Belangrijkste wijzigingen

 

  • Er is een onderverdeling gemaakt in ziektediagnostiek en zorgdiagnostiek.
  • Er wordt meer aandacht geschonken aan de psychosociale interventies die de huisarts kan adviseren, aangepast aan de individuele behoefte van de patiënt en mantelzorger.
  • Er wordt een onderscheid gemaakt tussen een ‘typische’ ziekte van Alzheimer (of vasculaire dementie) en minder uitgesproken of zeldzamere dementieële beelden.

 

Kernboodschappen

 

  • Biedt diagnostiek aan bij signalen van dementie.
  • Dementie is een klinische diagnose die de huisarts zelf kan stellen of waarvoor hij gericht kan verwijzen.
  • Het risico op het missen van een behandelbare oorzaak van dementie is zeer klein als bij het aanvullend onderzoek door de huisarts geen afwijkingen zijn gevonden. Routinematig beeldvormend onderzoek is daarom niet zinvol.
  • Het voorschrijven van cholinesteraseremmers of memantine door de huisarts wordt niet aangeraden.
  • Het toepassen van meerdere psychosociale interventies kan positieve effecten hebben op patiënt en mantelzorger en opname in een verpleeghuis uitstellen.
  • Dementiezorg vraagt om afstemming en samenwerking met lokale zorgaanbieders.

 

Inleiding

De NHG-Standaard Dementie geeft richtlijnen voor het signaleren van dementiedementie, de diagnostiek bij vermoeden van dementie en de begeleiding en behandeling van patiënten met dementie en hun naasten. Per jaar wordt in Nederland bij minstens 20.000 personen een nieuwe diagnose dementie gesteld. Daarnaast heeft een aanzienlijk aantal ouderen dementie zonder dat dit bij de huisarts bekend is. Om uiteenlopende redenen blijkt de huisarts niet altijd de diagnose dementie te stellen, wanneer dit wel mogelijk is. Patiënten presenteren soms niet hun klachten en sommige huisartsen geven aan dat zij onvoldoende kennis, tijd of hulpmiddelen hebben voor diagnostiek of denken na diagnose geen hulp te kunnen bieden. De diagnostiek wordt doorgaans in een later stadium van de ziekte gestart.1 Als de huisarts zeker is van de diagnose dementie, is dit meestal juist.2
Diagnostiek bij cognitieve stoornissen is belangrijk, omdat:

 

  • het stellen van de diagnose dementie een opstap is naar passende zorg;
  • het de naasten makkelijker maakt het gedrag van de patiënt te accepteren;
  • cognitieve stoornissen ook symptomen kunnen zijn van (soms behandelbare) andere oorzaken dan dementie. Denk hierbij aan een depressie, delier of bijwerkingen van medicatie;
  • een patiënt met dementie beoordeeld moet worden door het CBR op geschiktheid voor het besturen van een motorvoertuig (zie Beleid);
  • de patiënt in een vroeg stadium van dementie vaak nog wilsbekwaam is en zelf nog financiële en/of juridische kwesties en zaken rondom een gewenste wilsbeschikking kan regelen (zie Beleid).

 

Het is onduidelijk hoe vroeg patiënten willen weten dat er sprake is van een cognitieve stoornis of van dementie. Evenmin is bekend hoe vaak negatieve effecten van een diagnose dementie in een vroeg stadium van de ziekte, zoals een fout-positieve uitslag of angst, voorkomen.
Bij de diagnostiek van dementie zijn vier stappen te onderscheiden, drie over ziektediagnostiek en één over zorgdiagnostiek.
De eerste stap is het opmerken van signalen die kunnen wijzen op dementie. Omdat patiënten niet altijd zelf met een hulpvraag komen, wordt ook op signalen van naasten ingegaan.
De tweede stap is het vaststellen van dementie. Dit is een syndroomdiagnose op basis van DSM-IV-criteria voor ‘dementie niet anderszins omschreven’, waarbij sprake is van:3

 

  • een geheugenstoornis; én
  • één of meer andere cognitieve stoornis(sen) in: taal (afasie), gericht handelen (apraxie), herkenning (agnosie), uitvoerende functies (zoals plannen, organiseren, opeenvolgend handelen, abstraheren); én
  • stoornissen die een significante beperking geven in het sociaal of beroepsmatig functioneren ten opzichte van het vroegere niveau van functioneren; én
  • er geen delier is.

 

In stap drie wordt beoordeeld of verwijzing voor nadere diagnostiek noodzakelijk is. De huisarts evalueert aanwijzingen voor reversibele of minder vaak voorkomende oorzaken van dementie.
De vierde en laatste stap is het in kaart brengen van de benodigde zorg en behandeling voor patiënt en mantelzorger. Bij de ziekte én zorgdiagnostiek is samenwerking met andere zorgverleners zoals praktijkondersteuners, -wijkverpleegkundigen, psychologen, case-managers en specialisten gewenst.
Het beleid van de huisarts is gericht op begeleiding van de patiënt met dementie en zijn naasten. De belastbaarheid van de naasten bepaalt in belangrijke mate hoe lang patiënten met dementie thuis kunnen blijven. Het inzetten van passende interventies, zoals voorlichting en ergotherapie, zijn hierbij doorgaans waardevol.
De aandachtspunten uit de Landelijke Eerstelijns Samenwerkings Afspraken (LESA) Dementie zijn verwerkt in deze standaard. Deze waren het resultaat van landelijk overleg tussen huisartsen en wijkverpleegkundigen (2005) en tussen huisartsen en specialisten ouderengeneeskunde (2009) over verantwoordelijkheden bij de signalering, diagnostiek, behandeling en begeleiding van dementiepatiënten. Voor meer gedetailleerde aanbevelingen voor het maken van lokale samenwerkingsafspraken en voor de samenwerking met en tussen andere beroepsgroepen ten aanzien van patiënten met dementie, wordt verwezen naar de volledige tekst van genoemde LESA’s (www.nhg.org). De NHG-Praktijkwijzer Ouderenzorg ondersteunt de huisarts bij het systematisch organiseren en uitvoeren van taken in de zorg voor ouderen. Onderdelen hiervan zijn ook bruikbaar in de zorg voor dementiepatiënten en hun naasten.4

Achtergronden

Epidemiologie

De prevalentie van dementie in de huisartsenpraktijk is gestegen van 1,4% in 2002 naar 1,7% in 2008. Dit betekent dat een huisartsenpraktijk met 2350 patiënten ongeveer 40 dementiepatiënten telt. De incidentie is ongeveer 2 per 1000 patiënten per jaar en stijgt sterk met de leeftijd. Uit bevolkingsonderzoek blijkt geen duidelijk verschil in leeftijdsspecifieke prevalentie tussen mannen en vrouwen. Naar schatting 3% van de patiënten ouder dan 65 jaar zijn van allochtone herkomst.5
Een hoge leeftijd is de belangrijkste predisponerende factor. Andere predisponerende factoren voor het krijgen van dementie zijn:

 

  • Risicofactoren voor hart- en vaatziekten, zoals hypertensie, dyslipidemie, diabetes mellitus, obesitas en roken.6
  • De ziekte van Parkinson. De helft tot driekwart van deze patiënten zal dementie ontwikkelen. Het risico neemt toe met het stijgen van de leeftijd en een langere ziekteduur.7
  • Genetische factoren. Deze spelen een opvallende rol bij mensen met het syndroom van Down en bij dementie voor het 65e levensjaar, maar ook boven 65 jaar spelen erfelijke factoren een rol.8

 

Factoren met een minder duidelijke associatie met dementie zijn: een algehele achteruitgang of ziekenhuisopname,9 depressie,10 een afwijkende schildklierfunctie,11 vitamine-B12-deficiëntie,12 alcohol-13 en oestrogeengebruik.14
Bij lichte cognitieve stoornissen (mild cognitive impairment) is het risico op dementie verhoogd, maar de meeste patiënten ontwikkelen geen dementie. Lichte cognitieve stoornissen zijn niet eenduidig gedefinieerd en moeilijk met zekerheid vast te stellen. Het is geen diagnose waarvan het zinvol is dat deze door de huisarts wordt gesteld.15

Oorzaken en comorbiditeit

De meestvoorkomende oorzaak van dementie is de ziekte van AlzheimerAlzheimer, ziekte van.16 Op de tweede plaats komt vasculaire dementiedementie, vasculaire.17 De relatieve verdeling van oorzaken varieert met de leeftijd. ‘Zuivere’ ziekte van Alzheimer en ‘zuivere’ vasculaire dementie worden hoofdzakelijk bij relatief jonge patiënten gevonden. Patiënten ouder dan 75 jaar hebben meestal een ‘mengvorm.6 De overige oorzaken van dementie zijn Lewy-Body-dementieLewy-Body-dementie, ParkinsondementieParkinsondementie, frontotemporale dementie7 dementie, frontotemporale en nog zeldzamere oorzaken. Ook hierbij is het voorkomen (al dan niet als mengvorm) leeftijdsafhankelijk. Veel voorkomende somatische comorbiditeiten betreffen: een hart- en vaatziekte (30%), diabetes mellitus type 2 (20%) en een bot- of gewrichtsaandoening (beide 20%). Veelvoorkomende psychiatrische comorbiditeiten zijn: depressie (8%), psychose (6%) en angst (4%).18

Preventie

Er zijn slechts bescheiden preventieve bijdragen te leveren aan het behoud van cognitieve functies. De behandeling van een hoge bloeddruk is mogelijk gunstig voor het voorkomen of uitstel van dementie.19 Verhoging van fysieke activiteit, met name voor ouderen met een inactieve leefstijl, lijkt een gunstig, maar klein effect te hebben.20 Er is geen bewijs dat verlagen van het homocysteïnegehalte door vitamine B6, B12 en/of foliumzuur, het strenger behandelen van diabetes type 2 en het verlagen van het cholesterol met statines effectief is om dementie te voorkomen.21

Beloop van de ziekte van Alzheimer en vasculaire dementie

De ziekte van Alzheimer kent doorgaans een geleidelijk progressief beloop. Een op de zeven patiënten bereikt het ernstigste, vegeterende stadium. De meeste patiënten overlijden door comorbiditeit, bijvoorbeeld door een cardiovasculaire aandoening of een pneumonie.22 Vrijwel alle patiënten met de ziekte van Alzheimer zullen gedurende het ziektebeloop te maken krijgen met probleemgedrag, zoals apathie of dwalen. In het begin van dementie komen vooral affectieve stoornissen voor, terwijl psychose, agitatie en agressie later in het beloop op de voorgrond staan. Probleemgedrag vormt een grote belasting voor de mantelzorger en is een sterke voorspeller voor opname in een verpleeghuis.23
Vasculaire dementie kenmerkt zich door een schoksgewijze verslechtering met soms focale neurologische verschijnselen, vaak als uiting van (veelal kleine) herseninfarcten. Er kan korte of langere tijd sprake zijn van gelijk blijven of zelfs verbetering van de cognitieve functies. Bij andere vormen van vasculaire dementie, zoals small vessel disease of Morbus Binswanger blijft het geheugen soms lang gespaard en gaat de achteruitgang vaak geleidelijker. Een onderscheid tussen het beloop van de ziekte van Alzheimer en vasculaire dementie blijkt in de praktijk vaak moeilijk te maken, vanwege het overlap in klinisch beeld.

Richtlijnen diagnostiek

Bij de diagnostiek van dementie zijn vier stappen te onderscheiden: de eerste stap is het opmerken van signalen die kunnen wijzen op dementie, omdat patiënten niet altijd zelf met een hulpvraag komen. De tweede stap is het vaststellen van dementie. Dit is een syndroomdiagnose op basis van vier DSM-IV-criteria voor ‘dementie niet anderszins omschreven’. De huisarts kijkt naar aanwijzingen voor reversibele oorzaken of minder vaak voorkomende vormen van dementie. In stap drie wordt beoordeeld of verwijzing voor nadere diagnostiek noodzakelijk is. De vierde en laatste stap is het in kaart brengen van de benodigde zorg en behandeling voor patiënt en mantelzorger. Bij de ziekte- én zorgdiagnostiek is samenwerking met andere zorgverleners zoals praktijkondersteuners, wijkverpleegkundigen, psychologen, casemanagers en specialisten gewenst.

Stap 1: Signaleren

De hulpvraag komt meestal niet van de patiënt, maar van personen in zijn omgeving. Een voor de hand liggend signaal van dementie is geheugenklachten. Andere signalen kunnen zijn: apathie, gewichtsverlies, loopstoornissen of onverklaarde klachten.24 Ga na of de patiënt zelf een hulpvraag heeft of dementie vermoedt.
Indien aan de betekenis van de opgevangen signalen wordt getwijfeld, kan de huisarts na contact met de patiënt de ObservatieLijst voor vroege symptomen van Dementie25 (OLD, www.nhg.org) invullen. Met deze lijst kan de huisarts zaken die tijdens een consult zijn opgevallen ordenen en scoren. Indien een naaste op het spreekuur komt met vragen over een patiënt die mogelijk passen bij dementie, zou de Verkorte Informant Vragenlijst over Cognitieve Achteruitgang bij Ouderen (IQCODE-N, www.nhg.org) meegegeven of afgenomen kunnen worden.26 De scores van beide instrumenten geven aan of het raadzaam is om diagnostiek naar dementie uit te (laten) voeren.
Bij patiënten jonger dan 65 jaar zijn de eerste tekenen van dementie meestal veranderingen in gedrag, persoonlijkheid en functioneren (bijvoorbeeld op het werk door problemen met nieuwe of complexe taken en in het gezin door verminderde interesse of overzichtsverlies in het huishouden). Het niet aanslaan van de behandeling voor een depressie of burn-out kan een aanwijzing zijn. Meestal staan geheugenklachten niet op de voorgrond.27
Actieve signalering van tekenen van dementie door alle medewerkers van de huisartsenpraktijk levert een bijdrage aan passende diagnostiek (zie de NHG- Praktijkwijzer Ouderenzorg).4 Ook andere eerstelijnshulpverleners kunnen symptomen van dementie signaleren en bespreken met patiënt en/of huisarts (zie www.zorgvoorveilig.nl/vroegsignalering-dementie). Screening op dementie wordt niet aangeraden.28
Indien de patiënt verdere ziektediagnostiek weigert, is het vaak wel mogelijk om: een heteroanamnese af te nemen, eventueel met gebruik van de IQCODE-N of een vragenlijst die probleemgedrag inventariseert; een huisbezoek af te leggen; en zorgdiagnostiek te verrichten. De huisarts kan de patiënt of mantelzorger die problemen ervaart begeleiding door een praktijkondersteuner aanbieden of organiseren dat een andere hulpverlener daarin voorziet. Deze kan belemmeringen voor verdere ziektediagnostiek bespreken en eventueel benodigde steun of zorg organiseren (zie Beleid en de NHG-Praktijkwijzer Ouderenzorg).

Stap 2: Diagnostiek van dementie

De huisarts kan de diagnostiek van dementie meestal zelf uitvoeren, bij voorkeur in samenwerking met een praktijkondersteuner (POH). Een trainingsprogramma voor huisarts en POH kan helpen de diagnostiek te verbeteren.29 Desgewenst kan de huisarts de patiënt voor diagnostiek verwijzen naar een gespecialiseerd centrum. Het is aan te raden de verschillende onderdelen van de diagnostiek te verdelen over meerdere contactmomenten, als de omstandigheden dit toelaten [tabel 1]. Sluit eerst andere oorzaken van cognitieve stoornissen uit. Let tijdens anamnese, lichamelijk onderzoek en aanvullende onderzoeken op mogelijke tekenen van dementie (tabel 2). Het is noodzakelijk om ook heteroanamnestisch informatie te verkrijgen en hiervoor wenselijk de mantelzorger alleen te spreken. Een huisbezoek verschaft informatie over het dagelijks functioneren en gedrag.
Tabel 1Onderdelen diagnostiek bij een vermoeden van dementie
Actie
1e consultAnamnese. Formulier voor bloedonderzoek meegeven.
2e of meerdere consult(en), eventueel deels door POHLichamelijk onderzoek HeteroanamneseMMSE en kloktekentestOp indicatie: NPI- (probleemgedrag), GDS- (depressie) of (I)ADL-vragenlijst
EvaluatieIndien van toepassing: overleg HA, POH, wijkverpleegkundige, of andere betrokken hulpverleners (bv. thuiszorg, maatschappelijk werk, psycholoog, specialist)
Tabel2?Aandachtspunten voor de beoordeling van de dementiesymptomen
DSM-criteria Mogelijke tekenen van dementie
1. Klachten van het geheugen:
Herhalingen, aarzelingen, inconsistenties, lacunes of confabuleren; en het head turning sign (de patiënt draait bij elke vraag zijn hoofd in de richting van de mantelzorger, om het gegeven antwoord te verifiëren, of om de mantelzorger het antwoord te laten geven). De patiënt kan vaak niet correct vertellen over recente gebeurtenissen.
2. Andere cognitieve stoornissen:
AfasieNiet-vloeiend praten, naar woorden zoeken of onjuiste woorden gebruiken.
ApraxieHet niet kunnen uitvoeren of imiteren van eenvoudige handelingen (zoals haren kammen of tanden poetsen) bij een intact begrip, motoriek en gnosie.
AgnosieHet niet kunnen herkennen van zintuigelijke indrukken bij een intacte visus en sensibiliteit. Bijvoorbeeld getoonde voorwerpen niet kunnen benoemen (visuele agnosie), of met gesloten ogen een bekend object (bv. pen of wasknijper) in de hand of lichaamsdelen die aangeraakt worden, niet kunnen benoemen (tactiele agnosie).
Stoornis in uitvoerende functiesVerminderd vermogen tot plannen en organiseren van activiteiten; niet bijsturen na een fout; niet kunnen aanleren van een nieuwe (opeenvolging van) handelingen (bv. bij een nieuw huishoudelijk apparaat); verlies van abstract denken, logisch redeneren en/of visuoconstructie (bv. tekenen van twee overlappende vijfhoeken of een klok). Verminderd inzicht in het eigen functioneren, initiatiefverlies, verhoogde impulsiviteit of ontremdheid, ongepast sociaal gedrag of persoonlijkheidsveranderingen.
3.Beperkingen in het dagelijks functioneren door de cognitieve stoornissen:
Hulpbehoevendheid bij instrumentele ADL (telefoneren, reizen, boodschappen doen, bereiden van een maaltijd, huishoudelijk werk, omgaan met medicijnen en geld) en ADL (zoals opstaan, lopen, douchen, aankleden, toiletgebruik of gebruik van incontinentiemateriaal en eten). Voorbeelden van hulpmiddelen om het (I)ADL-functioneren gestructureerd te inventariseren zijn Katz en Lawton31 of (onderdelen van) de Easycare-29 of TraZAG-vragenlijst (zie de NHG-Praktijkwijzer Ouderenzorg). Beperking in het dagelijks functioneren kan ook blijken uit werk- of relatieproblemen of het niet langer bezoeken van sociale gelegenheden.

Anamnese

Informeer wanneer en hoe de problemen zijn begonnen, en hoe het beloop in de tijd is.
Ga eerst na of de achteruitgang verklaard wordt door een:

 

  • delierdelier. Hierbij is in korte tijd een stoornis ontstaan in het bewustzijn (besef van de omgeving) en de aandacht (vasthouden en kunnen verplaatsen). Ook kunnen er hallucinaties zijn. Een delier heeft een somatische oorzaak; zie NHG-Standaard Delier bij ouderen;
  • depressie. Sombere stemming en interesseverlies staan op de voorgrond. Stoornissen in oriëntatie, herkenning, taal en praxis ontbreken. Neem eventueel de Geriatrische Depressie Schaal af; zie NHG-Standaard Depressie;10,32
  • andere psychiatrische aandoening zoals alcoholverslaving of een psychose, die kunnen imponeren als dementie;
  • subduraal hematoom (met name bij een recent hoofdletsel en/of anticoagulantiagebruik);
  • bijwerking van medicatie, zoals geneesmiddelen met anticholinerge effecten33 (bijvoorbeeld ‘oudere’ antihistaminica, sommige anti-emetica, antiparkinsonmiddelen, antipsychotica, sommige middelen tegen incontinentie of prostaathypertrofie, en tricyclische antidepressiva (nortryptiline het minst)) en benzodiazepines (zie bijlage II van de KKCZ Polyfarmacie bij ouderen).

 

Bij aanwijzingen voor een van deze oorzaken dient dit eerst verder gediagnosticeerd en behandeld te worden. Probeer medicatie met anticholinerge effecten en benzodiazepines om te zetten in een alternatief of te staken.
Vraag de patiënt en mantelzorger vervolgens naar (zie ook tabel 2):

 

  • Problemen met het onthouden van nieuwe informatie. Vergeten van afspraken, recente gesprekken of gebeurtenissen. Vaak dingen kwijt zijn. In herhaling vallen. Verdwalen op een bekende route. Problemen met het inschatten van tijd of het herkennen van mensen (geheugen);
  • Andere cognitieve stoornissen:
    •  
      • Moeilijker op woorden of namen komen. Moeite om een gesprek te volgen of iets uit te leggen. Vergissingen maken in spraak of schrijven (afasie).
      • Problemen met gebruik van bestek, huishoudelijke apparaten of aankleden (apraxie).
      • Problemen met het herkennen van bekende gezichten, voorwerpen of omgeving (agnosie).
      • Problemen met plannen, organiseren, opeenvolgend handelen of abstraheren (zoals financiën of medicatie beheren, een verjaardag organiseren, of boodschappen doen) (uitvoerende functies).30
  • Beperkingen in het dagelijks, beroepsmatig of sociaal functioneren door in de anamnese gerapporteerde problemen, bijvoorbeeld blijkend uit het staken van hobby’s of (vrijwilligers)werk, afname van sociale contacten, relatieproblemen of toename van hulpbehoevendheid.31

 

Informeer verder naar:

 

  • recente life-events, zoals overlijden van een naaste of een ziekenhuisopname;
  • problemen met horen en zien;
  • verminderde voedselinname of ongewild gewichtsverlies;24
  • mictieklachten (met name passend bij een urineweginfectie of incontinentie);
  • familiair voorkomen van dementie;8
  • opleidingsniveau en/of (uitgeoefende) beroep (vanwege beoordeling MMSE).36

 

Heteroanamnese

Het is wenselijk de mantelzorger of informant apart te spreken, omdat deze dan vrijuit kan spreken. Vraag naar de items uit de anamnese, naar veranderingen in persoonlijkheid en gedrag (zoals verminderd inzicht in het eigen functioneren, initiatiefverlies of verhoogde impulsiviteit)30 van de patiënt en naar ongepast gedrag,23 zoals: agressie, apathie, of ander sociaal onwenselijk gedrag (zie Probleemgedrag). Een hulpmiddel om gedragsproblemen gestructureerd te inventariseren is de Neuropsychiatric Inventory (NPI).34

Laboratoriumonderzoek

Ter uitsluiting van somatische aandoeningen die een cognitieve stoornis of een delier kunnen veroorzaken vraagt de huisarts de volgende laboratoriumbepalingen aan: Hb, BSE, glucose, TSH11 en kreatinine.35 Op indicatie: natrium en kalium (bij diureticagebruik, braken of diarree), vitamine B1, B6 (bij onvolwaardig dieet, alcoholabusus13), vitamine B1212 en foliumzuur (bij anemie, paresthesieën of ataxie) en urineonderzoek op infectie (bij vermoeden van delier).

Lichamelijk onderzoek

Ter verkrijging van informatie omtrent de criteria voor dementie beoordeelt de huisarts de uiterlijke verzorging, apraxie tijdens uit- en aankleden en agnosie (tabel 2).
Met het oog op het uitsluiten van potentieel reversibele aandoeningen en het opsporen van bijzondere oorzaken van dementie verricht de huisarts het volgende lichamelijk onderzoek:

 

  • temperatuur, pols, bloeddruk, auscultatie van hart en longen;
  • bij een (vermoeden van) onvolwaardige voeding of gewichtsverlies: meet gewicht en lengte en bereken de BMI (kg/m2) (zie de LESA Ondervoeding);
  • neurologisch onderzoek bij een vermoeden van (zie Stap 3):
    •  
      • een mogelijk doorgemaakt CVA (zie NHG Standaard CVA) of subduraal haematoom (looppatroon, focale verschijnselen, reflexverschillen, paresen, afwijkende oogbeweging of gezichtsvelden); of
      • parkinsonisme (traag bewegen (bradykinesie)) én ten minste één van de volgende symptomen: rusttremor, rigiditeit, houdingsinstabiliteit. Zie de NHG Standaard Parkinson; of
      • normal pressure hydrocephalus (onzeker breed gangspoor, als ‘waden door water’).39

 

Het onderzoek kan worden uitgebreid als de anamnese of andere bevindingen daartoe aanleiding geven (met bij-voorbeeld psychiatrisch onderzoek of visus- en gehooronderzoek).

MMSE en kloktekentest

De huisarts (of praktijkondersteuner) verricht in alle gevallen van vermoeden van dementie een MMSEMMSE en kloktekentestkloktekentest. De MMSE meet oriëntatie, inprenting, korte termijngeheugen, taal, herkenning en visuocontructie.36 Patiënten met een hoog opleidingsniveau kunnen ondanks (bijna) optimale MMSE-scores toch dement zijn. De uitvoerende functies worden met dit instrument het minst belicht. De test is minder betrouwbaar bij niet Nederlands sprekenden en laaggeletterden.
Vraag bij de kloktekentest aan de patiënt een cirkel te tekenen, vervolgens de cijfers van een klok erin te tekenen, en de wijzers van de klok op 10 over 11 te zetten. De kloktekentest meet verschillende cognitieve vaardigheden waaronder enkele uitvoerende functies en is meestal goed uitvoerbaar bij laag geletterden.37 Alternatieve cognitieve tests worden niet aanbevolen, omdat ze niet duidelijk beter zijn dan de MMSE en met de MMSE meer ervaring is opgedaan.38

Evaluatie

Voor vaststellen van dementie is het noodzakelijk dat de huisarts zelf de patiënt meerdere malen gezien heeft. Beoordeling van de symptomen alleen op basis van een heteroanamnese kan misleidend zijn.
Wanneer de huisarts op basis van de (hetero)anamnese en/of lichamelijk onderzoek aanwijzingen heeft voor dementie, maar de scores van de MMSE en kloktekentest normaal zijn (tabel 3), wordt aanbevolen te verwijzen.
De huisarts stelt de diagnose dementie als er:

 

  • stoornissen zijn van het geheugen, blijkend uit de (hetero)anamnese en/of MMSE; én
  • stoornissen van één of meer andere cognitieve functies, blijkend uit de anamnese en/of lichamelijk onderzoek en/of MMSE en/of kloktekentest; én
  • vermindering is van het sociaal of dagelijks functioneren door de geheugenstoornis of andere cognitieve stoornis(sen), blijkend uit de (hetero)anamnese, huisbezoek of eventueel afgenomen (I)ADL-vragenlijst.

Tabel 3Interpretatie van de score van de MMSE en kloktekentest
Instrument Score en interpretatie
MMSEEen score &lt 24 (uit 30) is sterk indicatief voor dementie. Hoe lager de score, hoe zekerder de cognitieve stoornis.
KloktekentestScore 0: geen cirkel én cijfers niet goed én tijd fout. Score 1: 1 van de items juist. Score 2: 2 van de items juist. Score 3: perfecte klok. Elke score die afwijkt van een perfecte klok geeft een vermoeden van dementie.
Indien bij anamnese, lichamelijk onderzoek en bloedonderzoek geen afwijkingen worden gevonden die passen bij soms (deels) behandelbare oorzaken van dementie (zoals normal pressure hydrocephalus39 of een ruimte-innemend proces), hoeft geen verder aanvullend onderzoek verricht te worden. Deze oorzaken komen zelden voor.40
Als er niet wordt voldaan aan de criteria van dementie kan er sprake zijn van:

 

  • Lichte stoornissen in het geheugen en eventueel in andere cognitieve functies, waarbij de patiënt normaal functioneert. Dit is bij ouderen niet ongewoon en meestal geen voorbode van dementie.15 Het verdere beleid is afhankelijk van de hulpvraag. Indien deze niet aanwezig is, kan de huisarts aanbieden de diagnostiek na een half jaar, of bij toename van klachten eerder, te herhalen.
  • Geen geheugenstoornissen, maar wel andere cognitieve of neuropsychiatrische symptomen (zoals veranderingen in persoonlijkheid of gedrag) die interfereren met dagelijkse activiteiten én een achteruitgang ten opzichte van eerder functioneren geven. De huisarts kan de zorgbehoefte inventariseren en aanbieden de patiënt voor verdere ziektediagnostiek te verwijzen.

 

Stap 3: Vaststellen van aanwijzingen voor de oorzaak van dementie

Nadat de diagnose dementie gesteld is, gaat de huisarts na of het wenselijk is om te verwijzen voor verdere ziektediagnostiek. Maak hiervoor onderscheid tussen:

 

  • Patiënten met aanwijzingen voor de ziekte van Alzheimer16 of vasculaire dementie:17
    •  
      • begin van de klachten > 65 jaar en tekenen van een geleidelijk beloop van het ziektebeeld; én
      • geen afwijkingen bij (hetero)anamnese, lichamelijk en laboratoriumonderzoek die een andere oorzaak voor dementie waarschijnlijk maken.

 

Hoewel het onderscheid tussen de ziekte van Alzheimer en vasculaire dementie voor de huisarts meestal niet is te maken (en ook geen verdere consequenties heeft voor het beleid), kunnen de volgende verschijnselen passen bij een vasculaire dementie (VD): een plotseling begin en/of een schoksgewijze verslechtering, in combinatie met focale neurologische verschijnselen passend bij vasculaire schade én stoornissen in het functioneren die niet alleen kunnen worden toegeschreven aan een CVA. Bij mensen ouder dan 75 jaar gaat het vaak om mengvormen. Bij patiënten met de ziekte van Alzheimer en/of vasculaire dementie is verwijzing voor verdere diagnostiek doorgaans niet noodzakelijk.

 

  • Patiënten met aanwijzingen voor minder vaak voorkomende vormen van dementie zoals Parkinsondementie (PD),41 Lewy-Body-dementie (LBD)42 en frontotemporale dementie (FTD)44 (tabel 4) evenals patiënten van 65 jaar of jonger worden verwezen voor verdere diagnostiek.

Tabel 4Aanwijzingen voor minder vaak voorkomende vormen van dementie
Bevindingen tijdens (hetero)anamnese, lichamelijk onderzoek of vragenlijsten DD
ParkinsonismePD, LBD
Relatief licht of laat gestoord geheugen ten opzichte van de andere aanwezige cognitieve stoornissenPD, LBD, FTD
Aandachtsstoornis met fluctuaties in ernstLBD (dd delier)
Vroeg in beloop: psychiatrische symptomen zoals (met name visuele) hallucinaties, wanen, of depressie of angststoornisLBD, PD
Vroeg in beloop: achteruitgang in sociaal of beroepsmatig functioneren, nieuwe persoonlijkheids- of gedragsstoornis, emotionele vlakheid zonder anhedonie of verdrietFTD
Breed gangspoor en verhoogde mictiedrang of incontinentieNPH

Stap 4: Evaluatie van de zorgbehoefte

Inventariseer de zorgsituatie of laat dit doen, bijvoorbeeld door een praktijkondersteuner (zie NHG-Prakijkwijzer Ouderenzorg) of wijkverpleegkundige (zie LESA Dementie 2005). Dit kan eventueel eerder uitgevoerd worden, bijvoorbeeld bij de beoordeling van het derde DSM-criterium (zie tabel 2). De benodigde zorg is mede afhankelijk van comorbiditeit en probleemgedrag van de patiënt en de gezondheid en mogelijkheden van de mantelzorger.
Informeer bij de patiënt naar:

 

  • (een behoefte aan meer) dagstructuur, bezigheden en/of sociale contacten;
  • verantwoordelijkheid voor financiën, medicatie, eten en vervoer;
  • het verdere (I)ADL-functioneren, zoals:
    •  
      • Is er behoefte aan huishoudelijke hulp of hulp bij persoonlijke verzorging?
      • Zijn er aanpassingen in de woon-situatie nodig?
      • Let op veiligheid en risicogedrag zoals brandgevaar, autorijden, agressie en verdwalen.

 

Informeer bij de mantelzorger naar:

 

  • de draagkracht en draaglast, bijvoorbeeld met behulp van de Gevoel van competentieschaal (www.nhg.org), de Caregiver Strain Index (bijlage in de Toolkit Mantelzorg in de huisartspraktijk van de Landelijke Huisartsen Vereniging) of Ervaren Druk door Informele Zorg (NHG-Praktijkwijzer Ouderenzorg). De instrumenten maken problemen makkelijker bespreekbaar en vormen een monitor voor het effect van interventies;44
  • risicofactoren voor overbelasting (bijvoorbeeld: lichamelijke of psychische klachten, weinig kennis en begrip van dementiesymptomen of weinig praktische en emotionele steun);
  • de behoefte aan ondersteuning.

 

Richtlijnen beleid

Het beleid bij dementie bestaat uit uitleg aan patiënt en mantelzorger(s), het opstellen van een zorgbehandelplan met bij voorkeur psychosociale interventies, aandacht voor sociale activiteiten en beweging en eventueel ergotherapie en een ondersteuningsplan voor de mantelzorger. De huisarts bespreekt ook de (on)mogelijkheden voor medicamenteuze interventies. Er wordt apart aandacht besteed aan probleemgedrag en vragen omtrent wilsverklaringen.

Uitleg en voorlichting

 

  • De huisarts bespreekt de diagnose dementie met de patiënt, het liefst in aanwezigheid van zijn naaste(n). Noem de diagnose dementie expliciet. Relateer de bevindingen en testuitslagen aan de klachten en aan alledaagse situaties. Benadruk de behouden functies en bespreek de positieve betekenis die de patiënt heeft voor anderen.45
  • Bespreek, indien daar behoefte aan is, vragen over de stadia. Lichte dementie: lichte problemen met geheugen en/of andere cognitieve functies, nog zelfstandig. Matige dementie: problemen met initiatief nemen en ADL, zorgafhankelijk. Ernstige dementie: ernstig cognitief beperkt, vaak incontinent en immobiel, communicatie- en gedragsproblemen, verpleegbehoeftig. Slechts 14% bereikt dit laatste stadium. Het beloop kan niet met zekerheid voorspeld worden.22
  • Na de diagnose dementie moet de patiënt (als deze een rijbewijs bezit en wil autorijden) de diagnose via een formulier Eigen Verklaring aan het CBR doorgeven. Zo niet, dan is de patiënt mogelijk onverzekerd bij een verkeersongeval. Het CBR nodigt de patiënt uit voor medisch onderzoek en eventueel een rijtest. De behandelend arts dient de patiënt hiervan op de hoogte te stellen.46
  • Adviseer om aan de omgeving uit te leggen wat er aan de hand is, zodat zij rekening kunnen houden met problemen, zorgen kunnen delen en steun kunnen bieden.
  • Overleg met patiënt en/of mantelzorger of er behoefte is aan een zorgcoördinator die regelt dat de juiste op elkaar afgestemde zorg geboden wordt en het aanspreekpunt is voor andere zorgverleners, en zo ja, wie die rol zal vervullen. Dit kan de huisarts of POH-ouderenzorg zijn, maar ook de wijkverpleegkundige (zie de LESA Dementie 2005).
  • Bespreek of de patiënt en/of mantelzorger behoefte heeft aan persoonlijke begeleiding in de vorm van casemanagement.47 Een casemanager is meestal ook verantwoordelijk voor zorgcoördinatie en monitoring van het ziektebeloop. Casemanagement kan worden uitgevoerd door: een POH-ouderenzorg of een verpleegkundige (zie de NHG-Praktijkwijzer Ouderenzorg); of een speciaal geschoolde zorgverlener uit een andere organisatie (zoals GGZ, verpleeghuis of ziekenhuis).
  • Maak een afspraak, of laat deze maken door de zorgcoördinator of casemanager, voor het opstellen van een zorgbehandelplan waarin problemen en eventuele risico’s, daaruit voortvloeiende doelen, gewenste interventies en evaluatiedata worden genoteerd. Daarnaast wordt een ondersteuningsplan voor de mantelzorger geformuleerd (zie de NHG-Praktijkwijzer Ouderenzorg).
  • Geef bij voorkeur schriftelijk informatie mee, bijvoorbeeld de NHG-Patiëntenbrief of verwijs naar de website www.thuisarts.nl/dementie en naar brochures van de patiëntenvereniging Alzheimer Nederland (www.alzheimernederland.nl). Zowel Alzheimer Nederland, als het Netwerk van Organisaties van Oudere Migranten (www.netwerknoom.nl) geven voorlichting in de eigen taal aan (mantelzorgers van) migranten.

 

Indien de mantelzorger (nog) geen behoefte heeft aan begeleiding door een zorgcoördinatorzorgcoördinator of casemanagercasemanagement, kan eerst worden volstaan met het geven van voorlichting:

 

  • De persoon die men eerst kende is of wordt anders dan voorheen en er zijn veel verlieservaringen. Bespreek (anticiperende) rouw.
  • Adviseer een gesprek of handeling niet over te nemen, maar de patiënt de kans te geven om het zelf te doen, eventueel met kleine hints.48
  • Vertel dat mensen met geheugenproblemen weinig leren van fouten en nauwelijks instructie kunnen onthouden. Het aan- of afleren van eenvoudige handelingen of activiteiten nog wel, met hulp van deskundige begeleiding of geïnstrueerde naasten.49
  • Bespreek dat het inschakelen van hulp zoals gegeven door vrijwilligers, thuiszorg of dagbehandeling waardoor de mantelzorger even wordt vrijgesteld van de zorgtaken (zogenaamde respijtzorg) geen zwakte is. Adviseer geen beloftes te doen over het zelf verzorgen van de patiënt in de toekomst.
  • Verwijs voor meer informatie naar het Steunpunt Mantelzorg (www.mezzo.nl of 0900-2020496) en de patiëntenvereniging Alzheimer Nederland (www.alzheimernederland.nl of 030-6567511).

 

Zorgbehandelplan

Dementiezorg is complex. Dit maakt het gebruik van een zorgbehandelplanzorgbehandelplan gewenst. Het plan wordt zo mogelijk geformuleerd in overleg met de patiënt en de mantelzorger, en bij voorkeur in een gestructureerd overleg50 met de praktijkondersteuner, wijkverpleegkundige of andere betrokken hulpverleners. De doelen worden geformuleerd op basis van de bevindingen bij de diagnostiek, een inventarisatie van problemen; de persoonlijkheid, achtergrond en leefwijze; en mogelijkheden en behoeftes van de patiënt.4 Aandachtspunten zijn: 51

 

  • Uitleg over dementie.
  • Regelmatig contact met een vaste professional.
  • Signaleren en monitoren van symptomen van depressie en angst van de patiënt.
  • ‘Op maat gemaakte’ psychosociale interventies.

 

Bied ook zorg aan de mantelzorger als deze problemen ervaart, zo nodig in een apart consult. Aandachtspunten in het ondersteuningsplan voor de mantelzorger zijn:

 

  • De stemming en draagkracht van de mantelzorger.
  • De interventies voor de patiënt passen zo mogelijk ook bij de behoeften van de mantelzorger.
  • Nagaan van redenen voor afzien van hulp als deze wel geïndiceerd is.

 

Het eerste zorgbehandelplan is vaak algemeen, omdat er nog weinig problemen zijn of de patiënt en mantelzorger nog niet precies weten wat ze aan zorg willen ontvangen. Een vervolgplan is meestal specifieker en mede afhankelijk van het beloop (zie Controles).
Indien de patiënt persoonlijke verzorging, verpleging, begeleiding en/of behandeling of verblijf in een instelling nodig heeft wordt dit betaald via de Algemene Wet Bijzondere Ziektekosten. Een aanvraag voor deze zorg kan de patiënt of (meestal de) mantelzorger indienen via het Centrum Indicatiestelling Zorg (CIZ). Een bevestiging van de diagnose door een specialist is hiervoor niet nodig. Indien hulpmiddelen en huishoudelijke hulp nodig zijn, kan de patiënt of mantelzorger deze aanvragen via het WMO-loket van de gemeente.52

Niet-medicamenteuze interventies

Psychosociale interventies richten zich bij de patiënt en de mantelzorger op het verwerken van de diagnose en het leren omgaan met de ziekte. Psychosociale interventies die gericht zijn op de behoeften van patiënt en mantelzorger, intensief zijn en uit meerdere onderdelen bestaan (‘multicomponent’) zijn vaker effectief en leiden tot uitstel van opname in een verpleeghuis.53 De bewijskracht voor de effectiviteit van de interventies op zichzelf is laag. Gemeten effecten kunnen het gevolg zijn van de gedurende interventie verleende zorg en begeleiding. Interventies gericht op beweging en ergotherapieergotherapie beogen het fysiek en ADL-functioneren zo lang mogelijk intact te houden of te verbeteren.
De keuze voor behandeling wordt mede bepaald door de regionale mogelijkheden. De besluitvorming kan plaatsvinden in een gestructureerd overleg50 of er kan een terzake kundige specialist of psycholoog geconsulteerd worden. In [tabel 5] worden voorbeelden van behandelingen voor verschillende problemen bij dementie gegeven. De websites www.alzheimer-nederland.nl/socialekaart en ldp.socard.nl helpen bij het vinden van adressen in de regio.

Interventies voor de patiënt

 

  • Adviseer bij voorkeur (een combinatie van) psychosociale interventies die aansluiten bij de diagnostiek en zorgbehoefte, zoals bijvoorbeeld individuele begeleiding, cognitieve training en gedragsinterventies (bijvoorbeeld via GGZ of dagbehandeling).54
  • Stimuleer de patiënt, met ondersteuning van de mantelzorger, tot voor de patiënt aantrekkelijke structurele lichamelijke activiteiten.55
  • Ergotherapie traint de patiënt met dementie in het uitvoeren van betekenisvolle dagelijkse handelingen door het aanleren van compensatoire strategieën en omgevingsaanpassing.56

 

Interventies voor de mantelzorger

 

  • Adviseer bij voorkeur (een combinatie van) psychosociale interventies die aansluiten bij de zorgbehoefte, zoals voorlichting, cognitive reframing en cognitieve gedragstherapie en begeleiding (casemanagement).57
  • Ergotherapie traint de mantelzorger in probleemoplossende vaardigheden en geeft handvatten om de patiënt te helpen.56
  • Verder aanwijzingen voor begeleiding van mantelzorgers kunt u vinden in de Toolkit Mantelzorg in de huisartsenpraktijk van de Landelijke Huisartsen Vereniging en op www.expertisecentrummantelzorg.nl.

Tabel 5Voorbeelden van interventies voor verschillende problemen bij dementie
Probleem Gericht op Interventie Uitgevoerd door Methode
Gebrek aan kennis over dementie. Behoefte aan (h)erkenning of lotgenotencontact.Niet-functionele omgang met patiënt door mantelzorger.Patiënt en mantelzorgerVoorlichting(psycho-educatie) Huisarts, POH, Alzheimer Nederland, medewerker GGZ/verpleeghuis/ziekenhuis zoals een casemanagerNHG-Patiëntenbrieven of brochures van patiëntenvereniging Alzheimer Nederland. Individuele gesprekken of groepsgesprekken (ook via organisaties voor thuiszorg en welzijn). Alzheimer Cafés (www.alzheimernederland.nl)
Probleemgedrag (zoals agitatie of apathie).PatiëntAfspraken over omgang met de patiënt, dagbesteding en omgeving (mediatieve interventies)Mantelzorger, thuiszorg, huisarts, POH, psycholoog, activiteitenbegeleider, of (andere) medewerker multidisciplinair team Instructie aan verzorgerDagprogramma met voor de patiënt interessante activiteiten zoals positieve herinneringen ophalen m.b.v. beeld- of geluidmateriaal, lichaamsbeweging, sociale contacten (www.ontmoetingscentradementie.nl) en dagbehandeling (www.kiesbeter.nl)
(I)ADL-problemen en/of afname autonomie door problemen met geheugen, oriëntatie of handelen.Patiënt en mantelzorgerErgo-therapieAanpassingen in huisPatiënt en mantelzorger na instructie door ergotherapeutVilans hulpmiddelenwijzer: www.vindeenhulpmiddel.nlAanpassingen in huis:www.thuiswonenmetdementie.nlErgotherapie voor patiënt (aanpassen van de omgeving en ADL) en mantelzorger (probleemoplossende vaardigheden vergroten en handvatten voor het helpen van de patiënt)Aanvraag voor middelen en aanpassingen via het WMO-loket
(Dreigende) overbelasting mantelzorger. Gebrek aan (h)erkenning en ontspanning voor de patiënt.Mantelzorger en patiëntRespijtzorg Thuiszorg, oppas of bezoekdienst, dag- of nachtopvang, zorgboerderij. Bij voorkeur in combinatie met andere interventiesRespijtzorg is elke interventie die de mantelzorger rust of verlichting geeft. Zie ook www.respijtwijzer.nl en www.handeninhuis.nl
Twijfel over eigen competentie als verzorger. Stemmingsklachten bij de mantelzorger.MantelzorgerGesprekken of cursus (cognitieve reframing, cognitieve therapie)Huisarts, POH, psycholoog, medewerker GGZ/verpleeg-huis/ziekenhuis, consulent van welzijnsorganisatieDisfunctionele gedachten vertalen in constructieve gedachtenCursus Omgaan met dementieInternettherapie: www.dementiedebaas.nlAlzheimertelefoon en Mezzo Mantelzorglijn

Medicamenteuze behandeling

Er zijn diverse middelen beschikbaar die kunnen worden voorgeschreven aan patiënten met dementie. Daarbij wordt onderscheid gemaakt in cholinesteraseremmerscholinesteraseremmers en memantinememantine, en overige medicatie.

 

  • De werkgroep raadt het voorschrijven van cholinesteraseremmers en memantine door huisartsen af. De balans tussen effectiviteit en veiligheid is dusdanig dat er geen overwegend voordeel te verwachten is. Indien de patiënt de mogelijkheden van een proefbehandeling nader wil verkennen, kan worden verwezen naar een specialist die ervaring heeft met deze middelen.

 

Cholinesteraseremmers (rivastigminerivastigmine en galantaminegalantamine) tonen een geringe tijdelijke stabilisering in cognitie, ADL of klinisch functioneren bij een kleine (niet te duiden) subgroep van patiënten met licht tot matig-ernstige ziekte van Alzheimer. Er werd minimale winst gevonden op de gebruikte schalen, er zijn veel methodologische bezwaren bij de uitgevoerde onderzoeken en de klinische relevantie van de resultaten is onduidelijk.58,59 Hetzelfde geldt voor de glutamaatreceptorantagonist memantine bij patiënten met matig tot ernstige ziekte van Alzheimer.60 De effecten van cholinesteraseremmers bij Lewy-Body-dementie en dementie bij de ziekte van Parkinson lijken positief, maar zijn weinig onderzocht.61 Bij gebruikers van memantine zijn weinig bijwerkingen gerapporteerd, maar bij gebruikers van cholinesteraseremmers blijken met name gastro-intestinale bijwerkingen zoals misselijkheid, braken en diarree, maar ook flauwvallen, ritme- of geleidingsstoornissen van het hart en heupfracturen vaker voor te komen.62
Overige medicamenteuze interventies worden afgeraden:

 

  • Behandeling van hypertensie of hypercholesterolaemie beïnvloedt het beloop van dementie niet.63
  • Het voorschrijven van ginkgo biloba64 en vitamine E65 wordt afgeraden omdat er geen consistent en betrouwbaar bewijs is van effectiviteit bij patiënten met dementie.
  • Het voorschrijven van acetylsalicylzuur als behandeling van dementie is niet zinvol.66

 

Probleemgedrag

Probleemgedrag is gedrag van de patiënt dat door deze patiënt en/of zijn omgeving als moeilijk hanteerbaar wordt ervaren.23 Voorbeelden van probleemgedrag zijn: agitatie of agressie, apathie, verminderde empathie, (alle) hulp afwijzen, omkering dag-nachtritme, overmatig oninvoelbaar huilen of lachen, ontremming met eten, seksuele ontremming, lichamelijke onrust of dwaal- of zwerfgedrag, verzamelwoede of neiging om dingen te verstoppen en decorumverlies.
Bij een eigen observatie of meldingen vanuit de omgeving of van andere hulpverleners over nieuw probleemgedrag van de patiënt beoordeelt de huisarts door middel van (hetero)anamnese en lichamelijk onderzoek (nogmaals) de volgende aspecten:

 

  • somatisch of psychiatrisch (bijvoorbeeld visus of hoorproblemen, pijn, ondervoeding, mictie/defecatieproblemen, slaapproblemen, bijwerkingen van medicatie, delier, depressie, angst of psychose);
  • psychosociaal (zoals geen passende dagbesteding of dagstructuur, gebrek aan beweging of sociale contacten);
  • kenmerken van de mantelzorger (ongeduld, overbelasting, soms relationele problemen) en een verstoorde interactie met de patiënt.

 

Het verdere beleid wordt achtereenvolgens onderscheiden in:

 

  • Behandeling van lichamelijke problemen.
  • Niet-medicamenteuze behandeling.
  • Behandeling met psychofarmaca.

 

Niet-medicamenteuze behandeling van probleemgedrag

Geef voorlichting:

 

  • Leg aan naasten uit dat het geen zin heeft het gedrag van de patiënt te veroordelen. Adviseer plezierig gedrag (zoals rustig zijn, leuke opmerkingen maken of zichzelf vermaken) met positieve aandacht te belonen en weinig aandacht te schenken aan negatief gedrag.67
  • Wijs naasten van de patiënt op de brochure Omgaan met dementie van de patiëntenvereniging Alzheimer Nederland. Hierin wordt onder andere uitgelegd hoe om te gaan met herhalingen, paniek, achterdocht, hallucinaties, dwaalgedrag, nachtelijke onrust, agressie, decorumverlies, en intimiteit en seksualiteit.
  • Bied extra ondersteuning en begeleiding aan de mantelzorger.
  • Kies een (of meerdere) interventie(s) afhankelijk van de oorzaak (bijvoorbeeld afspraken over omgang met de patiënt, aanpassing van dagbesteding of ontlasting van de mantelzorger). Zie Niet-medicamenteuze interventies. Indien meerdere hulpverleners zijn betrokken, dan kan hierover worden besloten in een multidisciplinair overleg.

 

Behandeling van probleemgedrag met psychofarmaca

Behandeling met psychofarmaca vindt alleen plaats in acute situaties, als niet-medicamenteuze interventies (nog) niet voldoende effectief zijn.
Als bijwerkingen worden met name extrapiramidale symptomen, sufheid en een verhoogde valneiging gezien. Daarnaast is een verhoogde mortaliteit (mogelijk iets meer bij haldol) en een verhoogd risico op CVA (met name bij risperidon) waargenomen. Bij patiënten met een verhoogd risico op vasculaire complicaties (zoals gebruik van anticoagulantia, atriumfibrilleren, hypertensie en een CVA in de voorgeschiedenis) dient dit in de keuze meegewogen te worden.
De volgende adviezen gelden voor patiënten met een vermoedelijke ziekte van Alzheimer. Indien de huisarts psychofarmaca wil voorschrijven aan een patiënt met een andere vorm van dementie wordt geadviseerd te overleggen met een (behandelend) specialist.68

 

  • Psychosepsychose:
    •  
      • Start met risperidonrisperidon 0,25 mg, 2 x per dag, oraal. Verhoog de dosering desgewenst op geleide van het effect, om de andere dag, tot maximaal 2 mg/dag.
      • Tweede keus is haloperidolhaloperidol 0,5 mg oraal. Verhoog de dosering desgewenst op geleide van het effect tot maximaal 2 mg/dag in 1 tot 3 giften

Literatuur

  • 1.Bij verwijzing naar NHG-producten zie www.nhg.org.
  • 2.Anonymus. Burgerlijk Wetboek art. 7;453 Wet op de geneeskundige behandelingsovereenkomst. Deventer: Kluwer, 2011.
  • 3.Aalten P, De Vugt ME, Jaspers N, Jolles J, Verhey FR. The course of neuropsychiatric symptoms in dementia. Part I: findings from the two-year longitudinal Maasbed study. Int J Geriatr Psychiatry 2005;20:523-30.
  • 4.Aalten P, Verhey FR, Boziki M, Brugnolo A, Bullock R, Byrne EJ, et al. Consistency of neuropsychiatric syndromes across dementias: results from the European Alzheimer Disease Consortium. Part II. Dement Geriatr Cogn Disord 2008;25:1-8.
  • 5.Aarsland D, Ballard C, Walker Z, Bostrom F, Alves G, Kossakowski K, et al. Memantine in patients with Parkinson’s disease dementia or dementia with Lewy bodies: a double-blind, placebo-controlled, multicentre trial. Lancet Neurol 2009;8:613-8.
  • 6.Aarsland D, Kurz MW. The epidemiology of dementia associated with Parkinson’s disease. Brain Pathol 2010;20:633-9.
  • 7.Aarsland D, Laake K, Larsen JP, Janvin C. Donepezil for cognitive impairment in Parkinson’s disease: a randomised controlled study. J Neurol Neurosurg Psychiatry 2002;72:708-12.
  • 8.Aarsland D, Rongve A, Nore SP, Skogseth R, Skulstad S, Ehrt U, et al. Frequency and case identification of dementia with Lewy bodies using the revised consensus criteria. Dement Geriatr Cogn Disord 2008;26:445-52.
  • 9.Aisen PS, Schneider LS, Sano M, Diaz-Arrastia R, Van Dyck CH, Weiner MF, et al. High-dose B vitamin supplementation and cognitive decline in Alzheimer disease: a randomized controlled trial. JAMA 2008;300:1774-83.
  • 10.Akerboom CPM, Dute JCJ, Gevers JKM, Nys H, Winter HB, Woestenburg NOM. Thematische Wetsevaluatie Wilsonbekwaamheid en vertegenwoordiging (2011). ZonMW. http://www.pro-facto.nl/site/images/stories/PDF/thematische_wetsevaluatie_wilsonbekwaamheid_en_vertegenwoordiging_webversie_a4.pdf . 20-12-2011.
  • 11.Albert MS, DeKosky ST, Dickson D, Dubois B, Feldman HH, Fox NC, et al. The diagnosis of mild cognitive impairment due to Alzheimer’s disease: recommendations from the National Institute on Aging-Alzheimer’s Association workgroups on diagnostic guidelines for Alzheimer’s disease. Alzheimers Dement 2011;7:270-9.
  • 12.Allan LM, Ballard CG, Burn DJ, Kenny RA. Prevalence and severity of gait disorders in Alzheimer’s and non-Alzheimer’s dementias. J Am Geriatr Soc 2005;53:1681-7.
  • 13.Ancelin ML, Artero S, Portet F, Dupuy AM, Touchon J, Ritchie K. Non-degenerative mild cognitive impairment in elderly people and use of anticholinergic drugs: longitudinal cohort study. BMJ 2006;332:455-9.
  • 14.Andel R, Crowe M, Pedersen NL, Fratiglioni L, Johansson B, Gatz M. Physical exercise at midlife and risk of dementia three decades later: a population-based study of Swedish twins. J Gerontol A Biol Sci Med Sci 2008;63:62-6.
  • 15.Andersen K, Lolk A, Martinussen T, Kragh-Sorensen P. Very mild to severe dementia and mortality: A 14-year follow-up - The Odense study. Dement Geriatr Cogn Disord 2010;29:61-7.
  • 16.Angevaren M, Aufdemkampe G, Verhaar HJ, Aleman A, Vanhees L. Physical activity and enhanced fitness to improve cognitive function in older people without known cognitive impairment. Cochrane Database Syst Rev 2008;CD005381.
  • 17.Annerbo S, Wahlund LO, Lokk J. The significance of thyroid-stimulating hormone and homocysteine in the development of Alzheimer’s disease in mild cognitive impairment: a 6-year follow-up study. Am J Alzheimers Dis Other Demen 2006;21:182-8.
  • 18.Anstey KJ, Mack HA, Cherbuin N. Alcohol consumption as a risk factor for dementia and cognitive decline: meta-analysis of prospective studies. Am J Geriatr Psychiatry 2009;17:542-55.
  • 19.APA. Diagnostic and Statistical Manual of Mental Disorders: DSM-IV-TR. Fourth edition - text revision ed. 2000.
  • 20.Aprahamian I, Martinelli JE, Neri AL, Yassuda MS. The accuracy of the Clock Drawing Test compared to that of standard screening tests for Alzheimer’s disease: results from a study of Brazilian elderly with heterogeneous educational backgrounds. Int Psychogeriatr 2010;22:64-71.
  • 21.Areosa SA, Grimley EV. Effect of the treatment of Type II diabetes mellitus on the development of cognitive impairment and dementia. Cochrane Database Syst Rev 2002;CD003804.
  • 22.Asher R. Myxoedematous madness. Br Med J 1949;2:555-62.
  • 23.Aziz NA, Van der Marck MA, Pijl H, Olde Rikkert MG, Bloem BR, Roos RA. Weight loss in neurodegenerative disorders. J Neurol 2008;255:1872-80.
  • 24.Bachinskaya N, Hoerr R, Ihl R. Alleviating neuropsychiatric symptoms in dementia: the effects of Ginkgo biloba extract EGb 761. Findings from a randomized controlled trial. Neuropsychiatr Dis Treat 2011;7:209-15.
  • 25.Bakker R, Schoenmaker A, Van der Zee H. De huisarts in 2010. Perspectieven voor medische zorg. Utrecht: Uitgeverij De Tijdstroom BV, 1995.
  • 26.Ballard C, Grace J, McKeith I, Holmes C. Neuroleptic sensitivity in dementia with Lewy bodies and Alzheimer’s disease. Lancet 1998;351:1032-3.
  • 27.Ballard C, Waite J. The effectiveness of atypical antipsychotics for the treatment of aggression and psychosis in Alzheimer’s disease. Cochrane Database Syst Rev 2006;CD003476.
  • 28.Barnhart WJ, Makela EH, Latocha MJ. SSRI-induced apathy syndrome: a clinical review. J Psychiatr Pract 2004;10:196-9.
  • 29.Beers MH, Ouslander JG, Rollingher I, Reuben DB, Brooks J, Beck JC. Explicit criteria for determining inappropriate medication use in nursing home residents. UCLA Division of Geriatric Medicine. Arch Intern Med 1991;151:1825-32.
  • 30.Bettens K, Sleegers K, Van Broeckhoven C. Current status on Alzheimer disease molecular genetics: from past, to present, to future. Hum Mol Genet 2010;19:R4-R11.
  • 31.Biessels GJ, Staekenborg S, Brunner E, Brayne C, Scheltens P. Risk of dementia in diabetes mellitus: a systematic review. Lancet Neurol 2006;5:64-74.
  • 32.Bird M, Llewellyn-Jones RH, Korten A. An evaluation of the effectiveness of a case-specific approach to challenging behaviour associated with dementia. Aging Ment Health 2009;13:73-83.
  • 33.Birks J, Grimley EJ. Ginkgo biloba for cognitive impairment and dementia. Cochrane Database Syst Rev 2009a;CD003120.
  • 34.Birks J, Grimley EJ, Iakovidou V, Tsolaki M, Holt FE. Rivastigmine for Alzheimer’s disease. Cochrane Database Syst Rev 2009b;CD001191.
  • 35.Blankevoort CG, Van Heuvelen MJ, Boersma F, Luning H, De Jong J, Scherder EJ. Review of effects of physical activity on strength, balance, mobility and ADL performance in elderly subjects with dementia. Dement Geriatr Cogn Disord 2010;30:392-402.
  • 36.Bloem BR, Van Laar T, Keus SHJ, De Beer H, Poot E, Buskens E, et al. Multidisciplinaire richtlijn ziekte van Parkinson. www.cbo.nl/thema/Richtlijnen/Overzicht-richtlijnen/Geriatrie/?p=368. Geraadpleegd 20-9-2010.
  • 37.Borson S, Scanlan JM, Chen P, Ganguli M. The Mini-Cog as a screen for dementia: validation in a population-based sample. J Am Geriatr Soc 2003;51:1451-4.
  • 38.Boustani M, Callahan CM, Unverzagt FW, Austrom MG, Perkins AJ, Fultz BA, et al. Implementing a screening and diagnosis program for dementia in primary care. J Gen Intern Med 2005;20:572-7.
  • 39.Boyle LL, Porsteinsson AP, Cui X, King DA, Lyness JM. Depression predicts cognitive disorders in older primary care patients. J Clin Psychiatry 2010;71:74-9.
  • 40.Bradford A, Kunik ME, Schulz P, Williams SP, Singh H. Missed and delayed diagnosis of dementia in primary care: prevalence and contributing factors. Alzheimer Dis Assoc Disord 2009;23:306-14.
  • 41.Brayne C, Fox C, Boustani M. Dementia screening in primary care: is it time? JAMA 2007;298:2409-11.
  • 42.Brodaty H, Kemp NM, Low LF. Characteristics of the GPCOG, a screening tool for cognitive impairment. Int J Geriatr Psychiatry 2004;19:870-4.
  • 43.Brodaty H, Low LF, Gibson L, Burns K. What is the best dementia screening instrument for general practitioners to use? Am J Geriatr Psychiatry 2006;14:391-400.
  • 44.Brodaty H, Pond D, Kemp NM, Luscombe G, Harding L, Berman K, et al. The GPCOG: a new screening test for dementia designed for general practice. J Am Geriatr Soc 2002;50:530-4.
  • 45.Brodaty H, Thomson C, Thompson C, Fine M. Why caregivers of people with dementia and memory loss don’t use services. Int J Geriatr Psychiatry 2005;20:537-46.
  • 46.Buchman AS, Wilson RS, Bienias JL, Shah RC, Evans DA, Bennett DA. Change in body mass index and risk of incident Alzheimer disease. Neurology 2005;65:892-7.
  • 47.Burn D, Emre M, McKeith I, De Deyn PP, Aarsland D, Hsu C, et al. Effects of rivastigmine in patients with and without visual hallucinations in dementia associated with Parkinson’s disease. Mov Disord 2006;21:1899-907.
  • 48.Burton EJ, Kenny RA, O’Brien J, Stephens S, Bradbury M, Rowan E, et al. White matter hyperintensities are associated with impairment of memory, attention, and global cognitive performance in older stroke patients. Stroke 2004;35:1270-5.
  • 49.Buschke H, Kuslansky G, Katz M, Stewart WF, Sliwinski MJ, Eckholdt HM, et al. Screening for dementia with the memory impairment screen. Neurology 1999;52:231-8.
  • 50.Cacho J, Benito-León J, García-García R, Fernández-Calvo B, Vicente-Villardón JL, Mitchell AJ. Does the combination of the MMSE and clock drawing test (mini-clock) improve the detection of mild Alzheimer’s disease and mild cognitive impairment? J Alzheimers Dis 2010;22:889-96.
  • 51.Callahan CM, Boustani MA, Unverzagt FW, Austrom MG, Damush TM, Perkins AJ, et al. Effectiveness of collaborative care for older adults with Alzheimer disease in primary care: a randomized controlled trial. JAMA 2006;295:2148-57.
  • 52.Campbell N, Ayub A, Boustani MA, Fox C, Farlow M, Maidment I, et al. Impact of cholinesterase inhibitors on behavioral and psychological symptoms of Alzheimer’s disease: a meta-analysis. Clin Interv Aging 2008;3:719-28.
  • 53.Campbell N, Boustani M, Limbil T, Ott C, Fox C, Maidment I, et al. The cognitive impact of anticholinergics: a clinical review. Clin Interv Aging 2009;4:225-33.
  • 54.Carriere I, Fourrier-Reglat A, Dartigues JF, Rouaud O, Pasquier F, Ritchie K, et al. Drugs with anticholinergic properties, cognitive decline, and dementia in an elderly general population: the 3-city study. Arch Intern Med 2009;169:1317-24.
  • 55.Chabot B, Braam S. Een waardig levenseinde in eigen hand. Amsterdam: Nijgh & Van Ditmar, 2010.
  • 56.Chabriat H, Joutel A, Dichgans M, Tournier-Lasserve E, Bousser MG. Cadasil. Lancet Neurol 2009;8:643-53.
  • 57.Challis D, Von Abendorff R, Brown P, Chesterman J, Hughes J. Care management, dementia care and specialist mental health services: an evaluation. Int J Geriatr Psychiatry 2002;17:315-25.
  • 58.Chan RCK, Shum D, Toulopoulou T, Chen EYH. Assessment of executive functions: review of instruments and identification of critical issues. Arch Clin Neuropsychol 2008;23:201-16.
  • 59.Cherbuin N, Anstey KJ, Lipnicki DM. Screening for dementia: a review of self- and informant-assessment instruments. Int Psychogeriatr 2008;20:431-58.
  • 60.Centrum Indicatiestelling Zorg. CIZ Indicatiewijzer versie 5.0 (2012). http://www.ciz.nl/sites/ciz/files/filemanager/indicatiewijzer/Indicatiewijzer_50.pdf.
  • 61.Clarfield AM. The decreasing prevalence of reversible dementias: an updated meta-analysis. Arch Intern Med 2003;163:2219-29.
  • 62.Clarke R, Birks J, Nexo E, Ueland PM, Schneede J, Scott J, et al. Low vitamin B-12 status and risk of cognitive decline in older adults. Am J Clin Nutr 2007;86:1384-91.
  • 63.Cohen-Mansfield J, Jensen B. Changes in habits related to self-care in dementia: the nursing home versus adult day care. Am J Alzheimers Dis Other Demen 2007;22:184-9.
  • 64.Conn HO. Normal pressure hydrocephalus (NPH): more about NPH by a physician who is the patient. Clin Med 2011;11:162-5.
  • 65.Coppus T. Predictors of dementia and mortality in Down’s syndrome [Proefschrift]. Rotterdam: Erasmus University Rotterdam: Erasmus Universiteit, 2008.
  • 66.Courtney C, Farrell D, Gray R, Hills R, Lynch L, Sellwood E, et al. Long-term donepezil treatment in 565 patients with Alzheimer’s disease (AD2000): randomised double-blind trial. Lancet 2004;363:2105-15.
  • 67.Craig D, Birks J. Galantamine for vascular cognitive impairment. Cochrane Database Syst Rev 2006;CD004746.
  • 68.Cui X, Lyness JM, Tu X, King DA, Caine ED. Does depression precede or follow executive dysfunction? Outcomes in older primary care patients. Am J Psychiatry 2007;164:1221-8.
  • 69.Cummings JL, Mega M, Gray K, Rosenberg-Thompson S, Carusi DA, Gornbein J. The Neuropsychiatric Inventory: comprehensive assessment of psychopathology in dementia. Neurology 1994;44:2308-14.
  • 70.Czarnecki K, Kumar N, Josephs KA. Parkinsonism and tardive antecollis in frontotemporal dementia - increased sensitivity to newer antipsychotics? Eur J Neurol 2008;15:199-201.
  • 71.Damian AM, Jacobson SA, Hentz JG, Belden CM, Shill HA, Sabbagh MN, et al. The Montreal Cognitive Assessment and the mini-mental state examination as screening instruments for cognitive impairment: item analyses and threshold scores. Dement Geriatr Cogn Disord 2011;31:126-31.
  • 72.De Groot JC, De Leeuw FE, Oudkerk M, Van Gijn J, Hofman A, Jolles J, et al. Ce-rebral white matter lesions and cognitive function: the Rotterdam Scan Study. Ann Neurol 2000;47:145-51.
  • 73.De Jong FJ, Den Heijer T, Visser TJ, De Rijke YB, Drexhage HA, Hofman A, et al. Thyroid hormones, dementia, and atrophy of the medial temporal lobe. J Clin Endocrinol Metab 2006;91:2569-73.
  • 74.De Jonghe JF, Kat MG, Kalisvaart CJ, Boelaarts L. Neuropsychiatric inventory vragenlijstversie (NPI-Q): validiteitsaspecten van de Nederlandse versie. Tijdschr Gerontol Geriatr 2003;34:74-7.
  • 75.De Jonghe JF, Schmand B, Ooms ME, Ribbe MW. Verkorte Informantvragenlijst over cognitieve achteruitgang bij ouderen. Tijdschr Gerontol Geriatr 1997;28:224-9.
  • 76.De Lau LM, Schipper CM, Hofman A, Koudstaal PJ, Breteler MM. Prognosis of Parkinson disease: risk of dementia and mortality: the Rotterdam Study. Arch Neurol 2005;62:1265-9.
  • 77.De Lepeleire J, Gorissen H, Vermandere M, Schoenmakers B. Tijdige diagnostiek van dementie in de huisartsenpraktijk. Bijblijven 2009;25:13-24.
  • 78.De Vugt ME, Stevens F, Aalten P, Lousberg R, Jaspers N, Winkens I, et al. Do caregiver management strategies influence patient behaviour in dementia? Int J Geriatr Psychiatry 2004;19:85-92.
  • 79.Dechamps A, Fasotti L, Jungheim J, Leone E, Dood E, Allioux A, et al. Effects of different learning methods for instrumental activities of daily living in patients with Alzheimer’s dementia: a pilot study. Am J Alzheimers Dis Other Demen 2011;26:273-81.
  • 80.Defranceso M, Schocke M, Messner HJ, Deisenhammer EA, Hinterhuber H, Marksteiner J, et al. Konversion von MCI (Mild Cognitive Impairment) zur Alzheimer-Demenz: Diagnostische Moglichkeiten und Pradikatoren. Neuropsychiatr 2010;24:88-98.
  • 81.Den Draak M, De Klerk M. Oudere migranten. Kennis en kennislacunes (2011). Sociaal en Cultureel Planbureau. http://www.scp.nl/content.jsp?objectid=29171.
  • 82.Derksen E, Vernooij-Dassen M, Gillissen F, Olde Rikkert M, Scheltens P. Impact of diagnostic disclosure in dementia on patients and carers: qualitative case series analysis. Aging Ment Health 2006;10:525-31.
  • 83.Derksen EWC. Diagnostic disclosure: a basic intervention in dementia care [Proefschrift]. Nijmegen: Radboud Universiteit, 2011.
  • 84.Dierckx E, Engelborghs S, De Raedt R, De Deyn PP, Ponjaert-Kristoffersen I. Differentiation between mild cognitive impairment, Alzheimer’s disease and depression by means of cued recall. Psychol Med 2007;37:747-55.
  • 85.Diesfeldt HF. Discrepanties tussen de informantvragenlijst (IQCODE) en cognitieve tests bij deelnemers aan psychogeriatrische dagbehandeling. Tijdschr Gerontol Geriatr 2007;38:225-36.
  • 86.Diraoui S, Van Melick EJ, Jansen PA. Clozapine ter behandeling van psychose bij 3 oude patiënten met de ziekte van Parkinson. Ned Tijdschr Geneeskd 2004;148:2365-8.
  • 87.Dirkse R, Kessels R, Hoogeveen F, Van Dixhoorn I. (Op)nieuw geleerd, oud gedaan. Utrecht: Kosmos Uitgevers, 2011.
  • 88.Dolder CR, Davis LN, McKinsey J. Use of psychostimulants in patients with dementia. Ann Pharmacother 2010;44:1624-32.
  • 89.Drijgers RL, Aalten P, Leentjens AF, Verhey FR. Apathie: van symptoom naar syndroom. Tijdschr Psychiatr 2010;52:397-405.
  • 90.Dubois B, Burn D, Goetz C, Aarsland D, Brown RG, Broe GA, et al. Diagnostic procedures for Parkinson’s disease dementia: recommendations from the movement disorder society task force. Mov Disord 2007a;22:2314-24.
  • 91.Dubois B, Feldman HH, Jacova C, Cummings JL, DeKosky ST, Barberger-Gateau P, et al. Revising the definition of Alzheimer’s disease: a new lexicon. Lancet Neurol 2010;9:1118-27.
  • 92.Dubois B, Feldman HH, Jacova C, DeKosky ST, Barberger-Gateau P, Cummings J, et al. Research criteria for the diagnosis of Alzheimer’s disease: revising the NINCDS-ADRDA criteria. Lancet Neurol 2007b;6:734-46.
  • 93.Duffield MS, Phillips JI, Vieira-Makings E, Van der Westhuyzen J, Metz J. Demyelinisation in the spinal cord of vitamin B deficient fruit bats. Comp Biochem Physiol C 1990;96:291-7.
  • 94.Durga J, Van Boxtel MP, Schouten EG, Kok FJ, Jolles J, Katan MB, et al. Effect of 3-year folic acid supplementation on cognitive function in older adults in the FACIT trial: a randomised, double blind, controlled trial. Lancet 2007;369:208-16.
  • 95.Ebell MH. Brief screening instruments for dementia in primary care. Am Fam Physician 2009;79:497-8, 500.
  • 96.Eefsting JA, Boersma F, Van Den Brink W, Van Tilburg W. Differences in prevalence of dementia based on community survey and general practitioner recognition. Psychol Med 1996;26:1223-30.
  • 97.Ehlenbach WJ, Hough CL, Crane PK, Haneuse SJ, Carson SS, Curtis JR, et al. Association between acute care and critical illness hospitalization and cognitive function in older adults. JAMA 2010;303:763-70.
  • 98.Emre M, Aarsland D, Albanese A, Byrne EJ, Deuschl G, De Deyn PP, et al. Ri-vastigmine for dementia associated with Parkinson’s disease. N Engl J Med 2004;351:2509-18.
  • 99.Emre M, Aarsland D, Brown R, Burn DJ, Duyckaerts C, Mizuno Y, et al. Clinical diagnostic criteria for dementia associated with Parkinson’s disease. Mo-v Disord 2007;22:1689-707.
  • 100.Erickson K, Raji A. Exercise training increases size of hippocampus and improves memory. PNAS 2011;108:3017-22.
  • 101.Evans DA, Bienias JL. Alcohol consumption and cognition. N Engl J Med 2005;352:289-90.
  • 102.Factora R, Luciano M. When to consider normal pressure hydrocephalus in the patient with gait disturbance. Geriatrics 2008;63:32-7.
  • 103.Farquhar C, Marjoribanks J, Lethaby A, Suckling JA, Lamberts Q. Long term hormone therapy for perimenopausal and postmenopausal women. Cochrane Database Syst Rev 2009;CD004143.
  • 104.Feldman H, Sauter A, Donald A, Gelinas I, Gauthier S, Torfs K, et al. The disability assessment for dementia scale: a 12-month study of functional ability in mild to moderate severity Alzheimer disease. Alzheimer Dis Assoc Disord 2001;15:89-95.
  • 105.Feldman HH, Pirttila T, Dartigues JF, Everitt B, Van Baelen B, Schwalen S, et al. Treatment with galantamine and time to nursing home placement in Alzheimer’s disease patients with and without cerebrovascular disease. Int J Geriatr Psychiatry 2009;24:479-88.
  • 106.Folstein MF, Folstein SE, McHugh PR. “Mini-mental state”. A practical method for grading the cognitive state of patients for the clinician. J Psychiatr Res 1975;12:189-98.
  • 107.Fong TG, Jones RN, Rudolph JL, Yang FM, Tommet D, Habtemariam D, et al. Development and validation of a brief cognitive assessment tool: the sweet 16. Arch Intern Med 2011;171:432-7.
  • 108.Ford AH, Flicker L, Alfonso H, Thomas J, Clarnette R, Martins R, et al. Vitamins B(12), B(6), and folic acid for cognition in older men. Neurology 2010;75:1540-7.
  • 109.Galasko D, Bennett D, Sano M, Ernesto C, Thomas R, Grundman M, et al. An inventory to assess activities of daily living for clinical trials in Alzheimer’s disease. The Alzheimer’s Disease Cooperative Study. Alzheimer Dis Assoc Disord 1997;11 Suppl 2:S33-S39.
  • 110.Ganguli M, Burmeister LA, Seaberg EC, Belle S, DeKosky ST. Association between dementia and elevated TSH: a community-based study. Biol Psychiatry 1996;40:714-25.
  • 111.Garssen J. Demografie van de vergrijzing (2011). Centraal Bureau voor de Statistiek (CBS). http://www.cbs.nl/NR/rdonlyres/D7D8F678-F22B-445F-8A6F-A635D376A344/0/2011demografievandevergrijzingart.pdf. Geraadpleegd 20-12-2011.
  • 112.Gelinas I, Gauthier L, McIntyre M, Gauthier S. Development of a functional measure for persons with Alzheimer’s disease: the disability assessment for dementia. Am J Occup Ther 1999;53:471-81.
  • 113.Gezondheidsraad. Dementie (2002). Publicatienummer 2002/04. Den Haag: Gezondheidsraad, 2002.
  • 114.Gill SS, Anderson GM, Fischer HD, Bell CM, Li P, Normand SL, et al. Syncope and its consequences in patients with dementia receiving cholinesterase inhibitors: a population-based cohort study. Arch Intern Med 2009;169:867-73.
  • 115.Gill SS, Bronskill SE, Normand SL, Anderson GM, Sykora K, Lam K, et al. Anti-psychotic drug use and mortality in older adults with dementia. Ann Intern Med 2007;146:775-86.
  • 116.Goldman JS, Rademakers R, Huey ED, Boxer AL, Mayeux R, Miller BL, et al. An algorithm for genetic testing of frontotemporal lobar degeneration. Neurology 2011;76:475-83.
  • 117.Gommer AM, Poos MJJC. Cijfers dementie (prevalentie, incidentie en sterfte) uit de VTV 2010. In: Volksgezondheid Toekomst Verkenning, Nationaal Kompas Volksgezondheid. Bilthoven: RIVM, 2010.
  • 118.Graff MJ, Vernooij-Dassen MJ, Thijssen M, Dekker J, Hoefnagels WH, Olde Rikkert MG. Effects of community occupational therapy on quality of life, mood, and health status in dementia patients and their caregivers: a randomized controlled trial. J Gerontol A Biol Sci Med Sci 2007;62:1002-9.
  • 119.Graff MJ, Vernooij-Dassen MJ, Thijssen M, Dekker J, Hoefnagels WH, Olde Rikkert MG. Community based occupational therapy for patients with dementia and their care givers: randomised controlled trial. BMJ 2006;333:1196.
  • 120.Graff-Radford NR. Can aerobic exercise protect against dementia? Alzheimers Res Ther 2011;3:6.
  • 121.Gupta S, Warner J. Alcohol-related dementia: a 21st-century silent epidemic? Br J Psychiatry 2008;193:351-3.
  • 122.Gussekloo J, Van Exel E, De Craen AJ, Meinders AE, Frolich M, Westendorp RG. Schildklierfunctie, dagelijks functioneren en overleving van de oudste ouderen; de ‘Leiden 85-plus Studie’. Ned Tijdschr Geneeskd 2006;150:90-6.
  • 123.Heeren TJ, Van Hemert AM, Rooymans HG. A community-based study of survival in dementia. Acta Psychiatr Scand 1992;85:415-8.
  • 124.Hejl A, Hogh P, Waldemar G. Potentially reversible conditions in 1000 consecutive memory clinic patients. J Neurol Neurosurg Psychiatry 2002;73:390-4.
  • 125.Herrmann N, Lanctot KL. Atypical antipsychotics for neuropsychiatric symptoms of dementia: malignant or maligned? Drug Saf 2006;29:833-43.
  • 126.Herrup K. Commentary on “Recommendations from the National Institute on Aging-Alzheimer’s Association workgroups on diagnostic guidelines for Alzheimer’s disease.” Addressing the challenge of Alzheimer’s disease in the 21st century. Alzheimers Dement 2011;7:335-7.
  • 127.Hoeymans N, Melse JM, Schoemaker CG. Gezondheid en determinanten. Deelrapport van de Volksgezondheid Toekomst Verkenning 2010. Van gezond naar beter. Bilthoven: RIVM, 2010.
  • 128.Hofman A, Ott A, Breteler MM, Bots ML, Slooter AJ, Van Harskamp F, et al. Atherosclerosis, apolipoprotein E, and the prevalence of dementia and Alzheimer’s disease in the Rotterdam Study. Lancet 1997;349:151-4.
  • 129.Hopman-Rock M, Tak EC, Staats PG. Development and validation of the Observation List for early signs of Dementia (OLD). Int J Geriatr Psychiatry 2001;16:406-14.
  • 130.Hort J, O’Brien JT, Gainotti G, Pirttila T, Popescu BO, Rektorova I, et al. EFNS guidelines for the diagnosis and management of Alzheimer’s disease. Eur J Neurol 2010;17:1236-48.
  • 131.Husebo BS, Ballard C, Sandvik R, Nilsen OB, Aarsland D. Efficacy of treating pain to reduce behavioural disturbances in residents of nursing homes with dementia: cluster randomised clinical trial. BMJ 2011;343:d4065.
  • 132.Iliffe S, Manthorpe J, Eden A. Sooner or later? Issues in the early diagnosis of dementia in general practice: a qualitative study. Fam Pract 2003;20:376-81.
  • 133.Iliffe S, Robinson L, Brayne C, Goodman C, Rait G, Manthorpe J, et al. Primary care and dementia: 1. diagnosis, screening and disclosure. Int J Geriatr Psychiatry 2009;24:895-901.
  • 134.Isaac MG, Quinn R, Tabet N. Vitamin E for Alzheimer’s disease and mild cognitive impairment. Cochrane Database Syst Rev 2008;CD002854.
  • 135.Iseki E. Dementia with Lewy bodies: reclassification of pathological subtypes and boundary with Parkinson’s disease or Alzheimer’s disease. Neuropathology 2004;24:72-8.
  • 136.Ismail Z, Rajji TK, Shulman KI. Brief cognitive screening instruments: an update. Int J Geriatr Psychiatry 2010;25:111-20.
  • 137.Iverson DJ, Gronseth GS, Reger MA, Classen S, Dubinsky RM, Rizzo M. Practice parameter update: evaluation and management of driving risk in dementia: report of the Quality Standards Subcommittee of the American Aca-demy of Neurology. Neurology 2010;74:1316-24.
  • 138.Jansen AP, Van Hout HP, Nijpels G, Rijmen F, Droes RM, Pot AM, et al. Effectiveness of case management among older adults with early symptoms of dementia and their primary informal caregivers: A randomized clinical trial. Int J Nurs Stud 2011.
  • 139.Jansen AP, Van Hout HP, Nijpels G, Van Marwijk HW, Gundy C, De Vet HC, et al. Self-reports on the IQCODE in older adults: a psychometric evaluation. J Geriatr Psychiatry Neurol 2008a;21:83-92.
  • 140.Jansen APD, Van Hout HPJ, Nijpels G, Van Marwijk HWJ, De Vet HCW, Stalman WAB. Betere detectie van dementie. Huisarts Wet 2008b;51:115-9.
  • 141.Janson J, Derksen E, Vernooij-Dassen M, Lucassen P, Olde Rikkert M. De huisarts en het meedelen van de diagnose dementie: een systematisch literatuuronderzoek. Huisarts Wet 2006;49:538-43.
  • 142.Jellinger KA. Formation and development of Lewy pathology: a critical update. J Neurol 2009;256 Suppl 3:270-9.
  • 143.Jellinger KA, Attems J. Prevalence and pathology of dementia with Lewy bodies in the oldest old: a comparison with other dementing disorders. Dement Geriatr Cogn Disord 2011;31:309-16.
  • 144.Johnson DK, Wilkins CH, Morris JC. Accelerated weight loss may precede diagnosis in Alzheimer disease. Arch Neurol 2006;63:1312-7.
  • 145.Joosten-Weyn Banningh L, Vernooij-Dassen M, Olde Rikkert MG, Teunisse JP. Mild cognitive impairment: coping with an uncertain label. Int J Geriatr Psychiatry 2008;23:148-54.
  • 146.Jorm AF. The Informant Questionnaire on cognitive decline in the elderly (IQCODE): a review. Int Psychogeriatr 2004;16:275-93.
  • 147.Jost BC, Grossberg GT. The evolution of psychiatric symptoms in Alzheimer’s disease: a natural history study. J Am Geriatr Soc 1996;44:1078-81.
  • 148.Kaduszkiewicz H, Zimmermann T, Beck-Bornholdt HP, Van den Bussche H. Cholinesterase inhibitors for patients with Alzheimer’s disease: systematic review of randomised clinical trials. BMJ 2005;331:321-7.
  • 149.Kalmijn S, Mehta KM, Pols HA, Hofman A, Drexhage HA, Breteler MM. Subclinical hyperthyroidism and the risk of dementia. The Rotterdam study. Clin Endocrinol (Oxf) 2000;53:733-7.
  • 150.Kat MG, De Jonghe JF, Aalten P, Kalisvaart CJ, Droes RM, Verhey FR. Neuropsychiatrische symptomen bij dementie: psychometrische aspecten van de Nederlandse Neuropsychiatric Inventory (NPI). Tijdschr Gerontol Geriatr 2002;33:150-5.
  • 151.Kessels RP, Hensken LM. Effects of errorless skill learning in people with mild-to-moderate or severe dementia: a randomized controlled pilot study. NeuroRehabilitation 2009;25:307-12.
  • 152.Kivipelto M, Helkala EL, Laakso MP, Hanninen T, Hallikainen M, Alhainen K, et al. Midlife vascular risk factors and Alzheimer’s disease in later life: longitudinal, population based study. BMJ 2001;322:1447-51.
  • 153.Kivipelto M, Ngandu T, Laatikainen T, Winblad B, Soininen H, Tuomilehto J. Risk score for the prediction of dementia risk in 20 years among middle aged people: a longitudinal, population-based study. Lancet Neurol 2006;5:735-41.
  • 154.Kloppenborg RP, Van den Berg E, Kappelle LJ, Biessels GJ. Diabetes and other vascular risk factors for dementia: which factor matters most? A systematic review. Eur J Pharmacol 2008;585:97-108.
  • 155.KNMG. Standpunt Sterke medische zorg voor kwetsbare ouderen (2010). http://knmg.artsennet.nl/Publicaties/KNMGpublicatie/Sterke-medische-zorg-voor-kwetsbare-ouderen-1.htm. Geraadpleegd 2011.
  • 156.KNMG. Standpunt rol van de arts bij het zelfgekozen levenseinde (2011). http://knmg.artsennet.nl/Diensten/knmgpublicaties/KNMGpublicatie/Standpunt-rol-van-de-arts-bij-het-zelfgekozen-levenseinde-2011.htm. Geraadpleegd 2011.
  • 157.Koch T, Iliffe S. Rapid appraisal of barriers to the diagnosis and management of patients with dementia in primary care: a systematic review. BMC Fam Pract 2010;11:52.
  • 158.Koopmans RT, Ekkerink JL, Van Weel C. Survival to late dementia in Dutch nursing home patients. J Am Geriatr Soc 2003;51:184-7.
  • 159.Korczyn AD. Commentary on “Recommendations from the National Institute on Aging-Alzheimer’s Association workgroups on diagnostic guidelines for Alzheimer’s disease”. Alzheimers Dement 2011;7:333-4.
  • 160.Kulisevsky J, Pagonabarraga J. Cognitive impairment in Parkinson’s disease: tools for diagnosis and assessment. Mov Disord 2009;24:1103-10.
  • 161.Kurz X, Scuvee-Moreau J, Rive B, Dresse A. A new approach to the qualitative evaluation of functional disability in dementia. Int J Geriatr Psychiatry 2003;18:1050-5.
  • 162.Lautenschlager NT, Cox KL, Flicker L, Foster JK, Van Bockxmeer FM, Xiao J, et al. Effect of physical activity on cognitive function in older adults at risk for Alzheimer disease: a randomized trial. JAMA 2008;300:1027-37.
  • 163.Lechevallier-Michel N, Molimard M, Dartigues JF, Fabrigoule C, Fourrier-Reglat A. Drugs with anticholinergic properties and cognitive performance in the elderly: results from the PAQUID Study. Br J Clin Pharmacol 2005;59:143-51.
  • 164.Lee H, Cameron M. Respite care for people with dementia and their carers. Cochrane Database Syst Rev 2004;CD004396.
  • 165.Lee PE, Fischer HD, Rochon PA, Gill SS, Herrmann N, Bell CM, et al. Published randomized controlled trials of drug therapy for dementia often lack complete data on harm. J Clin Epidemiol 2008;61:1152-60.
  • 166.Leentjens AF, Kragten JA. Totaal atrioventriculair blok tijdens behandeling met galantamine. Ned Tijdschr Geneeskd 2006;150:563-6.
  • 167.VWS, ZN, Alzheimer Nederland, ActiZ. Leidraad Ketenzorg Dementie. Een hulpmiddel voor de ontwikkeling van ketenzorg dementie (2009). http://www.handreikingketenzorg.nl/upload/userfiles/File/Leidraad_ketenzorg_dementie_2009_final[1].pdf . Geraadpleegd 2011.
  • 168.Leroi I, Brandt J, Reich SG, Lyketsos CG, Grill S, Thompson R, et al. Randomized placebo-controlled trial of donepezil in cognitive impairment in Parkinson’s disease. Int J Geriatr Psychiatry 2004;19:1-8.
  • 169.LHV, KNMP, NHG, NVVA. Handreiking, samenhangende zorg in de eerste lijn. Complexe ouderenzorg in verzorgingshuis en thuis. Utrecht, 2009.
  • 170.Liao D, Cooper L, Cai J, Toole J, Bryan N, Burke G, et al. The prevalence and severity of white matter lesions, their relationship with age, ethnicity, gender, and cardiovascular disease risk factors: the ARIC Study. Neuroepidemiology 1997;16:149-62.
  • 171.Ligthart SA, Moll van Charante EP, Van Gool WA, Richard E. Treatment of cardiovascular risk factors to prevent cognitive decline and dementia: a systematic review. Vasc Health Risk Manag 2010;6:775-85.
  • 172.Lonergan E, Luxenberg J, Colford J. Haloperidol for agitation in dementia. Cochrane Database Syst Rev 2002;CD002852.
  • 173.Longstreth WT Jr, Manolio TA, Arnold A, Burke GL, Bryan N, Jungreis CA, et al. Clinical correlates of white matter findings on cranial magnetic resonance imaging of 3301 elderly people. The Cardiovascular Health Study. Stroke 1996;27:1274-82.
  • 174.Lorentz WJ, Scanlan JM, Borson S. Brief screening tests for dementia. Can J Psychiatry 2002;47:723-33.
  • 175.Low LF, Anstey KJ, Sachdev P. Use of medications with anticholinergic properties and cognitive function in a young-old community sample. Int J Geriatr Psychiatry 2009;24:578-84.
  • 176.Loy C, Schneider L. Galantamine for Alzheimer’s disease and mild cognitive impairment. Cochrane Database Syst Rev 2006;CD001747.
  • 177.Luchsinger JA, Gustafson DR. Adiposity and Alzheimer’s disease. Curr Opin Clin Nutr Metab Care 2009;12:15-21.
  • 178.Lyketsos CG, Lopez O, Jones B, Fitzpatrick AL, Breitner J, DeKosky S. Prevalence of neuropsychiatric symptoms in dementia and mild cognitive impairment: results from the cardiovascular health study. JAMA 2002;288:1475-83.
  • 179.Maher AR, Maglione M, Bagley S, Suttorp M, Hu JH, Ewing B, et al. Efficacy and comparative effectiveness of atypical antipsychotic medications for off-label uses in adults: a systematic review and meta-analysis. JAMA 2011;306:1359-69.
  • 180.Maidment I, Fox C, Boustani M. Cholinesterase inhibitors for Parkinson’s disease dementia. Cochrane Database Syst Rev 2006;CD004747.
  • 181.Malouf R, Areosa SA. Vitamin B for cognition. Cochrane Database Syst Rev 2003;CD004326.
  • 182.Mariani E, Monastero R, Mecocci P. Mild cognitive impairment: a systematic review. J Alzheimers Dis 2007;12:23-35.
  • 183.Marinus J, Visser M, Verwey NA, Verhey FR, Middelkoop HA, Stiggelbout AM, et al. Assessment of cognition in Parkinson’s disease. Neurology 2003;61:1222-8.
  • 184.Matthews FE, Stephan BC, McKeith IG, Bond J, Brayne C. Two-year progression from mild cognitive impairment to dementia: to what extent do different definitions agree? J Am Geriatr Soc 2008;56:1424-33.
  • 185.McGuinness B, Craig D, Bullock R, Passmore P. Statins for the prevention of dementia. Cochrane Database Syst Rev 2009a;CD003160.
  • 186.McGuinness B, Todd S, Passmore P, Bullock R. Blood pressure lowering in patients without prior cerebrovascular disease for prevention of cognitive impairment and dementia. Cochrane Database Syst Rev 2009b;CD004034.
  • 187.McGuinness B, O’Hare J, Craig D, Bullock R, Malouf R, Passmore P. Statins for the treatment of dementia. Cochrane Database Syst Rev 2010;CD007514.
  • 188.McKeith IG, Galasko D, Kosaka K, Perry EK, Dickson DW, Hansen LA, et al. Consensus guidelines for the clinical and pathologic diagnosis of dementia with Lewy bodies (DLB): report of the consortium on DLB international workshop. Neurology 1996;47:1113-24.
  • 189.McKhann G, Drachman D, Folstein M, Katzman R, Price D, Stadlan EM. Clinical diagnosis of Alzheimer’s disease: report of the NINCDS-ADRDA Work Group under the auspices of Department of Health and Human Services Task Force on Alzheimer’s Disease. Neurology 1984;34:939.
  • 190.McKhann GM, Knopman DS, Chertkow H, Hyman BT, Jack CR Jr, Kawas CH, et al. The diagnosis of dementia due to Alzheimer’s disease: recommendations from the National Institute on Aging-Alzheimer’s Association workgroups on diagnostic guidelines for Alzheimer’s disease. Alzheimers Dement 2011;7:263-9.
  • 191.McMahon JA, Green TJ, Skeaff CM, Knight RG, Mann JI, Williams SM. A controlled trial of homocysteine lowering and cognitive performance. N Engl J Med 2006;354:2764-72.
  • 192.McShane R, Areosa SA, Minakaran N. Memantine for dementia. Cochrane Database Syst Rev 2006;CD003154.
  • 193.Mendez MF, Perryman KM. Neuropsychiatric features of frontotemporal dementia: evaluation of consensus criteria and review. J Neuropsychiatry Clin Neurosci 2002;14:424-9.
  • 194.Meulen EF, Schmand B, Van Campen JP, De Koning SJ, Ponds RW, Scheltens P, et al. The seven minute screen: a neurocognitive screening test highly sensitive to various types of dementia. J Neurol Neurosurg Psychiatry 2004;75:700-5.
  • 195.Milne A, Culverwell A, Guss R, Tuppen J, Whelton R. Screening for dementia in primary care: a review of the use, efficacy and quality of measures. Int Psychogeriatr 2008;20:911-26.
  • 196.Mitchell AJ, Shiri-Feshki M. Rate of progression of mild cognitiveimpairment to dementia - meta-analysis of 41 robust inception cohort studies. Acta psychiatrica Scandinavica. 2009; 119: 252-65.
  • 197.Molnar FJ, Hutton B, Fergusson D. Does analysis using “last observation carried forward” introduce bias in dementia research? CMAJ 2008;179:751-3.
  • 198.Molnar FJ, Man-Son-Hing M, Fergusson D. Systematic review of measures of clinical significance employed in randomized controlled trials of drugs for dementia. J Am Geriatr Soc 2009a;57:536-46.
  • 199.Molnar FJ, Man-Son-Hing M, Hutton B, Fergusson DA. Have last-observation-carried-forward analyses caused us to favour more toxic dementia therapies over less toxic alternatives? A systematic review. Open Med 2009b;3:e31-e50.
  • 200.Moniz-Cook E, Vernooij-Dassen M, Woods B, Orrell M. Psychosocial interventions in dementia care research: The INTERDEM manifesto. Aging Ment Health 2011;15:283-90.
  • 201.Moniz-Cook E, Vernooij-Dassen M, Woods R, Verhey F, Chattat R, De Vugt M, et al. A European consensus on outcome measures for psychosocial intervention research in dementia care. Aging Ment Health 2008;12:14-29.
  • 202.Muskens JB, Noy J, Verburg M, Van den Hoogen HJM, Huygen FJA, Persoon JMG, et al. Progressie van dementie en opname. Een exploratief longitudinaal onderzoek. Huisarts Wet 1992a;35:490-7.
  • 203.Muskens JB, Verburg M, Noy J, Persoon JMG, Van Weel C. Progressie van dementie en intramurale opname van demente patiënten. Een literatuuronderzoek. Huisarts Wet 1992b;35:152-7.
  • 204.Muskens JB, Van den Hoogen HJM, Persoon JMG, Huygen FJA, Van Weel C. Comorbiditeit, sterfte en doodsoorzaken van dementerende patiënten. Huisarts Wet 1993;36:168-73.
  • 205.NIP. Handreiking Psychologische hulpverlening bij gedragsproblemen bij dementie (2009). http://www.innovatiekringdementie.nl/DynamicMedia/Marysia/Handreiking%20gedragsproblemen%20NIP.pdf. Geraadpleegd 2011.
  • 206.NVKG, CBO Kwaliteitsinstituut voor de Gezondheidszorg. Richtlijn Diagnostiek en medicamenteuze behandeling van dementie (2005). www.cbo.nl/Downloads/387/rl_dement_2005.pdf. Geraadpleegd 2011.
  • 207.NICE. Dementia. Supporting people with dementia and their carers in health and social care. NICE clinical guideline 42 (2011). http://www.nice.org.uk/nicemedia/live/10998/30318/30318.pdf. Geraadpleegd 4-5-2010.
  • 208.Nivel. Het begeleiden van mensen met dementie die apathisch zijn. Richtlijn voor verzorgenden (2004). NIVEL. http://www.nivel.nl/pdf/richtlijnen-dementie-apatisch2.pdf . Geraadpleegd 2010.
  • 209.NVVA. Beginselen en vuistregels bij bij oudere cliënten met een complexe zorgvraag wilsonbekwaamheid (2008a). http://verenso.artsennet.nl/web/file?uuid=6358f328-a6aa-4bb5-92c4-fb732bd34bbd&owner=f5647106-f519-40cd-bde8-19f629177e00. Geraadpleegd 4-5-2010.
  • 210.NVVA. Multidisciplinair werken aan Probleemgedrag. Een multidisciplinaire handreiking bij de NVVA-richtlijn Probleemgedrag. Utrecht: NVVA, 2008b.
  • 211.O’Connor DW, Ames D, Gardner B, King M. Psychosocial treatments of psychological symptoms in dementia: a systematic review of reports meeting quality standards. Int Psychogeriatr 2009;21:241-51.
  • 212.Oberstein SA, Bakker E, Ferrari MD, Haan J. Van gen naar ziekte; van Notch3 naar cerebrale autosomaal dominante arteriopathie met subcorticale infarcten en leuko-encefalopathie. Ned Tijdschr Geneeskd 2001;145:359-60.
  • 213.Olafsdottir M, Foldevi M, Marcusson J. Dementia in primary care: why the low detection rate? Scand J Prim Health Care 2001;19:194-8.
  • 214.Olazarán J, Reisberg B, Clare L, Cruz I, Peña-Casanova J, Del Ser T, et al. Nonpharmacological therapies in Alzheimer’s disease: a systematic review of efficacy. Dement Geriatr Cogn Disord 2010;30:161-78.
  • 215.Olin JT, Katz IR, Meyers BS, Schneider LS, Lebowitz BD. Provisional diagnostic criteria for depression of Alzheimer disease: rationale and background. Am J Geriatr Psychiatry 2002;10:129-41.
  • 216.Oslin D, Atkinson RM, Smith DM, Hendrie H. Alcohol related dementia: proposed clinical criteria. Int J Geriatr Psychiatry 1998;13:203-12.
  • 217.Oslin DW, Cary MS. Alcohol-related dementia: validation of diagnostic criteria. Am J Geriatr Psychiatry 2003;11:441-7.
  • 218.Ott A, Breteler MMB, Birkenhäger-Gillesse EB, Van Harskamp F, De Koning I, Hofman A. De prevalentie bij ouderen van de ziekte van Alzheimer, vasculaire dementie en dementie bij de ziekte van Parkinson; het ERGO-onderzoek. Ned Tijdschr Geneeskd 1996;140:200-5.
  • 219.Ott A, Slooter AJC, Hofman A, Van Harskamp F, Witteman JC, Van Broeckhoven C, et al. Smoking and risk of dementia and Alzheimer’s disease in a population-based cohort study: the Rotterdam study. Lancet 1998;351:1840-3.
  • 220.Panisset M, Roudier M, Saxton J, Boller F. Severe impairment battery. A neuropsychological test for severely demented patients. Arch Neurol 1994;51:41-5.
  • 221.Papageorgiou SG, Kontaxis T, Bonakis A, Kalfakis N, Vassilopoulos D. Frequency and causes of early-onset dementia in a tertiary referral center in Athens. Alzheimer Dis Assoc Disord 2009;23:347-51.
  • 222.Patel A, MacMahon S, Chalmers J, Neal B, Billot L, Woodward M, et al. Intensive blood glucose control and vascular outcomes in patients with type 2 diabetes. N Engl J Med 2008;358:2560-72.
  • 223.Peeters JM, Francke AL, Pot AM. Organisatie en invulling van “casemanagement dementie” in Nederland: verslaglegging van een landelijke peiling onder regionale projectleiders. http://www.invoorzorg.nl/docs/ivz/informatiecentrum/ketenzorg/Rapport-organisatie-casemanagement-dementie%5B1%5D.pdf. Geraadpleegd 2011.
  • 224.Pelosi AJ, McNulty SV, Jackson GA. Role of cholinesterase inhibitors in dementia care needs rethinking. BMJ 2006;333:491-3.
  • 225.Pendlebury ST. Stroke-related dementia: rates, risk factors and implications for future research. Maturitas 2009;64:165-71.
  • 226.Perry M, Melis RJ, Teerenstra S, Drašković I, Van Achterberg T, Van Eijken MI, et al. An in-home geriatric programme for vulnerable community-dwelling older people improves the detection of dementia in primary care. Int J Geriatr Psychiatry 2008;23:1312-9.
  • 227.Perry M. Development and evaluation of a Dementia Training Programme for Primary care [Proefschrift]. Nijmegen: UMC St Radboud, 2011a.
  • 228.Perry M, Drašković I, Lucassen P, Vernooij-Dassen M, Van Achterberg T, Olde Rikkert M. Effects of educational interventions on primary dementia care: A systematic review. Int J Geriatr Psychiatry 2011b;26:1-11.
  • 229.Peters MJ, Ponds RW, Van den Ham P, Scheltens P, Verhey FR. Detectie van dementie van h, et alzheimer type (DAT) met de ‘7 Minuten Test’ (7 MT).
  • 230. Tijdschr Gerontol Geriatr 2004;35:114-20.
  • 231.Peters R, Beckett N, Forette F, Tuomilehto J, Clarke R, Ritchie C, et al. Incident dementia and blood pressure lowering in the Hypertension in the Very Elderly Trial cognitive function assessment (HYVET-COG): a double-blind, placebo controlled trial. Lancet Neurol 2008a;7:683-9.
  • 232.Peters R, Peters J, Warner J, Beckett N, Bulpitt C. Alcohol, dementia and cognitive decline in the elderly: a systematic review. Age Ageing 2008b;37:505-12.
  • 233.Petersen RC. Clinical practice. Mild cognitive impairment. The New 3 England journal of medicine. 2011; 364:2227-34.
  • 234.Picard C, Pasquier F, Martinaud O, Hannequin D, Godefroy O. Early onset dementia: characteristics in a large cohort from academic memory clinics. Alzheimer Dis Assoc Disord 2011;25:203-5.
  • 235.Pijnenburg YA, Zeeman-Rebel A, Van der Flier WM, Romkes RM, Gillissen F, Jonker C, et al. Cognitieve stoornissen optredend vóór de leeftijd van 65 jaar bij patiënten van het alzheimercentrum van het VU Medisch Centrum: diagnosen en klinische kenmerken. Ned Tijdschr Geneeskd 2005;149:2862-7.
  • 236.Pijnenburg YA, Mulder JL, Van Swieten JC, Uitdehaag BM, Stevens M, Scheltens P, et al. Diagnostic accuracy of consensus diagnostic criteria for frontotemporal dementia in a memory clinic population. Dement Geriatr Cogn Disord 2008;25:157-64.
  • 237.Pimouguet C, Lavaud T, Dartigues JF, Helmer C. Dementia case management effectiveness on health care costs and resource utilization: a systematic review of randomized controlled trials. J Nutr Health Aging 2010;14:669-76.
  • 238.Pinquart M, Sorensen S. Helping caregivers of persons with dementia: which interventions work and how large are their effects? Int Psychogeriatr 2006;18:577-95.
  • 239.Pinto E, Peters R. Literature review of the Clock Drawing Test as a tool for cognitive screening. Dement Geriatr Cogn Disord 2009;27:201-13.
  • 240.Poewe W, Wolters E, Emre M, Onofrj M, Hsu C, Tekin S, et al. Long-term benefits of rivastigmine in dementia associated with Parkinson’s disease: an active treatment extension study. Mov Disord 2006;21:456-61.
  • 241.Post MW, Festen H, Van de Port, I, Visser-Meily JM. Reproducibility of the Care-giver Strain Index and the Caregiver Reaction Assessment in partners of stroke patients living in the Dutch community. Clin Rehabil 2007;21:1050-5.
  • 242.Pot AM, Van Dyck R, Deeg DJ. Ervaren druk door informele zorg. Constructie van een schaal. Tijdschr Gerontol Geriatr 1995;26:214-9.
  • 243.Pot AM, Kuin Y, Vink M. Handboek Ouderenpsychologie. Utrecht: De Tijdstroom Uitgeverij, 2007.
  • 244.Projectgroep Jong Verleerd. Project ‘Jong Verleerd’ (2011). http://www.rosrobuust.nl/Content/Downloads/Wietske%20Soeteman%20presentatie%20Zowel%20netwerkbreed%20Nijmegen%2008122011.pdf . Geraadpleegd 20-12-2011.
  • 245.Rait G, Walters K, Bottomley C, Petersen I, Iliffe S, Nazareth I. Survival of people with clinical diagnosis of dementia in primary care: cohort study. BMJ 2010;341:c3584.
  • 246.Ramakers IH, Visser PJ, Aalten P, Boesten JH, Metsemakers JF, Jolles J, et al. Symptoms of preclinical dementia in general practice up to five years before dementia diagnosis. Dement Geriatr Cogn Disord 2007;24:300-6.
  • 247.Ramakers IH, Verhey FR. Development of memory clinics in the Netherlands: 1998 to 2009. Aging Ment Health 2011;15:34-9.
  • 248.Ravina B, Putt M, Siderowf A, Farrar JT, Gillespie M, Crawley A, et al. Donepezil for dementia in Parkinson’s disease: a randomised, double blind, placebo controlled, crossover study. J Neurol Neurosurg Psychiatry 2005;76:934-9.
  • 249.Reitz C, Den Heijer T, Van Duijn C, Hofman A, Breteler MM. Relation between smoking and risk of dementia and Alzheimer disease: the Rotterdam Study. Neurology 2007;69:998-1005.
  • 250.Richard E, Kuiper R, Dijkgraaf MG, Van Gool WA. Vascular care in patients with Alzheimer’s disease with cerebrovascular lesions - a randomized clinical trial. J Am Geriatr Soc 2009;57:797-805.
  • 251.Rijkse HCE, Schalekamp T, Versteeg L, Jagtenberg JC, Van der Hoeven MPB. Anticholinerge geneesmiddelen bij ouderen: een praktijkonderzoek. PW Wetenschappelijk Platform 2010;4.
  • 252.Ritchie LJ, Tuokko H. Patterns of cognitive decline, conversion rates, and predictive validity for 3 models of MCI. Am J Alzheimers Dis Other Demen 2010;25:592-603.
  • 253.Robert PH, Mulin E, Mallea P, David R. REVIEW: Apathy diagnosis, assessment, and treatment in Alzheimer’s disease. CNS Neurosci Ther 2010;16:263-71.
  • 254.Robinson BC. Validation of a Caregiver Strain Index. J Gerontol 1983;38:344-8.
  • 255.Rochon PA, Normand SL, Gomes T, Gill SS, Anderson GM, Melo M, et al. Anti-psychotic therapy and short-term serious events in older adults with dementia. Arch Intern Med 2008;168:1090-6.
  • 256.Rockwood K, Fay S, Song X, MacKnight C, Gorman M. Attainment of treatment goals by people with Alzheimer’s disease receiving galantamine: a ran-domized controlled trial. CMAJ 2006;174:1099-105.
  • 257.Rolinski M, Fox C, Maidment I, McShane R. Cholinesterase inhibitors for dementia with Lewy bodies, Parkinson’s disease dementia and cognitive impairment in Parkinson’s disease. Cochrane Database Syst Rev 2012;3:CD006504.
  • 258.Rolland Y, Abellan van Kan G, Vellas B. Physical activity and Alzheimer’s disease: from prevention to therapeutic perspectives. J Am Med Dir Assoc 2008;9:390-405.
  • 259.Roman GC, Tatemichi TK, Erkinjuntti T, Cummings JL, Masdeu JC, Garcia JH, et al. Vascular dementia: diagnostic criteria for research studies. Report of the NINDS-AIREN International Workshop. Neurology 1993;43:250-60.
  • 260.Rosen WG, Mohs RC, Davis KL. A new rating scale for Alzheimer’s disease. Am J Psychiatry 1984;141:1356-64.
  • 261.Rosso SM, Donker KL, Baks T, Joosse M, De Koning I, Pijnenburg Y, et al. Frontotemporal dementia in The Netherlands: patient characteristics and prevalence estimates from a population-based study. Brain 2003;126:2016-22.
  • 262.Ruitenberg A, Van Swieten JC, Witteman JCM. Alcohol consumption and risk of dementia: the Rotterdam Study. Lancet 2002;359:281-6.
  • 263.Rurup ML, Pasman HR, Onwuteaka-Philipsen BD. Euthanasieverklaringen bij dementie. Kwalitatief onderzoek onder artsen en patiënten. Ned Tijdschr Geneeskd 2010;154:A1273.
  • 264.Sacchetti E, Turrina C, Valsecchi P. Cerebrovascular accidents in elderly people treated with antipsychotic drugs: a systematic review. Drug Saf 2010;33:273-88.
  • 265.Saczynski JS, Beiser A, Seshadri S, Auerbach S, Wolf PA, Au R. Depressive symptoms and risk of dementia: the Framingham Heart Study. Neurology 2010;75:35-41.
  • 266.Savage DG, Lindenbaum J. Neurological complications of acquired cobalamin deficiency: clinical aspects. Baillieres Clin Haematol 1995;8:657-78.
  • 267.Savva GM, Wharton SB, Ince PG, Forster G, Matthews FE, Brayne C. Age, neuropathology, and dementia. N Engl J Med 2009;360:2302-9.
  • 268.Schellingerhout R. Gezondheid en welzijn van allochtone ouderen (2004). Sociaal en Cultureel Planbureau. http://www.scp.nl/Publicaties/Alle_publicaties/Publicaties_2004/Gezondheid_en_welzijn_van_allochtone_ouderen. Geraadpleegd 2011.
  • 269.Schmidt C, Wolff M, Weitz M, Bartlau T, Korth C, Zerr I. Rapidly progressive Alzheimer disease. Arch Neurol 2011;68:1124-30.
  • 270.Schmitt FA, Ashford W, Ernesto C, Saxton J, Schneider LS, Clark CM, et al. The severe impairment battery: concurrent validity and the assessment of longitudinal change in Alzheimer’s disease. The Alzheimer’s Disease Cooperative Study. Alzheimer Dis Assoc Disord 1997;11 Suppl 2:S51-S56.
  • 271.Schneider JA, Arvanitakis Z, Bang W, Bennett DA. Mixed brain pathologies account for most dementia cases in community-dwelling older persons. Neurology 2007;69:2197-204.
  • 272.Schneider LS, Dagerman K, Insel PS. Efficacy and adverse effects of atypical antipsychotics for dementia: meta-analysis of randomized, placebo-controlled trials. Am J Geriatr Psychiatry 2006a;14:191-210.
  • 273.Schneider LS, Dagerman KS, Higgins JP, McShane R. Lack of Evidence for the Efficacy of Memantine in Mild Alzheimer Disease. Arch Neurol 2011.
  • 274.Schneider LS, Dagerman KS, Insel P. Risk of death with atypical antipsychotic drug treatment for dementia: meta-analysis of randomized placebo-controlled trials. JAMA 2005;294:1934-43.
  • 275.Schneider LS, Tariot PN, Dagerman KS, Davis SM, Hsiao JK, Ismail MS, et al. Effectiveness of atypical antipsychotic drugs in patients with Alzheimer’s disease. N Engl J Med 2006b;355:1525-38.
  • 276.Schoenmakers B, Buntinx F, DeLepeleire J. Supporting the dementia family caregiver: the effect of home care intervention on general well-being.
  • 277. Aging Ment Health 2010;14:44-56.
  • 278.Seelaar H, Rohrer JD, Pijnenburg YA, Fox NC, Van Swieten JC. Clinical, genetic and pathological heterogeneity of frontotemporal dementia: a review. J Neurol Neurosurg Psychiatry 2011;82:476-86.
  • 279.Seitz DP, Adunuri N, Gill SS, Gruneir A, Herrmann N, Rochon P. Antidepressants for agitation and psychosis in dementia. Cochrane Database Syst Rev 2011;CD008191.
  • 280.Seshadri S. Elevated plasma homocysteine levels: risk factor or risk marker for the development of dementia and Alzheimer’s disease? J Alzheimers Dis 2006;9:393-8.
  • 281.Shah K, Qureshi SU, Johnson M, Parikh N, Schulz PE, Kunik ME. Does use of antihypertensive drugs affect the incidence or progression of dementia? A systematic review. Am J Geriatr Pharmacother 2009;7:250-61.
  • 282.Shepherd J, Blauw GJ, Murphy MB, Bollen EL, Buckley BM, Cobbe SM, et al. Pravastatin in elderly individuals at risk of vascular disease (PROSPER): a randomised controlled trial. Lancet 2002;360:1623-30.
  • 283.Sikkes SA, De Lange-de Klerk ES, Pijnenburg YA, Scheltens P, Uitdehaag BM. A systematic review of Instrumental Activities of Daily Living scales in dementia: room for improvement. J Neurol Neurosurg Psychiatry 2009;80:7-12.
  • 284.Sikkes SA, Van den Berg MT, Knol DL, De Lange-de Klerk ES, Scheltens P, Uitdehaag BM, et al. How useful is the IQCODE for discriminating between Alzheimer’s disease, mild cognitive impairment and subjective memory complaints? Dement Geriatr Cogn Disord 2010;30:411-6.
  • 285.Sikkes SA, Visser PJ, Knol DL, De Lange-de Klerk ES, Tsolaki M, Frisoni GB, et al. Do instrumental activities of daily living predict dementia at 1- and 2-year follow-up? Findings from the Development of Screening guidelines and diagnostic Criteria for Predementia Alzheimer’s disease study. J Am Geriatr Soc 2011;59:2273-81.
  • 286.Sival RC, Albronda T, Haffmans PM, Saltet ML, Schellekens CM. Is aggressive behaviour influenced by the use of a behaviour rating scale in patients in a psychogeriatric nursing home? Int J Geriatr Psychiatry 2000;15:108-11.
  • 287.Skoog I, Lernfelt B, Landahl S, Palmertz B, Andreasson LA, Nilsson L, et al. 15-year longitudinal study of blood pressure and dementia. Lancet 1996;347:1141-5.
  • 288.Smits LL, Koene T, Pijnenburg YAL, Scheltens P, Van der Flier WM. De Kloktekentest: Bespreking van de literatuur en voorbeelden uit de praktijk. Tijdschr Neuropsych 2009;4.
  • 289.Snowden JS, Thompson JC, Stopford CL, Richardson AMT, Gerhard A, Neary D, et al. The clinical diagnosis of early-onset dementias: diagnostic accuracy and clinicopathological relationships. Brain 2011;134:2478-92.
  • 290.Solomon A, Kivipelto M, Wolozin B, Zhou J, Whitmer RA. Midlife serum cholesterol and increased risk of Alzheimer’s and vascular dementia three decades later. Dement Geriatr Cogn Disord 2009;28:75-80.
  • 291.Solomon PR, Pendlebury WW. Recognition of Alzheimer’s disease: the 7 minute screen. Fam Med 1998;30:265.
  • 292.Song X, Mitnitski A, Rockwood K. Nontraditional risk factors combine to predict Alzheimer disease and dementia. Neurology 2011;77:227-34.
  • 293.Soto ME, Andrieu S, Arbus C, Ceccaldi M, Couratier P, Dantoine T, et al. Rapid cognitive decline in Alzheimer’s disease. Consensus paper. J Nutr Health Aging 2008;12:703-13.
  • 294.Spijker A, Vernooij-Dassen M, Vasse E, Adang E, Wollersheim H, Grol R, et al. Effectiveness of nonpharmacological interventions in delaying the institutionalization of patients with dementia: a meta-analysis. J Am Geriatr Soc 2008;56:1116-28.
  • 295.Tan ZS, Beiser A, Vasan RS, Au R, Auerbach S, Kiel DP, et al. Thyroid function and the risk of Alzheimer disease: the Framingham Study. Arch Intern Med 2008;168:1514-20.
  • 296.The Lund and Manchester Groups. Clinical and neuropathological criteria for frontotemporal dementia. J Neurol Neurosurg Psychiatry 1994;57:416.
  • 297.Thissen AJ, Van Bergen F, De Jonghe JF, Kessels RP, Dautzenberg PL. Bruikbaarheid en validiteit van de Nederlandse versie van de Montreal Cognitive Assessment (MoCA-D) bij het diagnosticeren van Mild Cognitive Impairment. Tijdschr Gerontol Geriatr 2010;41:231-40.
  • 298.Thoonsen H, Richard E, Bentham P, Gray R, Van Geloven N, De Haan RJ, et al. Aspirin in Alzheimer’s disease: increased risk of intracerebral hemorrhage: cause for concern? Stroke 2010;41:2690-2.
  • 299.Toma AK, Stapleton S, Papadopoulos MC, Kitchen ND, Watkins LD. Natural history of idiopathic normal-pressure hydrocephalus. Neurosurg Rev 2011.
  • 300.Tombaugh TN, McIntyre NJ. The mini-mental state examination: a comprehensive review. J Am Geriatr Soc 1992;40:922-35.
  • 301.Trifiro G, Spina E, Gambassi G. Use of antipsychotics in elderly patients with dementia: do atypical and conventional agents have a similar safety profile? Pharmacol Res 2009;59:1-12.
  • 302.Trifiro G, Verhamme KM, Ziere G, Caputi AP, Ch Stricker BH, Sturkenboom MC. All-cause mortality associated with atypical and typical antipsychotics in demented outpatients. Pharmacoepidemiol Drug Saf 2007;16:538-44.
  • 303.Trimbos-instituut. Trendrapportage GGZ 2010. Toegang en zorggebruik. Utrecht: Trimbos-instituut, 2010.
  • 304.Van den Dungen P, Marwijk HW, Horst HE, Moll van Charante EP, Macneil VJ, Ven PM, et al. The accuracy of family physicians’ dementia diagnoses at different stages of dementia: a systematic review. Int J Geriatr Psychiatry 2011.
  • 305.Van den Heuvel E, Groen SPC. Ouderen met onbegrepen klachten: vergeet het vergeten niet. Huisarts Wet 2009;52:679-81.
  • 306.Van Den Wijngaart MA, Vernooij-Dassen MJ, Felling AJ. The influence of stressors, appraisal and personal conditions on the burden of spousal care-givers of persons with dementia. Aging Ment Health 2007;11:626-36.
  • 307.Van der Flier WM, Pijnenburg YA, Fox NC, Scheltens P. Early-onset versus late-ons et alzheimer’s disease: the case of the missing APOE varepsilon4 allele. Lancet Neurol 2011;10:280-8.
  • 308.Van Hout H, Vernooij-Dassen M, Bakker K, Blom M, Grol R. General practitioners on dementia: tasks, practices and obstacles. Patient Educ Couns 2000;39:219-25.
  • 309.Van Hout HP, Vernooij-Dassen MJ, Jansen DA, Stalman WA. Do general practitioners disclose correct information to their patients suspected of dementia and their caregivers? A prospective observational study. Aging Ment Health 2006;10:151-5.
  • 310.Van Iersel MB, Verbeek AL, Bloem BR, Munneke M, Esselink RA, Rikkert MG. Frail elderly patients with dementia go too fast. J Neurol Neurosurg Psychiatry 2006;77:874-6.
  • 311.Van Vliet D, Bakker C, Koopmans RT, Vernooij-Dassen MJ, Verhey FR, De Vugt ME. Research protocol of the NeedYD-study (Needs in Young onset Dementia): a prospective cohort study on the needs and course of early onset dementia. BMC Geriatr 2010;10:13.
  • 312.Vasse E, Moniz-Cook E, Olde Rikkert M, Cantegreil I, Charras K, Dorenlot P, et al. The development of quality indicators to improve psychosocial care in dementia. Int Psychogeriatr 2012;1-10.
  • 313.Verbaan D, Marinus J, Visser M, Van Rooden SM, Stiggelbout AM, Middelkoop HA, et al. Cognitive impairment in Parkinson’s disease. J Neurol Neurosurg Psychiatry 2007;78:1182-7.
  • 314.Verghese PB, Castellano JM, Holtzman DM. Apolipoprotein E in Alzheimer’s disease and other neurological disorders. Lancet Neurol 2011;10:241-52.
  • 315.Verkaik R, Van Weert JC, Francke AL. The effects of psychosocial methods on depressed, aggressive and apathetic behaviors of people with dementia: a systematic review. Int J Geriatr Psychiatry 2005;20:301-14.
  • 316.Vermeer SE, Longstreth WT, Jr., Koudstaal PJ. Silent brain infarcts: a systematic review. Lancet Neurol 2007;6:611-9.
  • 317.Vermeer SE, Prins ND, Den Heijer T, Hofman A, Koudstaal PJ, Breteler MM. Silent brain infarcts and the risk of dementia and cognitive decline. N Engl J Med 2003;348:1215-22.
  • 318.Vernooij-Dassen MJ, Felling AJ, Brummelkamp E, Dauzenberg MG, Van den Bos GA, Grol R. Assessment of caregiver’s competence in dealing with the burden of caregiving for a dementia patient: a Short Sense of Competence Questionnaire (SSCQ) suitable for clinical practice. J Am Geriatr Soc 1999;47:256-7.
  • 319.Vernooij-Dassen M, Joling K, Van Hout H, Mittelman MS. The process of family-centered counseling for caregivers of persons with dementia: barriers, facilitators and benefits. Int Psychogeriatr 2010;22:769-77.
  • 320.Vernooij-Dassen M, Draskovic I, McCleery J, Downs M. Cognitive reframing for carers of people with dementia. Cochrane Database Syst Rev 2011a;11:CD005318.
  • 321.Vernooij-Dassen M, Leatherman S, Olde Rikkert M. Quality of care in frail older people: the fragile balance between receiving and giving. BMJ 2011b;342:d403.
  • 322.Vickrey BG, Mittman BS, Connor KI, Pearson ML, Della Penna RD, Ganiats TG, et al. The effect of a disease management intervention on quality and outcomes of dementia care: a randomized, controlled trial. Ann Intern Med 2006;145:713-26.
  • 323.Vilalta-Franch J, Garre-Olmo J, Lopez-Pousa S, Turon-Estrada A, Lozano-Gallego M, Hernandez-Ferrandiz M, et al. Comparison of different clinical diagnostic criteria for depression in Alzheimer disease. Am J Geriatr Psychiatry 2006;14:589-97.
  • 324.Villareal DT, Grant E, Miller JP, Storandt M, McKeel DW, Morris JC. Clinical outcomes of possible versus probable Alzheimer’s disease. Neurology 2003;61:661-7.
  • 325.Vingerhoets RW, Van Marum RJ, Jansen PAF. De Beers-lijst als hulpmiddel om ernstige geneesmiddelbijwerkingen te voorkomen. Ned Tijdschr Geneeskd 2005;38.
  • 326.Vinkers DJ, Gussekloo J, Stek ML, Westendorp RG, Van der Mast RC. Temporal relation between depression and cognitive impairment in old age: prospective population based study. BMJ 2004;329:881.
  • 327.Visser J. Euthanasie bij beginnende dementie. Med Contact 2011;33/34:1372-5.
  • 328.Visser PJ, Verhey FR, Ponds RW, Cruts M, Van Broeckhoven CL, Jolles J. Course of objective memory impairment in non-demented subjects attending a memory clinic and predictors of outcome. Int J Geriatr Psychiatry 2000;15:363-72.
  • 329.Visser PJ, Verhey FR. Mild cognitive impairment as predictor for Alzheimer’s disease in clinical practice: effect of age and diagnostic criteria. Psychol Med 2008;38:113-22.
  • 330.Viswanathan A, Chabriat H. Cerebral microhemorrhage. Stroke 2006;37:550-5.
  • 331.Viswanathan A, Rocca WA, Tzourio C. Vascular risk factors and dementia: how to move forward? Neurology 2009;72:368-74.
  • 332.Voigt-Radloff S, Graff M, Leonhart R, Schornstein K, Vernooij-Dassen M, Olde Rikkert M, et al. WHEDA study: effectiveness of occupational therapy at home for older people with dementia and their caregivers - the design of a pragmatic randomised controlled trial evaluating a Dutch programme in seven German centres. BMC Geriatr 2009;9:44.
  • 333.Voigt-Radloff S, Graff M, Leonhart R, Hull M, Olde Rikkert M, Vernooij-Dassen M. Why did an effective Dutch complex psycho-social intervention for people with dementia not work in the German healthcare context? Lessons learnt from a process evaluation alongside a multicentre RCT. BMJ Open 2011a;1:e000094.
  • 334.Voigt-Radloff S, Graff M, Leonhart R, Schornstein K, Jessen F, Bohlken J, et al. A multicentre RCT on community occupational therapy in Alzheimer’s disease: 10 sessions are not better than one consultation. BMJ Open 2011b;1:e000096.
  • 335.Waldorff FB, Nielsen AB, Waldemar G. Self-rated health in patients with mild Alzheimer’s disease: baseline data from the Danish Alzheimer Intervention Study. Arch Gerontol Geriatr 2010;50:1-5.
  • 336.Walstra GJM, Teunisse S, Van Gool WA, Van Crevel H. Reversibele dementie bij bejaarde patiënten verwezen naar een polikliniek voor geheugenstoornissen. Ned Tijdschr Geneeskd 1997;141:376-80.
  • 337.Waring SC, Rosenberg RN. Genome-wide association studies in Alzheimer dis-ease. Arch Neurol 2008;65:329-34.
  • 338.Werkgroep Zorgkostenmonitor Dementie: Hull H, Verell D, Holtus, Jaspers J, Vrijsen J. Dementiezorg: business-case voor de zorgverzekering. Coöperatie VGZ UA (2012) [persoonlijke mededeling].
  • 339.Weyerer S, Schaufele M, Wiese B, Maier W, Tebarth F, Van den Bussche H, et al. Current alcohol consumption and its relationship to incident dementia: results from a 3-year follow-up study among primary care attenders aged 75 years and older. Age Ageing 2011;40:456-63.
  • 340.Wiechmann AR, Hall JR, O’Bryant S. The four-point scoring system for the clock drawing test does not differentiate between Alzheimer’s disease and vascular dementia. Psychol Rep 2010;106:941-8.
  • 341.Wilcock GK, Ballard CG, Cooper JA, Loft H. Memantine for agitation/aggression and psychosis in moderately severe to severe Alzheimer’s disease: a pooled analysis of 3 studies. J Clin Psychiatry 2008;69:341-8.
  • 342.Wild R, Pettit TACL, Burns A. Cholinesterase inhibitors for dementia with Lewy bodies. Cochrane Database Syst Rev 2003;CD003672.
  • 343.Williams PS, Rands G, Orrel M, Spector A. Aspirin for vascular dementia. Cochrane Database Syst Rev 2000;CD001296.
  • 344.Winblad B, Engedal K, Soininen H, Verhey F, Waldemar G, Wimo A, et al. A 1-year, randomized, placebo-controlled study of donepezil in patients with mild to moderate AD. Neurology 2001;57:489-95.
  • 345.Winblad B, Cummings J, Andreasen N, Grossberg G, Onofrj M, Sadowsky C, et al. A six-month double-blind, randomized, placebo-controlled study of a transdermal patch in Alzheimer’s disease - rivastigmine patch versus capsule. Int J Geriatr Psychiatry 2007;22:456-67.
  • 346.Wongpakaran N, Van Reekum R, Wongpakaran T, Clarke D. Selective serotonin reuptake inhibitor use associates with apathy among depressed elderly: a case-control study. Ann Gen Psychiatry 2007;6:7.
  • 347.Xie J, Brayne C, Matthews FE. Survival times in people with dementia: analysis from population based cohort study with 14 year follow-up. BMJ 2008;336:258-62.
  • 348.Zaccai J, McCracken C, Brayne C. A systematic review of prevalence and incidence studies of dementia with Lewy bodies. Age Ageing 2005;34:561-6.
  • 349.Zuidema SU, Van Iersel MB, Koopmans RT, Verhey FR, Olde Rikkert MG. Werkzaamheid en bijwerkingen van antipsychotica voor neuropsychiatrische symptomen bij dementie; een systematische review. Ned Tijdschr Geneeskd 2006;150:1565-73

Reacties

Er zijn nog geen reacties