homeColumn
Huisarts en Wetenschap, jaargang 2010, nummer 2:115-115
Als klein kind had ik een boek waarin op elke rechterpagina een engel was afgebeeld. Het zou een blij makend werkje zijn geweest, ware het niet dat op elke linkerpagina een duivel figureerde. Engel en duivel waren als achtergrond aanwezig, de teksten waren er overheen gedrukt. Wanneer het hoofdpersoontje een oude vrouw overeind hielp of een gepikt kwartje weer braaf in moeders beurs terugstopte, had de engel een gelukzalig gezicht en had de duivel duidelijk de pest in. Wanneer hetzelfde figuurtje echter een appel van de kar stal of een kreupel kindje ruw in een plas wierp, was de duivel zichtbaar in zijn nopjes en was het de beurt aan de engel om een van smart vertrokken gelaat te tonen.
Omdat de schrijver van dit stichtelijke werkje kennelijk bang was dat zijn wat speels vormgegeven boodschappen niet voldoende hard zouden overkomen, had hij op de rand van elke bladzijde ‘een ziel’ aangebracht. ‘Een ziel?’, hoor ik u vragen. Ja, daar had deze creatieve figuur geen enkele moeite mee. De ziel bestond eenvoudig uit een verticale, geelbruinig gekleurde balk, waarin donkere ronde vlekken waren aangebracht. De kleinere vlekken symboliseerden de ‘dagelijkse zonden’, de grotere vlekken de ‘doodzonden’. Zo kon je in één oogopslag zien hoe onze hoofdpersoon ervoor stond. Voor zwaar katholiek opgevoede kindertjes zoals ik waren vooral de momentopnamen waarop doodzonden voorkwamen nogal bedreigend. Het betekende namelijk dat het eigenaartje van zo’n ziel linea recta naar de hel zou verdwijnen als hij plotseling aan dysenterie of door een schop van een op hol geslagen paard zou overlijden. Linke soep was ook hoe snel de ronde vlekken in aantal toenamen door het verrichten van in mijn ogen alledaagse handelingen.
Het vervelende was dat het bij dit alles ging om onzichtbare dingen die op je ondergang uit waren. Je kon niets toetsen en het had geen zin om bewijzen te vragen. Je was volkomen afhankelijk van wat de vertegenwoordigers van het systeem je voorhielden. Daar ga je je vroeger of later aan onttrekken…
In onze gezondheidszorg wordt de laatste jaren ook steeds meer zo’n zelfde soort boekje gehanteerd. Op de linkerpagina’s staan de paniekzaaiers en onruststokers, die verheugd zijn als angst en bezorgdheid de kranten en andere media in hun greep hebben. Op de rechterpagina’s staan de we-doen-wat-we-kunnen- en de alles-onder-controletypes, die vooral blij zijn als wij vertrouwen tonen. De onderwerpen zijn zaken als het klimaat, de Mexicaanse griep of de Q-koorts. Steeds staan er kampen tegenover elkaar die almaar extremere taal uitslaan teneinde de anderen te overstemmen. In alle gevallen ook wordt het steeds onduidelijker wat je als individu aan al die informatie hebt. Je laat je tot een van de kampen bekeren, maar dan weet je nog niet wat je moet ondernemen om naar je nieuwe overtuiging te leven. Ik schijn te kunnen helpen het klimaat te redden door in huis meer spaarlampen te gebruiken. Maar wij waren net in New York… hoeveel miljoenen particulieren zoals ik moeten de spaarlampen zelfs nog door kaarsen vervangen om het elektriciteitsgebruik te compenseren van één zo’n tachtig etages tellende kantoorkolos, die voor het feeërieke gezicht ook ’s avonds en ’s nachts verlicht blijft?
Of neem de gigantische dreiging van de Mexicaanse griep. Kranten, radio en televisie vochten om de deskundigen die de zwartste scenario’s naar buiten brachten. Ik durfde op straat bijna geen adem meer te halen wanneer ik met mijn fiets samen met anderen voor een stoplicht stond. Dat kwam extra hard aan nu we ook al heel licht moeten ademhalen omdat de brommers, waarvan er steeds meer komen, zoveel fijnstof uitstoten. Bacteriën en fijnstofdeeltjes: je ziet ze niet maar ze zijn uit op je ondergang. De Mexicaanse bacteriën en de fijnstofdeeltjes kon je nog vermijden door thuis te blijven en niemand meer te ontvangen. En te wachten tot de griep is weggewaaid en de brommers geschoond zijn. Lichtpuntje dus.
Maar dan komt de Q-koorts. Nou ja, niet naar Brabant dus en zeker niet naar een geitenboerderij. Maar minister Verburg had meer nieuws: de bacterie leeft ook bij koeien, schapen en varkens. Nou ja, wegblijven van plaatsen waar dieren gehouden worden, denk je dan. Hare excellentie had echter nog een uitsmijter: het is eigenlijk een omgevingsbacterie geworden die overal zit. Helemaal niet meer ademen dus, lijkt mij het devies…
Het is allemaal onzichtbaar en uit op je ondergang. En je bent afhankelijk van deskundigen, die lang niet allemaal hetzelfde zeggen. Als ik nou maar een sprankje geloof had in de drijfveren van al die deskundigen. Maar volgens mij hebben die bitter weinig met mijn gezondheid te maken!
hvdvoort@knmg.nl