NHG richtlijn

NHG-Standaard Hoofdpijn (derde herziening)

0 reacties

Samenvatting

Dekker F, Van Duijn NP, Ongering JEP, Bartelink MEL, Boelman L, Burgers JS, Bouma M, Kurver MJ. Dutch College of General Practitioners’ guideline Headache (third revision). Huisarts Wet 2014;57(1):20-31.
Many people suffer from headache, which is one of the most common presenting symptoms in general practice. It has a number of causes. This guideline, developed by the Dutch College of General Practitioners, describes four common types of headache that can be investigated and treated in general practice, namely, tension-type headache, migraine, medication-overuse headache, and cluster headache. The guideline also provides a couple of brief examples of when headache is a symptom of a serious disorder for which immediate or short-term referral to secondary care is needed. The guideline considers headache in both children and adults. The patient history is an essential element of the diagnostic phase, and a headache diary may prove useful for diagnosing tension-type headache, migraine, and/or medication-overuse headache. It can also be used to monitor treatment. Different types of headache can occur in combination, such as migraine and tension-type headache, migraine and medication-overuse headache, or tension-type headache and medication-overuse headache. Although this is not always recognized, it is important because each type of headache has its own treatment approach.
Tension-type headache is usually felt as pressure or a tight feeling on both sides of the head. The frequency and severity of tension-type headache determine its treatment. It is important to explain why these headaches occur and to reassure the patient. Medication or other types of treatment should be used if explanation and reassurance have insufficient effect. Tension-type headache can occur very often (≥ 15 days/month) and in these cases patient support is an important aspect of treatment. Medically unexplained physical symptoms (MUPS) and related syndromes may underlie extreme suffering and impaired functioning.
Migraine is a neurovascular disorder with severe attacks of headache. Treatment consists of support and investigation of an effective remedy for the patient, which in adults may be paracetamol, NSAIDs, or triptans. Medication should be taken in the headache phase of an attack. If the patient has two or more attacks per month, the general practitioner (GP) should discuss preventive treatment with the patient. Beta-blockers, topiramate, valproic acid, or tricyclic antidepressants are treatment options. Information and support are important aspects of the management of this chronic disorder.
A paradoxical phenomenon is that overuse of medications for headache (paracetamol or NSAIDs ≥ 15 days/month or triptans ≥ 10 days/month) exacerbates symptoms. The nature of this type of headache is dependent on the nature of the headache for which medication was originally prescribed. The only treatment is to stop using all painkillers and to conservatively treat the original type of headache when it recurs.
Cluster headache is an excruciating attack of pain on one side of the head, often accompanied by restlessness. It is important that the GP collaborates with a neurologist, not only because there is often diagnostic uncertainty, especially with the first attack, but also to discuss possibilities for preventive treatment.

Inbreng van de patiënt

De NHG-Standaarden geven richtlijnen voor het handelen van de huisarts; de rol van de huisarts staat dan ook centraal. Daarbij geldt echter altijd dat factoren van de kant van de patiënt het beleid mede bepalen. Om praktische redenen komt dit uitgangspunt niet telkens opnieuw in de richtlijn aan de orde, maar wordt het hier expliciet vermeld. De huisarts stelt waar mogelijk het beleid vast in samenspraak met de patiënt, met inachtneming van diens specifieke omstandigheden en met erkenning van diens eigen verantwoordelijkheid, waarbij adequate voorlichting een voorwaarde is.

Afweging door de huisarts

Het persoonlijk inzicht van de huisarts is uiteraard bij alle richtlijnen een belangrijk aspect. Afweging van de relevante factoren in de concrete situatie zal beredeneerd afwijken van het hierna beschreven beleid kunnen rechtvaardigen. Dat laat onverlet dat deze standaard bedoeld is om te fungeren als maat en houvast.

Delegeren van taken

NHG-Standaarden bevatten richtlijnen voor huisartsen. Dit betekent niet dat de huisarts alle genoemde taken persoonlijk moet verrichten. Sommige taken kunnen worden gedelegeerd aan de praktijkassistente, praktijkondersteuner of praktijkverpleegkundige, mits zij worden ondersteund door duidelijke werkafspraken, waarin wordt vastgelegd in welke situaties de huisarts moet worden geraadpleegd en mits de huisarts toeziet op de kwaliteit. Omdat de feitelijke keuze van de te delegeren taken sterk afhankelijk is van de lokale situatie, bevatten de standaarden daarvoor geen concrete aanbevelingen.

Belangrijkste wijzigingen

  • In deze standaard is meer aandacht voor hoofdpijn bij kinderen.
  • De standaard maakt onderscheid tussen aandoeningen waarbij beoordeling door de huisarts op (zeer) korte termijn plaatsvindt en aandoeningen waarbij verwijzing op korte termijn plaatsvindt.
  • Bij spanningshoofdpijn bepalen de ernst en de frequentie van de klachten het beleid.
  • De term ‘medicatieovergebruikshoofdpijn’ vervangt de term ‘middelengeïnduceerde hoofdpijn’. Deze aandoening vergt een actieve preventie en aanpak.
  • Er is meer aandacht voor preventieve behandeling van migraine en clusterhoofdpijn met meer behandelingsmogelijkheden.
  • Het hoofdpijndagboek is aangepast en kan als hulpmiddel dienen ter ondersteuning van de diagnostiek en voor de monitoring van de behandeling.

Kernboodschappen

  • Stel de diagnose spanningshoofdpijn, migraine, medicatieovergebruikshoofdpijn en clusterhoofdpijn op basis van de anamnese.
  • Migraine en chronische spanningshoofdpijn zijn chronische aandoeningen, waarbij voorlichting en controles, in overleg met de patiënt, van belang zijn.
  • Behandel migraine bij het begin van de hoofdpijnfase van de aanval.
  • Let bij de medicamenteuze behandeling van spanningshoofdpijn en migraine op de frequentie van het gebruik van de aanvalsmedicatie in verband met het risico op medicatieovergebruikshoofdpijn.
  • Wanneer de patiënt met spanningshoofdpijn een hoge lijdensdruk ervaart en minder kan functioneren door de hoofdpijnklachten, is er mogelijk sprake van SOLK (somatisch onvoldoende verklaarde lichamelijke klachten).

Inleiding

De NHG-Standaard Hoofdpijn omvat richtlijnen voor de diagnostiek, behandeling en begeleiding van kinderen en volwassenen met hoofdpijn. De aard, diagnostische kenmerken, beloop en aanpak van de verschillende soorten hoofdpijn bij kinderen verschillen niet veel van die bij volwassenen. Onder hoofdpijn wordt in deze standaard verstaan: spanningshoofdpijn, migraine, medicatieovergebruikshoofdpijn en clusterhoofdpijn. Medicatieovergebruikshoofdpijn is in de plaats gekomen voor middelengeïnduceerde hoofdpijn.1
Overige vormen van hoofdpijn worden alleen besproken als ze berusten op een zeer ernstige aandoening. Hoofdpijn kan optreden als bijwerking van het gebruik van medicatie (bijvoorbeeld dipyridamol, nitraten, calciumantagonisten), maar deze vorm van hoofdpijn valt buiten het bestek van deze standaard. Ook zeldzame vormen van migraine zoals aura zonder hoofdpijn, familiaire hemiplegie-migraine, basilaire migraine en chronische migraine worden in deze standaard niet besproken.
De diagnoses spanningshoofdpijn, migraine, medicatieovergebruikshoofdpijn en clusterhoofdpijn kunnen met de anamnese worden gesteld. De gegevens van een hoofdpijndagboek kunnen helpen om tot een diagnose komen. Bij een patiënt kunnen verscheidene vormen van hoofdpijn, zoals de combinaties migraine en spanningshoofdpijn, migraine en medicatieovergebruikshoofdpijn of spanningshoofdpijn en medicatieovergebruikshoofdpijn voorkomen; dit wordt niet altijd herkend. Echter, voor de behandeling van de hoofdpijnklachten is dit wel van belang, omdat elk type hoofdpijn een andere benadering vraagt.

Achtergronden

Begrippen

Spanningshoofdpijn: tweezijdige, drukkende of knellende, matig intense hoofdpijn, gedurende minuten tot dagen. De hoofdpijn neemt niet toe bij fysieke activiteit en is niet geassocieerd met misselijkheid, maar foto- of fonofobie kunnen wel aanwezig zijn. De hoofdpijn kan activiteiten storen, maar niet verhinderen.
Migraine: herhaaldelijk optredende unilaterale hoofdpijn gedurende 4 tot 72 uur. De hoofdpijn is vaak pulserend, matig tot heftig qua intensiteit en verergert bij fysieke inspanning, gaat vaak gepaard met misselijkheid en/of foto- en fonofobie en verhindert de dagelijkse activiteiten.
Medicatieovergebruikshoofdpijn: aspecifieke hoofdpijn veroorzaakt door overmatig gebruik van medicatie voor hoofdpijn: paracetamol of NSAID’s ≥ 15 dagen per maand, triptanen ≥ 10 dagen per maand gedurende drie maanden.
Clusterhoofdpijn: herhaaldelijk optredende, zeer heftige intense eenzijdige pijn van het aangezicht en/of hoofd gedurende 15 tot 180 minuten variërend van eenmalig om de dag tot 8 maal per dag. De pijn gaat vaak gepaard met een ipsilateraal rood en/of tranend oog, neusverstopping, ooglidoedeem, pupilvernauwing en/of hangend ooglid, verhoogde zweetsecretie van voorhoofd/gelaat en onrustig gevoel en bewegingsdrang.

Epidemiologie

Bij kinderen vanaf ongeveer 6 jaar komen spanningshoofdpijn en migraine voor. De prevalentie van spanningshoofdpijn in de algemene bevolking is hoog (ongeveer 60%) en neemt af met het toenemen van de leeftijd.
De prevalentie van migraine in de algemene bevolking bedraagt ongeveer 15%.2 De prevalentie van migraine (bij vrouwen en mannen) daalt met het stijgen van de leeftijd. Beide soorten hoofdpijn komen meer voor bij vrouwen dan bij mannen. Patiënten met spanningshoofdpijn kunnen ook migraine hebben, en andersom. Ongeveer 4 van de 5 patiënten met spanningshoofdpijn of migraine rapporteren in de loop van de tijd een andere vorm van hoofdpijn.
De totale prevalentie van de chronische vormen van de diverse soorten hoofdpijn in de algemene bevolking bedraagt enkele procenten (2 tot 4%), waarbij naar schatting ongeveer de helft tot bijna tweederde medicatieovergebruikshoofdpijn heeft.3
Clusterhoofdpijn komt weinig voor in de algemene bevolking. De incidentie in de huisartspraktijk is 0,1 per 1000 patiënten.4 Deze vorm van hoofdpijn komt vaker voor bij mannen dan bij vrouwen.
Op het spreekuur van de huisarts is hoofdpijn een van de meestvoorkomende klachten, zowel bij volwassenen als bij kinderen.2 De meeste patiënten gaan met de klacht hoofdpijn niet naar de huisarts. Bij ongeveer de helft is ongerustheid en angst voor een ernstige aandoening, zoals een hersentumor, de belangrijkste reden voor een consult bij de huisarts. Bij een kwart betreft het een vraag om medicatie.5 Minder vaak gaat het om vragen over de praktische consequenties en het disfunctioneren ten gevolge van de hoofdpijn.

Pathofysiologie en etiologie

Spanningshoofdpijn

Over de pathofysiologie van spanningshoofdpijnspanningshoofdpijn is niet veel bekend.6 Spanning of spierspanning zijn geen primaire oorzaken al kunnen beide factoren wel intermediair of verergerend zijn, net als bijvoorbeeld oververmoeidheid of een ‘verkeerde houding’. Andere voorbeelden om deze hoofdpijn te benoemen zijn ‘aspecifieke hoofdpijn’ of ‘gewone hoofdpijn’. In de Engelse literatuur wordt gesproken over tension-type headache, of common headache. Spanningshoofdpijn is per definitie geen ernstige aandoening, maar het kan voor de patiënt erg hinderlijk zijn. Bij chronische spanningshoofdpijn (≥ 15 dagen per maand aanwezig) is er vaak sprake van psychiatrische of somatische comorbiditeit.7
Spanningshoofdpijn bij kinderen, kortdurend of langdurig, kan soms verklaard worden vanuit het dagelijks leven van het kind. Er is geen bewijs voor voeding als oorzaak van de hoofdpijn. Kinderen met hoofdpijn gaan vaak door met de dagelijkse bezigheden en vertonen geen ziektegedrag.

Migraine

Migrainemigraine is een neurovasculaire aandoening met heftige aanvalsgewijze hoofdpijn.8 Migraineaanvallen kunnen variëren in ernst en duur. Bij ongeveer 60% van de vrouwen met migraine is het optreden van de aanvallen gerelateerd aan de menstruele cyclus. Meestal treden deze op voor of tijdens de menstruatie. Onderzoeken wijzen in de richting van oestrogeenonttrekking als uitlokkende factor.
Eerstegraadsfamilieleden van een migrainepatiënt met aura hebben een verhoogd risico (bijna viermaal verhoogd risico) op het krijgen van migraine met aura.9 Migraine met aura geeft, waarschijnlijk alleen bij vrouwen, een tweemaal verhoogd risico op een ischemisch CVA, migraine zonder aura daarentegen niet.10
Bij 15 tot 25% van de mensen met migraine wordt een aanval voorafgegaan door een auraaura. Dit is een focaal neurologisch symptoom dat zich kan uiten in één of meer reversibele symptomen zoals visusstoornissen (bijvoorbeeld flikkerscotomen) of tintelingen of doof gevoel in lippen, gelaat of hand (eenzijdig). Van deze symptomen ontwikkelt ten minste 1 symptoom zich geleidelijk in minimaal 5 minuten. Een aura duurt meestal maximaal 60 minuten. Indien meer dan 1 aurasymptoom optreedt kunnen deze langer duren. Binnen een uur na het ontstaan van de aurasymptomen volgt de hoofdpijnfase.
Een aura is niet hetzelfde als prodromale verschijnselen. Deze laatste ontstaan enige uren tot een dag voorafgaande aan de migraineaanval en kunnen bestaan uit hyper- of hypoactiviteit, depressieve gevoelens of hypomane stemming, trek in bepaalde voedingsmiddelen of geeuwen.

Medicatieovergebruikshoofdpijn

De meeste patiënten met medicatieovergebruikshoofdpijn11 hebben een voorgeschiedenis van aanvalsgewijze hoofdpijn die langzaam in frequentie is toegenomen. Veel patiënten ontwaken ’s ochtends met hoofdpijn of worden er ’s nachts wakker van en nemen dan weer medicatie. Bij de minste lichamelijke of intellectuele inspanning verergert de hoofdpijn. Het effect van de geneesmiddelen (paracetamol en/of NSAID’s) neemt af, terwijl de frequentie van de aanvallen toeneemt. Overmatig gebruik van paracetamol en/of NSAID’s (≥ 15 dagen per maand) of triptanen (≥ 10 dagen per maand) gedurende langer dan 3 maanden kan deze hoofdpijn induceren. De hoeveelheid medicatie die per dag wordt gebruikt, is niet van belang voor het stellen van de diagnose. Gebruik van pijnmedicatie zonder recept kan verborgen blijven voor de huisarts. Uiteindelijk belanden de patiënten in een vicieuze cirkel met (bijna) dagelijks optredende hoofdpijn en dagelijkse inname van geneesmiddelen voor de hoofdpijn. Bijkomende verschijnselen zijn: vermoeidheid, misselijkheid, snelle irritatie, concentratiestoornissen, rusteloosheid, angst en depressie. Medicatieovergebruikshoofdpijn komt ook voor bij kinderen.
Het karakter van de medicatieovergebruikshoofdpijn hangt af van de soort hoofdpijn die de patiënt aanvankelijk had. Patiënten die te veel geneesmiddelen gebruiken voor migraine rapporteren dat de frequentie van de migraineaanvallen toeneemt tot dagelijkse migraine. Patiënten die te veel geneesmiddelen gebruiken voor spanningshoofdpijn rapporteren een toenemende ernstige dagelijkse hoofdpijn met soms enkele migrainekenmerken.

Clusterhoofdpijn

De etiologie en pathofysiologie van clusterhoofdpijn zijn grotendeels onbekend. Clusterhoofdpijn gaat gepaard met autonome verschijnselen en wordt ingedeeld bij de trigeminale pijnsyndromen, waaronder ook aangezichtspijn valt. Bij 80 tot 85% van de patiënten met clusterhoofdpijn is sprake van een episodische vorm waarbij er een reeks van aanvallen optreedt alternerend met pijnvrije episodes. Het is onduidelijk waarom de aanvallen in clusters van weken tot maanden optreden.12 Tijdens een clusterperiode kunnen bepaalde factoren aanleiding geven tot het optreden van aanvallen. Dit zijn onder andere alcohol, histamine, nitraten, lange vliegreizen of verblijf op grote hoogte, zoals in de bergen. Met het toenemen van de leeftijd neemt vaak de tijd tussen de clusters toe.

Richtlijnen diagnostiek

De huisarts dient alert te zijn op ernstige, met hoofdpijn gepaard gaande, aandoeningen waarbij directe beoordeling van de patiënt door de huisarts noodzakelijk is [tabel 1]. Daarnaast zijn er aandoeningen beschreven waarbij het nodig is om de patiënt op korte termijn naar de tweede lijn te verwijzen [tabel 2]. Zie verder Richtlijnen beleid en Consultatie en verwijzing. Het onderscheid tussen de tabellen is niet absoluut en in de praktijk kan er overlap bestaan. Naast de genoemde aandoeningen dienen ook andere oorzaken van de hoofdpijn overwogen te worden, zoals virale infecties, tandheelkundige problemen of oogaandoeningen.13
Tabel1Ernstige, met hoofdpijn gepaard gaande aandoeningen, waarbij beoordeling op (zeer) korte termijn van de patiënt door de huisart
KenmerkenDifferentiële diagnose
(per)acuut ontstane, zeer heftige hoofdpijn eventueel in combinatie met nekpijnmeningitis, beroerte, subarachnoïdale bloeding
nekstijfheid/neurologische symptomenmeningitis, hersentumor
hoofdpijn met koorts (en gedaald bewustzijn)meningitis
hoofdpijn met focale neurologische symptomenhersentumor
toename van hoofdpijn &lt 6 weken na trauma capitis (vooral bij ouderen)sub/epiduraal hematoom
hoofdpijn met atypische aura (duur > 1 uur (arbitrair)), motorische zwakteberoerte
hoofdpijn met aura in begin van gebruik van hormonale anticonceptie (combinatiepreparaat)beroerte
hoofdpijn in de zwangerschap (derde trimester)(pre-)eclampsie
hoofdpijn, duizeligheid, misselijkheid, lethargieCO-intoxicatie
Tabel2Ernstige, met hoofdpijn gepaard gaande aandoeningen, waarbij verwijzing naar de tweede lijn op korte termijn noodzakelijk is
KenmerkenDifferentiële diagnose
hoofdpijn beneden de leeftijd van 6 jaarhersentumor, hydrocephalus
nieuwe hoofdpijn leeftijd ? 50 jaarhersentumor, arteriitis temporalis (zie NHG-Standaard Polymyalgia rheumatica en arteriitis temporalis), maligne hypertensie
hoofdpijn met visusproblemen: gezichtsveldverlies, snel ontstane visusdaling, dubbelzienarteriitis temporalis (zie NHG-Standaard Polymyalgia rheumatica en arteriitis temporalis), acuut glaucoom
nieuwe hoofdpijn bij patiënt met kanker, hiv-infectie of immunodeficiëntie in de voorgeschiedenishersentumor, hersenabces, meningitis
progressieve verergering van hoofdpijn in verloop van weken of langerhersentumor
hoofdpijn met tekenen van drukverhoginghersentumor
hoofdpijn met ochtendbraken; braken niet gerelateerd aan hoofdpijnhersentumor, cerebrale sinustrombose
hoofdpijn met persoonlijkheidsveranderingen of achteruitgang schoolprestatieshersentumor

Anamnese

De anamnese bij hoofdpijnklachten kost soms veel tijd en kan meerdere consulten in beslag nemen. De huisarts vraagt naar:
  • aard, ernst, tijdstip van de dag, lokalisatie, patroon en duur van de hoofdpijn;
  • al dan niet bekend zijn met de huidige vorm van hoofdpijn;
  • begeleidende symptomen (misselijkheid, braken), aura of prodromale verschijnselen;
  • provocerende factoren (hormonale of andere factoren zoals alcohol, drugs, leefstijl of spanningsgerelateerde factoren; kinderen: moeite met lezen);
  • visusstoornissen (arteriitis temporalis, acuut glaucoom);
  • (zelf)medicatie:
      • gebruik van analgetica (paracetamol, NSAID’s) of triptanen (medicatieovergebruikshoofdpijn: overmatig gebruik wordt door de patiënt zelden herkend en daarom niet spontaan gemeld);
      • anticonceptie, antidepressiva, sint-janskruid (eventuele bijwerkingen, contra-indicaties, interacties);
  • gedrag tijdens een hoofdpijnaanval (bij clusterhoofdpijn loopt de patiënt radeloos rond, heeft bewegingsdrang, terwijl bij een migraineaanval de patiënt (bed)rust zoekt);
  • cafeïnegebruik (cola, koffie, thee, icetea, chocolade, energiedranken met cafeïne);
  • familieanamnese met betrekking tot hoofdpijn;
  • de mate van belemmering in het dagelijks functioneren thuis, op het werk (bijvoorbeeld verzuim of productiviteitsverlies), op school of in de vrije tijd;
  • zorgen, ongerustheid, specifieke vragen en verwachtingen van de patiënt.

Lichamelijk onderzoek

Verricht op indicatie:
  • neurologisch onderzoek bij aanwijzingen voor ernstige aandoeningen [tabel 1] en [tabel 2] of voor het uitsluiten ervan;
  • gericht onderzoek ter uitsluiting van pre-eclampsie of HELLP bij een zwangere patiënt (zie de NHG-Standaard Zwangerschap en kraamperiode);
  • een bloeddrukmeting bij een patiënt die 50 jaar of ouder is met een nieuwe episode van hoofdpijn om maligne hypertensie uit te sluiten;
  • (gericht) lichamelijk onderzoek wanneer de hulpvraag van de patiënt daartoe aanleiding geeft;
  • neurologisch onderzoek en/of (gericht) algemeen lichamelijk onderzoek bij chronische hoofdpijn (≥ 15 dagen per maand).

Bij afwezigheid van bovengenoemde indicaties heeft lichamelijk onderzoek geen aanvullende diagnostische waarde voor het stellen van de diagnose spanningshoofdpijn, migraine en medicatieovergebruikshoofdpijn.
Tijdens een aanval van clusterhoofdpijn kan een eenzijdig tranend oog, rood oog, een verstopte neus, loopneus of een hangend ooglid of pupilvernauwing van het oog aan de aangedane kant zichtbaar zijn.

Aanvullend onderzoek

Het kan zinvol zijn om de patiënt een aantal weken een hoofdpijndagboekhoofdpijndagboek14 te laten bijhouden om meer inzicht te krijgen in de frequentie en de ernst van de hoofdpijn met eventueel uitlokkende factoren. Ook de effectiviteit van eventueel gebruikte geneesmiddelen kan hiermee in kaart worden gebracht. Het hoofdpijndagboek kan helpen om onderscheid te maken tussen spanningshoofdpijn, migraine, of een combinatie van beide, en medicatieovergebruikshoofdpijn. Een voorbeeld van het hoofdpijndagboek is te vinden als bijlage van de standaard op www.nhg.org en op www.thuisarts.nl/hoofdpijndagboek.
Wanneer de ernstscore vaak 7 of hoger is, vraag dan naar de kenmerken van migraine (misselijkheid, braken, foto- en fonofobie, erger worden bij bewegen, zie Begrippen en Evaluatie). Wanneer er vaker onder de 7 wordt gescoord, denk dan aan spanningshoofdpijn. Denk aan medicatieovergebruikshoofdpijn bij frequente inname van medicatie voor de hoofdpijn, zie Begrippen en Evaluatie.
Beeldvormend onderzoek heeft voor het stellen van de diagnose (chronische) spanningshoofdpijn of migraine of voor het uitsluiten van een hersentumor geen aanvullende waarde, wanneer de anamnese of lichamelijk onderzoek daartoe geen aanleiding geven.15 Uit onderzoek blijkt dat bij afwezigheid van alarmsymptomen beeldvormend onderzoek alleen een kortdurend geruststellend effect voor de patiënt heeft; na een jaar is dit effect verdwenen.
Bij een patiënt met een eerste clusterhoofdpijnaanval zal er vaak twijfel over de diagnose zijn vanwege de focale neurologische symptomen. In dat geval is beeldvormend onderzoek in de tweede lijn noodzakelijk met als doel om pathologie uit te sluiten die specifieke behandeling behoeft (bijvoorbeeld een hypofysetumor, cerebrale sinustrombose, lekkend aneurysma of een andere vaatafwijking).

Evaluatie

De huisarts stelt de diagnose spanningshoofdpijn, migraine, medicatieovergebruikshoofdpijn of clusterhoofdpijn op basis van het klachtenpatroon [tabel 3] en eventueel het hoofdpijndagboek, waarbij de verschillende soorten hoofdpijn herkend kunnen worden.
Verscheidene vormen van hoofdpijn kunnen samen voorkomen. Probeer de verschillende vormen te identificeren omdat er voor elke vorm van hoofdpijn een andere behandeling is.
Behalve de besproken hoofdpijnsoorten kan hoofdpijn ook veroorzaakt worden door andere ziekten of aandoeningen.13 Verder is de huisarts zich ervan bewust dat ook psychosociale problematiek een rol kan spelen. Wanneer de patiënt zich zorgen maakt of wanneer de diagnose nog niet geheel vaststaat, maakt de huisarts een vervolgafspraak. In de tussentijd kan dan het hoofdpijndagboek worden bijgehouden.
De onderstaande indeling van hoofdpijn is afgeleid van de classificatie van de International Headache Society (IHS).1 Niet alle symptomen hoeven aanwezig te zijn om een diagnose te stellen.

Spanningshoofdpijn

De ernst van de hoofdpijn is licht tot matig, gedurende minuten tot vele dagen, zonder misselijkheid of braken. Overgevoeligheid voor licht en geluid komen gecombineerd meestal niet voor; hooguit komt één van beide voor. Bij spanningshoofdpijn bij kinderen zit de hoofdpijn rondom de schedel of aan twee kanten of in de nek, net als bij volwassenen. Bij kinderen duurt spanningshoofdpijn zelden een hele dag.
De huisarts maakt onderscheid tussen: weinig frequente spanningshoofdpijn (
Differentiaaldiagnostische overwegingen zijn: overlap met migraine en medicatieovergebruikshoofdpijn.

Migraine

Herhaalde aanvallen van matige tot ernstige hoofdpijn met misselijkheid en/of braken. Vaak is er sprake van licht- en geluidsovergevoeligheid. Een onbehandelde aanval die korter dan 4 uur of langer dan 72 uur duurt, sluit migraine uit.
Van migraine met aura is sprake wanneer er ook een reversibel focaal neurologisch symptoom aanwezig is, dat zich geleidelijk in minimaal vijf minuten ontwikkelt (in tegenstelling tot een TIA, waarbij de symptomen in enkele seconden optreden) en maximaal zestig minuten duurt.
Er is sprake van menstruele migraine als de migraineaanval begint op de eerste dag van de menstruatie of maximaal twee dagen ervoor of erna en waarbij er verder geen andere aanvallen tussen de menstruaties voorkomen. De migraineaanvallen zijn ernstig, langdurig en gaan vaak gepaard met meer misselijkheid en braken. Het gaat meestal om aanvallen zonder aura.
Bij kinderen met migraine is de duur van de hoofdpijnaanval korter dan bij volwassenen en duurt deze onbehandeld tussen de 30 minuten en 48 uur. Het klinisch beeld is minder duidelijk, maar heeft dezelfde kenmerken als bij volwassenen: ernstige hoofdpijn, niet goed kunnen functioneren, erger met bewegen (bleek in een hoekje zitten), stereotiep beloop voor dat kind, vasovegetatieve verschijnselen, soms licht- en geluidschuw. Net als bij volwassenen kan misselijkheid ontbreken, maar dan is er lichtschuwheid en geluidschuwheid. Lichtschuwheid en geluidschuwheid kan ook ontbreken, maar dan is er misselijkheid. De eerste aanval is het moeilijkste qua aanpak, want migraine kan pas worden vastgesteld als het herhaaldelijk en stereotiep is voorgevallen. Bij jonge kinderen (
Differentiaaldiagnostische overwegingen zijn: overlap met spanningshoofdpijn, medicatieovergebruikshoofdpijn en beroerte.

Medicatieovergebruikshoofdpijn

De ernst en bijkomende symptomen en beperkingen in functioneren zitten tussen die van spanningshoofdpijn en migraine in. Overmatig gebruik van paracetamol en/of NSAID’s (≥ 15 dagen per maand) of triptanen (≥ 10 dagen per maand) kan deze hoofdpijn induceren.
Differentiaaldiagnostische overwegingen zijn: hoofdpijn door cafeïne (dagelijks gebruik van meer dan vijf cafeïnehoudende producten (koffie, thee, icetea, energiedranken met cafeïne, cola en chocolade) kan leiden tot chronische hoofdpijnklachten), spanningshoofdpijn en migraine.

Clusterhoofdpijn

Aanvalsgewijs optreden van zeer hevige eenzijdige hoofdpijn rondom het oog of temporaal die onbehandeld 15 tot 180 minuten duurt en die opvallend vaak ’s nachts optreedt. De clusters treden op in een periode van enkele weken tot maanden.
Bij nieuwe gevallen kan het lastig zijn de neurologische symptomen juist te interpreteren. Denk dan ook aan intracerebrale processen of vaatafwijkingen. Bij een trigeminusneuralgie zijn er geen autonome verschijnselen zoals een tranend oog, loopneus et cetera.
Tabel3Kenmerken van spanningshoofdpijn, migraine, medicatieovergebruikshoofdpijn en clusterhoofdpijn
SpanningshoofdpijnMigraineMedicatie-overgebruikshoofdpijnClusterhoofdpijn
Locatietweezijdigmeestal eenzijdigaspecifiekeenzijdig, rondom oog of temporaal
Kwaliteitdrukkend of knellendbonzendvariabel (bv. scherp, brandend, knellend)
Intensiteitlicht tot matigmatig tot heftigzeer heftig
Invloed activiteitengeen toename bij lichamelijke activiteitentoename door lichamelijke activiteitenerg belemmerend ten aanzien van activiteiten
Bijkomende kenmerkenvaak sprake van overgevoeligheid voor licht of geluid,meestal misselijkheid en/of brakengebruik van analgetica (paracetamol en/of NSAID’s ? 15 dagen per maand) of triptanen (? 10 dagen per maand).
  • vaak ’s nachts
  • minstens 1 van de volgende ipsilaterale symptomen: rood en/of tranend oog; neusverstopping en/of loopneus; ooglidoedeem; verhoogde zweetsecretie van voorhoofd/gelaat; pupilvernauwing en/of hangend ooglid
  • onrustig gevoel en (soms forse) bewegingsdrang
  • nooit gepaard met misselijkheid of braken
Duur30 min.-continuvolwassenen: 4-72 uurkinderen: 30 min.-48 uur15-180 minuten
Frequentie
  • 1-15 dagen per maand: frequent
  • ? 15 dagen per maand: chronisch
herhaalde aanvallen? 15 dagen per maand1 aanval per 2 dagen tot 8 aanvallen per dag
Gebaseerd op tabel uit de NICE-richtlijn Diagnosis and management of headaches in young people and adults.

Richtlijnen beleid

Algemeen

De huisarts maakt aparte behandelplannen wanneer er sprake is van meerdere soorten hoofdpijn bij een patiënt. De huisarts overlegt met de patiënt of de behandelingen tegelijkertijd plaatsvinden of eventueel opeenvolgend. Start met behandeling van medicatieovergebruikshoofdpijn wanneer deze aanwezig is. Spanningshoofdpijn en migraine zijn namelijk niet te herkennen en te behandelen wanneer er ook sprake is van medicatieovergebruikshoofdpijn.
Van belang is dat de huisarts vόόr het starten van een medicamenteuze behandeling nagaat of de patiënt al medicatie heeft gebruikt en zo ja, welke en in welke dosering. Soms gebruiken patiënten geneesmiddelen in een te lage dosering of frequentie, waardoor deze niet (of onvoldoende) effectief zijn. Een proefbehandeling met medicatie met als doel de diagnose te stellen wordt afgeraden gezien de wisselende werkzaamheid van medicatie bij de verschillende typen hoofdpijn en het natuurlijk beloop. Bij het verstrekken van herhalingsrecepten voor triptanen en analgetica moet de huisarts, vanwege het risico op het ontstaan van medicatieovergebruikshoofdpijn, regelmatig nagaan of er geen sprake is van overmatig gebruik.
Ter evaluatie van de behandeling kan het hoofdpijndagboek een ondersteuning zijn van het consult. De kolommen over de medicatie zijn dan vooral van belang. Het beloop van de hoofdpijn kan door de patiënt worden bijgehouden met behulp van het hoofdpijndagboek over een periode van twee tot drie maanden, afhankelijk van de frequentie van de hoofdpijnaanvallen. De patiënt levert het hoofdpijndagboek voorafgaand aan het consult in, zodat de huisarts hiervan een analyse kan maken. De huisarts bekijkt dan de frequentie van de hoofdpijn, welke geneesmiddel is gebruikt en in hoeverre dit effectief was. Een voorbeeld van het hoofdpijndagboek is te vinden als bijlage van de standaard op www.nhg.org en op www.thuisarts.nl/hoofdpijndagboek.
In aansluiting op de gegeven mondelinge voorlichting kan de huisarts de patiënt verwijzen naar de informatie over hoofdpijn op de NHG-publiekswebsite www.thuisarts.nl/hoofdpijn of de betreffende tekst (voorheen NHG-Patiëntenbrief) meegeven (via het HIS). Deze patiënteninformatie is gebaseerd op de NHG-Standaard. Verder kan de huisarts de patiënt wijzen op het bestaan van de patiëntenvereniging, de Nederlandse Vereniging van Hoofdpijnpatiënten.

Spanningshoofdpijn

Voorlichting

Het geven van uitleg en geruststelling van de patiënt (of de ouders van de patiënt) zijn de eerste en belangrijkste stappen van de behandeling van spanningshoofdpijn, onafhankelijk van de frequentie. De huisarts legt aan de patiënt uit dat spanningshoofdpijn vaak multifactorieel bepaald is; het niet altijd door ‘spanning’ wordt veroorzaakt, maar dat spanning soms een onderhoudende factor kan zijn; en dat het vaak lastig is om bij de individuele patiënt een verband te leggen tussen oorzaak en gevolg. De context van de patiënt is van belang voor het bepalen van het beleid. Veranderingen in leefstijl, met als doelen een beter evenwicht tussen belastbaarheid en belasting en een gezonde leefstijl, kunnen een gunstig effect hebben. De huisarts bespreekt met de patiënt welke veranderingen in leefstijl hij kan overwegen. De effecten van deze veranderingen kunnen duidelijk worden bij de evaluatie van de klachten met behulp van het hoofdpijndagboek.
Ouders kunnen vaak aangeven wat mogelijk de aanleiding van de hoofdpijn van hun kind is. Bijvoorbeeld als de hoofdpijn steeds optreedt bij spanning (op school of thuis), angst of te weinig slaap. De huisarts geeft het advies aan ouders om dit te bespreken met het kind, zodat er meer begrip over de hoofdpijn ontstaat.
Bij frequente en chronische spanningshoofdpijnspanningshoofdpijn , waarbij ondanks uitleg, geruststelling en adviezen over leefstijl klachten blijven bestaan en waarbij de patiënt een hoge lijdensdruk ervaart en minder kan functioneren door de hoofdpijnklachten, is er mogelijk sprake van SOLKSOLK (somatisch onvoldoende verklaarde lichamelijke klachtensomatisch onvoldoende verklaarde lichamelijke klachten). Na het stellen van de werkhypothese SOLK begint de huisarts met nadere exploratie van de onderhoudende factoren en de ernst van SOLK. De huisarts kan hiervoor SCEGS gebruiken (acroniem voor somatische, cognitieve, emotionele, gedragsmatige en sociale dimensies), zie de NHG-Standaard Somatisch Onvoldoende verklaarde Lichamelijke Klachten.

Medicamenteuze behandeling

Overweeg een kortdurende medicamenteuze behandeling met paracetamolparacetamol of een NSAIDNSAID als de spanningshoofdpijn frequent optreedt (1 tot 15 dagen per maand), indien uitleg en geruststelling onvoldoende werken. Waak (ook bij kinderen) voor het chronisch gebruik van medicatie in verband met het risico op het ontstaan van medicatieovergebruikshoofdpijn. Over de effectiviteit van een medicamenteuze behandeling van chronische spanningshoofdpijn (≥ 15 dagen per maand) is de literatuur niet eenduidig.16 Op grond van het beschikbare onderzoek kan geen concrete aanbeveling worden gegeven.

Overige behandelingen

Wanneer de klachten onderdeel uitmaken van een chronisch klachtenpatroon, wat vraagt om een meer individuele benadering, behoren gedragspsychologische interventies en manuele therapie tot de mogelijkheden. De effectiviteit van deze interventies is niet eenduidig, zodat wordt aanbevolen hiermee terughoudend te zijn. 17, 18

Controles

  • Nodig de patiënt expliciet uit om een nieuwe afspraak te maken als de klachten veranderen.
  • Maak met patiënten met spanningshoofdpijn, waarbij medicatie voorgeschreven is, controleafspraken na twee weken, bij voortgezet gebruik na weer vier weken en vervolgens op regelmatige basis om het gebruik ervan te evalueren.
  • Bespreek bij hardnekkige klachten met ernstige hinder, disfunctioneren en/of ongerustheid de behoefte van de patiënt aan controleafspraken.

Als de diagnostiek en het geven van uitleg en adviezen afgerond is, is er geen medische noodzaak meer voor controles.

Migraine bij volwassenen

Voorlichting

Bij een patiënt met migraine legt de huisarts uit dat migraine een aandoening is van het zenuwstelsel waarbij de bloedvaten secundair betrokken zijn. Het doel van de behandeling is het hanteerbaar maken van migraine. Flink zijn en negeren van de klacht werken averechts. Het is juist van belang om bij de eerste verschijnselen van migraine de bezigheden te staken en rust te nemen. Als sprake blijkt te zijn van provocerende factoren (zoals in sommige gevallen stress, onregelmatig leven, slaapgebrek), dan is het raadzaam om hier, naast eventuele medicamenteuze behandeling, aandacht aan te besteden. De werkgroep raadt het af om actief triggers op te sporen en die te vermijden. Wanneer er sprake is van migraine mét aura wordt voorlichting gegeven op het verhoogde risico op een herseninfarct (zonder migraine: 1 op de 1000 personen, bij migraine met aura: 2 op 1000 personen).10
Wanneer er andere risicofactoren aanwezig zijn voor het optreden van een herseninfarct (bijvoorbeeld hypertensie, roken, diabetes mellitus, obesitas, gebruik hormonale anticonceptie) wordt hier aandacht aan besteed (zie de NHG-Standaard CVRM, de NHG-Standaard Beroerte en de NHG-Standaard Anticonceptie).

Aanvalsbehandeling

Er zijn drie geneesmiddel(groepen) beschikbaar: paracetamol,19 NSAID’s en triptanentriptanen. Bespreek met de patiënt voor aanvang van de behandeling dat deze drie geneesmiddelengroepen effectief kunnen zijn. Het is vaak een proces om uit te zoeken welk middel uiteindelijk het beste is voor de patiënt. Bij de keuze wordt rekening gehouden met de specifieke kenmerken van de patiënt en de voorafgaande ervaringen met medicatie (soort, dosering en effect) voor migraine, en met de bijwerkingen, interacties en contra-indicaties. Bij gelijkwaardige alternatieven moeten ook de kosten van het geneesmiddel bij de keuze worden meegewogen. Tussen de eerder genoemde geneesmiddel(groepen) is geen groot verschil in effectiviteit aantoonbaar. Paracetamol kent de minste bijwerkingen. In de dagelijkse praktijk zullen veel patiënten deze stap al hebben geprobeerd voordat ze op het spreekuur komen.
Ga na of paracetamol voldoende hoog gedoseerd was en of het op het juiste moment was ingenomen (bij het begin van de hoofdpijn). Zo niet, start dan met paracetamol in adequate dosering [tabel 4] en geef het advies de paracetamol te gebruiken op het juiste tijdstip. Wanneer paracetamol voldoende hoog gedoseerd en het moment van inname adequaat was, kies dan vervolgens uit een NSAID of een triptaan. NSAID’s en triptanen kennen beide specifieke contra-indicaties en meer bijwerkingen. Bespreek met de patiënt bij aanvang van de behandeling de effectiviteit, bijwerkingen en contra-indicaties. Beoordeel de werkzaamheid van elke geneesmiddel na twee tot drie aanvallen. Niet alle patiënten reageren op dezelfde wijze op een bepaalde medicijnkeuze. Als er onvoldoende effect is of er zijn te veel bijwerkingen, probeer dan een ander geneesmiddel.
Het hoofdpijndagboek kan ondersteuning bieden om inzicht te krijgen in het effect van de geneesmiddelen. Laat in deze fase de patiënt proberen om de kolom ‘Vervolgen behandeling’ in te vullen. De kolom met de ernstscore kan in deze fase worden gebruikt om te beoordelen of de pijn minder is geworden. Overweeg consultatie van een neuroloog als alle drie de geneesmiddel(groep)en onvoldoende werkzaam zijn (zie Consultatie en Verwijzing).
De huisarts wijst de patiënt op de volgende principes van de medicamenteuze behandeling:
  • start bij het begin van de hoofdpijn met paracetamol, NSAID of een triptaan;
  • start een triptaan niet bij het optreden van aura maar pas bij het begin van de hoofdpijn;
  • neem bij misselijkheid of braken zo nodig kortdurend een anti-emeticumanti-emeticum (domperidondomperidon20 of metoclopramidemetoclopramide) en neem dit tegelijkertijd met de pijnstiller;
  • waarschuw voor chronisch gebruik van paracetamol, NSAID’s en triptanen: dit kan medicatieovergebruikshoofdpijn geven;
  • bespreek met de patiënt, bij twee of meer aanvallen per maand, de mogelijkheid van preventieve medicamenteuze behandeling.

NSAID’s

NSAID’s, zoals acetylsalicylzuur, ibuprofen of naproxen zijn gelijkwaardig.19 Zorg ervoor dat de patiënt een voldoende hoge dosering inneemt, en er geen contra-indicaties zijn voor het innemen van een NSAID (zie de FTR-Pijnbestrijding) en beoordeel of er een indicatie is voor maagbescherming (zie de NHG-Standaard Maagklachten). De geneesmiddelen kunnen indien nodig na de voorgeschreven tijd herhaald worden, zie [tabel 4] voor de maximale dagdosering.

Triptanen

De kans op een succesvolle behandeling met als doel pijnvrij zijn na 2 uur, is 30 tot 40% per middel. Op voorhand is het ene triptaan niet effectiever dan het andere. De huisarts kiest tussen sumatriptansumatriptan (tablet), zolmitriptanzolmitriptan (tablet en smelttablet), naratriptannaratriptan (tablet) en rizatriptan (tablet en smelttablet) omdat deze ten tijde van publicatie van deze standaard generiek verkrijgbaar zijn en daarom relatief goedkoop (zie de website www.medicijnkosten.nl voor de actuele kosten). De triptanen laten nuances zien in het werkings- en bijwerkingenpatroon en deze verschillen per individu.21, 22 Het is ook mogelijk dat almotriptan, eletriptan of frovatriptan beter bij de patiënt passen.
Begin bij het starten van een triptaan met een lage dosering en verhoog deze zo nodig. Als de triptaan effect heeft op de hoofdpijn, maar de pijn keert weer terug, kan na twee uur nog een tablet worden ingenomen (bij naratriptan na vier uur). Indien na twee of drie aanvallen er geen effect of onvoldoende effect met maximale dosering of te veel bijwerkingen is opgetreden, is het raadzaam nog twee andere triptanen, ieder voor ten minste twee of drie aanvallen, voor te schrijven [tabel 4]. Vanwege het risico op medicatieovergebruikshoofdpijn is het van belang om aan de patiënt uit te leggen om niet meer dan tien dagen per maand een triptaan te gebruiken. Aan patiënten die veel last hebben van misselijkheid al of niet met braken, ondanks gebruik van een anti-emeticum en bij wie orale geneesmiddelen onvoldoende werkzaam zijn, schrijft de huisarts een triptaan in een niet-orale toedieningsvorm (injectie, neusspray of zetpil) voor. Smelttabletten worden niet oromucosaal opgenomen, maar net als gewone tabletten in het maagdarmkanaal, en werken niet sneller dan gewone tabletten.

Zwangerschap en lactatie

In de zwangerschap kunnen paracetamol en metoclopramide veilig worden gebruikt, domperidon wordt ontraden omdat hierover te weinig gegevens zijn. NSAID’s worden in het eerste en derde trimester van de zwangerschap ontraden. Triptanen worden ook afgeraden tijdens de zwangerschap. Overweeg alleen bij een ernstige aanval eventueel sumatriptan, als enige van de triptanen, in een zo laag mogelijke dosering. Paracetamol, NSAID’s en domperidon kunnen tijdens lactatie veilig worden gebruikt, metoclopramide wordt ontraden. Adviseer bij lactatie de eerste drie uur na de gift van sumatriptan de borstvoeding te vervangen door reeds afgekolfde moedermelk of kunstvoeding (zie de NHG-Standaard Zwangerschap en kraamperiode).

Bijwerkingen en interacties

De meest frequent voorkomende bijwerkingen van triptanen zijn: misselijkheid, braken, moeheid, sufheid/slaperigheid, duizeligheid en een drukkend gevoel op de borst.22 Ernstige maar zeldzame bijwerkingen zijn coronaire vasospasmen door triptanen beschreven, met name bij patiënten met coronaire ischemie. Daarom is coronair vaatlijden met klachten zoals angina pectoris een absolute contra-indicatie voor triptanen.
Triptanen hebben interacties met andere geneesmiddelen.22 In combinatie met andere serotonerge geneesmiddelen zoals de SSRI’s en de serotonerge TCA’s (bijvoorbeeld amitriptyline, clomipramine en imipramine), sint-janskruid en MAO-remmers is het serotoninesyndroom beschreven, maar de klinische relevantie is beperkt.22 Alleen de interactie tussen sumatriptan en een SSRI is klinisch relevant en het risico op het serotoninesyndroom bij gebruik van een triptaan volgens voorschrift (≤ 3 dagen per week) is zeer klein. Van belang is om bij iedere patiënt bij wie een triptaan wordt voorgeschreven, na te gaan of er sprake kan zijn van belangrijke interacties.
Tabel4Overzicht aanvalsbehandeling migraine bij volwassenen
MiddelDoseringMaximale dosering per 24 uur* bij incidenteel gebruik (zonder interacterende comedicatie of comorbiditeit)
Paracetamol1000 mg 4000 mg
NSAID’s (oraal):
  • acetylsalicylzuur
  • ibuprofen
  • naproxen
900-1000 mg600 mg 500 mg 4000 mg 2400 mg1000 mg
Triptanen (oraal):
  • sumatriptan
  • zolmitriptan
  • naratriptan
  • rizatriptan
50 (soms 100) mg2,5 (soms 5) mg2,5 mg5 (soms 10) mg150 mg (bij gebruik 100 mg: maximaal is 300 mg)5 mg (bij gebruik 5 mg: maximaal is 10 mg)5 mg10 mg (bij gebruik 10 mg: maximaal is 20 mg)
Anti-emetica:
  • domperidon (niet inzwangerschap, wel tijdens lactatie)
  • metoclopramide (weltijdens zwangerschap, niet tijdens lactatie)
10-20 mg (oraal) / 60 mg (rectaal)10 mg (oraal of rectaal)80 mg (oraal) / 120 mg (rectaal)30 mg (oraal en rectaal)
* Overmatig gebruik per maand: paracetamol en/of NSAID’s ? 15 dagen per maand, triptanen ? 10 dagen per maand.
† Ten tijde van publicatie: generiek verkrijgbare triptanen.
‡ Let op eventuele aanwezige contra-indicaties. Domperidon mag niet gebruikt worden door patiënten met onder andere bekende ritmestoornissen, angina pectoris, hartfalen en myocard infarct in anamnese. Gebruik van metoclopramide wordt afgeraden bij epilepsie, bij tardieve dyskinesie door antipsychotica of metoclopramide in de anamnese en bij leeftijd &lt 18 jaar.

Preventieve behandeling

Bespreek bij een frequentie van 2 of meer aanvallen per maand de mogelijkheid van preventieve behandelingpreventieve behandeling.23 Patiënten die frequent analgetica (≥ 15 dagen per maand) of triptanen (≥ 10 dagen per maand) gebruiken, stoppen of verminderen deze bij voorkeur alvorens te starten met preventieve behandeling omdat er sprake kan zijn van medicatieovergebruikshoofdpijn. Tijdens preventieve behandeling mag indien nodig aanvalsmedicatie gebruikt worden. Start bij alle preventieve behandelingen van migraine met een lage dosering en bouw stapsgewijs op, veelal per 2 weken. Geef de preventieve behandeling gedurende minimaal 6 maanden. In onderzoeken is de behandeling effectief wanneer de aanvalsfrequentie met 50% is afgenomen, maar de definitie van een succesvolle behandeling is natuurlijk ook subjectief en andere doelen zijn eveneens mogelijk (bijvoorbeeld minder werkverzuim). Bespreek met de patiënt welk doel de patiënt met de behandeling zou willen behalen.
Eerste keus is een bètablokker: metoprololmetoprolol en propranololpropranolol zijn de bètablokkers die zijn geregistreerd als migraineprofylaxe. Er is echter geen reden om aan te nemen dat andere bètablokkers niet werkzaam zijn, mits het een selectieve bètablokker is zonder ISA (intrinsieke sympaticomimetische activiteit). Geef bij voorkeur een bètablokker met weinig bijwerkingen, bijvoorbeeld metoprolol. Leg aan de patiënt uit dat het gebruik van bètablokkers het aantal migraineaanvallen kan halveren. Hoog de dosering stapsgewijs op tot het gewenste resultaat is bereikt met inachtneming van de maximale dagdosering (metoprolol: maximaal 200 mg; propranolol: maximaal 160 mg) en het eventueel optreden van bijwerkingen. Meet voor het instellen van deze preventieve behandeling de bloeddruk en pols. Bij een lage bloeddruk (systolische tensie &lt 90 mmHg) of een polsslag trager dan 60 slagen per minuut is een bètablokker gecontra-indiceerd als profylacticum. Bètablokkers kunnen astmaklachten verergeren.
Facultatief: tweede keus zijn topiramaat of valproïnezuur bij onvoldoende werkzaamheid van een bètablokker en/of bij contra-indicaties voor een bètablokker. Bouw de dosering van topiramaat langzaam op, start met eenmaal daags 25 mg, daarna geleidelijk opbouwen tot maximaal 100 mg, verdeeld over 2 doses. Geef valproïnezuur als preparaat met gereguleerde afgifte in een dosering van 1 tot 2 maal daags 500 mg. Topiramaat en valproïnezuur zijn beide gecontra-indiceerd bij vrouwen met een kinderwens en zwangerschap of bij gebruik van hormonale anticonceptie. Het hormoonspiraal, koperspiraal of de prikpil zijn wel veilige opties in combinatie met topiramaat of valproïnezuur.
Facultatief: derde keus zijn tricyclische antidepressiva (zie ook de NHG-Standaard Depressie). Geef bij keuze voor een TCA amitriptyline (off-label, maximaal 75 tot 100 mg per dag). Start met 10 mg tot 25 mg, afhankelijk van patiëntkenmerken, en verhoog de dosering geleidelijk met 10 tot 25 mg per 7 tot 14 dagen afhankelijk van het effect en de bijwerkingen tot maximaal 100 mg per dag. Evalueer het effect na 3 maanden na volledige opbouw en staak amitriptyline bij onvoldoende effect of hinderlijke bijwerkingen.

Overige behandelingen

Overweeg als er ondanks diverse aanvalsbehandelingen in combinatie met preventieve medicamenteuze behandeling nog veel klachten blijven een gedragspsychologische interventie. Relaxatietherapie door fysiotherapeuten of cognitieve gedragstherapie komen hiervoor in aanmerking.24

Menstruele migraine

Voorlichting

Zie Migraine bij volwassenen.

Aanvalsbehandeling

De aanvalsbehandeling is hetzelfde als bij ‘gewone’ migraine (zie Migraine bij volwassenen, Aanvalsbehandeling), hoewel menstruele migrainemenstruele migraine moeilijker te behandelen lijkt. NSAID’s zijn bij menstruele migraine net zo effectief als triptanen en hebben vaak ook een gunstig effect op klachten behorende bij de menstruatie (zoals overmatig bloedverlies, zie de NHG-Standaard Vaginaal bloedverlies).

Preventieve behandeling

Er zijn verschillende adviezen voor preventieve behandeling die voornamelijk berusten op consensus.25
Preventieve behandeling is mogelijk vanaf ongeveer twee of drie dagen voor de menstruatie tot aan het einde van de menstruatie met ibuprofen, naproxen [tabel 3] of een triptaan. Een nadeel van preventieve behandeling kan zijn dat door het dagelijkse gebruik van de medicatie er mogelijk meer risico is op overdosering en medicatieovergebruikshoofdpijn, zeker indien er ook aanvallen buiten de menstruatie om zijn.
Overweeg bij vrouwen die de anticonceptiepilanticonceptiepil slikken en migraine zonder aura hebben gedurende de stopweek, om de pil door te slikken (zie de NHG-Standaard Anticonceptie). Vrouwen met migraine met aura hebben een licht verhoogd risico op een ischemisch CVA. Bij vrouwen met migraine met aura verhoogt de combinatie van roken en pilgebruik (of andere combinatiepreparaten) dit risico. Adviseer rokende vrouwen met migraine met aura daarom te stoppen met roken. Overleg met vrouwen met migraine met aura die niet roken of het gebruik van hormonale anticonceptie (combinatiepreparaat) wel wenselijk is. Neem hierbij in de overweging ook eventuele andere aanwezige cardiovasculaire risicofactoren mee (voor advies diverse anticonceptiemethoden: zie de NHG-Standaard Anticonceptie). Het gebruik van een combinatiepreparaat bij vrouwen met migraine zonder aura is geen bezwaar.

Migraine bij kinderen

Voorlichting

Bij korte aanvallen is uitleg aan de omgeving en het advies om het kind even met rust te laten voldoende. Een van de triggers voor een migraineaanval is een verstoord slaapritme; het is dan ook belangrijk dit slaapritme te herstellen.26 Er is weinig bewijs voor de effectiviteit van diverse andere niet-medicamenteuze behandelingen van migraine bij kinderen. Dit betekent dat de aanpak gezocht moet worden in het leren omgaan met de pijnaanvallen. Bij een migraineaanval is het van belang dat de omgeving rekening houdt met het kind.
Bij kinderen met migraine is het belangrijk om de ouders aanvullende informatie te geven over het al dan niet van school naar huis sturen bij een migraineaanval. Wanneer de aanval doorgaans kort van duur is, geef dan het advies aan de ouders om met de school te overleggen of het mogelijk is dat het kind bij een aanval even in een aparte kamer kan liggen. Het kind is dan vaak na korte duur weer opgeknapt en kan verder met het volgen van de lessen.

Aanvalsbehandeling

Bij weinig frequente migraineaanvallen kan men meestal volstaan met paracetamol. Pijnstillers kunnen het beste gegeven worden voordat de aanval op zijn maximum is. Dan is er meer kans op effect, namelijk bekorting van de aanval.
Bij onvoldoende effect van paracetamol kunnen NSAID’s worden voorgeschreven.27 Voldoende hoge dosering (afhankelijk van lichaamsgewicht, zie de FTR Pijnbestrijding) is noodzakelijk. Adviseer, indien nodig, een anti-emeticum. Om medicatieovergebruikshoofdpijn te voorkomen is het bij de combinatie van frequente migraine in combinatie met spanningshoofdpijn het advies om alleen iets voor de migraine te geven en geen pijnstillers voor de spanningshoofdpijn te geven.
Als paracetamol en NSAID’s onvoldoende werkzaam zijn is een verwijzing naar een, op het gebied van kinderhoofdpijn, deskundige (kinder)neuroloog of kinderarts op zijn plaats voor het eventueel instellen op triptanen.

Preventieve behandeling

Overweeg preventieve behandeling bij een hoge aanvalsfrequentie (≥ 2 per maand), lange aanvallen, ineffectieve aanvalsbehandeling of veel (school)verzuim. Verwijs naar of overleg met een, op het gebied van kinderhoofdpijn, deskundige (kinder)neuroloog of kinderarts indien een kind preventieve behandeling nodig heeft.

Overige behandelingen

Overweeg psychologische begeleiding indien er ondanks voorlichting en medicamenteuze behandeling veel klachten blijven.18

Controles bij volwassenen en kinderen

Evalueer bij migraine het effect van de aanvalsbehandeling na twee tot drie aanvallen. Ga tijdens de evaluatie na op welk moment van de migraine en in welke dosering het medicament is ingenomen. Ga na of het gewenste effect is opgetreden (bespreek bijvoorbeeld: na hoeveel tijd de pijn weg was, wanneer de patiënt weer kon functioneren, en of de hoofdpijn weer terugkwam) en of er sprake was van bijwerkingen. Bespreek, indien nodig, nogmaals de andere behandelingsmogelijkheden. Als het gewenste effect van de aanvalsbehandeling is opgetreden, spreek dan met de patiënt af wanneer het nodig is om de behandeling te evalueren en wat de wensen van de patiënt hierin zijn. Evalueer met de patiënt het klachtenpatroon en het medicatiegebruik bij toename van hoofdpijnklachten en/of aanvalsfrequentie of bij verandering van de migrainekarakteristieken.
Na het starten en na elke dosisverandering van preventieve geneesmiddelen vindt controle plaats na twee tot vier weken om bijwerkingen te beoordelen en na drie en zes maanden om de effectiviteit te bespreken. Daarna kunnen de controles, wanneer het gewenste effect is bereikt, eenmaal per jaar plaatsvinden.

Medicatieovergebruikshoofdpijn

Voorlichting

Bij een vermoeden van medicatieovergebruikshoofdpijnmedicatieovergebruikshoofdpijn legt de huisarts aan de patiënt uit dat de oorzaak van deze hoofdpijn mogelijk een overmatig gebruik van hoofdpijnmedicatie is. Ongemerkt treedt er gewenning op; het niet innemen van medicament leidt dan tot hoofdpijn. Zo ontstaat er een vicieuze cirkel. De huisarts legt uit dat het wegnemen van de waarschijnlijke oorzaak, door te stoppen met gebruik van de aanvalsmedicatie voor twee tot drie maanden, de beste optie is. Na de stopperiode en veelal terugkeren van het oorspronkelijke hoofdpijnpatroon, kan weer aanvalsbehandeling worden toegestaan, waarbij meestal strikt een sterkere beperking wordt geadviseerd dan voorheen. Bijvoorbeeld halvering van de toegestane hoeveelheid in [tabel 3].

Behandeling

Adviseer de patiënt om in één keer te stoppen met alle middelen die de patiënt voor de hoofdpijn gebruikt. Raad het vervangen van de hoofdpijnmedicatie door andere middelen af. Het is belangrijk de patiënt te waarschuwen voor een aanvankelijke verergering van de hoofdpijn als onttrekkingsverschijnsel; gemiddelde duur een à twee weken. Gedurende deze fase is de patiënt soms niet in staat om te werken of dagelijkse activiteiten te ondernemen. Intensieve begeleiding van de patiënt is in deze eerste weken noodzakelijk, bijvoorbeeld door frequent telefonisch contact. Leg aan de patiënt uit dat na de stopperiode de eventueel onderliggende episodische hoofdpijn, bijvoorbeeld migraine, opnieuw kan optreden. De huisarts behandelt dan de onderliggende hoofdpijn, na de stopperiode van twee tot drie maanden.
Ook bij kinderen kan overmatig of frequent gebruik van pijnstillers (op meer dan de helft van de dagen) leiden tot medicatieovergebruikshoofdpijn. Ook bij hen is het dan nodig om direct en volledig de pijnstillers te staken.

Controles

Tijdens de stopperiode is er frequent contact met de patiënt, afhankelijk van de klachten en in overleg met de patiënt.
Om terugval te voorkomen biedt de huisarts na het staken van de medicatie frequente controles aan. Na de stopperiode wordt, eventueel met behulp van het hoofdpijndagboek, het onderliggende type hoofdpijn vastgesteld. De onderliggende hoofdpijn en de daarbij behorende behandeling bepalen de frequentie van de controleafspraken.

Clusterhoofdpijn

Voorlichting

Tijdens een clusterperiode heeft het zin eventuele provocerende factoren te vermijden, zoals gebruik van alcohol, nitraten, het maken van lange vliegreizen of verblijf op grote hoogte.

Aanvalsbehandeling

Een eerste clusteraanval zal doorgaans door de neuroloog worden behandeld. De aanvalsbehandeling van clusterhoofdpijn bestaat uit verschillende mogelijkheden, namelijk sumatriptan 6 mg subcutaan (ongeveer 1 tot 2 maal per aanval) of 100% zuurstof, 7 tot 15 liter via kapje (afhankelijk van het effect) gedurende 15 minuten.29 Wanneer een patiënt bekend is met clusterhoofdpijn zal de keuze voor de aanvalsbehandeling afhangen van eerder gebleken effectiviteit en beschikbaarheid van zuurstofzuurstof (niet in de huisartsenpraktijk, soms thuis bij de patiënt (tijdens een clusterperiode), wel op de huisartsenpost).

Preventieve behandeling (facultatief)

Verapamilverapamil is een effectieve preventieve behandeling van clusterhoofdpijn tijdens de clusterperiode. De huisarts kan deze behandeling alleen (facultatief) starten na een eerdere succesvolle behandeling met verapamil door een neuroloog. De preventieve behandeling vindt altijd in overleg met de neuroloog plaats. Contra-indicaties zijn hypotensie, bekende ritmestoornissen of een verminderde leverfunctie. Start met een dagdosering van 240 mg en verhoog elke 2 weken met 80 mg. Gebruikelijke dagdosering is meestal 480 mg (maximaal 720 mg). Vόόr de start en bij elke dosisverhoging dient controle van het ECG plaats te vinden (10 dagen na de dosisverhoging) en staak verapamil bij het optreden van geleidingsstoornissen (zoals verlenging PR-interval, verbreding QRS-complex, bradycardie). Bouw verapamil weer af wanneer de clusterperiode vermoedelijk voorbij is. Start bij een volgende clusterperiode met de minimale effectieve dosering, altijd onder ECG-controle, die altijd noodzakelijk blijft. Andere preventieve (farmacotherapeutische) behandelingen worden niet aanbevolen in de eerste lijn.29

Controles

Beginfase van cluster: de volgende dag na starten van de behandeling. Evalueer wekelijks indien de preventieve behandeling voldoende effectief is.
  • Wanneer de voorgeschreven medicatie niet voldoende werkzaam is.
  • Tijdens behandeling met preventieve medicatie: zie Preventieve behandeling (facultatief).

Consultatie en verwijzing

Indien er aanwijzingen zijn voor een ernstige, met hoofdpijn gepaarde, aandoening [tabel 1] en [tabel 2] vindt overleg met of (spoed)verwijzing naar een neuroloog plaats.

Volwassenen

Overweeg consultatie van of verwijzing naar een in hoofdpijn deskundige neuroloog bij:
  • twijfel aan de diagnose;
  • plotselinge verandering van de migrainekarakteristieken;
  • plotselinge duidelijke toename van de aanvalsfrequentie van migraine;
  • een eerste migraineaanval boven de leeftijd van veertig jaar;
  • falen van alle van de hierboven genoemde aanvalsbehandelingen van migraine;
  • wanneer een preventieve behandeling van migraine onvoldoende werkt;
  • het niet in een keer kunnen stoppen met medicatie bij medicatieovergebruikshoofdpijn ondanks begeleiding van de huisarts;
  • vermoeden van clusterhoofdpijn (nooit eerder vastgesteld), of andere (eenzijdige) aangezichtspijn;
  • (overleg over) instellen van een preventieve behandeling van clusterhoofdpijn.

Kinderen

Overweeg consultatie van of verwijzing naar een in kinderhoofdpijn deskundige (kinder)neuroloog of kinderarts bij:
  • twijfel aan de diagnose;
  • onvoldoende effect behandeling spanningshoofdpijn;
  • onvoldoende reactie op paracetamol of NSAID bij migraine;
  • instellen op triptanen;
  • preventieve behandeling van migraine.

Overweeg verwijzing naar een psycholoog of psychotherapeut bij:
  • spanningshoofdpijn waarbij geruststelling en voorlichting niet voldoende is;
  • problemen met het omgaan met migraine.

Totstandkoming

Nadat werd besloten te beginnen met de herziening van de NHG-Standaard Hoofdpijn startte in april 2012 een werkgroep Hoofdpijn. Deze werkgroep heeft een conceptversie gemaakt.
De werkgroep bestond uit de volgende leden: dr. M.E.L. Bartelink, huisarts-epidemioloog, Julius Centrum, afdeling Huisartsgeneeskunde, UMC Utrecht; L. Boelman, huisarts in opleiding, UMC Utrecht; F. Dekker, huisarts te Purmerend; dr. N.P. van Duijn, huisarts te Almere; J.E.P. Ongering, huisarts te Waalwijk.
M.J. Kurver, huisarts te Utrecht en wetenschappelijk medewerker van de afdeling Richtlijnonwikkeling en Wetenschap, begeleidde de werkgroep en deed de redactie. M. Bouma was betrokken als senior wetenschappelijk medewerker van deze afdeling, M.M. Verduijn als senior wetenschappelijk me

Literatuur

  • 1.Bij verwijzing naar NHG-producten: zie www.nhg.org.
  • 2.Anonymus. Management of medication overuse headache. BMJ 2010;340:c1305.
  • 3.Anonymus. The International Classification of Headache Disorders, 3rd edition (beta version). Cephalalgia 2013;33:629-808.
  • 4.Almen-Christensson A, Hammar M, Lindh-Astrand L, Landtblom AM, Brynhildsen J. Prevention of menstrual migraine with perimenstrual transdermal 17-beta-estradiol: a randomized, placebo-controlled, double-blind crossover study. Fertil Steril 2011;96:498-500.
  • 5.Ashtari F, Shaygannejad V, Akbari M. A double-blind, randomized trial of low-dose topiramate vs propranolol in migraine prophylaxis. Acta Neurol Scand 2008;118:301-5.
  • 6.Brandes JL. The influence of estrogen on migraine: a systematic review. JAMA 2006;295:1824-30.
  • 7.Brandes JL, Saper JR, Diamond M, Couch JR, Lewis DW, Schmitt J, et al. Topiramate for migraine prevention: a randomized controlled trial. JAMA 2004;291:965-73.
  • 8.Bruni O, Galli F, Guidetti V. Sleep hygiene and migraine in children and adolescents. Cephalalgia 1999;19 Suppl 25:57-9.
  • 9.Abu-Arafeh I, Razak S, Sivaraman B, Graham C. Prevalence of headache and migraine in children and adolescents: a systematic review of population-based studies. Dev Med Child Neurol 2010;52:1088-97.
  • 10.Castien RF, Van der Windt DA, Grooten A, Dekker J. Effectiveness of manual therapy for chronic tension-type headache: a pragmatic, randomised, clinical trial. Cephalalgia 2011;31:133-43.
  • 11.Chaibi A, Tuchin PJ, Russell MB. Manual therapies for migraine: a systematic review. J Headache Pain 2011;12:127-33.
  • 12.College ter Beoordeling van Geneesmiddelen. Beperkingen voor gebruik diclofenac vanwege cardiovasculaire risico’s (5 augustus 2013). http://www.cbg-meb.nl/CBG/nl/humane-geneesmiddelen/actueel/Beperkingen_voor_gebruik_diclofenac_vanwege_cardiovasculaire_risicos/default.htm.
  • 13.Commissie Farmaceutische Hulp. Farmacotherapeutisch kompas 2012. Amstelveen: College voor Zorgverzekeringen, 2012.
  • 14.Damen L, Bruijn J, Koes BW, Berger MY, Passchier J, Verhagen AP. Prophylactic treatment of migraine in children. Part 1. A systematic review of non-pharmacological trials. Cephalalgia 2006;26:373-83.
  • 15.Damen L, Bruijn JK, Verhagen AP, Berger MY, Passchier J, Koes BW. Symptomatic treatment of migraine in children: a systematic review of medication trials. Pediatrics 2005;116:e295-e302.
  • 16.De Jongh TOH, Knuistingh Neven A, Couturier EGM. Hoofdpijn. Huisarts Wet 2001;44:615-9.
  • 17.Derry S, Moore RA, McQuay HJ. Paracetamol (acetaminophen) with or without an antiemetic for acute migraine headaches in adults. Cochrane Database Syst Rev 2010;CD008040.
  • 18.Derry CJ, Derry S, Moore RA. Sumatriptan (intranasal route of administration) for acute migraine attacks in adults. Cochrane Database Syst Rev 2012a;2:CD009663.
  • 19.Derry CJ, Derry S, Moore RA. Sumatriptan (oral route of administration) for acute migraine attacks in adults. Cochrane Database Syst Rev 2012b;2:CD008615.
  • 20.Derry CJ, Derry S, Moore RA. Sumatriptan (rectal route of administration) for acute migraine attacks in adults. Cochrane Database Syst Rev 2012c;2:CD009664.
  • 21.Derry CJ, Derry S, Moore RA. Sumatriptan (subcutaneous route of administration) for acute migraine attacks in adults. Cochrane Database Syst Rev 2012d;2:CD009665.
  • 22.Eccleston C, Palermo TM, Williams AC, Lewandowski A, Morley S. Psychological therapies for the management of chronic and recurrent pain in children and adolescents. Cochrane Database Syst Rev 2009;CD003968.
  • 23.Etminan M, Takkouche B, Isorna FC, Samii A. Risk of ischaemic stroke in people with migraine: systematic review and meta-analysis of observational studies. BMJ 2005;330:63.
  • 24.Evans RW, Tepper SJ, Shapiro RE, Sun-Edelstein C, Tietjen GE. The FDA alert on serotonin syndrome with use of triptans combined with selective serotonin reuptake inhibitors or selective serotonin-norepinephrine reuptake inhibitors: American Headache Society position paper. Headache 2010;50:1089-99.
  • 25.Ferrari MD. Migraine. Lancet 1998;351:1043.
  • 26.Fischera M, Marziniak M, Gralow I, Evers S. The incidence and prevalence of cluster headache: a meta-analysis of population-based studies. Cephalalgia 2008;28:614-8.
  • 27.Francis GJ, Becker WJ, Pringsheim TM. Acute and preventive pharmacologic treatment of cluster headache. Neurology 2010;75:463-73.
  • 28.Goadsby PJ. Wolff’s headache and other pain. 7th ed. Oxford: Oxford University Press, 2001.
  • 29.Holroyd KA, Cottrell CK, O’Donnell FJ, Cordingley GE, Drew JB, Carlson BW, et al. Effect of preventive (beta blocker) treatment, behavioural migraine management, or their combination on outcomes of optimised acute treatment in frequent migraine: randomised controlled trial. BMJ 2010;341:c4871.
  • 30.Holroyd KA, O’Donnell FJ, Stensland M, Lipchik GL, Cordingley GE, Carlson BW. Management of chronic tension-type headache with tricyclic antidepressant medication, stress management therapy, and their combination: a randomized controlled trial. JAMA 2001;285:2208-15.
  • 31.Howard L, Wessely S, Leese M, Page L, McCrone P, Husain K, et al. Are investigations anxiolytic or anxiogenic? A randomised controlled trial of neuroimaging to provide reassurance in chronic daily headache. J Neurol Neurosurg Psychiatry 2005;76:1558-64.
  • 32.Jackson JL, Shimeall W, Sessums L, Dezee KJ, Becher D, Diemer M, et al. Tricyclic antidepressants and headaches: systematic review and meta-analysis. BMJ 2010;341:c5222.
  • 33.Kirthi V, Derry S, Moore RA, McQuay HJ. Aspirin with or without an antiemetic for acute migraine headaches in adults. Cochrane Database Syst Rev 2010;CD008041.
  • 34.Knuistingh Neven A, Couturier EGM. Diagnostiek van chronisch-recidiverende hoofdpijn. Tijdschr huisartsgeneeskd 2003;20:174-8.
  • 35.KNMP. Informatorium Medicamentorum 2013. Den Haag: KNMP, 2013.
  • 36.Koopman JS, Dieleman JP, Huygen FJ, De Mos M, Martin CG, Sturkenboom MC. Incidence of facial pain in the general population. Pain 2009;147:122-7.
  • 37.Kurth T, Chabriat H, Bousser MG. Migraine and stroke: a complex association with clinical implications. Lancet Neurol 2012;11:92-100.
  • 38.Law S, Derry S, Moore RA. Triptans for acute cluster headache. Cochrane Database Syst Rev 2010;CD008042.
  • 39.Lay CL, Mascellino AM. Menstrual migraine: diagnosis and treatment. Curr Pain Headache Rep 2001;5:195-9.
  • 40.Linde K, Rossnagel K. Propranolol for migraine prophylaxis. Cochrane Database Syst Rev 2004;CD003225.
  • 41.Linde K, Allais G, Brinkhaus B, Manheimer E, Vickers A, White AR. Acupuncture for migraine prophylaxis. Cochrane Database Syst Rev 2009a;CD001218.
  • 42.Linde K, Allais G, Brinkhaus B, Manheimer E, Vickers A, White AR. Acupuncture for tension-type headache. Cochrane Database Syst Rev 2009b;CD007587.
  • 43.Matharu M. Cluster headache. Clin Evid (Online) 2010.
  • 44.May A, Bahra A, Buchel C, Frackowiak RSJ, Goadsby PJ. Hypothalamic activation in cluster headache attacks. Lancet 1998;352:275.
  • 45.May A, Leone M, Afra J, Linde M, Sandor PS, Evers S, et al. EFNS guidelines on the treatment of cluster headache and other trigeminal-autonomic cephalalgias. Eur J Neurol 2006;13:1066-77.
  • 46.Merikangas KR, Cui L, Richardson AK, Isler H, Khoromi S, Nakamura E, et al. Magnitude, impact, and stability of primary headache subtypes: 30 year prospective Swiss cohort study. BMJ 2011;343:d5076.
  • 47.Mulleners WM, Chronicle EP. Anticonvulsants in migraine prophylaxis: a Cochrane review. Cephalalgia 2008;28:585-97.
  • 48.Mulleners WM, Haan J, Dekker F, Ferrari MD. Preventieve behandeling van migraine. Ned Tijdschr Geneeskd 2010;154:A1512.
  • 49.Nederlandse Vereniging voor Neurologie. Richtlijnen diagnostiek en behandeling chronisch recidiverende hoofdpijn zonder neurologische afwijkingen. 1e herziening (2007). www.neurologie.nl/publiek/beroepsinformatie/richtlijnen/nvn-richtlijnen.
  • 50.Nesbitt AD, Goadsby PJ. Cluster headache. BMJ 2012;344:e2407.
  • 51.NICE. Headaches. Diagnosis and management of headaches in young people and adults (2012). http://www.nice.org.uk/nicemedia/live/13901/60854/60854.pdf.
  • 52.Pringsheim T, Davenport WJ, Dodick D. Acute treatment and prevention of menstrually related migraine headache: evidence-based review. Neurology 2008;70:1555-63.
  • 53.Rabbie R, Derry S, Moore RA, McQuay HJ. Ibuprofen with or without an antiemetic for acute migraine headaches in adults. Cochrane Database Syst Rev 2010;CD008039.
  • 54.Rolan PE. Drug interactions with triptans: which are clinically significant? CNS Drugs 2012;26:949-57.
  • 55.Rossi P, Di Lorenzo C, Faroni J, Cesarino F, Nappi G. Advice alone vs. structured detoxification programmes for medication overuse headache: a prospective, randomized, open-label trial in transformed migraine patients with low medical needs. Cephalalgia 2006;26:1097-105.
  • 56.Russell MB, Hilden J, Sorensen SA, Olesen J. Familial occurrence of migraine without aura and migraine with aura. Neurology 1993;43:1369-73.
  • 57.Russell MB, Olesen J. Increased familial risk and evidence of genetic factor in migraine. BMJ 1995;311:541-4.
  • 58.Sances G, Martignoni E, Fioroni L, Blandini F, Facchinetti F, Nappi G. Naproxen sodium in menstrual migraine prophylaxis: a double-blind placebo controlled study. Headache 1990;30:705-9.
  • 59.Schurks M, Rist PM, Bigal ME, Buring JE, Lipton RB, Kurth T. Migraine and cardiovascular disease: systematic review and meta-analysis. BMJ 2009;339:b3914.
  • 60.Silberstein SD, Elkind AH, Schreiber C, Keywood C. A randomized trial of frovatriptan for the intermittent prevention of menstrual migraine. Neurology 2004;63:261-9.
  • 61.Simpson GC, Forbes K, Teasdale E, Tyagi A, Santosh C. Impact of GP direct-access computerised tomography for the investigation of chronic daily headache. Br J Gen Pract 2010;60:897-901.
  • 62.Spector JT, Kahn SR, Jones MR, Jayakumar M, Dalal D, Nazarian S. Migraine headache and ischemic stroke risk: an updated meta-analysis. Am J Med 2010;123:612-24.
  • 63.Stewart WF, Lipton RB, Liberman J. Variation in migraine prevalence by race. Neurology 1996;47:52-9.
  • 64.Stirbu-Wagner I, Dorsman SA, Visscher S, Davids R, Gravestein JV, Abrahamse H, et al. Landelijk Informatienetwerk Huisartsenzorg. Feiten en cijfers over huisartsenzorg in Nederland. Utrecht/Nijmegen: NIVEL/IQ, 2013.
  • 65.Stovner LJ, Andree C. Prevalence of headache in Europe: a review for the Eurolight project. J Headache Pain 2010;11:289-99.
  • 66.Tuchman MM, Hee A, Emeribe U, Silberstein S. Oral zolmitriptan in the short-term prevention of menstrual migraine: a randomized, placebo-controlled study. CNS Drugs 2008;22:877-86.
  • 67.Van der Linden MW, Westert GP, De Bakker DH, Schellevis FG. Tweede Nationale Studie naar ziekten en verrichtingen in de huisartspraktijk. Klachten en aandoeningen in de bevolking en in de huisartspraktijk. Utrecht/Bilthoven: NIVEL/RIVM, 2004.
  • 68.Van Deventer KR. Medicatieafhankelijke hoofdpijn. Gebu 2011;45:25-9.
  • 69.Verhagen AP, Damen L, Berger MY, Passchier J, Koes BW. Behavioral treatments of chronic tension-type headache in adults: are they beneficial? CNS Neurosci Ther 2009;15:183-205.
  • 70.Verhagen AP, Damen L, Berger MY, Passchier J, Koes BW. Lack of benefit for prophylactic drugs of tension-type headache in adults: a systematic review. Fam Pract 2010;27:151-65.
  • 71.Viana M, Sprenger T, Andelova M, Goadsby PJ. The typical duration of migraine aura: A systematic review. Cephalalgia 2013;33:483-90.
  • 72.Wiendels NJ, van Haestregt A, Knuistingh NA, Spinhoven P, Zitman FG, Assendelft WJ, et al. Chronic frequent headache in the general population: comorbidity and quality of life. Cephalalgia 2006;26:1443-50.
  • 73.Zeeberg P, Olesen J, Jensen R. Probable medication-overuse headache: the effect of a 2-month drug-free period. Neurology 2006;66:1894-8.

Reacties

Er zijn nog geen reacties

Verder lezen