Samenvatting

Blanker MH, Breed SA, van der Heide WK, Norg RJC, de Vries A, Wolters RJ, van den Donk M, Burgers JS, Opstelten W, Klomp MA. Guideline Lower urinary tract symptoms in men. Huisarts Wet 2013;56(3):114-22.
The Dutch College of General Practitioners (NHG) guideline Lower urinary tract symptoms (LUTS) in men provides general practitioners with information about the diagnosis and treatment of voiding symptoms, incontinence, and nocturia in men older than 18 years. It also offers advice on the management of acute urinary retention and the diagnosis of prostate cancer. In most cases, LUTS cannot be attributed to specific conditions, such as benign prostatic hyperplasia. Explanation, counselling, and non-pharmaceutical advice form the basis for treatment. If these measures do not relieve the patient’s symptoms sufficiently, medication should be considered. Alpha-blockers are the drugs of first choice and are also recommended when transurethral catheterization is needed for acute urinary retention. If incontinence is the prevailing symptom, anticholinergics can be prescribed. The prescription of 5-alpha reductase inhibitors and desmopressin is not recommended. Prostate cancer is rarely associated with LUTS. As the effectiveness of prostate cancer screening is debated, patients should be informed about the advantages and disadvantages of measuring prostate-specific antigen (PSA) if there are no symptoms of prostate cancer. A PSA value of 4 ng/ml or higher or abnormal results on digital rectal examination should prompt further diagnostic evaluation.

Belangrijkste wijzigingen

De titel van de NHG-Standaard Bemoeilijkte mictie bij oudere mannen is veranderd in Mictieklachten bij mannen, omdat deze herziene standaard ook richtlijnen geeft voor het beleid bij incontinentie en nycturie en zich richt op mannen vanaf 18 jaar. Daarmee vervallen de aanbevelingen voor mannen in de NHG-Standaard Incontinentie.
Wanneer, na uitvoerige informatie aan de patiënt, een PSA-bepaling is verricht, wordt bij een verhoogde waarde ( >4 ng/ml) geadviseerd naar de uroloog te verwijzen voor eventueel vervolgonderzoek.
Bij transurethrale katheterisatie wegens acute urineretentie wordt het voorschrijven van een alfablokker aanbevolen.

Kernboodschappen

In de huisartsenpraktijk zijn mictieklachten bij mannen meestal niet te verklaren door specifieke aandoeningen. In dat geval wordt gesproken van ‘aspecifieke mictieklachten’.
Prostaatcarcinoom is zelden de oorzaak van mictieklachten.
Uitleg en niet-medicamenteuze adviezen vormen de basis voor de begeleiding van mannen met aspecifieke mictieklachten.
Alleen wanneer niet-medicamenteuze behandeling onvoldoende helpt en de patiënt veel klachten heeft, wordt besloten tot medicamenteuze behandeling; alfablokkers zijn dan eerste keus.
Het effect van medicatie op aspecifieke mictieklachten, met en zonder incontinentie of nycturie, is zeer beperkt en berust voor een groot deel op placebowerking.

Inleiding

De NHG-Standaard Mictieklachten bij mannen geeft richtlijnen voor de diagnostiek en behandeling van mictieklachten bij volwassen mannen. Anders dan de vorige standaard Bemoeilijkte mictie bij oudere mannen richt deze herziene standaard zich op mannen vanaf 18 jaar, omdat mictieklachten niet alleen optreden bij veroudering maar ook voorkomen bij jongvolwassenen. 1
Daarnaast worden in deze standaard incontinentieklachten besproken, omdat de NHG-Standaard Incontinentie veelal alleen wordt geassocieerd met incontinentie bij vrouwen. De aanbevelingen over mannen daarin vervallen met het verschijnen van deze standaard.
De onderste urinewegen worden gezien als één geheel, waarvan de fysiologie en functies (continentie en urinelozing) worden bepaald door processen die elkaar op verschillende niveaus beïnvloeden. Moeite met uitplassen gaat vaak samen met moeite om de urine op te houden en deze klachten zijn vaak niet terug te voeren op disfunctioneren van één bepaald orgaan, zoals de prostaat of de blaas. 2 De standaard volgt dan ook een aanpak op functioneel niveau en niet een orgaangerichte benadering. In deze standaard wordt gesproken van ‘aspecifieke mictieklachten’ wanneer de klachten niet (direct) zijn terug te voeren op een specifieke oorzaak. 3 Zo wordt benigne prostaathyperplasie (BPH) niet benoemd als afzonderlijke oorzaak, omdat dit in de spreekkamer van de huisarts niet is vast te stellen en er bovendien geen beleidsconsequenties aan verbonden zijn. 3
Deze standaard geeft in het bijzonder aandacht aan nycturie, omdat dit voor veel mannen een hinderlijke klacht is.
Bij een patiënt die zich presenteert met mictieklachten is het diagnostische proces gericht op het uitsluiten van specifieke oorzaken, welke in de minderheid van de gevallen gevonden zullen worden. De anamnese geeft daarbij richting aan het lichamelijk onderzoek en eventueel uit te voeren aanvullend onderzoek.
Voor het beleid bij specifieke oorzaken van mictieklachten wordt verwezen naar andere relevante richtlijnen (zoals de NHG-Standaard Urineweginfecties en de NHG-Standaard Het soa-consult).
Een aparte paragraaf is gewijd aan het beleid bij een acute urineretentie. Voor de techniek van katheteriseren wordt naar externe bronnen verwezen.
Prostaatcarcinoom is zelden de oorzaak van mictieklachten. Omdat door patiënten (ten onrechte) vaak een verband wordt gelegd tussen beide, is in deze standaard een aparte bijlage over prostaatcarcinoom opgenomen.

Achtergronden

Begrippen

Aspecifieke mictie mictie klachten : klachten bij het urineren, zoals het moeilijk op gang komen van de mictie, een zwakkere straal, moeilijk te bedwingen aandrang, minder goed uitplassen, nadruppelen en toegenomen mictiefrequentie overdag en ’s nachts, die niet direct te verklaren zijn door specifieke aandoeningen. 4 In de internationale literatuur wordt hiervoor de term lower urinary tract symptoms (LUTS) gebruikt.
Acute urineretentie urineretentie: onvermogen tot spontaan plassen bij een gevulde blaas, ondanks (pijnlijke) aandrang en meerdere pogingen binnen een tijdsbestek van enkele uren. 5
Incontinentie: iedere vorm van onwillekeurig verlies van urine.
Nycturie nycturie: het onderbreken van de nachtrust om te urineren. 6
Overactieve blaassyndroom Overactieve blaassyndroom (OAB OAB) : klachtenpatroon waarbij frequente mictie en aandrang ( urge), incontinentie en nycturie veelal samen gaan. 4

Epidemiologie

Uit bevolkingsonderzoek onder mannen ouder dan 40 jaar blijkt dat de prevalentie van matige tot ernstige mictieklachten varieert tussen de 20 en 25% en dat deze toeneemt met de leeftijd. In de algemene populatie varieert de prevalentie van incontinentie incontinentie bij oudere mannen van 11 tot 34% en bij mannen van middelbare leeftijd of jonger van 3 tot 5%. 7 Dit betreft meestal urge-incontinentie of gemengde incontinentie en slechts zelden stressincontinentie. De prevalentie van specifieke mictieklachten is veel lager. 7
Van de mannen met mictieklachten bezoekt 60 tot 70% hiervoor het spreekuur van de huisarts. Naast de ernst van de mictieklachten wordt de keuze om de huisarts te consulteren ook bepaald door de manier waarop de patiënt zijn klachten ervaart. Angst voor prostaatcarcinoom en druk vanuit de naaste omgeving spelen hierbij een rol. 8
Er zijn geen relevante etnische verschillen bekend in het voorkomen van mictieklachten. 9

Pathofysiologie

In de meeste gevallen is de directe oorzaak van mictieklachten bij eerste presentatie onduidelijk. Mictieklachten bij mannen zijn meestal multifactorieel bepaald. Leeftijdsspecifieke veranderingen spelen daarbij een belangrijke rol. Toegenomen of juist verminderde elasticiteit van de blaas, prostaatgrootte en veranderingen in bekkenbodemspieren kunnen een rol spelen. Neurogene regulatie, comorbiditeit en medicatie kunnen in wisselende mate van invloed zijn. 3
Incontinentie wordt vooral gezien als een gevolg van veroudering, maar komt ook voor als complicatie van operaties aan de urinewegen en als gevolg van neurologische stoornissen. 10
Nycturie wordt gezien als een normaal verouderingsverschijnsel, maar ook in verband gebracht met klachten van een overactieve blaas, overmatig vochtgebruik, verstoord dag-nachtritme in de urineproductie en cardiale oorzaken. 6
Er is enig bewijs dat overgewicht bijdraagt aan het ontstaan van mictieklachten. Er is echter geen bewijs dat andere leefstijlfactoren bijdragen aan het ontstaan van mictieklachten. 11
Een prostaatcarcinoom is zelden de oorzaak van mictieklachten, omdat dit zich meestal in de perifere zone van de prostaat ontwikkelt en dan ook zelden of pas laat compressie van de urethra geeft (zie bijlage Prostaatcarcinoom).

Natuurlijk beloop en prognose

Het beloop van aspecifieke mictieklachten varieert. 12 De klachten kunnen intermitterend optreden, stabiel blijven, progressief zijn, maar ook geheel verdwijnen. Wel neemt met de leeftijd de mictiefrequentie toe en de functionele blaascapaciteit af. 13
Het optreden van acute en chronische retentie wordt beschouwd als gecompliceerd beloop. 14 Nierfunctieverlies ten gevolge van stuwing in de hoge urinewegen treedt zelden op. 15

Richtlijnen diagnostiek

Het diagnostisch proces is er in eerste instantie op gericht om de (kleine groep) mannen met specifieke mictieklachten te onderscheiden. De grootste groep mannen zal aspecifieke mictieklachten blijken te hebben. De anamnese stuurt dit proces (lichamelijk onderzoek, vragenlijst, plasdagboek en aanvullend onderzoek) in belangrijke mate.

Anamnese

De anamnese is gericht op de inventarisatie van de ervaren hinder en de eventuele achterliggende angst of bezorgdheid van de patiënt en het uitsluiten van specifieke oorzaken van mictieklachten.
Vraag naar:
  • moeilijk op gang komen van de mictie (hesitatie), een zwakkere of onderbroken straal, moeilijk te bedwingen aandrang ( urgency of imperatieve mictiedrang), minder goed kunnen uitplassen, nadruppelen;
  • toegenomen mictiefrequentie overdag en ’s nachts; 16
  • (nachtelijke) incontinentie;
  • pijn bij het plassen, pijn in het perineum;
  • snelheid van ontstaan of van verergering van de klachten;
  • branderigheid of afscheiding;
  • bloed bij de urine;
  • eerdere urineweginfecties;
  • algemene malaise, koorts, koude rillingen of flankpijn, vooral bij snel ontstane klachten;
  • obstipatie. 17
Wees bij de hulpvraagverheldering alert op:
  • angst voor prostaatkanker; 18
  • schaamte voor incontinentie;
  • tekenen van seksuele problematiek, zoals erectiele disfunctie en ejaculatieproblemen (zie de NHG-Standaard Erectiele disfunctie); 19
  • verstoring van de nachtrust, sociale beperkingen overdag of beperkingen tijdens het werk.
Ga verder na of er sprake is van:
  • eerder invasief urologisch onderzoek, urologische behandeling of verblijfskatheter; 20
  • relevante comorbiditeit: diabetes mellitus, neurologische ziektebeelden (zoals CVA, ziekte van Parkinson, multiple sclerose), een doorgemaakte soa (urethritis); 21
  • medicatie met invloed op de mictie: antipsychotica, antidepressiva, lithium, anti-parkinsonmiddelen, (klassieke) antihistaminica, opiaten, lisdiuretica en calciumantagonisten. 22

Lichamelijk onderzoek

Verricht bij mannen met mictieklachten het volgende onderzoek:
  • inspecteer (littekens onderbuik?), palpeer en percuteer de blaasregio (demping bij retentie) 23 en onderzoek de penis op anatomische afwijkingen (zoals hypospadie en phimosis) en écoulement;
  • verricht een rectaal toucher en beoordeel of er sprake is van: 24
    •  
      • anale of rectale pathologie;
      • prostaat met asymmetrische vorm, onregelmatige consistentie of harde nodus/noduli (passend bij prostaatcarcinoom);
      • fecale impactie.
  • verricht bij nycturie zonder andere mictieklachten onderzoek op hartfalen als daar anamnestisch ook aanwijzingen voor zijn (zie de NHG-Standaard Hartfalen) en uit het plasdagboek een verhoogde nachtelijke urineproductie blijkt.

Vragenlijst en plasdagboek

Maak, ter aanvulling op anamnese en lichamelijk onderzoek, eventueel gebruik van een vragenlijst en/of plasdagboek, welke na het consult door de patiënt worden ingevuld:
  • de Internationale Prostaat Symptoom Score Internationale Prostaat Symptoom Score (IPSS IPSS ). Zie: www.nhg.org/nhg-standaarden/NHG-Standaard Mictieklachten bij mannen. Dit is een gestructureerde vragenlijst die behulpzaam kan zijn bij het objectiveren en bespreekbaar maken van de klachten. Deze vragenlijst differentieert niet naar oorzaken van mictieklachten, maar kan gebruikt worden om de ernst van de klachten in te schatten. 25 Ook geeft het inzicht in de relatie tussen de ernst van klachten en de ervaren hinder. 26
  • een plasdagboek plasdagboek: hiermee wordt de mictiefrequentie overdag en ’s nachts geobjectiveerd en wordt informatie verkregen over de (nachtelijke) urineproductie en functionele blaascapaciteit. Deze informatie kan gebruikt worden om uitleg te geven aan patiënten en een keuze te maken in het te voeren beleid. 27
Bespreek de resultaten van vragenlijst en plasdagboek in een vervolgconsult.
Wanneer de patiënt tijdens het eerste consult al voldoende geïnformeerd is over de mictieklacht en geen actieve behandeling wordt aangeraden, kunnen vragenlijst en plasdagboek achterwege worden gelaten.

Aanvullend onderzoek

Verricht onderzoek van de urine volgens de NHG-Standaard Urineweginfectie bij snel ontstane klachten, pijn bij het plassen en/of koorts. 28
Bij aspecifieke mictieklachten is laboratoriumonderzoek (zoals test op hematurie, 29 bepaling van de PSA-waarde, 30 of nierfunctie 31) of beeldvormend onderzoek niet geïndiceerd. 32 Gebruik van een PSA-test bij angst voor prostaatcarcinoom wordt toegelicht in de bijlage Prostaatcarcinoom.
Er is geen plaats voor proefkatheterisatie om chronische retentie uit te sluiten. 33

Evaluatie

In de meeste gevallen zijn er geen aanwijzingen voor een specifieke oorzaak van de klachten en is daarmee sprake van aspecifieke mictieklachten. Binnen deze groep gaat de huisarts na of (hinderlijke) incontinentie en/of nycturie de belangrijkste klacht zijn.
De volgende specifieke oorzaken van mictieklachten moeten overwogen worden:
  • acute prostatitis: getypeerd door snel ontstane klachten van een pijnlijke of branderige mictie, perineale pijn, samengaand met koorts, koude rillingen en/of malaise (zie de NHG-Standaard Urineweginfecties); 34
  • chronische prostatitis (ook wel chronisch bekkenpijnsyndroom genoemd): klachtenpatroon waarbij aspecifieke mictieklachten gepaard gaan met urogenitale pijn of discomfort, al dan niet met seksuele problemen; 35
  • acute (gecompliceerde) cystitis: pijnlijke of branderige, frequente mictie, positieve nitriettest, afwijkend urinesediment, positieve dipslide of kweek (zie de NHG-Standaard Urineweginfecties);
  • urethritis: pijnlijk, branderig of geïrriteerd gevoel in de urethra met afscheiding, leukocyturie (zie de NHG-Standaard Het soa-consult);
  • urethrastrictuur urethrastrictuur: mictieklachten bij een lokaal trauma, (diagnostische of therapeutische) urologische ingreep of doorgemaakte urethritis in de voorgeschiedenis, lichen sclerosus, of progressieve obstructieve klachten bij jongere mannen; 36
  • (acute) urineretentie: onvermogen tot plassen bij een gevulde blaas, ondanks − doorgaans pijnlijke − aandrang en meerdere pogingen binnen een tijdsbestek van enkele uren, vooral indien in combinatie met een gedempte percussie of palpabele blaas (zie bijlage Acute urineretentie);
  • mictieklachten als gevolg van hartfalen, diabetes mellitus, medicamenteuze behandeling 22 of neurogene aandoeningen;
  • obstructie door benigne prostaatvergroting: deze diagnose kan pas gesteld worden na verder urologisch onderzoek. Dit zal meestal het geval zijn na verwijzing, wanneer aspecifieke mictieklachten onvoldoende reageren op de door de huisarts ingestelde behandeling.
  • prostaatcarcinoom prostaatcarcinoom: een prostaat met asymmetrische vorm, onregelmatige consistentie of harde nodus/noduli is verdacht voor prostaatcarcinoom (zie bijlage Prostaatcarcinoom).

Richtlijnen beleid

Voorlichting

  • Leg uit dat aspecifieke mictieklachten vaak voorkomen en dat de oorzaak daarvan onbekend, maar meestal onschuldig, is.
  • Benadruk dat prostaatvergroting meestal niet de oorzaak is. 3
  • Leg uit dat prostaatkanker zelden de oorzaak van mictieklachten is.
  • Bespreek eventuele angst voor prostaatkanker, schaamte over incontinentie of seksuele problematiek. 37
  • Bespreek dat het beloop van mictieklachten gunstig is, maar individueel sterk kan verschillen: ongeveer eenderde deel van de mannen ervaart spontane verbetering, eenderde blijft onveranderd en eenderde ervaart toename van klachten. 14
  • Bespreek een eventuele discrepantie tussen de ernst van klachten en de ervaren hinder.
  • Leg uit hoe de resultaten van het plasdagboek zich verhouden tot de normaalwaarden. 27
In aansluiting op de gegeven mondelinge voorlichting, kan de huisarts de patiënt verwijzen naar de informatie over mictieklachten bij mannen op www.thuisarts.nl:
  • Ik heb plasklachten;
  • Ik wil meer weten over plasklachten;
  • Ik wil iets doen aan mijn plasklachten
  • Ik wil weten of onderzoek naar prostaatkanker zinvol is;
  • Ik wil meer weten over prostaatkanker.

Niet-medicamenteuze behandeling

Bij aspecifieke mictieklachten

  • Adviseer regelmatige lichaamsbeweging, dit heeft mogelijk een beschermend effect tegen verergering van klachten. 38
  • Adviseer adequate vocht- en vezelinname indien obstipatie aanwezig is. 39
  • Adviseer verminderde vochtinname wanneer frequente mictie samengaat met een hoge vochtinname (blijkend uit het plasdagboek).
  • Overweeg bekkenbodemoefeningen en uitstellen van de mictie, wanneer frequent plassen de belangrijkste klacht is, hoewel het bewijs daarvoor beperkt is. 40
  • Overweeg bij nadruppelen om de plasbuis leeg te laten strijken na iedere mictie en/of bekkenbodemoefeningen. 41
Er is geen bewijs dat mictie in zittende houding gemakkelijker (minder benodigde tijd of minder residu) is dan in staande positie. 42

Bij incontinentie als belangrijkste klacht

  • Overweeg bekkenbodemfysiotherapie, ook bij incontinentie ten gevolge van een prostaatoperatie. Dit heeft mogelijk een bescheiden effect. 43
  • Adviseer het gebruik van opvangmaterialen. 44 Bij gebruik daarvan dient de patiënt aandacht te besteden aan de bescherming van de omliggende huid, door niet te frequent te wassen en zo nodig een barrièrezalf (bijvoorbeeld zinkoxidezalf 10% FNA) toe te passen.

Bij nycturie als belangrijkste klacht

  • Overweeg bij nachtelijke overproductie van urine (wanneer dat blijkt uit het plasdagboek) om de vochtinname in de avond te beperken. 45

Medicamenteuze behandeling

Medicatie voor mictieklachten en incontinentie bij (oudere) mannen heeft een bescheiden, in de meeste gevallen niet klinisch relevant, effect op klachten. Dit komt waarschijnlijk doordat het werkingsmechanisme alleen gericht is op de prostaat- of blaasfunctie, terwijl de oorzaken van de klacht multifactorieel bepaald zijn. Uit onderzoek blijkt dat medicatie bij mictieklachten een aanzienlijk placebo-effect heeft.46 Medicamenten die geregistreerd zijn voor de behandeling van mictieklachten zijn alfablokkers alfablokkers, 5-alfa-reductaseremmers 5-alfa-reductaseremmers en anticholinergica. 47

Bij aspecifieke mictieklachten

Overweeg bij patiënten met hinderlijke klachten, die onvoldoende baat hebben bij de gegeven niet-medicamenteuze adviezen, de volgende medicamenteuze behandeling:
  • Geef een alfablokker gedurende zes weken. 48 Het effect dat kan worden verwacht is beperkt. Alle alfablokkers zijn nagenoeg even effectief en veilig. Kies daarom voor een goedkoop middel met een gereguleerde afgiftevorm (mga), zoals tamsulosine en alfuzosine. De belangrijkste bijwerkingen zijn moeheid en duizeligheid, mogelijk door het geringe bloeddrukverlagend effect, dat vooral bij de eerste toediening tot orthostatische hypotensie kan leiden. Ernstige leverinsufficiëntie en orthostatische hypotensie zijn contra-indicaties. Maak, op basis van ervaring of gewenst tijdstip van inname, een keuze tussen:
    •  
      • alfuzosine, eenmaal daags 10 mg mga ’s avonds;
      • tamsulosine, eenmaal daags 0,4 mg mga ’s ochtends.
  • Indien na zes weken volgens de patiënt verbetering is opgetreden:
    •  
      • continueer de alfablokker gedurende drie tot zes maanden, waarna de medicatie op proef gestopt wordt. Indien de klachten daarna recidiveren, kan de medicatie opnieuw voor drie tot zes maanden worden voorgeschreven.
  • Indien na zes weken geen verbetering is opgetreden:
    •  
      • stop de medicatie en overweeg verwijzing. In de tweede lijn zou, bij patiënten met een fors vergrote prostaat, de combinatie van een alfablokker met een 5-alfa-reductaseremmer overwogen kunnen worden. 49 Deze combinatiebehandeling heeft een zeer beperkt effect op actuele klachten (vergeleken met alfablokker monobehandeling), maar richt zich vooral op het voorkomen van progressie van klachten.
Voor monobehandeling met 5-alfa-reductaseremmers, zoals finasteride en dutasteride, is in de huisartsenpraktijk geen plaats. 50
Voor de toevoeging van een anticholinergicum anticholinergicum bij mannen met overwegend irritatieve klachten is geen onderbouwing. 51 Fytotherapie en fosfodi-esteraseremmers worden niet aanbevolen. 52

Bij incontinentie als belangrijkste klacht

  • Overweeg bij patiënten met hinderlijke urge-incontinentie die onvoldoende baat hebben bij de gegeven adviezen, een anticholinergicum gedurende 6 weken. 53 Het effect dat kan worden verwacht is beperkt. De belangrijkste bijwerkingen zijn droge mond en obstipatie. Contra-indicaties zijn eerdere urineretentie, ernstige colitis ulcerosa, myasthenia gravis en nauwe-kamerhoekglaucoom. Schrijf anticholinergica bij voorkeur niet voor aan mannen ouder dan 65 jaar wegens het risico op verwardheid. 54 De anticholinergica met gereguleerde afgifte zijn nagenoeg even effectief en veilig.
  • Maak, op basis van ervaring of wijze van toediening en prijs, een keuze uit bijvoorbeeld:
    •  
      • tolterodine met vertraagde afgifte (SR), eenmaal daags 4 mg;
      • oxybutininepleister, eens per 3 tot 4 dagen.
Bij matige leverinsufficiëntie geldt de laagste dosering van deze middelen (en voor tolterodine SR 2 mg) als de maximale dosis.
  • Indien na vier tot zes weken medicamenteuze behandeling verbetering is opgetreden:
    •  
      • continueer de medicatie gedurende drie tot zes maanden, waarna deze op proef wordt gestopt. Indien de klachten daarna recidiveren, kan de medicatie opnieuw voor drie tot zes maanden worden voorgeschreven.
  • Indien na zes weken geen verbetering is opgetreden:
    •  
      • stop de medicatie en overweeg verwijzing.

Bij nycturie als belangrijkste klacht

De effectiviteit van medicatie bij mannen met nycturie is beperkt. 55 Overweeg daarom alleen bij zeer hinderlijke nycturie waarbij de frequentie hoger ligt dan de referentiewaarden voor leeftijd (zie noot 14) en niet-medicamenteuze adviezen geen effect hebben de volgende aanpak:
  • wanneer nycturie gepaard gaat met (of onderdeel is van) klachten van een overactieve blaassyndroom, of wanneer er sprake is van een − door een plasdagboek − geobjectiveerde kleine blaascapaciteit:
    •  
      • overweeg een anticholinergicum gedurende zes weken (voor middelen en dosering: zie boven) en continueer dit, bij verbetering, gedurende drie tot zes maanden, waarna de medicatie op proef gestopt wordt;
      • indien de klachten daarna recidiveren, kan de medicatie opnieuw voor drie tot zes maanden worden voorgeschreven.
  • wanneer er geen sprake is van klachten van een overactieve blaassyndroom:
    •  
      • overweeg een alfablokker (voor middelen en dosering: zie boven), maar benoem dat het effect daarvan op de nachtelijke plasfrequentie gering is; continueer de medicatie, bij verbetering, gedurende drie tot zes maanden, waarna de medicatie op proef gestopt wordt;
      • indien de klachten daarna recidiveren, kan de medicatie opnieuw voor drie tot zes maanden worden voorgeschreven.
Het voorschrijven van desmopressine wordt niet aanbevolen. 55
Overweeg verwijzing naar de uroloog wanneer met medicatie geen of onvoldoende verbetering optreedt.

Invasieve behandeling

Bespreek de mogelijkheid van een invasieve ingreep wanneer er ondanks (niet-)medicamenteuze behandeling klachten blijven bestaan, die ernstige hinder geven of bij het optreden van complicaties. Verwijs de patiënt hiervoor naar de uroloog. De keuze voor de ingreep hangt af van de wens van de patiënt, eventuele comorbiditeit, de beschikbaarheid van de technieken en de ervaring van de uroloog. Met de transurethrale resectie van de prostaat (TURP) is de meeste ervaring opgedaan. De laatste jaren zijn er veel nieuwe technieken ontwikkeld. 56
Invasieve behandeling richt zich op het wegnemen of doorgankelijker maken van een (verondersteld, of urodynamisch bewezen) obstruerende prostaat. Wanneer andere factoren leiden tot de klachten, worden deze niet per definitie ook effectief aangepakt bij een dergelijke ingreep; een chirurgische interventie kan daarom soms een averechts effect hebben.
De belangrijkste complicaties van invasieve behandeling zijn irritatieve klachten, urineweginfecties, postoperatieve urineretentie, erectiele disfunctie en ejaculatiestoornissen, de noodzaak van invasieve herbehandeling, blaashalscontracturen en urethrastricturen.
Verschillende invasieve interventies voor de behandeling van stressincontinentie zijn beschikbaar, maar niet voor urge-incontinentie. 57

Controles en verwijzing

Controles

  • Spreek bij patiënten bij wie niet-medicamenteuze behandeladviezen zijn gegeven controle af bij toename van klachten of wens tot medicamenteuze behandeling. 58
  • Controleer patiënten met medicatie (eventueel telefonisch) na twee weken op bijwerkingen.
  • Evalueer na zes weken het effect van de alfablokkers en anticholinergica.
Gebruik voor de evaluatie van medicatie eventueel een plasdagboek. 27
Bij controles is het niet zinvol om opnieuw lichamelijk onderzoek te verrichten, tenzij er aanwijzingen zijn voor een (acute) urineretentie.

Verwijzing

Verwijs voor mogelijke invasieve behandeling bij:
  • wens van de patiënt wegens ervaren hinder en uitblijven van effect van medicamenteuze behandeling;
  • recidiverende acute urineretentie;
  • (vermoeden van) urethrastrictuur.

Bijlage Acute urineretentie

Meestal is er sprake van een spontane acute retentie, waarbij prostaatvergroting een rol kan spelen. In een aantal gevallen is er een direct aanwijsbare oorzaak, zoals een urineweginfectie, recente algehele of locoregionale anesthesie, medicatie met sympaticomimetische of anticholinerge werking, of blaasoverrekking, bijvoorbeeld door excessieve alcoholinname. 59

Richtlijnen beleid

  • Verricht bij een acute urineretentie een transurethrale katheterisatie, tenzij de urineretentie op een recent trauma (recente prostatectomie of ongeval) terug te voeren is. Verwijs in dat geval met spoed naar de uroloog. Verwijs ook wanneer katheterisatie niet lukt (bijvoorbeeld door een aanwezige strictuur). De techniek van katheterisatie wordt elders beschreven (Handboek verrichtingen in de huisartsenpraktijk. Goudswaard AN, in ’t Veld CJ, Kramer WLM. Prelum/NHG 2009). Gebruik een verblijfskatheter. De blaas kan in een keer worden geleegd. 60
  • Verricht urineonderzoek direct na het plaatsen van de katheter en behandel zo nodig een urineweginfectie (zie de NHG-Standaard Urineweginfecties).
  • Overweeg het staken van medicatie die kan hebben bijgedragen aan het ontstaan van de retentie. 22
  • Start na de katheterisatie met een alfablokker zoals alfuzosine of tamsulosine met gereguleerde afgifte (zie eerder) − tenzij hiervoor een belangrijke contra-indicatie bestaat − omdat dit de kans dat de mictie spontaan op gang komt na verwijdering van de katheter met zo’n 30% vergroot. 61 Evalueer na twee weken het gebruik van de alfablokker en staak dit indien er geen mictieklachten zijn waarvoor de patiënt behandeling wenst.
  • Laat de katheter 48 tot 72 uur in situ. 62 De kans dat de mictie daarna spontaan op gang komt, is ongeveer 60%.
  • Gebruik een afsluiting van de katheter (flip-flow) en instrueer de patiënt bij aandrang of op vaste tijden de blaas te legen door het kraantje te openen.
  • Verwijder na 48 tot 72 uur de katheter in de vroege ochtend om problemen met eventuele herplaatsing tijdens praktijkuren te kunnen uitvoeren.
  • Plaats een nieuwe katheter wanneer de mictie na verwijdering niet spontaan op gang komt en verwijs de patiënt dan naar de uroloog.

Bijlage Prostaatcarcinoom

Inleiding

Prostaatcarcinoom Prostaatcarcinoom is bij mannen de meest frequente solide tumor en na longcarcinoom de tweede oorzaak van kankersterfte. Het is een langzaam groeiend carcinoom dat zich meestal niet of laat manifesteert met klachten. Veel meer mannen overlijden met een prostaatcarcinoom dan aan een prostaatcarcinoom. Mede door de hoge prevalentie van prostaatcarcinoom verzoeken veel mannen hen hierop te controleren. Wanneer huisartsen dit verzoek honoreren zonder dat er aanwijzingen zijn voor een prostaatcarcinoom, is er sprake van vroegdiagnostiek.
Deze bijlage bij de NHG-Standaard Mictieklachten bij mannen geeft richtlijnen bij vermoeden van prostaatcarcinoom en bij vragen naar vroegdiagnostiek van prostaatcarcinoom. Richtlijnen voor de palliatieve fase van prostaatcarcinoom vallen buiten het bestek van deze bijlage.

Achtergronden

Begrippen

Prostaatcarcinoom: maligniteit van de prostaat, vrijwel altijd een adenocarcinoom. Differentiatie vindt plaats aan de hand van de Gleasonscore Gleasonscore. Dit is de optelsom van de histopathologische differentiatiegraad (variërend 1 tot 5) van de 2 meest dominant aanwezige tumorbeelden. De Gleasonscore kan variëren van 2 (goed gedifferentieerd) tot en met 10 (slecht gedifferentieerd); een score tot 6 is prognostisch gunstig, 7 wijst op een matige prognose en 8 tot en met 10 is prognostisch ongunstig.
PSA PSA: prostaatspecifiek antigen prostaatspecifiek antigen, een eiwit dat door de prostaat wordt geproduceerd en in het bloed meetbaar is. De PSA-waarde neemt toe met de leeftijd en bij de aanwezigheid van prostatitis, goedaardige prostaatvergroting en prostaatcarcinoom. 63
Vroegdiagnostiek: medisch onderzoek bij mensen die geen gezondheidsklachten hebben, gericht op het vinden van ziekte, een erfelijke aandoening of risicofactoren die de kans op ziekte vergroten. Een andere term voor vroegdiagnostiek is screening. 64

Epidemiologie

De incidentie en prevalentie van prostaatcarcinoom nemen toe met de leeftijd. De incidentie bedraagt op de leeftijd van 50 tot 55 jaar 0,5 en op de leeftijd van 75 tot 80 jaar 7,5 per 1000 mannen per jaar. In 2010 bedroeg de sterfte aan prostaatcarcinoom 3,9% van de totale sterfte bij mannen. 65

Etiologie en prognose

De etiologie van prostaatcarcinoom is onduidelijk. De belangrijkste risicofactoren zijn leeftijd boven de 50 jaar, Afro-Amerikaans ras en familiaire belasting. 66
Voor een deel zal deze risicoverhoging bij familiaire belasting waarschijnlijk veroorzaakt worden door het feit dat familieleden van patiënten met een prostaatcarcinoom zich vaker hierop laten onderzoeken. In 5 tot 10% van alle gevallen van prostaatcarcinoom is er echter ook een erfelijke predispositie. 67 In tegenstelling tot enkele andere vormen van erfelijke carcinomen (zoals mamma- en ovariumcarcinoom) is de prognose van erfelijk prostaatcarcinoom gelijk aan die van prostaatcarcinoom dat buiten belaste families wordt gevonden. 68
Een prostaatcarcinoom groeit meestal langzaam en ontstaat gewoonlijk in de periferie van de prostaat op enige afstand van de urethra. Het openbaart zich doorgaans niet of pas in een laat stadium door gevolgen van botmetastasen of urethraobstructie. Mictieklachten zijn zelden een uiting van een prostaatcarcinoom.
Afhankelijk van tumorstadium en -gradering en comorbiditeit worden mannen met prostaatcarcinoom actief vervolgd ( active surveillance) of behandeld. Curatieve behandeling omvat chirurgie, inwendige (brachytherapie) of uitwendige bestraling. Bij een gemetastaseerd prostaatcarcinoom kan palliatieve hormonale behandeling en bij progressie chemotherapie worden toegepast. Erectiestoornissen en incontinentie zijn mogelijke bijwerkingen van de behandeling van prostaatcarcinoom. 69 De prognose van een prostaatcarcinoom hangt af van differentiatie, grootte en uitbreiding van de tumor. 70

Vroegdiagnostiek

Algemene vroegdiagnostiek (screening) op prostaatcarcinoom leidt niet tot minder mortaliteit of betere kwaliteit van leven. 71 Weliswaar brengt vroegdiagnostiek prostaatcarcinomen aan het licht, maar dit betreft vooral carcinomen in een vroeg stadium die waarschijnlijk later in het leven niet tot klachten zouden hebben geleid. Natuurlijk zullen sommige individuen voordeel hebben bij vroegdiagnostiek. Er zijn echter geen criteria waarmee deze individuen voorafgaand aan dit onderzoek zijn te selecteren. Door vroegdiagnostiek zullen dan ook veel individuen zinloos onderzoek en behandeling moeten ondergaan met risico’s op complicaties en verlies van kwaliteit van leven. Ook een negatieve biopsie na een verhoogde PSA-waarde heeft een nadelige invloed op de kwaliteit van leven. 72 Het actief ongevraagd aanbieden van een PSA-bepaling aan mannen zonder klinische symptomen van prostaatcarcinoom wordt dan ook niet aanbevolen. 73
Het kan lastig zijn om dit terughoudende beleid uit te leggen. De meerderheid van de mannen toont zich namelijk in eerste instantie tevreden over de uitvoering van vroegdiagnostiek. De gevraagde test wordt immers uitgevoerd en bij een negatieve uitslag is er geruststelling, terwijl bij een positieve uitslag vervolgonderzoek wordt ingezet. Als daarbij een carcinoom wordt vastgesteld, beredeneren veel patiënten dat het prostaatcarcinoom ‘gelukkig vroeg is ontdekt en er behandeling mogelijk is’. De complicaties van behandeling worden geaccepteerd, mede omdat daarmee ‘de kanker is genezen’. Negatieve feedback vanuit de patiënt ontbreekt in deze cyclus. Als patiënten hun huisarts verzoeken om een onderzoek naar prostaatkanker, is het dan ook belangrijk om voorafgaand aan een eventuele PSA-bepaling hen goed te informeren over de mogelijke consequenties van een afwijkende uitslag.
Door sommige organisaties wordt periodiek onderzoek aanbevolen aan eerstegraads verwanten (vader, zonen) van patiënten met een hereditair prostaatcarcinoom (HPC), hoewel de effectiviteit hiervan niet is aangetoond. 74
Omdat mannen met aspecifieke mictieklachten geen hoger risico op prostaatcarcinoom lopen dan mannen zonder deze klachten, geldt voor hen hetzelfde beleid. 75

Richtlijnen beleid

De huisarts onderscheidt twee patiëntcategorieën: patiënten die om prostaatkankeronderzoek vragen en patiënten bij wie een prostaatcarcinoom door de arts vermoed wordt.

Bij vragen naar vroegdiagnostiek van prostaatcarcinoom

Anamnese

  • Vraag naar de reden van het verzoek: heeft de patiënt mictieklachten, komt prostaatkanker voor in de familie of in de omgeving?
  • Vraag naar het beeld dat de patiënt bij het verloop van prostaatkanker heeft.

Voorlichting

  • Leg uit dat prostaatkanker vaak voorkomt bij oudere mannen, maar bij slechts weinigen klachten geeft en die bij nog minder mannen (4 van de 100) uiteindelijk de doodsoorzaak is. Meer mannen overlijden dus met prostaatkanker dan aan prostaatkanker.
  • Leg uit dat met vroegdiagnostiek een klinisch relevante kanker gevonden kan worden, waarbij vroegtijdige behandeling mogelijk gunstig is voor de patiënt. De kans dat er een tumor wordt gevonden die klinisch nooit relevant zal worden, is echter drie tot vier keer groter. Er zijn geen factoren die voorafgaand aan het onderzoek hierin een onderscheid kunnen maken. 71
  • Leg uit dat algemene vroegdiagnostiek niet leidt tot een verlaging van de kans om te overlijden aan prostaatkanker. 71 Het risico is groot dat een bij vroegdiagnostiek gevonden prostaatkanker zonder dat onderzoek nooit aan het licht zou zijn gekomen en dat deze kanker nooit klachten zou hebben gegeven.
  • Leg uit dat met de PSA-waarde prostaatkanker niet kan worden aangetoond of uitgesloten. Zo hebben 80 van de 100 mannen van 50 tot 70 jaar zonder klachten een normale PSA-waarde, terwijl bij 1 van hen later toch nog prostaatkanker zal worden vastgesteld. Anderzijds hebben 16 (80%) van de 20 mannen met een verhoogde waarde geen prostaatkanker (www.kiesbeter.nl). Om prostaatkanker aan te tonen, moeten prostaatbiopten worden genomen, met daarbij risico op complicaties. 76
  • Geef aan dat het risico op prostaatkanker gelijk is bij mannen met en zonder mictieklachten en dat het bepalen van de PSA-waarde in beide gevallen dezelfde voor- en nadelen heeft. 75
  • Leg uit dat ook bij familiair voorkomen van prostaatkanker het nut van vroegdiagnostiek niet is aangetoond. Als er aanwijzingen zijn voor erfelijke prostaatkanker (prostaatkanker vastgesteld bij 3 naaste familieleden, of prostaatkanker vastgesteld bij 2 eerstegraads- (vader en zonen) of tweedegraadsverwanten (broers), met een diagnoseleeftijd van 55 jaar of jonger) kan desalniettemin nadere diagnostiek zinvol zijn. Verwijs daarvoor naar de uroloog, een klinisch geneticus of een Polikliniek Erfelijke Tumoren. 67
  • Leg uit aan mannen met een levensverwachting van minder dan 10 jaar (doorgaans patiënten van 75 jaar en ouder, of jongere patiënten met ernstige comorbiditeit) dat bij hen behandeling van prostaatkanker geen invloed heeft op de overleving of kwaliteit van leven. Dat is bij hen een extra reden om van vroegdiagnostiek af te zien.
Verwijs voor ondersteuning van deze uitleg naar www.thuisarts.nl:
  • Ik wil weten of onderzoek naar prostaatkanker zinvol is;
  • Ik wil meer weten over prostaatkanker.
Het meegeven van dergelijke informatie vergroot de kennis en betrokkenheid van patiënten bij de besluitvorming. 77 Ook kunnen patiënten geattendeerd worden op de mede door het NHG ontwikkelde keuzehulp op www.kiesbeter.nl.

Uitvoering van vroegdiagnostiek

Als de patiënt op basis van de geboden informatie besluit tot vroegdiagnostiek:
  • Verricht een rectaal toucher:
    •  
      • indien hierbij een vermoeden rijst op prostaatcarcinoom, verwijs dan de patiënt naar de uroloog. 79 Een aanvullende PSA-meting heeft dan geen meerwaarde, omdat een normale waarde de aanwezigheid van een prostaatcarcinoom niet uitsluit; 80
      • indien de prostaat niet afwijkend aanvoelt en niet pijnlijk (passend bij prostatitis) is, laat dan het PSA-gehalte bepalen. Houd rekening met het gebruik van een 5-alfa-reductaseremmer, omdat bij gebruikers daarvan de PSA-waarde ongeveer 50% lager is. 81 Het rectaal toucher heeft geen invloed op het PSA-gehalte en kan voorafgaand aan de bepaling worden verricht. 82
  • Indien de PSA-waarde is bepaald, bespreek dan de uitslag en het te volgen beleid met de patiënt: 83
    •  
      • PSA-waarde < 1 ng/ml bij mannen van 60 jaar of ouder: deze waarde is laag en de kans is zeer klein dat zich ooit een klinisch relevant prostaatcarcinoom zal ontwikkelen. Herhaling van de test na onbepaalde tijd heeft geen meerwaarde en wordt daarom niet aanbevolen; 84
      • PSA-waarde < 4 ng/ml: deze waarde is normaal en de kans op prostaatcarcinoom is klein. Verder onderzoek is niet nodig. Het verrichten van een nieuwe PSA-meting na enkele jaren staat gelijk aan vroegdiagnostiek waarbij eerder vermelde overwegingen opgaan; 85
      • PSA-waarde 4,0 ng/ml: er is een kans op prostaatcarcinoom, maar deze waarde kan ook verhoogd zijn door een prostatitis, blaasontsteking of een goedaardige prostaatvergroting. Op basis van de PSA-waarde is geen onderscheid te maken tussen goed en slecht gedifferentieerde tumoren of tumorstadium. Handel als volgt:
Indien bij analyse door de uroloog geen prostaatcarcinoom wordt gevonden, wees dan alert op aanhoudende ongerustheid bij de patiënt. Bespreek dat het verrichten van een nieuwe PSA-meting na enkele jaren gelijk staat aan vroegdiagnostiek waarbij eerder vermelde argumenten opgaan.

Bij vermoeden van prostaatcarcinoom

Een vermoeden van prostaatcarcinoom bestaat vooral bij afwijkende bevindingen bij rectaal toucher (prostaat met asymmetrische vorm, onregelmatige consistentie of harde noduli). Ook bij onbegrepen botpijnen dient prostaatcarcinoom in de differentiële diagnose te worden opgenomen.
Bij een vermoeden van prostaatcarcinoom bij rectaal toucher: 79
  • een PSA-bepaling wordt niet geadviseerd, omdat een normale waarde de diagnose niet uitsluit; 80
  • bij mannen met een levensverwachting van meer dan 10 jaar (doorgaans jonger dan 75 jaar): verwijs voor nadere diagnostiek en evaluatie van de therapeutische mogelijkheden naar de uroloog;
  • bij mannen met een levensverwachting van minder dan 10 jaar (doorgaans patiënten van 75 jaar en ouder, of bij ernstige comorbiditeit):
    •  
      • verwijs bij aanwijzingen voor (meestal bot-)metastasen (algemene malaise, afvallen, botpijnen in rug, heup) naar de uroloog voor nadere diagnostiek en evaluatie van de therapeutische mogelijkheden;
      • overweeg een afwachtend beleid bij mannen zonder aanwijzingen voor metastasen. Leg uit dat, indien er bij nader onderzoek daadwerkelijk een prostaatcarcinoom wordt gevonden, dit meestal zeer langzaam groeit. Bovendien verbeteren de levensverwachting en de kwaliteit van leven door medische interventie waarschijnlijk niet, terwijl er wel bijwerkingen te verwachten zijn. Attendeer op de mede door het NHG ontwikkelde keuzehulp op www.kiesbeter.nl. Bied zo nodig een verwijzing naar de uroloog aan om het verdere beleid te bespreken.
Bij een vermoeden van (prostaatcarcinoom met) botmetastasen (botpijnen in rug of heup, al dan niet met algemene malaise):
  • verricht een rectaal toucher:
    •  
      • bij aanwijzingen voor een prostaatcarcinoom (prostaat met asymmetrische vorm, onregelmatige consistentie of harde noduli): verwijs naar de uroloog voor verdere diagnostiek en behandeling;
      • indien er geen aanwijzingen zijn voor een prostaatcarcinoom: bepaal het PSA-gehalte om te differentiëren tussen prostaatcarcinoom (waarvoor de patiënt naar de uroloog moet worden verwezen) en andere oorzaken (waarvoor de patiënt naar een oncoloog moet worden verwezen).

Totstandkoming

In oktober 2010 startte een werkgroep met de herziening van de NHG-Standaard Mictieklachten bij mannen (voorheen Bemoeilijkte mictie bij oudere mannen). De werkgroep bestond uit de volgende leden: dr. M.H. Blanker, huisarts-epidemioloog te Zwolle en vanaf augustus 2011 wetenschappelijk medewerker bij de afdeling Richtlijnontwikkeling en Wetenschap; S.A. Breed, huisarts te Venray en kaderarts urogynaecologie; dr. W.K. van der Heide, huisarts n.p. en universitair hoofddocent aan de Universiteit Groningen; mr.dr. R.J.C. Norg, huisarts te Haelen; A.D. de Vries, huisarts te Maassluis en kaderarts urogynaecologie; dr. R.J. Wolters, huisarts te Elst; dr. M. van den Donk, epidemioloog en wetenschappelijk medewerker van de afdeling Richtlijnontwikkeling en Wetenschap. De begeleiding van de werkgroep en de redactie waren in handen van M.A. Klomp (tot augustus 2011) en dr. M.H. Blanker (vanaf augustus 2011). Dr. W. Opstelten was betrokken als senior wetenschappelijk medewerker bij de afdeling Richtlijnontwikkeling en Wetenschap, M.M. Verduijn, apotheker, als senior wetenschappelijk medewerker Farmacotherapie en dr. J.S. Burgers als hoofd van deze afdeling. F. Jonkers was betrokken als wetenschappelijk medewerker van de afdeling Implementatie. Dr. M.H. Blanker ontving een vergoeding voor een consensusbijeenkomst over nycturie, georganiseerd door het New England Research Instituut en financieel ondersteund door Ferring. Tevens is hij betrokken bij een onafhankelijk onderzoek, gefinancierd door Ferring. Door de overige leden van de werkgroep werd geen belangenverstrengeling gemeld.
In mei 2012 werd de ontwerpstandaard voor commentaar voorgelegd. In juli 2012 werd de bijlage Prostaatcarcinoom voor commentaar voorgelegd.

Literatuur

  • 1.Abrams P. New words for old: lower urinary extract symptoms for “prostatism”. Br Med J 1994;308:929.
  • 2.Abrams P, Klevmark B. Frequency volume charts: an indispensable part of lower urinary tract assessment. Scand J Urol Nephrol Suppl 1996;179:47-53.
  • 3.Abrams P, Cardozo L, Fall M, Griffiths D, Rosier P, Ulmsten U, et al. The standardisation of terminology in lower urinary tract function: report from the standardisation sub-committee of the International Continence Society. Urology 2003;61:37-49.
  • 4.Andersson SO, RashidKhani B, Karlberg L, Wolk A, Johansson JE. Prevalence of lower urinary tract symptoms in men aged 45-79 years: a population-based study of 40 000 Swedish men. BJU Int 2004;94:327-31.
  • 5.Andersson KE, De Groat WC, McVary KT, Lue TF, Maggi M, Roehrborn CG, et al. Tadalafil for the treatment of lower urinary tract symptoms secondary to benign prostatic hyperplasia: pathophysiology and mechanism(s) of action. Neurourol Urodyn 2011;30:292-301.
  • 6.Andriole GL, Crawford ED, Grubb RL, III, Buys SS, Chia D, Church TR, et al. Mortality results from a randomized prostate-cancer screening trial. N Engl J Med 2009;360:1310-9.
  • 7.Andruss CM, Dinella TJ, MacPherson DS. Effect of digital rectal examination on serum prostate-specific antigen in a primary care setting. The internal Medicine Clinic Research Consorium. Arch. Intern Med 1995;155:389-92.
  • 8.Armitage JN, Sibanda N, Cathcart PJ, Emberton M, Van der Meulen JH. Mortality in men admitted to hospital with acute urinary retention: database analysis. BMJ 2007;335:1199-202.
  • 9.AUA. Management of benign prostatic hyperplasia (BPH) (2010). American Urological Association. http://www.auanet.org/content/clinical-practice-guidelines/clinical-guidelines.cfm?sub=bph.
  • 10.Averbeck MA, Madersbacher H. Constipation and LUTS - how do they affect each other? Int Braz J Urol 2011;37:16-28.
  • 11.Barry MJ, Williford WO, Chang Y, Machi M, Jones KM, Walker-Corkery E, et al. Benign prostatic hyperplasia specific health status measures in clinical research: how much change in the American Urological Association symptom index and the benign prostatic hyperplasia impact index is perceptible to patients. J Urol 1995;154:1770-4.
  • 12.Barry MJ, Meleth S, Lee JY, Kreder KJ, Avins AL, Nickel JC, et al. Effect of increasing doses of saw palmetto extract on lower urinary tract symptoms: a randomized trial. JAMA 2011;306:1344-51.
  • 13.Blanker MH, Groeneveld FP, Prins A, Bernsen RM, Bohnen AM, Bosch JL. Strong effects of definition and nonresponse bias on prevalence rates of clinical benign prostatic hyperplasia: the Krimpen study of male urogenital tract problems and general health status. BJU Int 2000a;85:665-71.
  • 14.Blanker MH, Bohnen AM, Groeneveld FP, Bernsen RM, Prins A, Bosch JL. Normal voiding patterns and determinants of increased diurnal and nocturnal voiding frequency in elderly men. J Urol 2000b;164:1201-5.
  • 15.Blanker MH, Groeneveld FP, Bohnen AM, Bernsen RM, Prins A, Thomas S, et al. Voided volumes: normal values and relation to lower urinary tract symptoms in elderly men, a community-based study. Urology 2001a;57:1093-8.
  • 16.Blanker MH, Bohnen AM, Groeneveld FP, Bernsen RM, Prins A, Thomas S , et al. Correlates for erectile and ejaculatory dysfunction in older Dutch men: a community-based study. J Am Geriatr Soc 2001b;49:436-42.
  • 17.Blanker MH, Bernsen RM, Bosch JL, Thomas S, Groeneveld FP, Prins A, et al. Normal values and determinants of circadian urine production in older men: a population based study. J Urol 2002a;168:1453-7.
  • 18.Blanker MH, Driessen LF, Bosch JL, Bohnen AM, Thomas S, Prins A, et al. Health status and its correlates among Dutch community-dwelling older men with and without lower urogenital tract dysfunction. Eur Urol 2002b;41:602-7.
  • 19.Blanker MH, Prins J, Bohnen AM, Thomas S, Bosch JL. De waarde van het plasdagboek bij oudere mannen met plasklachten. Huisarts Wet 2003;46:243-7.
  • 20.Blanker MH, Groeneveld FPMJ, Bosch JL, Thomas S, Prins A, Bohnen AM. Prevalentie van prostaatkanker gelijk bij mannen van 50 jaar of ouder met en zonder mictieklachten. Ned Tijdschr Geneeskd 2003;147:973-8.
  • 21.Boettcher, Berger T, Renneberg B. Does a pre-treatment diagnostic interview affect the outcome of internet-based self-help for social anxiety disorder? A randomized controlled trial. Behav Cogn Psychother 2012;40:513-28.
  • 22.Bohnen AM, Groeneveld FP, Bosch JL. Serum prostate-specific antigen as a predictor of prostate volume in the community: the Krimpen study. Eur Urol 2007;51:1645-52.
  • 23.Boman H, Hedelin H, Holmang S. The results of routine evaluation of adult patients with haematuria analysed according to referral form information with 2-year follow-up. Scand J Urol Nephrol 2001;35:497-501.
  • 24.Bosch JL, Hop WC, Kirkels WJ, Schroder FH. The International Prostate Symptom Score in a community-based sample of men between 55 and 74 years of age: prevalence and correlation of symptoms with age, prostate volume, flow rate and residual urine volume. Br J Urol 1995;75:622-30.
  • 25.Bosch JL, Bohnen AM, Groeneveld FP. Validity of digital rectal examination and serum prostate specific antigen in the estimation of prostate volume in community-based men aged 50 to 78 years: the Krimpen Study. Eur Urol 2004;46:753-9.
  • 26.Botker-Rasmussen I, Bagi P, Jorgensen JB. Is bladder outlet obstruction normal in elderly men without lower urinary tract symptoms? Neurourol Urodyn 1999;18:545-51.
  • 27.Boyle P, Robertson C, Mazzetta C, Keech M, Hobbs FD, Fourcade R, et al. The prevalence of lower urinary tract symptoms in men and women in four centres. The UrEpik study. BJU Int 2003a;92:409-14.
  • 28.Boyle P, Robertson C, Mazzetta C, Keech M, Hobbs FD, Fourcade R, et al. The prevalence of male urinary incontinence in four centres: the UREPIK study. BJU Int 2003b;92:943-7.
  • 29.Brown CT, O’Flynn E, Van der Meulen J, Newman S, Mundy AR, Emberton M. The fear of prostate cancer in men with lower urinary tract symptoms: should symptomatic men be screened? BJU Int 2003;91:30-2.
  • 30.Brouwers JRBJ. Farmacotherapeutisch Kompas 2012. Diemen: CVZ, 2012. http://www.fk.cvz.nl.
  • 31.Burgio KL, Goode PS, Johnson TM, Hammontree L, Ouslander JG, Markland AD, et al. Behavioral versus drug treatment for overactive bladder in men: the Male Overactive Bladder Treatment in Veterans (MOTIVE) Trial. J Am Geriatr Soc 2011;59:2209-16.
  • 32.Bruner DW, Moore D, Parlanti A, Dorgan J, Engstrom P. Relative risk of prostate cancer for men with affected relatives: systematic review and meta-analysis. Int J Cancer 2003;107:797-803.
  • 33.Campbell SE, Glazener CM, Hunter KF, Cody JD, Moore KN. Conservative management for postprostatectomy urinary incontinence. Cochrane Database Syst Rev 2012;1:CD001843.
  • 34.Catalona WJ, Partin AW, Slawin KM. Use of the percentage of free prostate-specific antigen to enhance differentiation of prostate cancer from benign prostatic disease. JAMA 1998;279:1542.
  • 35.Catalona WJ, Richie JP, Ahmann FR, Hudson MA, Scardino PT, Flanigan RC, et al. Comparison of digital rectal examination and serum prostate specific antigen in the early detection of prostate cancer: results of a multicenter clinical trial of 6,630 men. J Urol 1994;151:1283-90.
  • 36.Cavadas V, Osorio L, Sabell F, Teves F, Branco F, Silva-Ramos M. Prostate cancer prevention trial and European randomized study of screening for prostate cancer risk calculators: a performance comparison in a contemporary screened cohort. Eur Urol 2010;58:551-8.
  • 37.CBO. CBO-richtlijn Prostaatcarcinoom: diagnostiek en behandeling. 2007 (Bron: www.cbo.nl/Downloads/705/rl_prostaat_carc_2007.pdf).
  • 38.CBS. Permanent Onderzoek LeefSituatie (POLS) (2011). http://www.cbs.nl/nl-NL/menu/themas/gezondheid-welzijn/publicaties/artikelen/archief/2011/default.htm.
  • 39. CBS. CBS Doodsoorzakenstatitiek: sterfte aan prostaatkanker (absoluut en per 100.000) naar leeftijd en geslacht in 2010 (Bron: CBS Doodsoorzakenstatistiek)
  • 40.Chai TC, Belville WD, McGuire EJ, Nyquist L. Specificity of the American Urological Association voiding symptom index: comparison of unselected and selected samples of both sexes. J Urol 1993;150:1710-3.
  • 41.Chan ES, Ng CF, Hou SM, Yip SK. Using urine microscopy and cytology for early detection of bladder cancer in male patients with lower urinary tract symptoms. Int Urol Nephrol 2011;43:289-94.
  • 42.Chapple CR, Wein AJ, Abrams P, Dmochowski RR, Giuliano F, Kaplan SA, et al. Lower urinary tract symptoms revisited: a broader clinical perspective. Eur Urol 2008;54:563-9.
  • 43.Chapple CR, Herschorn, S, Abrams P, Sun F, Brodsky M, Guan Z. Tolterodine treatment improves storage symptoms suggestive of overactive bladder in men treated with alpha-blockers. Eur Urol 2009;56:543-41.
  • 44.Charach G, Greenstein A, Rabinovich P, Groskopf I, Weintraub M. Alleviating constipation in the elderly improves lower urinary tract symptoms. Gerontology 2001;47:72-6.
  • 45.Cheung WW, Blank W, Borawski D, Tran W, Bluth MH. Prevalence of overactive bladder, its under-diagnosis, and risk factors in a male urologic veterans population. Int J Med Sci 2010;7:391-4.
  • 46.Chou R, Croswell JM, Dana T, Bougatsos C, Blazina I, Fu R, et al. Screening for prostate cancer: a review of the evidence for the U.S. Preventive Services Task Force. Ann Intern Med 2011;155:762-71.
  • 47.Chybowski FM, Bergstralh EJ, Oesterling JE. The effect of digital rectal examination on the serum prostate specific antigen concentration: results of a randomized study. J Urol 1992;148:83-6.
  • 48.Collin SM, Metcalfe C, Donovan J, Lane JA, Davis M, Neal D, et al. Associations of lower urinary tract symptoms with prostate-specific antigen levels, and screen-detected localized and advanced prostate cancer: a case-control study nested within the UK population-based ProtecT (Prostate testing for cancer and Treatment) study. BJU Int 2008;102:1400-6.
  • 49.Coyne KS, Matza LS, Kopp ZS, Thompson C, Henry D, Irwin DE, et al. Examining lower urinary tract symptom constellations using cluster analysis. BJU Int 2008;101:1267-73.
  • 50.Coyne KS, Sexton CC, Vats V, Thompson C, Kopp ZS, Milsom I. National community prevalence of overactive bladder in the United States stratified by sex and age. Urology 2011;77:1081-7.
  • 51.Crawford ED, Schutz MJ, Clejan S, Drago J, Resnick MI, Chodak GW, et al. The effect of digital rectal examination on prostate-specific antigen levels. JAMA 1992;267:2227-8.
  • 52.Cunningham-Burley S, Allbutt H, Garraway WM, Lee AJ, Russell EB. Perceptions of urinary symptoms and health-care-seeking behaviour amongst men aged 40-79 years. Br J Gen Pract 1996;46:349-52.
  • 53.Debruyne FM, Jardin A, Colloi D, Resel L, Witjes WP, auche-Cavallier MC, et al. Sustained-release alfuzosin, finasteride and the combination of both in the treatment of benign prostatic hyperplasia. European ALFIN Study Group. Eur Urol 1998;34:169-75.
  • 54.De La Rosette JJ, Witjes WP, Schafer W, Abrams P, Donovan JL, Peters TJ, et al. Relationships between lower urinary tract symptoms and bladder outlet obstruction: results from the ICS-”BPH” study. Neurourol Urodyn 1998;17:99-108.
  • 55.De La Rosette JJ, Alivizatos G, Madersbacher S, Rioja Sanz C, Nordling J, Emberton M. Guidelines on benign prostatic hyperplasia. Arnhem: European Association of Urology, 2002.
  • 56.Djulbegovic M, Beyth RJ, Neuberger MM, Stoffs TL, Vieweg J, Djulbegovic B, et al. Screening for prostate cancer: systematic review and meta-analysis of randomised controlled trials. BMJ 2010;341:c4543.
  • 57.Dong F, Kattan MW, Steyerberg EW, Jones JS, Stephenson AJ, Schröder FH, et al. Validation of pretreatment nomograms for predicting indolent prostate cancer: efficacy in contemporary urological practice. J Urol 2008;180:150-4.
  • 58.Dumoulin C, Hay-Smith J. Pelvic floor muscle training versus no treatment, or inactive control treatments, for urinary incontinence in women. Cochrane Database Syst Rev 2010;CD005654.
  • 59.EAU. Guidelines on Conservative treatment of non-neurologenic male LUTS (2010). http://www.uroweb.org/gls/pdf/12_Male_LUTS.
  • 60.EAU. Guidelines on the management of male lower urinary tract symptoms (LUTS), incl. benign prostatic obstruction (BPO) (2012). 2012a. http://www.uroweb.org/gls/pdf/12_Male_LUTS_LR.pdf.
  • 61.EAU. Guidelines on urinary incontinence (2012). 2012b. http://www.uroweb.org/gls/pdf/18_Urinary_Incontinence_LR.pdf.
  • 62.EAU. Guidelines on the Treatment of Non-neurogenic Male LUTS. 2011.
  • 63.Eckhardt MD, Van Venrooij GE, Boon TA. Symptoms and quality of life versus age, prostate volume, and urodynamic parameters in 565 strictly selected men with lower urinary tract symptoms suggestive of benign prostatic hyperplasia. Urology 2001;57:695-700.
  • 64.Evans R, Joseph-Williams N, Edwards A, Newcombe RG, Wright P, Kinnersley P et al. Supporting informed decision making for prostate specific antigen (PSA) testing on the web: an online randomized controlled trial. J Med Internet Res 2010;12:e27.
  • 65.Ezz el Din K, Koch WF, De Wildt MJ, Debruyne FM, De La Rosette JJ. The predictive value of microscopic haematuria in patients with lower urinary tract symptoms and benign prostatic hyperplasia. Eur Urol 1996a;30:409-13.
  • 66.Ezz el Din K, Kiemeney LA, De Wildt MJ, Debruyne FM, De La Rosette JJ. Correlation between uroflowmetry, prostate volume, postvoid residue, and lower urinary tract symptoms as measured by the International Prostate Symptom Score. Urology 1996b;48:393-7.
  • 67.Fitzpatrick JM, Desgrandchamps F, Adjali K, Gomez GL, Hong SJ, El KS, et al. Management of acute urinary retention: a worldwide survey of 6074 men with benign prostatic hyperplasia. BJU Int 2012;109:88-95.
  • 68.Fowler FJ, Jr., Barry MJ, Walker-Corkery B, Caubet JF, Bates DW, Lee JM, et al. The impact of a suspicious prostate biopsy on patients’ psychological, socio-behavioral, and medical care outcomes. J Gen Intern Med 2006;21:715-21.
  • 69.Fransson P. Fatigue in prostate cancer patients treated with external beam radiotherapy: a prospective 5-year long-term patient-reported evaluation. J Cancer Res Ther 2010;6:516-20.
  • 70.Fu FG, Lavery HJ, Wu DL. Reducing nocturia in the elderly: a randomized placebo-controlled trial of staggered furosemide and desmopressin. Neurourol Urodyn 2011;30:312-6.
  • 71.Gacci M, Corona G, Salvi M, Vignozzi L, McVary KT, Kaplan SA, et al. A systematic review and meta-analysis on the use of phosphodiesterase 5 inhibitors alone or in combination with α-blockers for lower urinary tract symptoms due to benign prostatic hyperplasia. Eur Urol 2012a;61:994-1003.
  • 72.Gacci M, Vittori G, Tosi N, Siena G, Rossetti MA, Lapini A, et al. A randomized, placebo-controlled study to assess safety and efficacy of vardenafil 10 mg and tamsulosin 0.4 mg vs. tamsulosin 0.4 mg alone in the treatment of lower urinary tract symptoms secondary to benign prostatic hyperplasia. J Sex Med 2012b;9:1624-33.
  • 73.Gallagher P, Ryan C, Byrne S, Kennedy J, O’Mahony D. STOPP (Screening Tool of Older Person’s Prescriptions) and START (Screening Tool to Alert doctors to Right Treatment). Consensus validation. Int J Clin Pharmacol Ther 2008;46:72-83.
  • 74.Garraway WM, Russell EB, Lee RJ, Collins GN, McKelvie GB, Hehir M, et al. Impact of previously unrecognized benign prostatic hyperplasia on the daily activities of middle-aged and elderly men. Br J Gen Pract 1993;43:318-21.
  • 75.Gass R. Benign prostatic hyperplasia: the opposite effects of alcohol and coffee intake. BJU Int 2002;90:649-54.
  • 76.Gezondheidsraad. Screening: tussen hoop en hype. Den Haag: Gezondheidsraad, 2008; publicatienr. 2008/05. ISBN 978-90-5549-706-5
  • 77.Gisolf KW, Van Venrooij GE, Eckhardt MD, Boon TA. Analysis and reliability of data from 24-hour frequency-volume charts in men with lower urinary tract symptoms due to benign prostatic hyperplasia. Eur Urol 2000;38:45-52.
  • 78.Graversen PH, Gasser TC, Wasson JH, Hinman F, Jr., Bruskewitz RC. Controversies about indications for transurethral resection of the prostate. J Urol 1989;141:475-81.
  • 79.Guralnick ML, Grimsby G, Liss M, Szabo A, O’Connor RC. Objective differences between overactive bladder patients with and without urodynamically proven detrusor overactivity. Int Urogynecol J 2010;21:325-9.
  • 80.Hallan SI, Kwong D, Vikse BE, Stevens P. Use of a prostate symptom score to identify men at risk of future kidney failure: insights from the HUNT II Study. Am J Kidney Dis 2010;56:477-85.
  • 81.Heijnsdijk EA, Wever EM, Auvinen A, Hugosson J, Ciatto S, Nelen V, et al. Quality-of-life effects of prostate-specific antigen screening. N Engl J Med 2012;367:595-605.
  • 82.Herzog AR, Diokno AC, Brown MB, Normolle DP, Brock BM. Two-year incidence, remission, and change patterns of urinary incontinence in noninstitutionalized older adults. J Gerontol 1990;45:M67-M74.
  • 83.Homma Y, Kakizaki H, Yamaguchi O, Yamanishi T, Nishizawa O, Yokoyama O, et al. Assessment of overactive bladder symptoms: comparison of 3-day bladder diary and the overactive bladder symptoms score. Urology 2011;77:60-4.
  • 84.Hong SK, Lee ST, Jeong SJ, Byun SS, Hong YK, Park DS, et al. Chronic kidney disease among men with lower urinary tract symptoms due to benign prostatic hyperplasia. BJU Int 2010;105:1424-8.
  • 85.Hoogendam A, Buntinx F, De Vet HC. The diagnostic value of digital rectal examination in primary care screening for prostate cancer: a meta-analysis. Fam Pract 1999;16:621-6.
  • 86.ICS. Incontinence. 4th ed. Parijs: International Consultation on Incontinence, 2009.
  • 87.IKNL. Nederlandse kankerregistratie: incidentie van prostaatkanker (Bron: Nederlandse Kankerregistratie (NKR) beheerd door IKNL 2011, www.iknl.nl).
  • 88.Ilic D, O’Connor D, Green S, Wilt T. Screening for prostate cancer: an updated Cochrane systematic review. BJU Int 2011;107:882-91.
  • 89.Irwin DE, Milsom I, Hunskaar S, Reilly K, Kopp Z, Herschorn S, et al. Population-based survey of urinary incontinence, overactive bladder, and other lower urinary tract symptoms in five countries: results of the EPIC study. Eur Urol 2006;50:1306-14.
  • 90.Johansson E, Bill-Axelson A, Holmberg L, Onelöv E, Johansson JE, Steineck G; Scandinavian Prostate Cancer Group Study no. 4. Eur Urol 2009;55:422-30.
  • 91.Johns LE, Houlston RS. A systematic review and meta-analysis of familial prostate cancer risk. BJU Int 2003;91:789-94.
  • 92.Jones R, Latinovic R, Charlton J, Gulliford MC. Alarm symptoms in early diagnosis of cancer in primary care: cohort study using General Practice Research Database. BMJ 2007;334:1040.
  • 93.Jones R, Charlton J, Latinovic R, Gulliford MC. Alarm symptoms and identification of non-cancer diagnoses in primary care: cohort study. BMJ 2009;339:b3094.
  • 94.Joseph MA, Harlow SD, Wei JT, Sarma AV, Dunn RL, Taylor JM, et al. Risk factors for lower urinary tract symptoms in a population-based sample of African-American men. Am J Epidemiol 2003;157:906-14.
  • 95.Lee SH, Park KK, Chung MS, Chung BH. Clinical features of familial or hereditary prostate cancer in korean men: a pilot study. Korean J Urol 2011;52:9-12.
  • 96.Loeb S, Carter HB, Berndt SI, Ricker W, Schaeffer EM. Complications after prostate biopsy: data from SEER-Medicare. J Urol 2011;186:1830-4.
  • 97.Loeb S, Van den Heuvel S, Zhu X, Bangma CH, Schröder FH, Roobol MJ. Infectious complications and hospital admissions after prostate biopsy in a European randomized trial. Eur Urol 2012;61:1110-4.
  • 98.Kaplan SA, Roehrborn CG, Rovner ES, Carlsson M, Bavendam T, Guan Z. Tolterodine and tamsulosin for treatment of men with lower urinary tract symptoms and overactive bladder: a randomized controlled trial. JAMA 2006;296:2319-28.
  • 99.Kaplan SA, Wein AJ, Staskin DR, Roehrborn CG, Steers WD. Urinary retention and post-void residual urine in men: separating truth from tradition. J Urol 2008;180:47-54.
  • 100.Kaplan SA, McCammon K, Fincher R, Fakhoury A, He W. Safety and tolerability of solifenacin add-on therapy to alpha-blocker treated men with residual urgency and frequency. J Urol 2009;182:2825-30.
  • 101.Kaplan SA, Roehrborn CG, Abrams P, Chapple CR, Bavendam T, Guan Z. Antimuscarinics for treatment of storage lower urinary tract symptoms in men: a systematic review. Int J Clin Pract 2011;65:487-507.
  • 102.Kaplan SA, Roehrborn CG, Gong J, Sun F, Guan Z. Add-on fesoterodine for residual storage symptoms suggestive of overactive bladder in men receiving α-blocker treatment for lower urinary tract symptoms. BJU Int 2012;109:1831-40.
  • 103.Katz DA, Jarrard DF, McHorney CA, Hillis SL, Wiebe DA, Fryback DG. Health perceptions in patients who undergo screening and workup for prostate cancer. Urology 2007;69:215-20.
  • 104.Kessler TM, Bachmann LM, Minder C, Lohrer D, Umbehr M, Schunemann HJ et al. Adverse event assessment of antimuscarinics for treating overactive bladder: a network meta-analytic approach. PLoS One 2011;6:e16718.
  • 105.Khadra MH, Pickard RS, Charlton M, Powell PH, Neal DE. A prospective analysis of 1,930 patients with hematuria to evaluate current diagnostic practice. J Urol 2000;163:524-7.
  • 106.Kiemeney LA, Broeders MJ, Pelger M, Kil PJ, Schröder FH, Witjes JA, et al. Screening for prostate cancer in Dutch hereditary prostate cancer families. Int J Cancer 2008;122:871-6.
  • 107.Kirby RS. A randomized, double-blind crossover study of tamsulosin and controlled-release doxazosin in patients with benign prostatic hyperplasia. BJU Int 2003;91:41-4.
  • 108.Kok ET, Bohnen AM, Groeneveld FP, Busschbach JJ, Blanker MH, Bosch JL. Changes in disease specific and generic quality of life related to changes in lower urinary tract symptoms: the Krimpen study. J Urol 2005;174:1055-8.
  • 109.Kok ET, Bohnen AM, Bosch JL, Thomas S, Groeneveld FP, Patient’s quality of life and coping style influence general practitioner’s management in men with lower urinary tract symptoms: the Krimpen study. Qual Life Res 2006;15:1335-43.
  • 110.Kranse R, Roobol M, Schröder FH. A graphical device to represent the outcomes of a logistic regression analysis. Prostate 2008;68:1674-80.
  • 111.Krieger JN, Nyberg L, Jr., Nickel JC. NIH consensus definition and classification of prostatitis. JAMA 1999;282:236-7.
  • 112.Kristal AR, Arnold KB, Schenk JM, Neuhouser ML, Weiss N, Goodman P, et al. Race/ethnicity, obesity, health related behaviors and the risk of symptomatic benign prostatic hyperplasia: results from the prostate cancer prevention trial. J Urol 2007;177:1395-400.
  • 113.Kupelian V, Wei JT, O‘Leary MP, Kusek JW, Litman HJ, Link CL et al. Prevalence of lower urinary tract symptoms and effect on quality of life in a racially and ethnically diverse random sample: the Boston Area Community Health (BACH) Survey. Arch Intern Med 2006;166:2381-7.
  • 114.Laven BA, Orsini N, Andersson SO, Johansson JE, Gerber GS, Wolk A. Birth weight, abdominal obesity and the risk of lower urinary tract symptoms in a population based study of Swedish men. J Urol 2008;179:1891-5.
  • 115.Lee SH, Park KK, Chung MS, Chung BH. Clinical features of familial or hereditary prostate cancer in Korean men: a pilot study. Korean J. Urol 2011;52:9-12.
  • 116.Lepor H, Machi G. Comparison of AUA symptom index in unselected males and females between fifty-five and seventy-nine years of age. Urology 1993;42:36-40.
  • 117.Lepor H, Williford WO, Barry MJ, et al. The efficacy of terazosin, finasteride, or both in benign prostatic hyperplasia. N Engl J Med 1996;335:533.
  • 118.Loeb S, Han M, Roehl KA, Antenor JA, Catalona WJ. Accuracy of prostate weight estimation by digital rectal examination versus transrectal ultrasonography. J Urol 2005;173:63-5.
Lose G, Lalos O, Freeman RM, Van Kerrebroeck P; Nocturia Study Group. Efficacy of desmopressin (Minirin) in the treatment of nocturia: a double-blind placebo-controlled study in women. Am J Obstet Gynecol 2003;189:1106-13.
  • 119.Lourenco T, Pickard R, Vale L, Grant A, Fraser C, MacLennan G et al. Minimally invasive treatments for benign prostatic enlargement: systematic review of randomised controlled trials. BMJ 2008;337:a1662.
  • 120.MacDiarmid SA, Peters KM, Chen A, Armstrong RB, Orman C, Aquilina JW, et al. Efficacy and safety of extended-release oxybutynin in combination with tamsulosin for treatment of lower urinary tract symptoms in men: randomized, double blind, placebo-controlled study. Mayo Clin Proc 2008;83:1002-10.
  • 121.Madersbacher S, Lackner J, Brossner C, Rohlich M, Stancik I, Willinger M, et al. Reoperation, myocardial infarction and mortality after transurethral and open prostatectomy: a nation-wide, long-term analysis of 23,123 cases. Eur Urol 2005;47:499-504.
  • 122.Madhuvrata PP, Singh M, Hasafa Z, Abdel-Fattah M. Anticholinergic drugs for adult neurogenic detrusor overactivity: a systematic review and meta-analysis. Eur Urol 2012; 62:816-30.
  • 123.Marks LS, Andriole GL, Fitzpatrick JM, Schulman CC, Roehrborn CG. The interpretation of serum prostate specific antigen in men receiving 5alpha-reductase inhibitors: a review and clinical recommendations. J Urol 2006;176:868-74.
  • 124.Martin RM, Vatten L, Gunnell D, Romundstad P, Nilsen TI. Lower urinary tract symptoms and risk of prostate cancer: the HUNT 2 Cohort, Norway. Int J Cancer 2008;123:1924-8.
  • 125.Mattiasson A, Abrams P, Van Kerrebroeck P. Walter S, Weiss J. Efficacy of desmopressin in the treatment of nocturia: a double-blind placebo-controlled study in men. BJU Int 2002;89:855-62.
  • 126.Matzkin H, Soloway MS. Cigarette smoking: a review of possible associations with benign prostatic hyperplasia and prostate cancer. Prostate 1993;22:277-90.
  • 127.McConnell JD, Roehrborn GC, Bautista OM, Andriole GL Jr, Dixon CM, Kusek JW, et al. The long-term effect of doxazosin, finasteride, and combination therapy on the clinical progression of benign prostatic hyperplasia. N Engl J Med 2003;349:2387-98.
  • 128.McGrother CW, Donaldson MM, Shaw C, Matthews RJ, Hayward TA, Dallosso HM, et al. Storage symptoms of the bladder: prevalence, incidence and need for services in the UK. BJU Int 2004;93:763-9.
  • 129.McVary KT, Roehrborn CG, Kaminetsky JC, Auerbach SM, Wachs B, Young JM, et al. Tadalafil relieves lower urinary tract symptoms secondary to benign prostatic hyperplasia. J Urol 2007a;177:1401-7.
  • 130.McVary KT, Monnig W, Camps JL, Jr., Young JM, Tseng LJ, Van den Ende G. Sildenafil citrate improves erectile function and urinary symptoms in men with erectile dysfunction and lower urinary tract symptoms associated with benign prostatic hyperplasia: a randomized, double-blind trial. J Urol 2007b;177:1071-7.
  • 131.Meek PD, Evang SD, Tadrous M, Roux-Lirange D, Triller DM, Gumustop B. Overactive bladder drugs and constipation: a meta-analysis of randomized, placebo-controlled trials. Dig Dis Sci 2011;56:7-18.
  • 132.Meigs JB, Barry MJ, Giovannucci E, Rimm EB, Stampfer MJ, Kawachi I. Incidence rates and risk factors for acute urinary retention: the health professionals followup study. J Urol 1999;162:376-82.
  • 133.Meiland R, Geerlings SE, Hoes AW, Hoepelman IM. Asymptomatische bacteriurie; beleidskeuzen in verschillende patiëntengroepen. Ned Tijdschr Geneeskd 2002;146:659-62.
  • 134.Multidisciplinaire richtlijn (MDR) Polyfarmacie bij ouderen. Nederlands Huisartsen Genootschap, 2012.
  • 135.Mundy AR, Andrich DE. Urethral strictures. BJU Int 2011;107:6-26.
  • 136.Nabi G, Cody JD, Ellis G, Herbison P, Hay-Smith J. Anticholinergic drugs versus placebo for overactive bladder syndrome in adults. Cochrane Database Syst Rev 2006;CD003781.
  • 137.NICE. The management of lower urinary tract symptoms in men. Londen: National Clinical Guideline Centre, 2010.
  • 138.Nickel JC, Gilling P, Tammela TL, Morrill B, Wilson TH, Rittmaster RS. Comparison of dutasteride and finasteride for treating benign prostatic hyperplasia: the Enlarged Prostate Iternational Comparator Study (EPICS). BJU Int 2011;108:388-94.
  • 139.Nicolle LE. Asymptomatic bacteriuria in the elderly. Infect Dis Clin North Am 1997;11:647-62.
  • 140.Norg RJ. A general practitioner’s approach to lower urinary tract symptoms [PhD thesis], University Maastricht, 2008.
  • 141.NVU. Diagnostiek en behandeling van LUTS/BPH (2005). Nederlandse Vereniging voor Urologie. http://www.nvu.nl/kwaliteit/richtlijnen.aspx.
  • 142.NVU. Bacteriële urineweginfecties bij adolescenten en volwassenen. Etiologie, diagnostiek, behandeling en profylaxe (2009). Nederlandse Vereniging voor Urologie. http://www.nvu.nl/kwaliteit/richtlijnen.aspx.
  • 143.Okkes I, Oskam S, Van Boven K, Lamberts H. EFP: episodes of care in family practice. Epidemiological data based on the routine use of the International Classification of Primary Care (ICPC) in the Transition Project of the University of Amsterdam (1985-2003) [CD-rom]. Amsterdam: AMC, 2005.
  • 144.Paquette A, Gou P, Tannenbaum C. Systematic review and meta-analysis: do clinical trials testing antimuscarinic agents for overactive bladder adequately measure central nervous system adverse events? J Am Geriatr Soc 2011;59:1332-9.
  • 145.Parsons JK, Carter HB, Partin AW, Windham BG, Metter EJ, Ferrucci L, et al. Metabolic factors associated with benign prostatic hyperplasia. J Clin Endocrinol Metab 2006;91:2562-8.
  • 146.Parsons JK, Kashefi C. Physical activity, benign prostatic hyperplasia, and lower urinary tract symptoms. Eur Urol 2008;53:1228-35.
  • 147.Parsons JK, Im R. Alcohol consumption is associated with a decreased risk of benign prostatic hyperplasia. J Urol 2009;182:1463-8.
  • 148.Parsons JK, Wilt TJ, Wang PY, Barrett-Connor E, Bauer DC, Marshall LM. Progression of lower urinary tract symptoms in older men: a community based study. J Urol 2010;183:1915-20.
  • 149.Parsons JK, Messer K, White M, Barrett-Connor E, Bauer DC, Marshall LM. Obesity increases and physical activity decreases lower urinary tract symptom risk in older men: the Osteoporotic Fractures in Men study. Eur Urol 2011;60:1173-80.
  • 150.Patel NS, Blick C, Kumar PV, Malone PR. The diagnostic value of abdominal ultrasound, urine cytology and prostate-specific antigen testing in the lower urinary tract symptoms clinic. Int J Clin Pract 2009;63:1734-8.
  • 151.Paterson J, Pinnock CB, Marshall VR. Pelvic floor exercises as a treatment for post-micturition dribble. Br J Urol 1997;79:892-7.
  • 152.Ponholzer A, Temml C, Obermayr RP, Rauchenwald M, Madersbacher S. The association between lower urinary tract symptoms and renal function in men: a cross-sectional and 5-year longitudinal analysis. J Urol 2006;175:1398-402.
  • 153.Prezioso D, Catuogno C, Galassi P, D’Andrea G, Castello G, Pirritano D. Life-style in patients with LUTS suggestive of BPH. Eur Urol 2001;40 Suppl 1:9-12.
  • 154.Raaijmakers R, Kirkels WJ, Roobol MJ, Wildhagen MF, Schröder FH. Complication rates and risk factors of 5802 transrectal ultrasound-guided sextant biopsies of the prostate within a population-based screening program. Urology 2002;60:826-30.
  • 155.Reynard JM, Cannon A, Yang Q, Abrams P. A novel therapy for nocturnal polyuria: a double-blind randomized trial of frusemide against placebo. Br J Urol 1998;81:215-8.
  • 156.Rietbergen JB, Kranse R, Kirkels WJ, De Koning HJ, Schroder FH. Evaluation of prostate-specific antigen, digital rectal examination and transrectal ultrasonography in population-based screening for prostate cancer: improving the efficiency of early detection. Br J Urol 1997;79 Suppl 2:57-63.
  • 157.Roberts RO, Rhodes T, Panser LA, Girman CJ, Chute CG, Oesterling JE, et al. Natural history of prostatism: worry and embarrassment from urinary symptoms and health care-seeking behavior. Urology 1994;43:621-8.
  • 158.Rodgers M, Nixon J, Hempel S, Aho T, Kelly J. Neal D, et al. Diagnostic tests and algorithmes used in the investigation of haematuria: systematic reviews and economic evaluation. Health Technol Asess 2006;10:iii-iv,xi-259.
  • 159.Roehrborn CG. Accurate determination of prostate size via digital rectal examination and transrectal ultrasound. Urology 1998;51:19-22.
  • 160.Roehrborn CG, McVary KT, Elion-Mboussa A, Viktrup L. Tadalafil administered once daily for lower urinary tract symptoms secondary to benign prostatic hyperplasia: a dose finding study. J Urol 2008;180:1228-34.
  • 161.Roehrborn CG, Siami P, Barkin J, Damiao R, Major-Walker K, Nandy I et al. The effects of combination therapy with dutasteride and tamsulosin on clinical outcomes in men with symptomatic benign prostatic hyperplasia: 4-year results from the CombAT study. Eur Urol 2010;57:123-31.
  • 162.Roobol MJ, Van Vugt HA, Loeb S, Zhu X, Bul M, Bangma CH et al. Prediction of prostate cancer risk: the role of prostate volume and digital rectal examination in the ERSPC risk calculators. Eur Urol 2012;61:577-83.
  • 163.Roobol MJ, Schröder FH, Hugosson J, Jones JS, Kattan MW, Klein EA, et al. Importance of prostate volume in the European Randomised Study of Screening for Prostate Cancer (ERSPC) risk calculators: results from the prostate biopsy collaborative group. World J Urol 2012;30:149-55..
  • 164.Sarma AV, Jacobsen SJ, Girman CJ, Jacobson DJ, Roberts RO, Rhodes T, et al. Concomitant longitudinal changes in frequency of and bother from lower urinary tract symptoms in community dwelling men. J Urol 2002;168:1446-52.
  • 165.Sarma AV, Wei JT, Jacobson DJ, Dunn RL, Roberts RO, Girman CJ, et al. Comparison of lower urinary tract symptom severity and associated bother between community-dwelling black and white men: the Olmsted County Study of Urinary Symptoms and Health Status and the Flint Men’s Health Study. Urology 2003;61:1086-91.
  • 166.Schlatmann TJ. Achtergronden van mictieklachten. In: Van Es JC, Keeman JN, De Leeuw PW, Zitman FG, editors. Medisch jaarboek 2001. Houten/Diegem: Bohn Stafleu Van Loghum, 2001: 191-6.
  • 167.Schröder FH, Hugosson J, Carlsson S, Tammela T, Maattanen L, Auvinen A et al. Screening for Prostate Cancer Decreases the Risk of Developing Metastatic Disease: Findings from the European Randomized Study of Screening for Prostate Cancer (ERSPC). Eur Urol 2012a;62:745-52.
  • 168.Schröder FH, Hugosson J, Roobol MJ, Tammela TL, Ciatto S, Nelen V, et al. Screening and prostate-cancer mortality in a randomized European study. N Engl J Med 2009;360:1320-8.
  • 169.Schröder FH, Hugosson J, Roobol MJ, Tammela TL, Ciatto S, Nelen V, et al. Prostate-cancer mortality at 11 years of follow-up. N Engl J Med 2012b;366:981-90.
  • 170.Seim A, Hoyo C, Ostbye T, Vatten L. The prevalence and correlates of urinary tract symptoms in Norwegian men: the HUNT study. BJU Int 2005;96:88-92.
  • 171.Sexton CC, Coyne KS, Kopp ZS, Irwin DE, Milsom I, Aiyer LP, et al. The overlap of storage, voiding and postmicturition symptoms and implications for treatment seeking in the USA, UK and Sweden: EpiLUTS. BJU Int 2009;103 Suppl 3:12-23.
  • 172.Sexton CC, Notte SM, Maroulis C, Dmochowski RR, Cardozo L, Subramanian D, et al. Persistence and adherence in the treatment of overactive bladder syndrome with anticholinergic therapy: a systematic review of the literature. Int J Clin Pract 2011;65:567-85.
  • 173.Shafik A, Shafik IA. Overactive bladder inhibition in response to pelvic floor muscle exercises. World J Urol 2003;20:374-7.
  • 174.Sladden MJ, Hughes AM, Hirst GH, Ward JE. A community study of lower urinary tract symptoms in older men in Sydney, Australia. Aust N Z J Surg 2000;70:322-8.
  • 175.Smith AL, Wein AJ. Outcomes of pharmacological management of nocturia with non-antidiuretic agents: does statistically significant equal clinically significant? BJU Int 2011;107:1550-4.
  • 176.Soda T, Masui K, Okuno H, Terai A, Ogawa O, Yoshimura K. Efficacy of nondrug lifestyle measures for the treatment of nocturia. J Urol 2010;184:1000-4.
  • 177.Sonke GS, Kolman D, De La Rosette JJ, Donkers LHC, Boyle P, Kiemeney LALM. Prevalentie van lagere-urinewegsymptomen bij mannen en de invloed op hun kwaliteit van leven: Het Boxmeer-onderzoek. Ned Tijdschr Geneeskd 2000;144:2558-63.
  • 178.Sprangers MA, Schwartz CE. Integrating response shift into health-related quality of life research: a theoretical model. Soc Sci Med 1999;48:1507-15.
  • 179.Steineck G, Helgesen F, Adolfsson J, Dickman PW, Johansson JE, Norlen BJ et al. Quality of life after radical prostatectomy or watchful waiting. N Engl J Med 2002;347:790-6.
  • 180.Stephan C, Lein M, Jung K, Schnorr D, Loening SA. The influence of prostate volume on the ratio of free to total prostate specific antigen in serum of patients with prostate carcinoma and benign prostate hyperplasia. Cancer 1997;79:104-9.
  • 181.Stief CG, Porst H, Neuser D, Beneke M, Ulbrich E. A randomised, placebo-controlled study to assess the efficacy of twice-daily vardenafil in the treatment of lower urinary tract symptoms secondary to benign prostatic hyperplasia. Eur Urol 2008;53:1236-44.
  • 182.Tacklind J, Fink HA, MacDonald R, Rutks I, Wilt TJ. Finasteride for benign prostatic hyperplasia. Cochrane Database Syst Rev 2010;CD006015.
  • 183.Taylor J, McGrother CW, Harrison SC, Assassa PR. Lower urinary tract symptoms and related help-seeking behaviour in South Asian men living in the UK. BJU Int 2006;98:605-9.
  • 184.Temml C, Brossner C, Schatzl G, Ponholzer A, Knoepp L, Madersbacher S. The natural history of lower urinary tract symptoms over five years. Eur Urol 2003;43:374-80.
  • 185.Teunissen TA, Lagro-Janssen AL. Sex differences in the use of absorbent (incontinence) pads in independently living elderly people: do men receive less care? Int J Clin Parct 2009;63:869-73.
  • 186.Thom D. Variation in estimates of urinary incontinence prevalence in the community: effects of differences in definition, population characteristics, and study type. J Am Geriatr Soc 1998;46:473-80.
  • 187.Thompson IM, Pauler DK, Goodman PJ, Tangen CM, Lucia MS, Parnes HL, et al. Prevalence of prostate cancer among men with a prostate-specific antigen level < or =4.0 ng per milliliter. N Engl J Med 2004;350:2239-46.
  • 188.Tikkinen KA, Johnson TM, Tammela TL, Sintonen H, Haukka J, Huhtala H, et al. Nocturia frequency, bother, and quality of life: how often is too often? A population-based study in Finland. Eur Urol 2010;57:488-96.
  • 189.Tiong HY, Tibung MJ, Macalalag M, Li MK, Consigliere D. Alfuzosin 10 mg once daily increases the chances of successful trial without catheter after acute urinary retention secondary to benign prostate hyperplasia. Urol Int 2009;83:44-8.
  • 190.Trottier G, Roobol MJ, Lawrentschuk N, Bostrom PJ, Fernandes KA, Finelli A, et al. Comparison of risk calculators from the Prostate Cancer Prevention Trial and the European Randomized Study of Screening for Prostate Cancer in a contemporary Canadian cohort. BJU Int 2011;108:E237-E244.
  • 191.Tubaro A, La Vecchia C; Uroscreening Study Group. The relation of lower urinary tract symptoms with life-style factors and objective measures of benign prostatic enlargement and obstruction: an Italian survey. Eur Urol 2004;45:767-72.
  • 192.USPSTF 2012. Moyer VA; U.S. Preventive Services Task Force. Screening for prostate cancer: U.S. Preventive Services Task Force redommendation statement. Ann Intern Med 2012;157:120-34.
  • 193.Valeri A, Azzouzi R, Drelon E, Delannoy A, Mangin P, Fournier G, et al. Early-onset hereditary prostate cancer is not associated with specific clinical and biological features. Prostate 2000;45:66-71.
  • 194.Van de Lisdonk EH. Ervaren en aangeboden morbiditeit in de huisartspraktijk. Een onderzoek met dagboeken [dissertatie]. Nijmegen: Katholieke Universiteit, 1985.
  • 195.Van de Lisdonk EH, Van den Bosch WJHM, Lagro-Janssen ALM. Ziekten in de huisartspraktijk. 5e druk. Maarssen: Elsevier Gezondheidszorg, 2008.
  • 196.Van der Heide WK. Mannen met plasklachten in de huisartspraktijk [proefschrift]. Groningen: Rijksuniversiteit Groningen, 2006.
  • 197.Van der Linden MW, Westert GP, De Bakker DH, Schellevis FG. Tweede Nationale Studie naar ziekten en verrichtingen in de huisartspraktijk. Kernrapport I: klachten en aandoeningen in de bevolking en in de huisartspraktijk. Utrecht/Bilthoven: NIVEL/RIVM, 2004.
  • 198.Van Doorn B, Blanker MH, Kok ET, Westers P, Bosch JL. Once nocturia, always nocturia? Natural history of nocturia in older men based on frequency-volume charts: the Krimpen study. J Urol 2011a;186:1956-61.
  • 199.Van Doorn B, Kok ET, Blanker MH, Martens EP, Bohnen AM, Bosch JL. The natural history and predictive factors of voided volume in older men: the Krimpen Study. J Urol 2011b;185:213-8.
  • 200.Van Doorn B, Blanker MH, Kok ET, Westers P, Bosch JL. Prevalence, incidence and resolution of nocturnal polyuria in a longitudinal community-based study in older men: the Krimpen study. Eur Urol 2013;63:542-7.
  • 201.Van Haarst, EP, Bosch JL, Heldeweg EA. The international prostate symptom score overestimates nocturia assessed by frequency-volume charts. J Urol 2012a;188:211-215.
  • 202.Van Haarst, EP, Bosch JL. A cutoff value based on analysis of a reference population decreases overestimation of the prevalence of nocturnal polyuria. J Urol 2012b;188:869-73.
  • 203.Van Kerrebroeck P, Abrams P, Chaikin D, Donovan J, Fonda D, Jackson S, et al. The standardisation of terminology in nocturia: report from the Standardisation Sub-committee of the International Continence Society. Neurourol Urodyn 2002;21:179-83.
  • 204.Van Kerrebroeck P, Rezapour M, Cortesse A, Thüroff J, Riis A, Nørgaard JP. Desmopressin in the treatment of nocturia: a double-blind, placebo-controlled study. Eur Urol 2007;52:221-9.
  • 205.Van Leeuwen JH, Castro R, Busse M, Bemelmans BL. The placebo effect in the pharmacologic treatment of patients with lower urinary tract symptoms. Eur Urol 2006;50:440-52.
  • 206.Van Venrooij GE, Boon TA, De Gier RP. International prostate symptom score and quality of life assessment versus urodynamic parameters in men with benign prostatic hyperplasia symptoms. J Urol 1995;153:1516-9.
  • 207.Van Venrooij GE, Boon TA. The value of symptom score, quality of life score, maximal urinary flow rate, residual volume and prostate size for the diagnosis of obstructive benign prostatic hyperplasia: a urodynamic analysis. J Urol 1996;155:2014-8.
  • 208.Van Vugt HA, Roobol MJ, Kranse R, Maattanen L, Finne P, Hugosson J, et al. Prediction of prostate cancer in unscreened men: external validation of a risk calculator. Eur J Cancer 2011;47:903-9.
  • 209.Vickers AJ, Cronin AM, Bjork T, Manjer J, Nilsson PM, Dahlin A, et al. Prostate specific antigen concentration at age 60 and death or metastasis from prostate cancer: case-control study. BMJ 2010;341:c4521.
  • 210.Vickers AJ, Savage C, O’Brien MF, Lilja H. Systematic review of pretreatment prostate-specific antigen velocity and doubling time as predictors for prostate cancer. J Clin Oncol 2009;27:398-403.
  • 211.VIKC. Richtlijn Prostaatcarcinoom: diagnostiek en behandeling. 2007 (Bron: www.cbo.nl/Downloads/705/rl_prostaat_carc_2007.pdf).
  • 212.Walker RM, Romano G, Davies AH, Theodorou NA, Springall RG, Carter SS. Pressure flow study data in a group of asymptomatic male control patients 45 years old or older. J Urol 2001;165:683-7.
  • 213.Wang CJ, Lin YN, Huang SW, Chang CH. Low dose oral desmopressin for nocturnal polyuria with benign prostactic hyperplasia: a double-blind, placebo controlled randomized study. J Urol 2011;185:219-23.
  • 214.Wasserman NF, Lapointe S, Eckmann DR, Rosel PR. Assessment of prostatism: role of intravenous urography. Radiology 1987;165:831-5.
  • 215.Watson E, Hewitson P, Brett J, Bukach C, Evans R, Edwards A, et al. Informed decision making and prostate specific antigen (PSA) testing for prostate cancer: a randomised controlled trial exploring the impact of a brief patient decision aid on men’s knowledge, attitudes and intention to be tested. Patient Educ Couns 2006;63:367-79.
  • 216.Weatherall M, Harwood M. The accuracy of clinical assessment of bladder volume. Arch Phys Med Rehabil 2002;83:1300-2.
  • 217.Weiss JP, Blaivas JG, Bliwise DL, Dmochowski RR, DuBeau CE, Lowe FC, et al. The evaluation and treatment of nocturia: a consensus statement. BJU Int 2011;108:6-21.
  • 218.Weiss JP, Zinner NR, Klein BM, Nørgaard JP. Desmopressin orally disintegrating tablet effectively reduces nocturia: results of a randomized, double-blind, placebo-controlled trial. Neurourol Urodyn 2012;31:441-7.
  • 219.Wilt TJ, N’Dow J. Benign prostatic hyperplasia. Part 1--diagnosis. BMJ 2008;336:146-9.
  • 220.Witjes WP, Aarnink RG, Ezz-el-Din K, Wijkstra H, Debruyne EM, De La Rosette JJ. The correlation between prostate volume, transition zone volume, transition zone index and clinical and urodynamic investigations in patients with lower urinary tract symptoms. Br J Urol 1997;80:84-90.
  • 221.Wolfs GG, Knottnerus JA, Janknegt RA. Prevalence and detection of micturition problems among 2,734 elderly men. J Urol 1994;152:1467-70.
  • 222.Wolfs GG, Knottnerus JA, Van der Horst FG, Visser AP, Janknegt RA. Determinants of doctor consultation for micturition problems in an elderly male population. Eur Urol 1998;33:1-10.
  • 223.Wolters R, Wensing M, Van Weel C, Van der Wilt GJ, Grol RP. Lower urinary tract symptoms: social influence is more important than symptoms in seeking medical care. BJU Int 2002;90:655-61.
  • 224.Wolters R, Wensing M, Van Weel C, Grol R. The effect of a distance-learning programme on patient self-management of Lower Urinary Tract Symptoms (LUTS) in general practice: a randomised controlled trial. Eur Urol 2004;46:95-101.
  • 225.Yamaguchi O, Kakizaki H, Homma Y, Takeda M, Nishizawa O, Gotoh M, et al. Solifenacin as add-on therapy for overactive bladder symptoms in men treated for lower urinary tract symptoms--ASSIST, randomized controlled study. Urology 2011;78:126-33.
  • 226.Zackrisson B, Ulleryd P, Aus G, Lilja H, Sandberg T, Hugosson J. Evolution of free, complexed, and total serum prostate-specific antigen and their ratios during 1 year of follow-up of men with febrile urinary tract infection. Urology 2003;62:278-81.
  • 227.Zeegers MP, Jellema A, Ostrer H. Empiric risk of prostate carcinoma for relatives of patients with prostate carcinoma: a meta-analysis. Cancer 2003;97:1894-903.
  • 228.Zeif HJ, Subramonian K. Alpha blockers prior to removal of a catheter for acute urinary retention in adult men. Cochrane Database Syst Rev 2009;CD006744.
  • 229.Zong H, Yang C, Peng X, Zhang Y. Efficacy and safety of desmopressin for treatment of nocturia: a systematic review and meta-analysis of double-blinded trials. Int Urol Nephrol 2012;44:377-84.

Reacties (2)

A redactie (niet gecontroleerd) 24 september 2013

Geachte heer Oltvoort,
Graag reageren wij op uw brief aan de redactie van Huisarts en Wetenschap van 3 september 2013, waarin u aangeeft dat de NHG-Standaard Mictieklachten bij mannen ten onrechte vermeldt dat PDE5-remmers geen geregistreerde indicatie hebben voor de behandeling van mictieklachten.
U hebt gelijk: sinds december 2012 is tadalafil ook geregistreerd voor de behandeling van de verschijnselen en symptomen van benigne prostaathyperplasie bij mannen. Een bericht van uw zijde daarover heeft ons echter niet bereikt. Bovendien: op het moment van autorisatie van de standaard (3 oktober 2012) was de registratie nog geen feit. Desalniettemin zullen wij alsnog de door u bekritiseerde zin in noot 52 schrappen, zowel op de website als in het Standaardenboek.
Verwijdering van deze thans onjuiste formulering is echter geen aanleiding om de aanbeveling te veranderen op grond van onderstaande overweging.
In twee onderzoeken bij mannen ouder dan 45 jaar met een IPSS score > 13 werd tadalafil na 12 weken vergeleken met placebo.1,2 In het eerste onderzoek (442 deelnemers van gemiddeld 65 jaar) was de IPSS 1,9 punten sterker afgenomen bij gebruikers van tadalafil dan bij placebo (voor de patiënt een niet-merkbaar verschil).1 In het tweede onderzoek hadden alle deelnemers ook erectiele disfunctie en was tadalafil statistisch significant werkzamer dan placebo, maar alleen in de groep die tadalafil 5 mg kreeg (verschil 2,3 IPSS-punten) en niet in de groep die 2,5 mg kreeg.2 In een derde onderzoek werden tadalafil, tamsulosine en placebo vergeleken bij 510 mannen.3 Na 12 weken bleek dat zowel tadalafil als tamsulosine significant werkzamer was dan placebo (verschil respectievelijk 2,1 en 1,5 IPSS-punten). Het onderzoek had onvoldoende power om de werkzaamheid van tadalafil en tamsulosine betrouwbaar te kunnen vergelijken.3 In (internationale) richtlijnen wordt een verandering van 3 of meer punten op de IPSS als klinisch relevant beschouwd; het ervaren van matige tot duidelijke verbetering komt overeen met respectievelijk 5 en 8 IPSS-punten.4 De werkgroep is van mening dat het geringe voordeel van een PDE5-remmer bij mictieklachten niet opweegt tegen de nadelen.
Ik hoop u hiermee voldoende te hebben geïnformeerd.

Met vriendelijke groet,
dr. W. Opstelten, huisarts
senior wetenschappelijk medewerker
Literatuur
Porst H, Kim ED, Casabé AR, Mirone V, Secrest RJ, Xu L, et al. Efficacy and safety of tadalafil once daily in the treatment of men with lower urinary tract symptoms suggestive of benign prostatic hyperplasia: results of an international randomized, double-blind, placebo-controlled trial. Eur Urol 2011;60:1105-13.
Egerdie RB, Auerbach S, Roehrborn CG, Costa P, Garza MS, Esler AL, et al. Tadalafil 2.5 or 5 mg administered once daily for 12 weeks in men with both erectile dysfunction and signs and symptoms of benign prostatic hyperplasia: results of a randomized, placebo-controlled, double-blind study. J Sex Med 2012;9:271-81.
Oelke M, Giuliano F, Mirone V, Xu L, Cox D, Viktrup L. Monotherapy with tadalafil or tamsulosin similarly improved lower urinary tract symptoms suggestive of benign prostatic hyperplasia in an international, randomised, parallel, placebo-controlled clinical trial. Eur Urol 2012;61:917-25.
Barry MJ, Williford WO, Chang Y, Machi M, Jones KM, Walker-Corkery E, et al. Benign prostatic hyperplasia specific health status measures in clinical research: how much change in the American Urological Association symptom index and the benign prostatic hyperplasia impact index is perceptible to patients. J Urol 1995;154:1770-4.

A redactie (niet gecontroleerd) 24 september 2013

Geachte lezer,
Na overleg met de heer Jako Burgers van het NHG hebben wij onderstaande ingezonden brief
opgesteld. Aanleiding is de publicatie van de NHG standaard mictieklachten. Wij willen u vragen om
deze brief te plaatsen in Huisarts & Wetenschap.
Vorig jaar heeft Nefarma commentaar geleverd op het concept voor de standaard Mictieklachten
NHG. In ons ingezonden commentaar is door één van onze leden (Lilly) aangegeven dat voor een van
de betrokken geneesmiddelen een indicatie-uitbreiding op handen was, ruim voor het uitkomen van
de definitieve standaard. Het betrof hier tadalafil (Cialis), een PDE-5 remmer, waarbij voor deze
klasse van geneesmiddelen nog niet eerder sprake was van een geregistreerde indicatie voor
mictieklachten (ook wel aangeduid als BPH of LUTS). Na daadwerkelijke registratie van deze
indicatie-uitbreiding is dit in december 2012 opnieuw via Nefarma aan het NHG kenbaar gemaakt.
De finale standaard werd in maart 2013 gepubliceerd, waarin deze informatie niet bleek te zijn
meegenomen. Sterker nog, in de nu gepubliceerde standaard bij noot 52 staat expliciet: "PDE5-
remmers hebben geen geregistreerde indicatie voor de behandeling van mictieklachten". Dit
terwijl door Nefarma tot tweemaal toe is aangegeven (inclusief bijbehorende registratiestudies) dat
tadalafil (Cialis) nu, naast voor erectiestoornis, ook geregistreerd is voor de behandeling van de
verschijnselen en symptomen van benigne prostaathyperplasie bij volwassen mannen. Het betreft
hier een specifieke formulering: de dagelijkse vorm van Cialis 5 mg.
Wij vinden het spijtig dat de betreffende informatie niet in de finale standaardtekst is meegenomen
en heeft geleid tot een incorrecte weergave van de geregistreerde indicatie van tadalafil. Graag
maken wij gebruik van de aangeboden mogelijkheid om middels een ingezonden brief in Huisarts en
Wetenschap dit kenbaar te maken en vertrouwen erop dat bij een eerstvolgende update van de
standaard, dit wordt aangepast.
Hoogachtend,
Jan Oltvoort
Senior beleidsmedewerker Gezondheidseconomie Nefarma

Verder lezen