Praktijk

Voordrachten door haio's

Gepubliceerd
20 mei 2003

Uitleg of PSA-bepaling; wat verdient de voorkeur bij oudere mannen met plasklachten?

Marco H. Blanker (haio)1, Frans P.M.J. Groeneveld1, J.L.H. Ruud Bosch2, Siep Thomas1, Ad Prins1, Arthur M. Bohnen1. 1Afdeling Huisartsgeneeskunde, 2Afdeling Urologie, Erasmus MC, Rotterdam

Inleiding Steeds vaker wordt bij oudere mannen het prostaatspecifiek antigen (PSA)-gehalte bepaald, voornamelijk bij plasklachten en op verzoek van de patiënt. In de LTA Benigne prostaathyperplasie wordt een hogere kans op prostaatkanker bij plasklachten gemeld, maar de onderbouwing daarvan is gebrekkig. Doel van dit onderzoek is de relatie tussen plasklachten en prostaatkanker te onderzoeken in de open populatie. Methoden Een groep van 1688 mannen tussen 50-78 jaar (respons 50%) werd onderzocht met vragenlijsten en metingen op de polikliniek urologie. Uitgenodigd werden alle mannen zonder radicale prostatectomie, neurogeen blaaslijden, prostaat- of blaaskanker, die vragenlijsten in konden vullen en een urologie polikliniek konden bezoeken. Onafhankelijk van de aanwezigheid en ernst van mictieklachten, werden mannen volgens protocol gebiopteerd op basis van uitkomsten van rectaal toucher, PSA en transrectale prostaatechografie. Resultaten Honderddrieënzeventig mannen werden gebiopteerd, waarbij 58 prostaatkankers werden aangetoond (prevalentie 3,6%). De prevalentie nam sterk toe met de leeftijd, maar was niet afhankelijk van de aanwezigheid of ernst van mictieklachten (3,6% bij mannen zonder klachten versus 4,1% bij mannen met ernstige klachten; chikwadraattoets p=0,81). Van de mannen met prostaatkanker had 73% geen of milde plasklachten. Tumorgradering en stadiëring verschilden niet naar klachtenniveau. Conclusie De prevalentie van prostaatkanker is gelijk bij mannen met en zonder mictieklachten. Het verrichten van een PSA-bepaling bij mictieklachten staat gelijk aan screenen in een ongeselecteerde populatie. Zolang het nut daarvan onbekend is, verdient uitleg over het ontbreken van een relatie tussen plasklachten en prostaatkanker bij oudere mannen de voorkeur boven een PSA-bepaling.

Secundaire cardiovasculaire preventie in de dagelijkse praktijk

P. van Limpt (haio), L. van den Elsen, C. Verheggen, E. Ruland, T. Gorgels, J. van Ree. Capaciteitsgroep Huisartsgeneeskunde, Universiteit Maastricht

Inleiding Nu er meer dan 10 jaar verstreken zijn sinds het verschijnen van de NHGStandaard Cholesterol hebben we onderzocht in hoeverre patiënten met bestaande hart- en vaatziekten in feite behandeld worden volgens die, relatief eenvoudige, richtlijnen. Uit internationale literatuur blijkt dat andere cholesterolrichtlijnen in de dagelijkse praktijk maar matig gevolgd worden, zowel door huisartsen als door cardiologen. Methode Voor dit cross-sectionele onderzoek (1999 t/m 2001) is gebruikgemaakt van de basisdata uit een cardiovasculair preventieproject in de eerste lijn (Hartslag Limburg). Bij 540 patiënten met hart- en vaatziekten in de voorgeschiedenis, uit 19 praktijken, is een cardiovasculair risicoprofiel opgesteld. Tevens zijn medicatiegegevens verzameld. Onderzocht is hoeveel van deze hoogrisicopatiënten het volgens de standaard gewenste cholesterolniveau hadden en met welke medicatie dit al dan niet bereikt was. Resultaten Uit onze resultaten blijkt dat ook in Nederland 10 jaar na publicatie van de eerste NHG-Standaard Cholesterol de richtlijnen voor cholesterolverlagende behandeling bij patiënten met bestaande hart- en vaatziekten maar matig gevolgd worden. Conclusie De NHG-Standaard Cholesterol die allang bij huisartsen bekend is, blijkt matig opgevolgd te worden ondanks dat er wetenschappelijke evidence bestaat voor behandeling van deze categorie patiënten. Blijkbaar spelen er ook andere factoren dan evidence een belangrijke rol. Willen we in de toekomst de juiste patiënten juist behandelen, dan moet met deze factoren rekening worden gehouden. Richtlijnen horen niet alleen evidence based maar ook practice based te zijn, dus aan te sluiten bij de verwachtingen en mogelijkheden van zowel de patiënt als de huisarts.

Beloop van meralgia paraesthetica in de huisartsenpraktijk

A.M. van Slobbe, A.M. Bohnen, B.W. Koes, S.M.A. Bierma-Zeinstra. Afdeling Huisartsgeneeskunde, Erasmus MC, Rotterdam

Inleiding Hoewel de diagnose meralgia paraesthetica (MP) in de huisartsenpraktijk regelmatig voorkomt (4% van de patiënten met pijn in de heupregio), zijn er geen onderzoeken gepubliceerd over beloop en behandeling ervan in de huisartsenpraktijk. Doel Rapporteren van beloop van MP, ernst van de klachten en beleid bij MP in de huisartsenpraktijk. Methode In de elektronische medische registraties van 10 huisartsenpraktijken gedurende 1989 tot 2002 in de regio van Rotterdam werden patiënten met MP geïdentificeerd, resulterend in een retrospectieve patiëntserie van 99 patiënten. Deze patiënten werd schriftelijk gevraagd een vragenlijst in te vullen met vragen over de duur van de klachten, gekregen behandelingen, ervaren ernst van de klachten, en huidige klachten. Resultaten Negenenvijftig personen (59%) retourneerden de vragenlijst. Na een gemiddelde follow-upduur van 5,6 jaar hadden 40 patiënten (67,8%) nog steeds dezelfde klachten. Deze 40 patiënten rapporteerden een gemiddelde pijnscore van 5,2 (sd 2,4) op een 10-puntsschaal. Bij een best-case scenario (alle non-responders zijn klachtenvrij) zou 40,4 % van de patiënten na een gemiddelde follow-upduur van 5,6 jaar nog klachten hebben. Zestien van de 59 patiënten (27%) waren behandeld met medicatie, 9 (15%) met een lokale injectie, 19 (32%) met fysiotherapie, 5 (8,4%) hadden een neurochirurgische ingreep ondergaan en 28 (47%) hadden geen behandeling ontvangen. Bij neurochirurgie en injectietherapie had een kleine meerderheid minder klachten. Bij geen behandeling, behandeling met fysiotherapie of medicatie was dit bij een minderheid van de patiënten het geval. Conclusie MP leidt tot langdurige klachten waarbij eerstelijnsinterventies weinig succesvol lijken.

Het stimuleren van lichamelijke activiteit in de huisartsenpraktijk: is dit haalbaar en uitvoerbaar?

Een evaluatie van het PACE-project E.M.F. van Sluijs, onderzoeker (aio), M.N.M. van Poppel, W. van Mechelen. Sociale Geneeskunde/ EMGO-Instituut, VUMC, Amsterdam

Inleiding Het stimuleren van een lichamelijk actieve leefstijl is bevorderlijk voor zowel de individuele gezondheid als voor de volksgezondheid. PACE ( physician-based assessment and counseling for exercise) is een methode om individueel passend advies over lichamelijke activiteit te geven en is mogelijk geschikt voor toepassing in de huisartsenpraktijk. Om een antwoord te geven op de vraag of de implementatie van PACE in de huisartsenpraktijk haalbaar en uitvoerbaar is, is een procesevaluatie uitgevoerd. Methode Het PACE-project is een gerandomiseerd gecontroleerd onderzoek (RCT) met 15 deelnemende huisartsenpraktijken in de interventiegroep en 14 in de controlegroep. De telefonische procesevaluatie vond plaats in de interventiepraktijken met zowel de adviesgever (huisarts en/of praktijkverpleegkundige) als de praktijkassistente. Resultaten De algemene indruk over PACE was positief (82%: (erg) goed); de adviesgevers vonden het PACE-materiaal nuttig en de meerderheid was van mening dat het patiënten stimuleerde lichamelijk actiever te worden (59%). De tijdsbesteding aan het eerste consult was bij 71% van huisartsen 10 minuten of langer, bij het tweede consult was dit slechts bij 24% het geval. Als de belangrijkste belemmering bij het adviseren werd genoemd dat veel patiënten zich niet bewust zijn van de eigen inactiviteit. De meerderheid van de adviesgevers (82%) vindt PACE geschikt voor implementatie in de huisartsenpraktijk en 60% is van plan PACE in de toekomst te blijven gebruiken. Conclusie Het PACE-programma wordt door medewerkers van de deelnemende huisartsenpraktijken als uitvoerbaar beschouwd. Als na het uitvoeren van de effectevaluatie ook een positief effect aangetoond wordt op het lichamelijke activiteitgedrag van patiënten, kan gestart worden met een implementatietraject.

Reacties

Er zijn nog geen reacties.

Verder lezen