Kernboodschappen

  • De keuze voor een anticonceptiemethode is een individuele keuze, gebaseerd op goede voorlichting en advies door de huisarts.
  • Naast orale anticonceptie kan de vrouw kiezen uit diverse andere betrouwbare anticonceptiemethoden, zoals de vaginale ring, pleister, prikpil, implantatiestaafje, koper- of hormoonhoudend spiraal en sterilisatie van de man (vasectomie) of vrouw.
  • Bij keuze voor gebruik van een combinatiepreparaat gaat de voorkeur uit naar een pil met levonorgestrel met 30 microgram ethinylestradiol.
  • Combinatiepreparaten worden ontraden aan rokende vrouwen van ≥ 35 jaar, die niet kunnen stoppen met roken.
  • Na een ongecompliceerde plaatsing van een spiraal is het niet noodzakelijk routinematig een transvaginale echo te laten maken.

Wijzigingen

  • Met de NHG-Standaard Anticonceptie komen de standaarden Hormonale anticonceptie en Het spiraaltje te vervallen.
  • Er is geen plaats meer voor de pil met cyproteronacetaat als anticonceptivum.
  • Alleen leverenzyminducerende medicamenten (zoals rifampicine) hebben een bewezen relevante interactie met hormonale anticonceptie.

Inleiding

De NHG-Standaard Anticonceptie geeft richtlijnen voor de huisarts om vrouwen én mannen goede voorlichting te geven over de diverse anticonceptiemethoden en om hen te adviseren bij het maken van een keuze. Deze NHG-Standaard vervangt de NHG-Standaarden Hormonale anticonceptie en Het spiraaltje.
In de standaard komen de volgende anticonceptiemethoden aan bod:
  • hormonale anticonceptie: de pil, vaginale ring, pleister, prikpil, implantatiestaafje;
  • spiralen: koperspiraal, hormoonspiraal;
  • definitieve anticonceptie: sterilisatie bij mannen en vrouwen;
  • overige methoden: lactatieamenorroemethode (LAM), barrièremiddelen (condoom, pessarium), natuurlijke methoden.
Daarnaast geeft de standaard richtlijnen voor noodanticonceptie.
Bij het bespreken van de anticonceptiekeuze is het van belang na te gaan over welke informatie de patiënt beschikt en of deze correct is. Waarom heeft de patiënt een bepaalde voorkeur, en zijn alle relevante keuzemogelijkheden bekend bij de patiënt? Na bespreking van de hulpvraag, de specifieke situatie van de patiënt en de diverse anticonceptiemogelijkheden, kan de patiënt een middel of een methode kiezen.

Epidemiologie

Bijna 70% van de Nederlandse vrouwen tussen de 18 en 45 jaar gebruikt enige vorm van anticonceptie. De combinatie pilgebruik en condoom wordt vooral toegepast door jonge vrouwen. Ongeveer 7% van de mannen in de leeftijdscategorie van 18 tot 45 jaar is gesteriliseerd. Mannen laten zich vaker steriliseren dan vrouwen. Andere methoden, zoals het pessarium of een natuurlijke methode (coïtus interruptus, periodieke onthouding), worden weinig toegepast.1

Methoden (werking, betrouwbaarheid, en bijwerkingen)

Hormonale anticonceptie

De meeste hormonale anticonceptiva bevatten een combinatie van oestrogenen en progestagenen. De anticonceptieve werking wordt overwegend bepaald door het progestagene component; de oestrogenen dienen voornamelijk voor cycluscontrole.
De anticonceptieve werking van combinatiepreparaten (pil, vaginale ring en pleister) bestaat uit:
  • onderdrukking van de hypofysehormonen FSH en LH, waardoor follikelrijping wordt geremd en geen ovulatie plaatsvindt;
  • remming van de uitrijping van het endometrium, waardoor de condities voor innesteling van de bevruchte eicel verslechteren;
  • beïnvloeding van het cervixslijm, waardoor de doorgankelijkheid voor spermatozoa vermindert.
De anticonceptieve werking van de methoden met alleen progestageen berust ook op ovulatieremming en beïnvloeding van het cervixslijm, en geeft veelal atrofie van het endometrium.

Combinatiepreparaten

Combinatiepil

De betrouwbaarheid van de pil is groot. Bij juist gebruik is de kans op zwangerschap ongeveer 0,3 per 100 vrouwen per jaar.2 Van de pillen die recent op de markt zijn geïntroduceerd, zijn minder gegevens bekend over de betrouwbaarheid en veiligheid. Ook is van de combinatiepillen die minder dan 30 microgram ethinylestradiol bevatten, niet aangetoond dat ze klinisch relevante voordelen hebben boven pillen met 30 microgram ethinylestradiol.3
Pillen worden ingedeeld in verschillende ‘generaties’ op basis van het soort progestageen. De pillen van de ‘tweedegeneratie’ worden het meest gebruikt.4 Er bestaat ook een indeling op basis van het aantal fasen: de eenfasepil bevat een vaste dosis oestrogeen en progestageen, de tweefase- en driefasepil hebben wisselende doses.5
De pil met ethinylestradiol en drospirenon is even betrouwbaar als de andere pillen wat betreft het voorkόmen van een zwangerschap. Een gunstig effect op premenstruele klachten en acne of lichaamsgewicht, is niet bewezen.6 Wel geeft deze pil meer risico op het ontwikkelen van veneuze trombo-embolische complicaties.7 Een nieuwe pil is een vierfasepil met oestradiolvaleraat en dienogest. Het is niet aangetoond dat deze pil minder bijwerkingen heeft.8 Over de betrouwbaarheid is weinig bekend.
Voor de combinatiepil met cyproteronacetaat is geen aparte indicatie meer, omdat alle combinatiepreparaten een vergelijkbaar effect hebben op acne (zie de NHG-Standaard Acne).9 Daarnaast is het risico op veneuze trombo-embolieën bij deze pil twee- tot viermaal groter dan bij gebruik van een pil met levonorgestrel, norethisteron of lynestrenol (tweedegeneratiepil3).

Vaginale ring

Wat betreft systemische farmacologische eigenschappen, komt de ring overeen met een pil die desogestrel of gestodeen bevat (derdegeneratiepil 3) omdat etonogestrel een metaboliet is van desogestrel. De vaginale ring (ethinylestradiol 15 microgram en etonogestrel 120 microgram) is even betrouwbaar als de combinatiepil. De vaginale ring geeft echter meer vaginitisklachten en genitale jeuk in vergelijking met een combinatiepil.10 De fabrikant waarschuwt voor expulsie van de vaginale ring bij aanwezigheid van een prolaps, obstipatie en bij verwijdering van een tampon.

Pleister

De pleister (ethinylestradiol 20 microgram en norelgestromin 150 microgram) is bij niet-obese vrouwen even betrouwbaar als de combinatiepil. De pleister is niet geschikt voor obese vrouwen, omdat er door de relatieve dikke huid minder opname van hormonen plaatsvindt. De pleister geeft meer klachten van mastopathie en misselijkheid dan de combinatiepil.11

Ernstige bijwerkingen

Het absolute risico op veneuze trombo-embolieën door de combinatiepil, is 3,6 per 10.000 vrouwen per jaar. De diverse progestagenen beïnvloeden in wisselende mate het trombogene effect van oestrogenen. Combinatiepillen met het progestageen desogestrel of gestodeen (derdegeneratiepillen) geven een tweemaal hoger risico op veneuze trombo-embolieën dan combinatiepillen die levonorgestrel of norethisteron bevatten (tweedegeneratiepillen). Laatstgenoemden geven het minste risico op veneuze trombose. Er zijn enkele aanwijzingen dat het risico op veneuze trombose bij gebruik van de pleister of vaginale ring vergelijkbaar is met dat van een derdegeneratiepil.12
Van een aantal aandoeningen is bekend dat zij een verhoogd risico geven op veneuze trombose, zoals: obesitas, APC (geactiveerd proteïne-C)-resistentie door factor-V-Leiden-mutatie, proteïne-C-, proteïne-S- of antitrombinedeficiënties. In combinatie met een combinatiepreparaat neemt het risico op veneuze trombose bij deze aandoeningen toe met een factor tien tot twintig (bijvoorbeeld: combinatie van pil en APC-resistentie: 28,5 per 10.000 vrouwen per jaar).13
Het absolute risico op cardiovasculaire (arteriële) complicaties door gebruik van combinatiepreparaten is klein, zeker bij jonge vrouwen. Bij vrouwen met cardiovasculaire risicofactoren neemt het risico op complicaties wel toe tot een klinisch relevant niveau, vooral bij (rokende) vrouwen van 35 jaar en ouder die de pil gebruiken.14 De combinatiepil geeft bij rokende vrouwen met migraine met aura een toename van ischemische cerebrovasculaire accidenten.15
Hormonale en reproductieve factoren hebben invloed op de incidentie van gynaecologische tumoren en mammacarcinoom.16 Er is een licht verhoogd risico op cervixcarcinoom bij langdurig gebruik van de combinatiepil. Ook het risico op mammacarcinoom is licht verhoogd. De lage incidentie van mammacarcinoom op jonge leeftijd (

Methoden met alleen progestagenen

Methoden met alléén progestageenpil kunnen in de vorm van een prikpilpil (intramusculair of subcutaan),17 een implantatiestaafjeimplantatiestaafje18 of met een pil worden gegeven. Deze methoden bevatten respectievelijk medroxyprogesteron, etonogestrel en desogestrel. Het risico op zwangerschap bij juist gebruik van de prikpil, implantatiestaafje en pil is vergelijkbaar met die van de combinatiepil. Deze methoden geven veelal atrofie van het endometrium, afhankelijk van de endogene oestradiolproductie. Bij al deze methoden kan in het begin het bloedingspatroon wisselend en onvoorspelbaar zijn. Na enkele maanden neemt het bloedverlies vaak af en ontstaat amenorroe en soms spotting. Gebruik van de prikpil leidt tot een niet klinisch relevante afname van de botdichtheid. De prikpil kan leiden tot gewichtstoename.19 Veelvoorkomende bijwerkingen van het implantatiestaafje zijn acne, hoofdpijn en mastodynie. Bij gebruik van de pil is er geen stopweek. De pil met alleen progestageen lijkt het risico op veneuze of arteriële complicaties niet te verhogen.20 Het hormoonspiraal bevat levonorgestrel en wordt bij de paragraaf spiralen besproken.

Spiralen

Koperspiraal

Het koperspiraalkoperspiraal geeft geleidelijk koper af. Koperionen hebben een cytotoxisch dan wel immobiliserend effect op de zaadcellen. Daarnaast veroorzaakt het koperspiraal een steriele ontsteking (‘vreemdlichaamreactie’) in het endometrium en deels in de tuba en verhindert het de innesteling van een bevruchte eicel in de baarmoeder. Koper vergroot de betrouwbaarheid door versterking van de ontstekingsreactie. Koper verstoort eveneens enzymatische processen in het endometrium, waardoor de normale uitrijping van het endometrium wordt verhinderd. Een koperspiraal is onmiddellijk na plaatsing effectief. Dit duurt tot het moment van verwijdering, mits in de week voor verwijdering geen coïtus plaatsvond. De betrouwbaarheid van koperspiralen is hoog.21 Het percentage zwangerschappen bedraagt 0,1 tot 1,0 in het eerste gebruikersjaar. Er zijn geen grote verschillen in betrouwbaarheid tussen de op de markt zijnde koperspiralen met een oppervlak van meer dan 300 mm2 koper (≥ 300 mm2 Cu). Bij een koperspiraal wordt de menstruatie meestal wat heviger en langer. De ovulatie blijft doorgaan. De werkingsduur van het koperspiraal bedraagt 5 tot 10 jaar. De T-Safe Cu is geregistreerd voor 10 jaar, en de Multiload Cu 375 voor 5 jaar. Onderzoek laat echter ook na 5 jaar (7 tot 10 jaar) geen grote toename van de zwangerschapskans zien. In de praktijk verwisselt men een Multiload dat goed bevalt (in overleg met de vrouw) niet vaker dan eens in de 10 jaar. Er zijn onvoldoende gegevens beschikbaar om een uitspraak te kunnen doen over de betrouwbaarheid van de andere koperspiralen na 5 jaar.22 Alleen het koperspiraal is geschikt als noodspiraal.

Hormoonspiraal

Het hormoonspiraalhormoonspiraal bevat 52 mg levonorgestrel, waarvan intra-uterien gedurende minimaal 5 jaar dagelijks circa 12 microgram wordt afgegeven. Hierdoor ontstaat atrofie van het endometrium, zodat innesteling van een bevruchte eicel niet mogelijk is. Daarnaast leidt levonorgestrel tot de vorming van dik en taai cervixslijm, waardoor dit minder doorgankelijk wordt voor zaadcellen. De systemische belasting met progestageen is bij gebruik van een hormoonspiraal een factor tien tot dertig lager dan bij gebruik van andere vormen hormonale anticonceptie. Het aantal zwangerschappen bedraagt 0,1 tot 0,2 per 100 vrouwen per jaar.23 Bij een groot deel van de gebruiksters verandert het menstruatiepatroon.24 Amenorroe, oligomenorroe en doorbraakbloedingen in de vorm van spotting komen frequent voor. Bij een hormoonspiraal is het vaginale bloedverlies vooral de eerste 3 maanden vaak onregelmatig. Na verloop van tijd wordt de menstruatie minder en soms blijft de menstruatie zelfs helemaal weg. Het wegblijven van de menstruatie kan geen kwaad. Vooraf aanwezige dysmenorroe kan verbeteren tijdens spiraalgebruik. De meeste vrouwen blijven tijdens het gebruik van een hormoonspiraal wel ovuleren. De incidentie van ovariumcysten kan toenemen. Deze zijn meestal asymptomatisch en verdwijnen vrijwel altijd spontaan. Soms zijn er andere bijwerkingen zoals pijnlijke borsten, hoofdpijn, acne, haaruitval of depressieve klachten. Het risico van diepe veneuze trombose is niet verhoogd. De werkingsduur van het hormoonspiraal bedraagt 5 jaar.
Het hormoonspiraal heeft behalve als anticonceptivum ook andere indicaties, zoals behandeling van overvloedig bloedverlies zonder onderliggende oorzaak en als progestageen adjuvans tijdens oestrogeentherapie in de peri- of postmenopauze. Deze indicaties vallen buiten het bestek van deze standaard (zie de NHG-Standaarden Vaginaal bloedverlies en De overgang).

Complicaties na plaatsing spiraal

De eerste drie weken na plaatsing van een spiraal is er een verhoogd risico op een pelvic inflammatory disease (PIDPID). Dit risico is geassocieerd met het insertieproces en de aanwezigheid van een eventuele soa.25
Het risico op expulsie na plaatsing binnen vijf jaar, is ongeveer één op twintig en is het grootst in het eerste gebruiksjaar, bij plaatsing direct na een tweedetrimesterabortus of bij plaatsing direct postpartum.26 Expulsie kan het gevolg zijn van onvoldoende diepe plaatsing of discrepantie tussen de afmetingen van de uterus en die van het spiraal. Expulsie geeft soms klachten van spotting en pijn of onaangename sensaties in de onderbuik ten gevolge van cervixprikkeling, maar kan ook onopgemerkt verlopen.
De incidentie van uterusperforaties ligt bij zowel het hormoonspiraal als het koperspiraal tussen de 0,0 en 2,6 per 1000 inserties. Het risico lijkt groter bij plaatsing in de postpartumperiode en tijdens lactatie.27 Buikpijn en bloedverlies kunnen optreden, maar zijn geen obligate symptomen.
De (aanvankelijke) aanwezigheid van een koperspiraal in een zwangerschap gaat niet gepaard met een verhoogde kans op aangeboren afwijkingen van het kind. Bij aanwezigheid van een hormoonspiraal is dit niet bekend.

Definitieve anticonceptie

Sterilisatie van de man

Bij een vasectomievasectomie wordt de continuïteit van de vasa deferentia onderbroken. Het is een relatief eenvoudige ingreep met een klein risico op complicaties zoals nabloeding of infectie. Een vasectomie kan ook in de huisartsenpraktijk plaatsvinden.28 Het aantal zwangerschappen bedraagt ongeveer 0,1 per 100 sterilisaties.2 Het stel moet additionele anticonceptie gebruiken totdat middels zaadonderzoek is bevestigd dat er geen levende spermacellen aanwezig meer zijn. Het zaadonderzoek vindt plaats drie maanden na de ingreep.

Sterilisatie van de vrouw

Bij laparoscopische sterilisatie wordt gebruik gemaakt van Falope-ringen, Filshie-Clips of elektrocoagulatie. Bij het aanbrengen van de Falope-ring wordt de tuba afgesloten door een ringetje, waarin een lus van een deel van de tuba wordt getrokken. De Filshie-Clip is gemaakt van titanium-siliconenrubber dat zwelt, waardoor het tubalumen wordt afgesloten.29 Het aantal vrouwen dat na sterilisatie alsnog zwanger wordt, varieert van 0,5 tot 2%.
Er worden diverse hysteroscopische sterilisatietechnieken toegepast, of technieken waarbij spiraalvormige implantaten, siliconenplugs of matrices in beide tubae worden aangebracht. Van de hysteroscopische sterilisaties met implantaten is ongeveer 95% succesvol. Als de ingreep succesvol is verlopen, moet de ingreep als 100% irreversibel worden beschouwd. Vrouwen moeten tot drie maanden na de ingreep een additionele anticonceptiemethode gebruiken. Afhankelijk van de methode wordt er door echografisch onderzoek, röntgenonderzoek of een hysterosalpingogram (HSG) aangetoond dat beide tubae zijn afgesloten.30

Overige anticonceptiemethoden

Lactatieamenorroemethode (LAM)

LAMlactatieamenorroemethode is alleen van toepassing wanneer het kind volledig op verzoek wordt gevoed en het kind geen andere voeding krijgt, zoals bij- of flesvoeding. Als de vrouw vanaf 10 tot 14 dagen na de bevalling weer vaginaal bloedverlies heeft, dan is de methode niet meer veilig.32 Borstvoeding heeft een anticonceptieve werking en het risico op zwangerschap tot 6 maanden na de geboorte is minder dan 2%, mits er aan de voorwaarden is voldaan.

Condoom

Het mannencondoom is doorgaans gemaakt van latex met aan de binnenzijde een zaaddodend middel. Het vrouwencondoom is gemaakt van polyurethaan, met aan beide zijden een flexibele ring. De binnenring wordt in de vagina gebracht, de buitenring rust op de vulva. Het vrouwencondoomvrouwencondoom kan al voor de geslachtsgemeenschap worden ingebracht. Bij correct gebruik van het mannen- of vrouwencondoom is het risico op zwangerschap respectievelijk ongeveer 2 tot 5% per jaar.2 Mechanische problemen (afglijden, scheuren etc.) zijn voor beide typen condoom van invloed op de betrouwbaarheid.

Pessaria

Voorafgaand aan het inbrengen van een pessarium wordt aan alle zijden een spermicide aangebracht. Na de zaadlozing moet het pessarium minstens 6 tot 8 uur blijven zitten om er zeker van te zijn dat de spermacellen zijn geïmmobiliseerd. Afhankelijk van het type pessarium varieert het risico op zwangerschap van 6 tot 26% per jaar. Het pessarium moet jaarlijks gecontroleerd worden.

Natuurlijke methoden

Voorbeelden van natuurlijke methodennatuurlijke methode zijn: coïtus interruptus, periodieke onthouding en de ovulatiemethode. De betrouwbaarheid van deze methoden is gering en sterk afhankelijk van de mate van motivatie, zorgvuldigheid en samenwerking tussen beide partners.

Richtlijnen diagnostiek

Diverse relevante factoren die van belang zijn voor het maken van een keuze, moeten aan bod komen tijdens het consult. In deze paragraaf worden deze factoren per groep methoden beschreven.

Anamnese

Bij elke vraag over een anticonceptiemethode, worden bij de vrouw en man de volgende aspecten besproken:
  • reden voor wens gebruik van anticonceptie;
  • eerder gebruik van anticonceptie, zo ja welke methode(n) en ervaringen daarmee;
  • verheldering van de hulpvraag en verwachtingen ten aanzien van de gewenste methode;
  • ideeën over eventuele bijwerkingen van besproken methoden;
  • de cyclus van de vrouw: begindatum van de laatste menstruatie, regelmaat, duur en pijnlijkheid van de menstruatie, hoeveelheid bloedverlies, tussentijds bloedverlies, datum voorafgaande bevalling bij postpartum plaatsing, wens behoud menstruatie.

Bij bespreking van hormonale anticonceptie

  • voorgeschiedenis: myocardinfarct, ischemisch cerebrovasculair accident, veneuze trombo-embolie (diepe veneuze trombose of longembolie) of trombofilie, ernstige leverfunctiestoornissen, cholestatische icterus tijdens de zwangerschap, borst- of baarmoeder(hals)kanker;
  • bekende cardiovasculaire risicofactoren: roken, hypertensie, hypercholesterolemie (TC ≥ 6,5), diabetes mellitus type 1 en 2, hart- en vaatziekten bij ouders, broers of zussen jonger dan 60 jaar, obesitas33 of verhoogde middelomtrek (BMI > 30 kg/m2, middelomtrek > 88 cm);
  • migraine met aura;
  • veneuze trombo-embolie bij familieleden;
  • geneesmiddelengebruik (anti-epileptica, rifampicine, hypericum (Sint-Janskruid));
  • borstvoeding: volledige borstvoeding/kolven/flesvoeding/bijvoeding.

Bij bespreking van een spiraal

  • de kans op de aanwezigheid van zwangerschap;
  • klachten die kunnen wijzen op aanwezige ontsteking van vagina, cervix of tubae (PID), zoals afwijkende fluor en/of buikpijn (zie de NHG-Standaard Pelvic inflammatory disease);
  • risico op seksueel overdraagbare aandoeningen (soa’s): onbeschermd seksueel contact met wisselende partners of partner met wisselende contacten, urethritis klachten of bewezen soa (zie de NHG-Standaard Het soa-consult);
  • bekende vormafwijkingen van de baarmoeder of myomen;
  • bekende cervixpathologie;
  • onverklaard vaginaal bloedverlies (zie de NHG-Standaard Vaginaal bloedverlies);
  • borstvoeding.

Bij bespreking van een definitieve methode

  • huidige gezinssamenstelling en de mogelijkheid van onvoorziene wijzigingen in de toekomst;
  • eventuele angst voor ingreep;
  • inzicht in definitieve karakter van ingreep;
  • voor- en nadelen van sterilisatie van de vrouw en de man;
  • risico op spijt.

Lichamelijk onderzoek

Hormonale anticonceptie

  • Bepaal bij vermoeden van overgewicht het gewicht en meet eventueel de lengte en de middelomtrek voor het objectiveren van de mate van obesitas 34 (zie de NHG-Standaard Obesitas).
  • Meet alleen de bloeddruk bij reeds bekende cardiovasculaire risicofactoren.35

Spiralen

De huisarts kan ervoor kiezen het gynaecologisch onderzoek (speculumonderzoek en vaginaal toucher) direct voorafgaand aan de spiraalplaatsing te doen, als er uit de anamnese geen belemmerende factoren voor plaatsing naar voren zijn gekomen. De huisarts bepaalt de ligging, grootte en consistentie van de uterus.
Bij afwijkende fluor, of bij de anamnese gebleken indicatie voor soa-onderzoek, of op verzoek van patiënte, wordt eerst materiaal voor PCR-diagnostiek voor chlamydia trachomatis en gonorroe afgenomen door de arts (of patiënte zelf, afhankelijk van de regionale afspraken).
Bij verdenking op een trichomonasinfectie wordt diagnostiek hiernaar ingezet (zie de NHG-Standaard Het soa-consult).

Evaluatie

Hormonale anticonceptie

Ontraad combinatiepreparaten bij:
  • vrouwen ≥ 35 jaar die blijven roken;
  • doorgemaakt myocardinfarct, ischemisch cerebrovasculair accident, diepe veneuze trombose of longembolie;
  • migraine met aura in combinatie met roken;
  • trombofilie;
  • hormoonafhankelijke tumoren, zoals mamma- of endometriumcarcinoom;
  • ernstige leverfunctiestoornissen, cholestatische icterus tijdens zwangerschap.
Gezien het risico op trombose tijdens en kort na de zwangerschap, worden combinatiepreparaten bij voorkeur niet in de eerste drie weken na de bevalling voorgeschreven, en aan vrouwen die borstvoeding geven niet in de eerste zes weken.
Weeg voor- en nadelen van combinatiepreparaten af bij aanwezigheid van cardiovasculaire risicofactoren (roken, hypertensie, hypercholesterolemie, diabetes mellitus type 1 en 2, hart- en vaatziekten bij ouders, broers of zussen jonger dan 60 jaar, obesitas33 of verhoogde middelomtrek).
Adviseer rokende vrouwen die 35 jaar of ouder zijn, het roken te staken. Indien het staken niet lukt: adviseer een niet-hormonale methode (bijvoorbeeld een koperhoudend spiraal), een hormoonspiraal of een methode met alleen progestageen.
Weeg de voor- en nadelen af van een combinatiepreparaat bij een belaste familieanamnese voor veneuze trombose. Bij een (mogelijk) verhoogd risico op veneuze trombose heeft de pil met alleen progestageen de voorkeur.
Ontraad methoden met alleen progestagenen (prikpil, implantatiestaafje, pil, hormoonspiraal) bij:
  • een actuele veneuze trombo-embolische aandoening;
  • onverklaard vaginaal bloedverlies;
  • progestageenafhankelijke tumoren, zoals een mammacarcinoom;
  • ernstige leverfunctiestoornissen.

Spiralen

Onverklaard bloedverlies en zwangerschap zijn contra-indicaties voor plaatsing van een spiraal. Bij onverklaard bloedverlies dient eerst diagnostiek te worden verricht (zie de NHG-Standaard Vaginaal bloedverlies).
Indien naar aanleiding van anamnese of lichamelijk onderzoek, of op verzoek van de patiënte, soadiagnostiek is verricht, wacht de huisarts de uitslag af. Voor behandeling van een eventuele infectie, zie de NHG-Standaard Het soa-consult. Na behandeling is er geen belemmering voor spiraalplaatsing, tenzij het risico op recidief-soa is verhoogd.
Bij anatomische afwijkingen van de uterus of myomen die het cavum uteri misvormen, is spiraalplaatsing niet goed mogelijk. De vrouw dient voor een andere anticonceptiemethode te kiezen.
Bij nulliparae kan gekozen worden voor zowel een koperspiraal als een hormoonspiraal. Voor vrouwen die al menstruatieklachten hebben, kan een koperspiraal een minder aantrekkelijke keuze zijn, omdat vaak na plaatsing de menstruatie wat heviger, langer of pijnlijker kan worden.
Ontraad een koperspiraal bij een patiënte met veel menstruatieklachten, de ziekte van Wilson of een koperallergie en een hormoonspiraal bij een (behandeld) mammacarcinoom, een actieve diepveneuze trombose of longembolie of een acute leverziekte of -tumor.
Ontraad een hormoonspiraal bij een patiënte met een (behandeld) mammacarcinoom, actieve diepe veneuze trombose of longembolie en een acute leverziekte of -tumor.

Definitieve methoden

Contra-indicaties voor de vasectomie kunnen zijn: twijfel bij de patiënt, eerdere operatie in het scrotum, een stugge en dikke scrotumhuid, angst voor de ingreep en een extreme cremasterreflex tijdens onderzoek van het scrotum.
Als de vrouw kiest voor sterilisatie, zal er een keuze zijn tussen een hysteroscopische of laparoscopische sterilisatie. De uiteindelijke keuze wordt samen met de gynaecoloog besproken.
Weeg samen met de vrouw de voordelen van sterilisatie af ten opzichte van nadelen van het eventueel stoppen van hormonale anticonceptie. Stoppen kan nadelige gevolgen hebben, bijvoorbeeld door (opnieuw) optreden van cyclusstoornissen in het laatste decennium van de fertiele periode, waarvoor dan alsnog hormonale therapie, in de vorm van een pil of spiraal, geïndiceerd kan zijn.
De kans op verzoek om een hersteloperatie is groter bij vrouwen bij wie de ingreep plaatsvond voor het dertigste jaar, bij bekende relationele problemen en bij vrouwen die tijdens een keizersnee of vlak na een bevalling zijn gesteriliseerd. Gescheiden, alleenstaande of jonge mannen (

Overige methoden

Vanwege de mindere betrouwbaarheid van deze methoden, worden de voor- en nadelen besproken, maar wordt er ook aandacht besteed aan andere beschikbare methoden.
[Tabel 1] geeft een overzicht van de diverse methoden en hun belangrijkste kenmerken.
Tabel1Kenmerken van diverse anticonceptiemethoden
Methode (inhoud) Toepassing Bijwerkingen (voor toelichting: zie Standaard) Bloedingspatroon Aandachtspunten (voor toelichting: zie Standaard) Kostprijs 2

elke dag gedurende 3 weken met stopweekalle: risico trombose (varieert per preparaat), hart- en vaatziekten, mamma- en cervixcarcinoom licht verhoogd
  • pil: divers,misselijkheid, hoofdpijn, duizeligheid, gewichtstoename, mastopathie (voorbijgaand)
  • ring: vaginitis, genitale jeuk
  • pleister: misselijkheid, mastopathie
regelmatig
  • ontraad: leeftijd ? 35 jaar en roken, doorgemaakt myocardinfarct, ischemisch cva, diepe veneuze trombose, longembolie; migraine met aura en roken; trombofilie; hormoonafhankelijke tumoren; gebruik van leverenzyminducerende medicamenten (anti-epileptica, rifampicine , Sint-Janskruid); leverfunctiestoornissen
  • overweeg: aanwezige risicofactoren hart- en vaatziekten; belaste familieanamnese trombofilie
**- ***
eenmalig gedurende 3 weken met stopweek ***

wekelijks gedurende 3 weken met stopweek ***

elke dag zonder stopweek
  • prikpil: gewichtstoename, verminderde botdichtheid
irregulair-amenorroe
  • ontraad: actuele diep veneuze trombose of longembolie; onverklaard vaginaal bloedverlies; progestageenafhankelijke tumoren, leverfunctiestoornissen
**

elke 12 weken im**

eenmalig (na 2 of 3 jaar vervangen afhankelijk van gewicht) **
eenmalig (na 5 of 10 jaar vervangen, afhankelijk type spiraal)eigen cyclus, normaal tot meer
  • contra-indicaties spiralen: onverklaard vaginaal bloedverlies; zwangerschap; soa; anatomische afwijkingen uterus
  • ontraad hormoonspiraal: (behandeld) mammacarcinoom, actuele diepe veneuze trombose of longembolie
*

ovariumcystenvaak amenorroe*
continuamenorroen.v.t.
± € 200 cursus
zo nodig± € 0,40-1,00 per stuk
± € 50-70 per stuk
ingreep bij huisarts of poliklinisch± € 300-500 (huisarts) /
± € 600-1200 (ziekenhuis)
meestal dagopname± € 1100-1700
1 lactatieamenorroemethode 2 *: 0-1 euro per maand; ** 1-5 euro per maand; ***: 5-10 euro per maand); kostprijs geeft een indicatie van de situatie in 2011

Interacties

Combinatiepreparaten

Klinisch relevante interacties doen zich nagenoeg alleen voor bij geneesmiddelen die leverenzyminductie veroorzaken, met name anti-epileptica36 (fenytoïne, fenobarbital, carbamazepine, en primidon), rifampicine, Sint-Janskruid (hypericum) en antiretrovirale middelen. De combinatiepil leidt bij gebruik van lamotrigine tot wisselende spiegels van lamotrigine, waardoor epilepsie niet goed met lamotrigine behandeld kan worden.
Adviseer een vrouw die anti-epileptica slikt bij voorkeur een hormoonspiraal, koperspiraal of prikpil. Alleen bij lamotrigine kan de pil met progestageen worden gebruikt.
Geadviseerd wordt een vrouw die rifampicine of Sint-Janskruid slikt geen hormonale anticonceptie (behalve prikpil en hormoonspiraal) voor te schrijven.

Spiralen

Er zijn geen interacties bekend tussen geneesmiddelen en een koper- of hormoonspiraal die het risico op zwangerschap beïnvloeden.37

Richtlijnen beleid

Voorlichting en (niet-)medicamenteuze therapie

In aansluiting op de gegeven mondelinge voorlichting, kan de huisarts de patiënt verwijzen naar informatie over anticonceptie op de website www.thuisarts.nl of de betreffende NHG‑Patiëntenbrief meegeven (via het HIS of de NHG-ConsultWijzer). Deze patiënteninformatie is gebaseerd op de NHG-Standaard.
Ter ondersteuning van het maken van de keuze door de patiënt, kan de huisarts ook wijzen op de keuzehulp anticonceptie op www.kiesbeter.nl/algemeen. Na het geven van de voorlichting en advies over de gewenste methode(n) besluit de patiënt samen met de arts welke methode het meest geschikt is. Wijs ook op eventuele kosten van de methode. Niet alle methoden worden (volledig) vergoed door de zorgverzekeraar. Huisartsen die te maken krijgen met de behandeling van verstandelijk gehandicapten kunnen ook de Richtlijn Kinderwens en Anticonceptie van de Nederlandse Vereniging van Artsen voor Verstandelijk Gehandicapten raadplegen (www.nvavg.nl).

Bij keuze voor hormonale anticonceptie

Combinatiepreparaten

De voorkeur gaat uit naar een pil die levonorgestrel (in combinatie met 30 microgram ethinylestradiol) bevat gezien het relatief gunstige bijwerkingenprofiel wat betreft het risico op trombose. Andere combinatiepillen hebben geen voordelen wat betreft betrouwbaarheid en bijwerkingen.
Voor de vaginale ring of pleister kan worden gekozen indien de vrouw een voorkeur heeft voor deze toedieningsvorm. De vrouw dient op de hoogte te zijn van het verhoogde tromboserisico en de hogere prijs van de vaginale ring en pleister.
  • Geef uitleg over het juiste gebruik van de pil, vaginale ring of pleister en over de stopweek. De vaginale ring kan drie weken blijven zitten, de pleister moet elke week vervangen worden. Als de vrouw op de eerste dag van de menstruatie met de combinatiemethode begint, is de betrouwbaarheid direct optimaal. Start de vrouw later in de cyclus, dan zijn gedurende de eerste zeven dagen aanvullende anticonceptieve maatregelen nodig. Om te voorkomen dat de vrouw de combinatiepil vergeet, is het raadzaam hem routinematig op eenzelfde moment van de dag in te nemen. Voor het beleid bij vergeten van de pil, zie [kader 1].
  • Adviseer bij gebruik van een combinatiepil aanvullende maatregelen (gebruik van condoom, verdubbelen dosering pil, opschorten van seksuele activiteit) alleen bij hevig braken of waterdunne diarree.
  • Wanneer de vrouw dat wenst of als er klachten zijn tijdens de stopweek, zoals veel bloedverlies, hoofdpijn of buikpijn kan de methode ook doorgebruikt worden (dus geen stopweek). Adviseer een stopweek in te lassen wanneer er doorbraakbloedingen (zonder onderliggende oorzaak) optreden. Langetermijneffecten van het doorslikken zijn niet bekend.38
  • Leg uit dat het risico op ernstige bijwerkingen klein is. Het risico op het ontwikkelen van een ovariumcarcinoom vermindert door pilgebruik en het risico op het ontwikkelen van mammacarcinoom is slechts licht verhoogd.16 Aan draagsters van het BRCA1- of BRCA2-gen, of aan vrouwen met een familiaire belasting voor mammacarcinoom, worden combinatiepreparaten niet ontraden.39
  • Het absolute risico op cervixcarcinoom is klein maar wel verhoogd bij langdurig gebruik. Het risico op trombose is eveneens klein, maar wel verhoogd door pilgebruik, en is relatief het kleinst bij gebruik van de pil met levonorgestrel en norethisteron. Het risico op trombose bij gebruik van een vaginale ring of pleister komt waarschijnlijk overeen met die van de derdegeneratiepil.
  • Het cardiovasculaire risico is vooral verhoogd bij rokende vrouwen vanaf 35 jaar.
  • Er is geen bezwaar tegen gebruik van combinatiepreparaten bij vrouwen met goed gereguleerde en ongecompliceerde diabetes mellitus jonger dan 35 jaar (geen micro- of macrovasculaire complicaties, nefropathie, neuropathie of retinopathie).40
  • Overweeg een ‘pilcontrole’ om het gebruik te heroverwegen als tijdens het gebruik of bij herstarten van combinatiepreparaten (na bijvoorbeeld een zwangerschap) contra-indicaties zijn ontstaan. Voorbeelden zijn: roken (bij vrouwen van 35 jaar en ouder), hypertensie (ook in zwangerschap), pre-eclampsie, trombose in familie, hart- en vaatziekten bij eerstegraads familieleden jonger dan 60 jaar, obesitas.

Methoden met alleen progestagenen

Leg uit dat de pil met alleen progestageen continu wordt gebruikt en dat er geen stopweek is. Bij borstvoeding heeft de pil met alleen progestageen de voorkeur vanwege de veronderstelling dat de pil het minste effect heeft op de hoeveelheid borstvoeding.
Leg uit dat het implantatiestaafje (lengte 40 mm, diameter 2 mm) gedurende 3 jaar kan blijven zitten, bij overgewicht (BMI > 25) gedurende 2 jaar. Plaatsing binnen 7 dagen na de eerste dag van de menstruatie is het meest ideaal, omdat zwangerschap dan uitgesloten is en het staafje direct bescherming biedt tegen zwangerschap. Bij plaatsing op een ander tijdstip moet de huisarts zeker zijn dat de vrouw niet zwanger is. Het staafje wordt ingebracht in de bicepsplooi van de niet-dominante arm, net onder de huid. De huid kan nog enkele dagen na de insertie gevoelig zijn. Het staafje blijft palpabel; desalniettemin is het staafje soms lastig te verwijderen. Na verwijdering herstelt de cyclus zich binnen enkele weken.
Indien wordt gekozen voor de prikpil, gaat de voorkeur uit naar de intramusculaire toedieningsvorm, omdat de subcutane toedieningsvorm meer lokale huidreacties geeft en duurder is. De intramusculaire prikpil moet elke twaalf weken worden toegediend. Wanneer op korte termijn (zes tot twaalf maanden) na het staken een zwangerschap gewenst is, dan is de prikpil een minder geschikt alternatief.

Bij keuze voor spiraal

Leg aan de vrouw uit dat na plaatsing klachten kunnen optreden zoals buikpijn en soms tussentijds vaginaal bloedverlies. Bij de keuze voor een koper- of hormoonspiraal wijst de huisarts de vrouw op de te verwachten bijwerkingen en effecten op het menstruatiepatroon, mede om te voorkomen dat zij de spiraal vroegtijdig wil laten verwijderen (zie de paragraaf Achtergronden). Bij een koperspiraal wordt de menstruatie wat heviger en langer en bij het hormoonspiraal wordt na verloop van tijd de menstruatie minder en blijft soms zelfs helemaal weg. Het is verstandig dat de huisarts (wat betreft de koperspiralen) met één of twee soorten ervaring opdoet en de voorkeur gaat uit naar een Multiload Cu 375, Multiload Cu 375 SL of T-Safe Cu spiraal.21 In geval van een koperspiraal kiest de huisarts welk spiraal hij plaatst.

Voorwaarden plaatsing spiraal

Een spiraal kan op ieder willekeurig moment van de cyclus worden geplaatst.41 Plaatsing binnen zeven dagen na de eerste dag van de menstruatie is het meest ideaal, omdat zwangerschap dan uitgesloten is en het spiraal direct bescherming biedt tegen zwangerschap. Bij plaatsing op een ander tijdstip moet de huisarts zeker zijn dat de vrouw niet zwanger is.
De huisarts bespreekt de procedure van de plaatsing zorgvuldig met de vrouw, waarbij aandacht wordt geschonken aan de meestal kortdurende pijn tijdens de plaatsing zelf en pijn in de uren na plaatsing.
De huisarts kan pijnmedicatie geven voor de pijn die de eerste uren na de plaatsing kan optreden.42 De voorkeur gaat dan uit naar een NSAID of bij een contra-indicatie naar paracetamol, een uur voorafgaand aan de insertie (zie de Farmacotherapeutische Richtlijn Pijnbestrijding, www.nhg.org).
Bij een vermoeden van een soa of een andere infectie, wacht de huisarts de uitslag af van de PCR of kweek. Voor het nut van routinematig geven van profylaxe met een antibioticum voorafgaand aan de insertie ter voorkoming van een PID, bestaat onvoldoende bewijs en dit wordt daarom niet geadviseerd.43
Zowel na een miskraam als na een abortus provocatus (eerste en tweede trimester) kan direct een spiraal worden geplaatst. Het risico op expulsie is iets groter bij plaatsing direct na een abortus, voornamelijk na een abortus in het tweede zwangerschapstrimester. Tijdens of na de plaatsing kan een vasovagale collaps optreden, soms met tonisch-klonische krampen. Tevens is het mogelijk dat er een bradycardie ontstaat.44
Leg uit dat de vrouw na de plaatsing van een spiraal contact op moet nemen bij abnormale afscheiding, aanhoudende buikpijn en koorts.
  • Overweeg een dislocatie of uterusperforatie bij vrouwen die buikklachten (en eventuele menstruatiestoornissen) houden.
  • Bij (progressieve) pijnklachten, abnormaal of veranderd vaginaal bloedverlies (sterke bloedingen na bijvoorbeeld aanvankelijk stoppen van de menstruatie) en vermoeden van een infectie, verricht de huisarts direct een controle.
  • Overweeg bij pijn in de onderbuik en/of koorts een PID (zie de NHG-Standaard Pelvic inflammatory disease).Voor procedure plaatsing: zie website www.nhg.org.

Verwijdering en vervanging

De belangrijkste redenen voor vrouwen om een koperspiraal vroegtijdig te laten verwijderen zijn – naast een kinderwens – overvloedig bloedverlies en/of pijn. De belangrijkste redenen voor vrouwen om een hormoonspiraal te laten verwijderen zijn – naast een kinderwens – amenorroe, bloedverlies en/of pijn. Verwijdering kan gedurende de hele cyclus plaatsvinden. Als het spiraal moet worden vervangen, kan het nieuwe spiraal het beste onmiddellijk na verwijdering van de vorige worden geplaatst. Als het spiraal wordt verwijderd in verband met een kinderwens, wijst de huisarts op het gebruik van foliumzuur (zie de NHG-Standaard Preconceptiezorg). Na verwijdering van een spiraal kan een vrouw in principe direct zwanger worden.46
Bij het optreden van zwangerschap tijdens spiraalgebruik dient de spiraal verwijderd te worden, onafhankelijk van de wens van de vrouw om de zwangerschap te behouden. De vrouw wordt hiervoor op zeer korte termijn naar de gynaecoloog verwezen, ook ter uitsluiting van een extra-uteriene graviditeit.
Bij vrouwen die de zwangerschap willen behouden, vermindert verwijdering het risico op een voortijdige beëindiging van de zwangerschap door abortus, partus immaturus of prematurus en sepsis. Verwijdering op zich kan ook een abortus induceren. Vrouwen die de zwangerschap niet wensen te behouden, worden behandeld als vrouwen die ongewenst zwanger zijn geworden.

Bij keuze voor definitieve methode

Bespreek bij een sterilisatiewens ook andere anticonceptiemethoden.
Leg bij een sterilisatie van de man uit dat de sterilisatie bedoeld is als een definitieve ingreep en dat hersteloperaties vaak niet succesvol zijn. Er is een gering risico op postoperatieve complicaties, zoals nabloeding, infectie en chronische pijnklachten. Rekanalisatie komt zelden voor. Geef globale uitleg over de uitvoering van de ingreep en bespreek eventuele angst voor de ingreep. Voor de ingreep moet bloedverdunnende medicatie worden gestaakt. Geef aan de patiënt de NHG-Patiëntenbrief Sterilisatie van de man mee.
Aan de vrouw wordt uitgelegd dat na een sterilisatie de cyclus gewoon doorgaat en dat eventuele cyclusstoornissen later kunnen optreden, zodat later alsnog ook hormonale anticonceptie of een hormoonspiraal nodig is. Als een vrouw na een hysteroscopische sterilisatie spijt heeft gekregen, is een hersteloperatie niet mogelijk en zal bij kinderwens moeten worden uitgeweken naar IVF.

Bij keuze overige methoden

Lactatieamenorroemethode (LAM)

De lactatieamenorroemethode is indien gewenst eenvoudig te combineren met het gebruik van een condoom. Aan LAM is wel een aantal voorwaarden verbonden, zoals het uitsluitend voeden met de borst (dus niet kolven) en het uitblijven van de menstruatie. Bij keuze voor een natuurlijke methode is het van belang dat beide partners gemotiveerd zijn en dat het koppel zich goed heeft laten informeren.

Pessaria

Het pessarium moet worden aangemeten door een ervaren arts of verpleegkundige, zodat het past tussen het os pubis en het achterste gewelf van de vagina.

Postpartum

Als de vrouw geen borstvoeding geeft, kan zij na twee weken met een methode met alleen progestageen starten. Combinatiepreparaten worden bij voorkeur na drie weken gestart in verband met risico op trombose (bij vrouwen die flesvoeding geven) en spiralen worden bij voorkeur vier tot zes weken postpartum geplaatst.
Ga na of het stel LAM een acceptabele methode vindt gedurende zes maanden na de bevalling, als de vrouw volledige borstvoeding geeft en nog geen menstruatie heeft gehad. Adviseer eventueel daarnaast een condoom als het stel extra bescherming wenst. Waarschuw dat deze methode niet meer betrouwbaar is vanaf de eerste menstruatie na de bevalling.
Als het stel voor een andere manier van anticonceptie kiest (bijvoorbeeld omdat het stel het zwangerschapsrisico tot 2% te hoog vindt, geen condooms wil gebruiken of geen volledige borstvoeding geeft) behoren hormonale anticonceptiemethoden of spiralen tot de mogelijkheden. Het hormoonspiraal blijkt geen negatieve invloed te hebben op de groei en ontwikkeling van borstgevoede kinderen.
Als de vrouw een pil prefereert en zij borstvoeding geeft, gaat de voorkeur uit naar de pil met alleen progestageen.46 Mogelijk hebben combinatiepreparaten enig effect op de hoeveelheid borstvoeding, maar het is onduidelijk in hoeverre dit van invloed is op de voedingsfrequentie en vraag van het kind. Het is in ieder geval niet van invloed op de gewichtstoename of groei van het kind. Tot op heden zijn bij beide methoden geen schadelijke effecten voor het kind op de lange termijn bekend. Als de vrouw (her)start met een combinatiepreparaat, moet zij worden voorgelicht over de eventuele mogelijkheid dat de borstvoeding kan teruglopen en dat ze dan op vraag moet blijven voeden (zogenoemde regeldagen). Combinatiepreparaten worden bij voorkeur na zes weken gestart bij vrouwen die borstvoeding geven.

De overgang en anticonceptie

In het algemeen geldt het advies om anticonceptieve maatregelen te treffen tot één jaar na de laatste menstruatie.47 Echter bij gebruik van hormonale anticonceptiemethoden, is amenorroe niet betrouwbaar vast te stellen, immers bij de combinatiepreparaten blijven onttrekkingbloedingen optreden. Bij het hormoonspiraal en prikpil nemen bloedingen af en kan amenorroe ontstaan.
Formuleer een advies over anticonceptie in de overgang, toegesneden op het individu. Neem de volgende overwegingen daarin mee: het hebben van vasomotorische klachten, urogenitale klachten of aan- of afwezigheid van een cyclus (alleen vast te stellen zonder hormonale anticonceptie). De anamnese kan een indruk geven of een vrouw pre-, peri-, of postmenopauzaal is (zie ook de NHG-Standaard De overgang).
De kans dat een zwangerschap optreedt bij vrouwen ouder dan 50 jaar is zeer klein, maar niet nul. De gemiddelde leeftijd waarop de vrouw de menopauze bereikt, is ongeveer 50-51 jaar (SD ± 4 tot 5 jaar). Op 58-jarige leeftijd, heeft ongeveer 2% van de vrouwen de menopauze nog niet bereikt (zie de NHG-Standaard De overgang).
Langdurig gebruik van een combinatiepreparaat is niet wenselijk, vanwege het toenemende risico op hart- en vaatziekten en mammacarcinoom. Enige terughoudendheid met het voorschrijven van hormoontherapie in verband met het risico op mammacarcinoom wordt geadviseerd (zie de NHG-Standaard De overgang). Theoretisch hebben oestrogenen in een combinatiepreparaat een vergelijkbaar effect op het risico op mammacarcinoom tijdens gebruik tijdens de overgang. Dit is echter nog niet duidelijk.
Weeg het risico op hart- en vaatziekten en mammacarcinoom af ten opzichte van het hebben van vasomotorische klachten en tevredenheid over het gebruik van de methode. In principe kan op 52-jarige leeftijd met anticonceptie worden gestaakt. Leg aan de vrouw uit dat het risico op zwangerschap zeer klein is. Afhankelijk van de situatie wordt afgewacht of de cyclus terugkeert en/of overgangsklachten terugkeren. Behandel indien nodig terugkerende klachten zoals cyclusstoornissen, vasomotorische klachten of urogenitale klachten. Bij therapieresistente klachten behoren respectievelijk een hormoonspiraal, kortdurende hormonale therapie of lokale behandeling tot de mogelijkheden (zie de NHG-Standaard De overgang).
Indien een vrouw jonger dan 52 jaar wel anticonceptie wenst, maar wil stoppen met een combinatiepreparaat, kan de huisarts een niet-hormonale methode (condoom, pessarium, koperspiraal) of een methode met alleen progestageen (pil, hormoonspiraal, implantaat) adviseren.
Bij gebruik van een methode met alleen progestageen is de postmenopauze niet vast te stellen. Ook met deze methode kan op 52-jarige leeftijd worden gestaakt, echter bij gebruik van de prikpil is amenorroe door de menopauze niet vast te stellen. Aan de vrouw wordt de keuze voorgelegd om na het staken tussen de leeftijd van 52 tot 55 jaar nog aanvullende anticonceptie te gebruiken, bijvoorbeeld een condoom, of de prikpil tot het 55e levensjaar te gebruiken.
Vrouwen die op het moment van plaatsing van een spiraal 45 jaar zijn, kunnen deze spiraal tot na de menopauze (52 jaar) laten zitten. Voor spiralen die langer betrouwbaar zijn (zoals de Multiload en T-Safe Cu) gaat het om vrouwen die op het moment van plaatsing 40 jaar zijn. Indien een vrouw met een koperspiraal een jaar lang geen menstruatie heeft gehad, is een vrouw postmenopauzaal en kan het koperspiraal worden verwijderd.

Kader 1 Noodanticonceptie

Bij het vergeten van één pil is de kans op zwangerschap minimaal, zelfs als deze pil vergeten wordt in de eerste week van de strip.48 De huisarts adviseert de vergeten pil alsnog in te nemen en de strip af te maken. Aanvullende anticonceptie, evenals het gebruik van noodanticonceptie, is niet noodzakelijk. Ga na met de vrouw of er misschien al eerder in de strip meerdere pillen zijn vergeten. Overweeg noodanticonceptie en/of aanvullende anticonceptie als er meerdere pillen eerder in de strip zijn vergeten (afhankelijk van periode en hoeveelheid).
Bespreek met de vrouw de reden waarom de pil is vergeten en bespreek de mogelijkheden om het risico op het vergeten van een pil te verkleinen.
De kans op zwangerschap neemt toe naarmate er meerdere pillen vergeten zijn, vooral aan het begin van de eerste week. In de tabel is het beleid voor vergeten pillen samengevat (zie ook het stroomdiagram Noodanticonceptie op www.nhg.org).
Adviezen bij vergeten (eenfase) combinatiepillen
PeriodeAantalAdvies
N.v.t.1 (> 12 uur te laat)
  • Pil alsnog innemen, geen aanvullende adviezen
Week 12-7*
  • Laatst vergeten pil alsnog innemen en strip afmaken
  • Morning-afterpil** of koperspiraal
  • Aanvullende anticonceptie, tot pil 7 dagen achtereenvolgens is ingenomen
Week 22 of 3
  • Laatst vergeten pil alsnog innemen en strip afmaken
  • In principe geen extra maatregelen (mits continuïteit is gewaarborgd)
4-7
  • Laatst vergeten pil alsnog innemen en strip afmaken
  • Aanvullende anticonceptie, tot pil 7 dagen achtereenvolgens is ingenomen
Week 32-7
  • Laatst vergeten pil alsnog innemen en doorgaan met volgende strip zonder stopweek
  • Of: begin van stopweek vanaf eerste vergeten pil
* Dit geldt pas als de vrouw ook met de tweede vergeten pil meer dan 12 uur te laat is.
** levonorgestrel 1,5mg oraal, bij voorkeur binnen 12 uur, niet later dan 72 uur na onbeschermde coïtus. Bij overgeven binnen 3 uur na inname tablet opnieuw innemen.
  • Leg uit dat de menstruatie meestal op het te verwachten moment komt, maar soms iets eerder, soms iets later.
  • Raad een zwangerschapstest aan wanneer de te verwachten menstruatie langer dan twee weken uitblijft.
  • Bespreek het risico op soa’s en verricht zo nodig diagnostiek. Leg aan de patiënt uit dat de noodpil vrij verkrijgbaar is bij de apotheek en drogist. Maak een vervolgafspraak om anticonceptie te bespreken.
Bij de volgende situaties kan ook noodanticonceptie gewenst zijn:
  • Plaatsen van een vaginale ring langer dan 3 uur na verwijdering in de 3 weken van gebruik of te laat starten met een nieuwe ring na een stopweek.
  • Plaatsen van een hormoonpleister later (> 48 uur) dan het gebruikelijke tijdstip of te laat starten met een pleister na een stopweek.
  • Vergeten van de pil met alleen progestageen langer dan 12 uur na gebruikelijke inname.
  • Vergeten van een meerfasenpil.
Het adviseren van noodanticonceptie bij bovenstaande situaties is anders dan bij de combinatiepil, omdat met deze methoden minder ervaring is en onderzoek hierover ontbreekt. Raadpleeg hiervoor de bijsluiter.
Bij het scheuren of afglijden van condoom of anderszins verkeerd gebruik van een barrièremiddel zonder gebruik van hormonale anticonceptie, kan bij coïtus binnen 72 uur de morning-afterpil worden gegeven en binnen 120 uur (5 dagen) een koperspiraal.
Na een onbeschermde coïtus heeft men maximaal 5 dagen de tijd om een koperspiraal te plaatsen om zwangerschap te voorkomen. De betrouwbaarheid is goed, bij slechts 0,2 tot 1,0% van de vrouwen treedt alsnog een zwangerschap op. Geef bij een verhoogd risico op een soa-infectie een antibioticum voor een chlamydia-infectie en behandel volgens het advies van de NHG-Standaard Het soa-consult. Start de behandeling een uur voor de plaatsing van de spiraal. De dekking voor gonorroe is met deze antibiotica niet volledig. De kweek dient achteraf uitsluitsel te geven. Indien er klinisch een sterk vermoeden is op gonorroe, dient gehandeld te worden volgens de NHG-Standaard Het soa-consult. Resistentiepatronen kunnen in de loop van de tijd veranderen en daarmee de keuze van het antibioticum. Het koperspiraal kan daarna als regulier anticonceptivum gebruikt worden. Het spiraal zou desgewenst ook verwijderd kunnen worden als de eerste menstruatie na insertie optreedt.

Controles

Controle hormonale anticonceptie

Na start van een methode wordt met de vrouw afgesproken wanneer de methode wordt geëvalueerd. Gangbaar is om dit na drie maanden te doen, omdat de vrouw dan voldoende gelegenheid heeft gehad om aan de methode te wennen en eventuele bijwerkingen in het begin dan weer voorbij zijn en de methode goed geëvalueerd kan worden.
Motiveer de patiënte bij het optreden van bijwerkingen zoals misselijkheid, hoofdpijn, lichte gewichtstoename, mastopathie etc. om door te gaan met de methode, omdat deze klachten meestal binnen drie maanden zullen verdwijnen. Adviseer de patiënte contact op te nemen bij veel klachten of vragen hierover. Een controle kan telefonisch plaatsvinden of tijdens een consult. Leg indien nodig uit dat er geen verband is aangetoond tussen forse gewichtstoename en combinatiepreparaten.19 Ook is het niet aangetoond dat het libido afneemt door gebruik van hormonale anticonceptie.49
Als er sprake is van een kinderwens in de nabije toekomst (bijvoorbeeld als de vrouw voor een kortdurende periode anticonceptie wenst), wijst de huisarts op het gebruik van foliumzuur na het stoppen met anticonceptie (zie de NHG-Standaard Preconceptiezorg).

Controle spiralen

Na plaatsing van een spiraal spreekt de huisarts een controle af na circa zes weken, bij voorkeur na de eerstvolgende menstruatie. De huisarts inventariseert eventuele klachten en er wordt in speculo gecontroleerd op zichtbare draadjes en op een eventuele partiële expulsie. Het is niet nodig om na een ongecompliceerde plaatsing routinematig een transvaginale echo te laten maken.50 Vraag een transvaginale echo aan wanneer de draadjes niet zichtbaar zijn of bij aanhoudende buikpijn. Indien het spiraal zich in het cavum uteri bevindt (onafhankelijk van de plaats ten opzichte van de fundus), is er geen reden tot actie of ongerustheid. Bij afwezigheid van klachten en bij een spiraaltje in situ zijn verdere controles niet noodzakelijk. De vrouw kan na de menstruatie zelf controleren of de draadjes nog te voelen zijn.

Verwijzing

Overleg eventueel met de gynaecoloog voor vragen over de voor- en nadelen van het gebruik van anticonceptie bij specifieke aandoeningen [kader 2] waarbij de richtlijnen van de WHO richtinggevend zijn (http://whqlibdoc.who.int/publications/2010/9789241563888_eng.pdf).
Overleg met de gynaecoloog indien ondanks gebruik van anticonceptie een zwangerschap is opgetreden en de ouders deze zwangerschap willen behouden.51

Kader 2 Aandoeningen die bijzondere aandacht vergen bij voorschrijven van anticonceptiepil

Mamma-, endometrium-, ovariumcarcinoom / Maligne levertumoren (hepatoma of hepatocellulair carcinoom)
Ongunstig cardiovasculair risicoprofiel / Clustering van hart- en vaatziekten / Gecompliceerde hartklepaandoeningen
Epilepsie
Trombofilie / Sikkelcelanemie / Maligne gestational trofoblastische aandoening / SLE
HIV/AIDS 53 / Gebruik van immunosuppresiva 53 / Tuberculose
Schistosomiasis met leverfibrose / Ernstige (gedecompenseerde) levercirrose
Als een huisarts zelf geen implantatiestaafjes of spiralen plaatst, kan hij ervoor kiezen te verwijzen naar een collega-huisarts. De vrouw dient in de volgende gevallen verwezen te worden naar de gynaecoloog:
  • bij onverklaard vaginaal bloedverlies (eventueel aanvullende diagnostiek door huisarts);
  • bij bekende uterusafwijkingen (grote myomen);
  • indien het niet lukt om spiraal te plaatsen;
  • bij aanwijzingen voor uterusperforatie;
  • pijnklachten en/of vloeien in een zwangerschap tijdens gebruik spiraal (EUG);
  • indien het niet lukt om spiraal te verwijderen;
  • bij afwezigheid van draadjes van spiraal bij verwijdering;
  • verwijdering van spiraal bij zwangerschap;
  • wens sterilisatie.
Als een huisarts zelf geen vasectomieën verricht, kan hij ervoor kiezen te verwijzen naar een collega-huisarts of uroloog.

Totstandkoming

Nadat werd besloten te beginnen met de ontwikkeling van een NHG-Standaard Anticonceptie, startte in september 2009 een werkgroep Anticonceptie. Deze werkgroep heeft een conceptversie gemaakt.
De werkgroep bestond uit de volgende leden: A.K. Brand, huisarts te Amsterdam; A.C.A. Bruinsma, huisarts te Beverwijk; C.O.M. van Groeningen, huisarts te Hattem en kaderarts urogynaecologie; dr. S. Kalmijn, huisarts te Utrecht; G.J. Kardolus, huisarts te Purmerend; M.J.M. Peerden, huisarts te Den Bosch en kaderarts urogynaecologie; R.C.J. Smeenk, huisarts te Amsterdam; S.M. de Swart, huisarts te Den Bosch en kaderarts urogynaecologie.
M.J. Kurver, huisarts en wetenschappelijk medewerker van de afdeling Richtlijnontwikkeling en Wetenschap, begeleidde de werkgroep en deed de redactie. F.S. Boukes was betrokken als seniorwetenschappelijk medewerker van deze afdeling tot januari 2011. A.N. Goudswaard, hoofd van de afdeling, nam haar taken daarna over. F. Jonkers was betrokken als medewerker van de afdeling Implementatie. M.M. Verduijn, seniorwetenschappelijk medewerker Farmacotherapie, beoordeelde de medicamenteuze adviezen. Met dr.ir. M.I. Rookus (NKI) heeft overleg plaatsgevonden over het onderwerp hormonale anticonceptie en maligniteit. Bij de ontwikkeling van deze standaard is samengewerkt met de Vlaamse wetenschappelijk vereniging voor huisartsen Domus Medica en de Nederlandse Vereniging voor Obstetrie en Gynaecologie (NVOG). Er is inhoudelijk overleg geweest met de gynaecologen prof.dr. B.W. Mol, prof.dr. F.M. Helmerhorst, dr. F.J.M.E. Roumen en C.L. van der Wijden, allen namens de NVOG, om to

Reacties

Er zijn nog geen reacties

Verder lezen