004]. Nortriptyline is niet getest bij adolescenten, zwangeren, ouderen boven de 65 en patiënten met HVZ.
Effectiviteit van bupropion Een Cochrane-review van 19 RCT’s met in totaal meer dan 4000 deelnemers laat zien dat bupropion de kans op stoppen verdubbelt ten opzichte van placebo: 757/3594 (20,0%) versus 270/2649 (10,2%), NNT = 10. Ook de combinatie van bupropion met NVM is effectiever dan placebo met NVM: 78/364 (21,4%) versus 53/364 (14,6%), NNT = 15 [Hughes 2004]. Bupropion is geregistreerd voor stoppen met roken, maar is relatief duur en wordt niet vergoed.
Effectiviteit van varenicline In recent verschenen onderzoek is varenicline een effectief middel gebleken bij stoppen met roken. In het beschikbare vergelijkend onderzoek blijkt varenicline effectiever dan bupropion. In een RCT onder 1025 gezonde rokers tussen de 18 en 75 jaar, die meer dan 10 sigaretten per dag rookten, is varenicline vergeleken met placebo en bupropion. De gevonden continue abstinentieratio’s van week 9-52 voor varenicline 1 mg 2 dd zijn 21,9%, versus 8,4% voor placebo en 16,1% voor bupropion. Ten opzichte van placebo werd op alle meetmomenten een significant verschil gevonden. Ten opzichte van bupropion alleen na 12 en 24 weken [Gonzales 2006]. Een andere RCT gaf voor varenicline een continue abstinentieratio van 14,4%, versus 4,9% voor placebo en 6,3% voor bupropion. Het percentage proefpersonen dat de behandeling vanwege nadelige bijwerkingen voortijdig staakte, was 11,2-14,3% in de vareniclinegroep, 15,9% in de bupropiongroep en 9,8% in de placebogroep. Hieruit blijkt dat varenicline niet alleen effectief is, maar door de onderzochte rokers ook goed verdragen wordt [Nides 2006]. Een Cochrane-review concludeert dat varenicline de kans op stoppen meer doet toenemen dan placebo en ook effectiever lijkt dan bupropion. De effectiviteit van het middel tegen latere terugval is nog niet duidelijk aangetoond. Er is behoefte aan onafhankelijk onderzoek dat deze resultaten kan bevestigen, en ook aan onderzoek waarin de effectiviteit vergeleken wordt met NVM [Cahill 2007]. Deze standaard doet geen aanbeveling varenicline te gebruiken bij stoppen met roken, omdat het alleen is onderzocht bij gezonde proefpersonen en de effecten op langere termijn en bij grote patiëntengroepen nog onduidelijk zijn.
Effectiviteit van advies op maat, groepsprogramma’s en telefonische counseling ‘Advies op Maat’, telefonische coaching en ‘Pakje Kans’ zijn interventies die aangeboden worden door STIVORO. Voor meer informatie zie www.stivoro.nl. ‘Advies op Maat’, gedefinieerd als een adviestekst samengesteld op basis van een schriftelijk individueel ingevulde vragenlijst via de computer, is effectiever bij stoppen met roken dan ‘standaard’ zelfhulpmateriaal of geen interventie. In een Cochrane-review bleek de gepoolde OR van zelfhulpinterventies 1,42 (95%-BI 1,26-1,61) [Lancaster 2005]. In de onderzoeken naar ‘Advies op Maat’ die een abstinentiepercentage na 12 maanden vermeldden, was het gepoolde percentage 6,6% [Willemsen 2003]. Ook ‘Pakje Kans’, een cognitief gedragstherapeutische groepstraining van negen sessies, zou effectiever kunnen zijn dan zelfhulpprogramma’s. Uit een Cochrane-review blijkt dat groepstherapieprogramma’s zoals ‘Pakje Kans’ bij stoppen met roken effectiever zijn dan zelfhulpprogramma’s, maar niet effectiever dan intensieve individuele programma’s [Stead 2005]. Proactieve telefonische counseling – zoals de telefonische coach van STIVORO, die na het invullen van de vragenlijst van ‘Advies op Maat’ een persoonlijk advies en aanvullende telefonische begeleiding geeft –, is effectief bij stoppen met roken, met name bij drie of meer telefonische gesprekken. Een Cochrane-review vergeleek het effect van telefonische counseling (al dan niet geïnitieerd door een landelijke ‘stoplijn’) met zelfhulpmateriaal of geen interventie. De gepoolde OR was 1,35 (95%-BI 1,22-1,48). De abstinentiepercentages na 12 maanden bedroegen 4-21% in de interventiegroep versus 1,5-17% in de controlegroep [Stead 2006].