NHG richtlijn

NHG-Standaard Pijn

0 reacties
Gepubliceerd
1 september 2015

Inbreng van de patiënt

De NHG-Standaarden geven richtlijnen voor het handelen van de huisarts; de rol van de huisarts staat dan ook centraal. Daarbij geldt echter altijd dat factoren van de kant van de patiënt het beleid mede bepalen. Om praktische redenen komt dit uitgangspunt niet telkens opnieuw in de richtlijn aan de orde, maar wordt het hier expliciet vermeld. De huisarts stelt waar mogelijk zijn beleid vast in samenspraak met de patiënt, met inachtneming van diens specifieke omstandigheden en met erkenning van diens eigen verantwoordelijkheid, waarbij adequate voorlichting een voorwaarde is.

Afweging door de huisarts

Het persoonlijk inzicht van de huisarts is uiteraard bij alle richtlijnen een belangrijk aspect. Afweging van de relevante factoren in de concrete situatie zal beredeneerd afwijken van het hierna beschreven beleid kunnen rechtvaardigen. Dat laat onverlet dat deze standaard bedoeld is om te fungeren als maat en houvast.

Delegeren van taken

NHG-Standaarden bevatten richtlijnen voor huisartsen. Dit betekent niet dat de huisarts alle genoemde taken persoonlijk moet verrichten. Sommige taken kan de huisarts delegeren aan de praktijkassistente, praktijkondersteuner of praktijkverpleegkundige, mits zij worden ondersteund door duidelijke werkafspraken waarin is vastgelegd in welke situaties zij de huisarts moeten raadplegen en mits de huisarts toeziet op de kwaliteit. Omdat de keuze van de te delegeren taken sterk afhankelijk is van de lokale situatie, bevatten de standaarden daarvoor geen concrete aanbevelingen.
Evenmin bevatten standaarden gedetailleerde aanwijzingen over de beoordeling van het spoedeisende karakter van een hulpvraag als de patiënt zich telefonisch meldt bij de triagist tijdens avond-, nacht- en weekenddiensten of bij de praktijkassistente tijdens praktijkuren. Meer gedetailleerde informatie hierover is te vinden in de NHG-TriageWijzer. Ook bij telefonische spoedbeoordeling geldt dat de huisarts verantwoordelijk blijft en moet toezien op de kwaliteit.
Na publicatie in H&W worden er soms nog wijzigingen doorgevoerd in de NHG-Standaard. Zie voor de meest recente versie www.nhg.org/standaarden

Kernboodschappen

  • Eerstekeuspijnstiller bij lichte tot matige pijn is paracetamol in adequate dosering.
  • Geef bij acute spier- en gewrichtspijn en chronische pijn als gevolg van knie- en handartrose paracetamol of een dermaal NSAID (minder bijwerkingen dan orale NSAID’s).
  • Kies het NSAID op grond van patiëntkenmerken: naproxen heeft het laagste cardiovasculaire en hoogste gastro-intestinale risico, diclofenac heeft het laagste gastro-intestinale en hoogste cardiovasculaire risico. Combineer ibuprofen niet met acetylsalicylzuur.
  • COX-2-selectieve NSAID’s worden niet aanbevolen.
  • Geef in beginsel geen NSAID’s aan kwetsbare patiënten met een verhoogd risico op gastro-intestinale, renale of cardiovasculaire bijwerkingen.
  • Overweeg opiaten in lage dosering bij patiënten met een contra-indicatie voor NSAID’s en onvoldoende effect van paracetamol.
  • Geef bij neuropathische pijn als eerste keus een tricyclisch antidepressivum (behalve bij trigeminusneuralgie, dan carbamazepine).
  • Centraal in de behandeling van chronische pijn staat het bevorderen van zelfmanagement door educatie en begeleiden van een actieve leefstijl.
  • Adequate bestrijding van acute pijn (inclusief niet-medicamenteuze behandeling) is belangrijk omdat daarmee het ontstaan van chronische pijn voorkomen kan worden.
  • Herken en behandel (dreigende) chronische pijn in een vroeg stadium uitgaande van de mogelijkheden, wensen en verwachtingen van de patiënt en in onderlinge afstemming tussen verschillende disciplines.

Inleiding

De NHG-Standaard Pijn omvat richtlijnen voor de diagnostiek en het beleid bij volwassenen en kinderen met acute pijn en volwassenen met chronische pijn. Buikpijn bij kinderen, hoofdpijn en keelpijn vallen buiten het bestek van deze standaard (zie de betreffende NHG-Standaarden). Voor specifieke aanbevelingen bij klachten van het bewegingsapparaat zie de betreffende NHG-Standaarden. Bij chronische pijn is doorgaans een diepgaande anamnese en meer onderzoek nodig met aandacht voor psychosociale factoren en cognities betreffende de pijn(ervaring). Een aparte paragraaf is gereserveerd voor de behandeling van volwassenen met neuropathische pijn en pijn in de palliatieve fase.
Voor de farmacotherapeutische behandeling van pijn in spoedeisende situaties wordt verwezen naar de Farmacotherapeutische richtlijn Geneesmiddelen en zuurstof in spoedeisende situaties en de NHG-Standaard Urinesteenlijden.

Achtergronden

Het belang van toegankelijke en adequate pijnbestrijding wordt door het internationaal recht benadrukt en onderstreept door de World Medical Association.1

Begrippen

  • Pijn is een onplezierige, sensorische en emotionele ervaring die is geassocieerd met actuele of potentiële weefselschade of beschreven wordt in termen van zulke schade.2
  • Acute pijn treedt direct op bij weefselbeschadiging. Deze pijngewaarwording is onplezierig en zorgt in de regel voor een adequate lichamelijke reactie: men probeert te voorkómen om met de stimulus in aanraking te komen.
  • Chronische pijn is een persisterend, multifactorieel gezondheidsprobleem waarbij lichamelijke, psychische en sociale factoren in verschillende mate en wisselende onderlinge samenhang bijdragen aan pijnbeleving, pijngedrag, ervaren beperkingen in het dagelijks functioneren en ervaren verminderde kwaliteit van leven.
  • Doorbraakpijn is een voorbijgaande exacerbatie van pijn die spontaan optreedt of optreedt in relatie met een specifieke voorspelbare of onvoorspelbare uitlokkende factor, ondanks relatief stabiele en voldoende gereguleerde achtergrondpijn. Wanneer in deze standaard gesproken wordt over doorbraakpijn heeft dat in het bijzonder betrekking op doorbraakpijn bij kanker en in de palliatieve fase.
  • Hyperalgesie is toegenomen pijn op een normaal gesproken pijnlijke prikkel.
  • Perifere sensitisatie is een toegenomen respons en verlaagd drempelniveau van nociceptieve neuronen in de periferie op prikkels in hun receptieve veld.
  • Centrale sensitisatie is een toegenomen respons van nociceptieve neuronen in het centrale zenuwstelsel op normale afferente input of zelfs door afferente input onder het drempelniveau.
  • Nociceptieve pijn is pijn die voortkomt uit actuele of dreigende schade aan niet-neurogeen weefsel en is het gevolg van activatie van nociceptoren.
  • Neuropathische pijn is het gevolg van een beschadiging of ziekte van het perifere of het centrale zenuwstelsel en kan zich uiten als een abnormale pijnervaring of een overgevoeligheid voor prikkels die normaal geen pijn veroorzaken. Kenmerken van neuropathische pijn zijn: brandend, prikkelend of tintelend van aard, gevoel van ‘elektrische schokken’, doof gevoel, overgevoeligheid bij aanraking, overgevoeligheid voor warmte of koude.
  • Catastroferen is een belangrijke mediator voor het in stand houden van chronische pijn door sensitisatie. Met catastroferen of doemdenken wordt de trias van vergroting van negatieve gevolgen, piekeren en hulpeloosheid bedoeld. Doordat de patiënt voortdurend de aandacht richt op de pijn(ervaring) leidt dit tot vermijdingsgedrag, disfunctioneren en verergering van pijn.

Epidemiologie

Er zijn geen betrouwbare gegevens over de prevalentie van acute pijn. De prevalentie van matige tot ernstige chronische pijn onder Nederlandse volwassenen bedraagt ongeveer 18%.3 In vergelijking met andere chronische aandoeningen komt chronische pijn vaak voor. Chronische pijn is een frequent voorkomend probleem in de huisartsenpraktijk maar door het ontbreken van een algemeen geaccepteerde definitie en een specifieke ICPC-code zijn er weinig betrouwbare gegevens. Bij patiënten met kanker komt pijn vaak voor.

Pathofysiologie

Acute pijn

In het gehele lichaam komen pijnreceptoren voor. Pijnpijn ontstaat doordat uit beschadigd weefsel diverse neurotransmitters en andere chemische mediatoren vrijkomen die de pijnreceptoren stimuleren (nociceptie).4 Na herhaaldelijke en meestal intense pijnstimuli kan sensitisatie van het nociceptieve systeem (perifere sensitisatiesensitisatieperifere sensitisatie of primaire hyperalgesie) optreden. Sensitisatie zorgt voor een drempelverlaging en versterking van de respons op een pijnstimulus (hyperalgesie). Deze situatie van verhoogde sensitiviteit is lokaal en verdwijnt normaliter na verloop van tijd.

Chronische pijn

Er zijn in de loop der jaren verschillende verklaringsmodellen opgesteld voor het ontstaan en voortbestaan van chronische pijn. De onderbouwing van deze modellen is meestal theoretisch en slechts in beperkte mate gebaseerd op empirisch onderzoek. Centrale sensitisatiesensitisatiecentrale sensitisatie is een van de meest waarschijnlijke verklaringsmodellen voor chronische pijn. Dit model gaat uit van lang genoeg aanhoudende sensitisatie waarbij pijn niet langer als effectief alarmsignaal werkt maar spontaan ontstaat en wordt uitgelokt door onschuldige stimuli die normaal gesproken niet pijnlijk zijn (allodynieallodynie). De pijn is heviger dan te verwachten bij de stimulus (hyperalgesiehyperalgesie) of verspreidt zich buiten het gebied van de aangedane plek (secundaire hyperalgesie). Deze centrale sensitisatie vindt zijn oorsprong in neuronale veranderingen in het centrale zenuwstelsel, waardoor pijn niet langer gekoppeld is aan de aanwezigheid, intensiteit of duur van een specifieke perifere stimulus.5
De sensitisatiesensitisatie verloopt grofweg in twee fasen: modulatie en modificatie. Modulatie houdt in dat er veranderingen, zoals verhoogde prikkelbaarheid, plaatsvinden in het centrale zenuwstelsel in reactie op de nociceptieve pijnsignalen (binnen enkele seconden tot uren). Deze nemen langzaam af als er geen pijnsignaal meer is. Als modulatie echter langer duurt (enkele dagen tot weken) ontstaat modificatie. Er worden dan in het zenuwstelsel nieuwe neuronale verbindingen gemaakt, waardoor de structuur verandert. Wanneer modificatie is opgetreden wordt de behandeling en genezing van pijn lastiger.
Het ontstaan van chronische pijn staat onder invloed van lichamelijke, psychische en sociale factoren, samen omschreven als biopsychosociale factoren.

Neuropathische pijn

Neuropathische pijnNeuropathische pijn wordt veroorzaakt door een beschadiging of ziekte van het perifere, danwel centrale somatosensore zenuwstelsel en onderscheidt zich daardoor van sensitisatie.
Centrale sensitisatie kan wel bijdragen aan het in stand houden van neuropathische pijn (en andere vormen van chronische pijn). Volgens de definitie van neuropathische pijn moet het distributiepatroon van de pijn neuroanatomisch te verklaren zijn. Het komt voor dat er geen duidelijke relatie is tussen de plaats van de pijn en de plaats van de schadelijke prikkel en tussen de ernst van de zenuwschade en de ernst van de pijngewaarwording.

Symptomatologie en beloop

Acute pijn

Vaak zal door behandeling van de onderliggende aandoening de pijn verdwijnen. Met adequate pijnbestrijding door middel van farmacotherapie, psycho/pijneducatie en advisering omtrent fysieke activiteiten in de (sub)acute fase tracht men het ontstaan van chroniciteit te voorkomen.
Pijnbelevingpijnbeleving is subjectief. Talrijke psychische, sociale en culturele factoren bepalen hoe mensen de pijnprikkel ervaren (pijndrempel), welke betekenis zij aan de pijn toekennen (interpretatie) en hoe zij de klacht presenteren (hulpvraag).6 Zowel het ‘overdreven’ reageren als het ‘verbijten van de pijn’ komen voor en hangen samen met de eigen normen van de patiënt. Bij vrouwen ligt de drempel voor pijnstimuli lager dan bij mannen, zij ervaren pijn intenser en gebruiken vaker pijnmedicatie.7

Chronische pijn

Chronische pijn heeft een forse impact op de kwaliteit van leven, het dagelijks functioneren en de stemming.8 De huisarts vraagt actief naar de werksituatie (soort werk, belasting en verhoudingen in het werk) en werkgerelateerd functioneren. Chronische pijn leidt tot suboptimaal functioneren in het werk en in veel gevallen ook tot langdurig ziekteverzuim.9 Chronische pijn is geassocieerd met fysieke inactiviteit, verminderde zelfredzaamheid, slaapproblemen en sociale isolatie. Angst, onrust, onzekerheid, eenzaamheid en verveling kunnen de pijnbeleving verergeren; aandacht, geruststelling, duiding/educatie en afleiding kunnen de pijn verminderen. Pijn interfereert vaak met het lichamelijk functioneren. Hierdoor is het gebruik van afleiding als onderdeel van de behandeling van pijnbestrijding soms beperkt mogelijk. Interferentie van pijn met het lichamelijk functioneren neemt toe met de leeftijd (maar hoort niet bij ouder worden) en wordt vaker gezien bij vrouwen dan bij mannen.10 Pijn is beter te dragen naarmate de patiënt zelf meer invloed kan uitoefenen op de behandeling. Een goede communicatie met de zorgverlener en een gevoel van veiligheid zijn daarbij van belang. Het gevoel van veiligheid kan worden vergroot door een persoonlijke benadering van de zorgverlener die de patiënt hoort en zijn pijn erkent zonder dat de pijn op de voorgrond blijft staan. Het risico op het ontstaan van chroniciteit hangt af van verschillende psychosociale factoren, werkgerelateerde factoren, culturele aspecten (soms ook met taalbarrière) en comorbide angst en/of depressie.11 Angst en depressie kunnen de pijn(beleving) verhevigen. In het bijzonder geldt dit voor kwetsbare ouderen.12 Centrale sensitisatie is één van de oorzaken van chronische pijn. Psychologische en sociale factoren dragen er toe bij dat de sensitisatie blijft bestaan. Gecombineerde behandeling (psychologische interventie en antidepressiva) van comorbide angst en/of depressie kan bijdragen aan reductie van chronische pijn (zie de NHG-Standaarden Angst en Depressie). Omgekeerd leidt vermindering van pijn tot verbetering van de depressieve symptomen.13
Voor het beleid bij patiënten met chronische pijn die onvoldoende somatisch verklaard kan worden en waarbij de relatie met de oorspronkelijke trigger ontbreekt, wordt verwezen naar de NHG-Standaard Somatisch Onvoldoende verklaarde Lichamelijke Klachtensomatisch onvoldoende verklaarde lichamelijke klachten (SOLKSOLK).

Neuropathische pijn

Voorbeelden van neuropathische pijn zijn pijn ten gevolge van diabetische (poly)neuropathieneuropathie, postherpetische neuralgieneuralgie, trigeminusneuralgietrigeminusneuralgie en polyneuropathiepolyneuropathie. Neuropathische pijn komt regelmatig voor, vaak in combinatie met nociceptieve pijnklachten. De pijn is meestal chronisch en reageert vaak niet of nauwelijks op de gebruikelijke analgetica.
Andere kenmerken zijn, in wisselende mate:
  • constante schrijnende, brandende pijn die af en toe schietend of stekend is;
  • vaak sensorische stoornissen in het verzorgingsgebied van de aangedane perifere zenuw(wortel);
  • soms allodynie in het aangedane huidgebied;
  • autonome instabiliteit in het huidgebied dat door de aangedane zenuw wordt verzorgd.

Richtlijnen diagnostiek

Anamnese

Acute pijn

De huisarts onderzoekt de oorzaak van acute pijn op basis van anamnese en lichamelijk onderzoek. Het onderzoek is er in eerste instantie op gericht de klinische stabiliteit van de patiënt vast te stellen volgens de ABCDE-systematiek (www.nhg.org/themas/publicaties/herziene-abcde-kaart-voor-huisartsen-onderbouwing-en-implementatie). Afhankelijk van de klinische toestand van de patiënt, en daarmee de noodzaak snel te handelen, en de differentieeldiagnostische overwegingen, zijn verdere anamnese en lichamelijk onderzoek meer of minder uitgebreid. Het is van belang hierbij een inschatting te maken van de ernst van de pijn met behulp van de VASVAS- (visueel analoge schaalvisueel analoge schaal) of NRSNRS- (Numeric Rating Scale Numeric Rating Scale) score (zie de NHG-TriageWijzer) en de beperkingen in fysiek functioneren en dagelijkse werkzaamheden.14 Bij de VAS-score wordt door de patiënt een streepje gezet op een balk van 100 mm (0 = geen pijn, 100 = ergst denkbare pijn). De NRS vraagt patiënten om de mate van pijn aan te geven op een schaal van 0 tot 10. De ‘0’ staat voor ‘geen pijn’ en de ‘10’ voor ‘de ergst denkbare pijn’ (zie [figuur 1]). De NRS kan zowel verbaal als digitaal dan wel schriftelijk gebruikt worden, maar is niet geschikt voor kinderen onder de 5 jaar. Vanaf een leeftijd van ongeveer 3 jaar kan een kind de mate van pijn aangeven door een gezichtsuitdrukking op de gezichtjesschaal aan te geven (zie [figuur 1]). Door de pijn te scoren met de VAS of NRS kan het verloop van de pijn in de tijd gevolgd worden en voelt de patiënt zich serieus genomen. De beoordeling van de pijn blijft ook met de VAS en NRS subjectief; meetinstrumenten waarmee pijn absoluut gemeten kan worden bestaan niet.
Bij acute pijn volstaat het om in eerste instantie alleen de somatische dimensie na te gaan (zie de eerste dimensie in [kader SCEGS-acroniem]). Afhankelijk van de duur en ernst van de acute pijnklachten kan de huisarts meer of minder systematisch de klachten exploreren.
Gezien het subjectieve karakter van de intensiteit van de (ervaring van) pijn dient bij de anamnese rekening te worden gehouden met de eigen woorden van de patiënt (bijvoorbeeld ‘zeer doen’, ‘gevoelig’). Voor de beoordeling van pijn kan de heteroanamnese van belang zijn: navragen bij partner/familie van de patiënt of een andere mantelzorger kan veel nuttige informatie opleveren.15 Dit geldt met name voor kinderen, kwetsbare ouderen en patiënten met een cognitieve of communicatieve beperking. Observatie van pijngedrag kan aanvullende informatie opleveren. Gedragingen die kunnen wijzen op de aanwezigheid van pijn verschillen sterk van individu tot individu en variëren ook bij dezelfde patiënt.16

Doorbraakpijn

De huisarts vraagt bij behandeling van pijn bij kanker en bij pijn in de palliatieve fase naar het optreden en de ernst van doorbraakpijndoorbraakpijn. Doorbraakpijn kan zeer heftig zijn. Een pijnschaal zoals de NRS of VAS is bruikbaar voor het vaststellen van de intensiteit van de doorbraakpijn. Vraag naar mogelijke situaties die gebonden zijn aan het doorbreken van de pijn, naar het beloop en of er factoren zijn die het doorbreken van de pijn verlichten of juist verergeren. Een juist onderscheid tussen doorbraakpijn en onvoldoende behandelde achtergrondpijn is essentieel.

Chronische pijn

Er zijn verschillende signalen voor dreigende chroniciteit waarop de huisarts alert dient te zijn: de intensiteit van de pijn is heviger dan verwacht, de pijn houdt langer aan dan tevoren is ingeschat, de patiënt vertoont een andere pijnbeleving dan verwacht. Verder is van belang of de pijn een verklaarbare somatische oorzaak heeft dan wel moeilijk te herleiden is tot een onderliggend lichamelijk lijden. Vaak ontstaat de pijn naar aanleiding van een lichamelijke oorzaak waarbij in het beloop de relatie tussen oorzaak en de aanhoudende klachten onduidelijker wordt. Het risico op het ontstaan van chronische pijn hangt mede af van diverse psychosociale factoren.
Als er sprake is van (dreigende) chronische pijn overweegt de huisarts een systematische klachtexploratie waarbij hij rekening houdt met het patiëntenperspectief en gebruikmaakt van SCEGS. SCEGSSCEGS bestaat uit vijf dimensies: de Somatische, Cognitieve, Emotionele, Gedragsmatige en Sociale dimensie (zie [kader SCEGS-acroniem]).17 De uitgebreidheid van het uitvragen van de vijf dimensies is afhankelijk van de duur van de pijn. Hoe langer de pijn bestaat, hoe groter de noodzaak om alle dimensies uit te vragen.
Het is belangrijk om patiënten met chronische pijn in een vroeg stadium te identificeren volgens het biopsychosociale model,18 waarbij rekening gehouden wordt met lichamelijke, psychische en sociale factoren. Inventarisatie van deze factoren vindt plaats met het SCEGS-acroniem. Stel op basis hiervan, samen met de patiënt, een individueel, multidimensioneel integraal zorgplan op waarbij zelfmanagement een belangrijke plaats inneemt.

SCEGS-acroniem

  • Somatische dimensie
      • Wanneer begon de pijn?
      • Waar is de pijn gelokaliseerd?
      • Hoe erg is de pijn? Bij langdurige pijn kan de intensiteit van de pijn gemeten worden met behulp van een pijnschaal. Beïnvloedt de pijn de dagelijkse activiteiten (eten, drinken, slapen, sporten, spelen, werk en naar school gaan)?
      • Hoe is het verloop van de pijn in de tijd, gerelateerd aan lichamelijke activiteiten dan wel mentale conditie?
      • Straalt de pijn uit?
      • Zijn er factoren die de pijn verlichten of juist verergeren?
      • Welke medicatie heeft de patiënt zelf al gebruikt om de pijn te verminderen? Vraag specifiek naar de toegepaste dosering en doseerfrequentie.
      • Gebruikt de patiënt medicatie die pijn kan veroorzaken (bijvoorbeeld statines)?
  • Cognitieve dimensie
      • Wat ziet de patiënt als oorzaak of verklaring voor de pijn?
      • Denkt de patiënt dat bepaald gedrag de pijn kan beïnvloeden?
      • Welke verwachting heeft de patiënt over het beloop van de pijn en over medische hulp?
  • Emotionele dimensie
      • Hoe voelt de patiënt zich?
      • Is de patiënt ongerust, somber of angstig? Zo ja, waarover precies en wat is de aanleiding?
      • Beïnvloedt de pijn het psychisch functioneren?
  • Gedragsmatige dimensie
      • Wat doet iemand bij klachten en helpt dat?
      • Worden er ook activiteiten vermeden vanwege de klachten? Welke en waarom?
  • Sociale dimensie
      • Welke gevolgen heeft de pijn in sociaal opzicht (zoals thuis en op het werk)?
      • Heeft de pijn een functie?
      • Zijn er juridische of verzekeringsgerelateerde (arbeids)conflicten?
      • Kan de patiënt nog naar tevredenheid functioneren?
      • Hoe reageert de omgeving?

Neuropathische pijn

Om in te schatten of er sprake is van neuropathische pijn stelt de huisarts de volgende vragen: is de pijn branderig van aard? Gaat de pijn gepaard met tintelingen of prikkelingen? Bestaat er een verminderd gevoel bij aanraking? Wordt de pijn verergerd door wrijven? Met behulp van de DN4-screeningsvragenlijstDN4-screeningsvragenlijst (Douleur Neuropathique, bestaande uit vier vragen en tien items die met ‘ja’ of ‘nee’ beantwoord worden) kan deze inschatting worden gekwantificeerd. Zie [tabel 1]. Bij meer dan vier positieve antwoorden is (een bijdrage van) neuropathische pijn waarschijnlijk.19
Tabel1DN4-screeningsvragenlijst
DN4
Heeft de pijn één of meerdere van de volgende kenmerken?
Branderig? ja ? nee
Pijnlijk koude gevoel? ja ? nee
Elektrische schokken? ja ? nee
Gaat de pijn gepaard met één of meerdere van de volgende symptomen in hetzelfde gebied?
Tintelingen? ja ? nee
Prikkelingen? ja ? nee
Doofheid? ja ? nee
Jeuk? ja ? nee
Is er in het pijngebied t.o.v. een normaal aanvoelend gebied een verminderd gevoel bij:
Aanraking? ja ? nee
Prikken (cocktailprikker)? ja ? nee
Wordt de pijn verergerd door:
Wrijven? ja ? nee
Indien een vraag met ‘ja’ wordt beantwoord, wordt 1 punt toegekend. Bij score ? 4 punten is neuropathische pijn waarschijnlijk.

Lichamelijk onderzoek

Bij onverklaarbare of heftige pijn verricht de huisarts gericht lichamelijk onderzoek. De huisarts onderzoekt de aanwezigheid van aandoeningen, condities (zoals infecties, obstipatie) en (doorgemaakte) procedures of ingrepen (operaties, wondzorg) waarvan bekend is dat die pijn of onwelbevinden kunnen veroorzaken. De huisarts observeert het gedrag en let op eventuele sufheid.

Aanvullend onderzoek

Overweeg aanvullend onderzoek bij:
  • afwijkende bevindingen (raadpleeg relevante andere NHG-Standaarden);
  • onduidelijkheid over de diagnose;
  • pijn die langer aanhoudt dan verwacht;
  • (dreigende) chroniciteit.

Evaluatie/differentiaaldiagnose

De huisarts maakt onderscheid tussen acute en chronische pijn (langer durend dan de te verwachten tijd voor herstel na beschadiging of ziekte). Daarnaast beoordeelt de huisarts of er sprake is van nociceptieve pijn, neuropathische pijn of een combinatie van beide. Chronische nociceptieve en neuropathische pijn komen regelmatig naast elkaar voor.
Let op een discrepantie tussen objectieve bevindingen en mate van pijngedrag. Denk ook aan vermijdingsgedrag, ziektewinst, bezorgdheid en catastroferen.
Overweeg een (comorbide) depressie of angststoornis indien geen duidelijke verklaring voor de pijn is te geven. Zie de NHG-Standaarden Depressie, Angst en Somatisch Onvoldoende verklaarde Lichamelijke Klachten (SOLK).

Richtlijnen beleid

Voorlichting, advies en educatie

De voorlichting en advisering is afhankelijk van het soort pijn: acuut of chronisch (en in relatie tot een eventuele onderliggende aandoening). De keuze van de (medicamenteuze) behandeling wordt in samenspraak met de patiënt bepaald op basis van comorbiditeit, persoonlijke voorkeur, eerdere ervaringen en gevoeligheid voor bijwerkingen. Zie ook onder Overige behandelingen de paragrafen Fysiotherapie en Psychologische interventies.
De huisarts dient alert te zijn op het feit dat de in Nederland vrij verkrijgbare pijnstillers van het NSAID-type dikwijls gebruikt worden door mensen met een reeds verhoogd risico op gastro-intestinale of cardiovasculaire complicaties en door mensen die anticoagulantia gebruiken. De huisarts informeert de risicopatiënt over de gevaren hiervan, bijvoorbeeld door na een nieuwe diagnose of gewijzigde medicatie de patiënt te wijzen op zijn gewijzigde risicoprofiel, en daarmee op de gevaren van NSAID’s.20 In aansluiting op de gegeven mondelinge voorlichting kan de huisarts de patiënt verwijzen naar de informatie over pijn en pijnstillers op de NHG-Publiekswebsite www.thuisarts.nl of de betreffende tekst (voorheen NHG-Patiëntenbrief) meegeven (via het HIS). Deze patiënteninformatie is gebaseerd op de NHG-Standaard.
Adviseer, als naar de mening van patiënt of huisarts de klachten mogelijk hun oorzaak vinden in de arbeidssituatie dan wel een gevolg hebben voor die arbeidssituatie, de patiënt contact op te (laten) nemen met de bedrijfsarts, indien dat nog niet is gebeurd. Dat geldt ook als mogelijke bijwerkingen van pijnstillers invloed kunnen hebben op het functioneren in het werk. Dit geldt in het bijzonder als er sprake is van een groter veiligheidsrisico voor betrokkene zelf of voor derden door effecten op het reactievermogen.21
De huisarts wijst de patiënt met chronische pijn op het bestaan van patiëntenverenigingen en patiëntenorganisaties en bespreekt het belang van lotgenotencontact. Informatie van dergelijke organisaties biedt de patiënt steun in emotionele en praktische zin.

Acute pijn

Bij acute pijn is de voorlichting gericht op uitleg over en behandeling van de mogelijke oorzaak en op de aanpassing van activiteiten en werkzaamheden.
De huisarts legt uit dat:
  • acute pijn een waarschuwingssignaal is voor weefselschade;
  • zoveel mogelijk in beweging blijven goed is, ook in aanwezigheid van pijn;
  • op vaste tijden (tijdcontingent) en voldoende hoog gedoseerd een pijnstiller innemen beter is omdat de pijn daarmee onder controle komt;
  • als de pijn niet afneemt of wanneer de pijnmedicatie onvoldoende werkt de patiënt contact op kan nemen;
  • na tijdelijke aanpassing van het activiteitenpatroon dagelijkse, lichte werkzaamheden weer opgepakt kunnen worden;
  • daarna de pijnstilling geleidelijk kan worden afgebouwd.

Chronische pijn en neuropathische pijn

Bij chronische pijn staat educatie centraal. Pijneducatie is gericht op het veranderen van maladaptieve pijncognities (zoals bijvoorbeeld de gedachte dat pijn altijd een teken is van weefselschade), die kunnen leiden tot catastroferen. Er is bewijs voor de werkzaamheid van pijneducatie op catastroferen.22 Educatie, zelfinzicht en zelf aan het roer van de behandeling staan spelen een belangrijke rol bij de pijnbeleving en het voorkomen en verminderen van chroniciteit. Hierbij kan gebruikgemaakt worden van informatievoorziening zoals de NHG-Publiekswebsite www.thuisarts.nl en (online) zelfhulpprogramma’s. De huisarts stemt het behandeldoel met de patiënt af. De huisarts legt uit dat verdwijnen van de pijn vaak niet mogelijk is, maar verbeteren van het functioneren en de kwaliteit van leven wel. Dat betekent niet dat de patiënt geadviseerd moet worden om met de pijn te leren leven: dit wordt regelmatig als kwetsend en niet serieus nemen van klachten ervaren. Uitgangspunt is de pijn zoals die door de patiënt ervaren wordt.
De huisarts legt uit dat:
  • lang aanhoudende pijn zonder duidelijke oorzaak in de regel géén waarschuwingssignaal voor weefselschade is en adviseert te stoppen met zoeken naar een lichamelijke oorzaak van de pijn;
  • de pijn (zeer) vervelend, maar niet gevaarlijk is;
  • in beweging blijven in de meeste gevallen goed is tenzij de pijn daardoor substantieel toeneemt;
  • het spreiden van activiteiten nuttig is;
  • afleiding pijn kan verminderen en dat stress, angst en overbelasting pijn juist kunnen verergeren;
  • rond blijven lopen met gevoelens van angst, depressiviteit of frustratie een negatieve invloed heeft op de pijn;
  • bij neuropathische pijn de werkzaamheid van sommige medicamenten pas na enige weken intreedt.

Bovenstaande adviezen zijn niet zonder meer toepasbaar bij pijn bij (terminale) kankerpatiënten.

Medicamenteuze behandeling

Acute en chronische nociceptieve pijn

De huisarts volgt bij de medicamenteuze behandeling van zowel acute als chronische pijn een stapsgewijze aanpak, gebaseerd op de pijnladder van de WHO.23 Medicamenteuze behandeling wordt ingezet als onderdeel van een multidimensioneel (biopsychosociaal) behandelplan. Dit geldt in het bijzonder voor patiënten met chronische en neuropathische pijn. Combinaties van geneesmiddelen kunnen worden toegepast. Specifieke geneesmiddelen bij neuropathische pijn worden verderop beschreven. Ga na of de patiënt zelf al pijnmedicatie heeft genomen. Overweeg bij hevige pijn en/of contra-indicaties voor NSAID’s direct te starten met een (zwak werkend) opiaat, in combinatie met paracetamol. Geef de medicatie op vaste tijden en verhoog zo nodig de dosering op geleide van de pijn (bij hevige pijn snel ophogen). Evalueer bij blijvende klachten of onvoldoende pijnstilling regelmatig het effect, zodat dosering en middel kunnen worden aangepast. Streef naar tijdelijk gebruik van medicatie en overweeg bij adequate pijnstilling na enkele weken de medicatie af te bouwen. Bedenk dat doseringsadviezen voor kwetsbare ouderen anders zijn dan voor relatief gezonde volwassenen. Over het algemeen zal vaak een lagere dosis gegeven moeten worden en langzamer een spiegel opgebouwd moeten worden.
Stap 1: paracetamol
Stap 2: NSAID
  • diclofenacgel 1 tot 3% of ibuprofengel 5% op de huid bij gelokaliseerde spier- of gewrichtspijn;
  • oraal (eventueel rectaal of intramusculair) naproxen, ibuprofen of diclofenac afhankelijk van patiëntkenmerken.

Stap 3: tramadol (zwak werkend opiaatopiaat)
Stap 4: sterk werkende opiatenopiaat (oraal of pleister)
Stap 5: subcutane of intraveneuze toediening van sterk werkende opiaten

Stap 1: paracetamol

Algemeen

Bij acute en bij chronische pijn is paracetamolparacetamol voor patiënten van alle leeftijden eerste keus, omdat dit middel van de beschikbare pijnstillers het breedste veiligheidsprofiel heeft en er zeer ruime ervaring mee is opgedaan.24 Dit geldt in het bijzonder voor ouderen, omdat zij gevoeliger zijn voor bijwerkingen van andere analgetica zoals NSAID’s. Leg uit dat paracetamol in adequate dosering de pijnstiller van voorkeur is doordat de kans op ernstige bijwerkingen aanzienlijk kleiner is dan bij gebruik van andere pijnstillers.

Praktische adviezen

  • Start bij voorkeur met orale behandeling: voor een volwassene 3 tot 4 dd 1 tot 2 tabletten van 500 mg en laat de patiënt contact opnemen bij onvoldoende pijnstilling. Adviseer dan indien mogelijk de dosering te verhogen of door te gaan met een volgende stap van het stappenplan.
  • Maximale dagdosering is 4 g voor volwassenen bij gebruik &lt 1 maand en bij maligne aandoeningen.
  • Maximale dagdosering bij gebruik > 1 maand is 2,5 g. Zie hiervoor het NHG-Standpunt Wat is de maximale dagdosering van paracetamol die voor chronisch gebruik bij benigne aandoeningen (zoals artrose) aanbevolen kan worden?
  • De maximale dagdosering voor volwassenen met risicofactoren voor leverschade is 2 g (1,5 g indien meerdere risicofactoren tegelijk aanwezig zijn).
  • Risicofactoren voor leverschade zijn: bestaande leverziekte, hoge leeftijd (metabolisatiesnelheid daalt bij ouder worden), een genetisch bepaalde lage metabolisatiesnelheid, gebruik van carbamazepine, fenytoïne, fenobarbital, isoniazide, rifampicine (CYP2E1-enzyminducerende middelen), lichaamsgewicht &lt 50 kg, vasten, slechte voedingstoestand (eiwitarm dieet), langdurig meer dan matig alcoholgebruik (> 2 alcoholconsumpties per dag), roken en gecombineerd gebruik van meerdere pijnstillers.25
  • Bij een verminderde nierfunctie is aanpassen van de dosering of het doseerinterval niet nodig.26
  • Rectale toediening van paracetamol geeft een onvoorspelbaar wisselende, vertraagde absorptie. In de praktijk kan bij volwassenen 3 tot 4 dd 1000 mg aangehouden worden en kan kortdurend (2 tot 3 dagen) een hogere rectale dosering van 2 tot 3 dd 30 mg/kg lichaamsgewicht nodig zijn om adequate pijnstilling te bereiken.27
  • Bij kinderen mag incidenteel kortdurend (2 tot 3 dagen) hoger dan de normale kinderdosering worden gedoseerd. Zie [tabel 2].

Tabel2Kinderdoseringen van paracetamol
Gewicht (en leeftijd)Oraal (tablet, oplostablet, kauwtablet, drank 24 mg/ml)Rectaal (zetpil)
op basis van gewicht60 mg/kg/dag in 4 giften:4 dd 15 mg/kg60 mg/kg/dag in 3 giften:2-3 dd 20 mg/kg
5-10 kg (3 mnd. tot 1 jaar)4 dd 75-150 mg2-3 dd 1 zetpil 120-240 mg
10-15 kg (1 tot 3 jaar)4 dd 150-225 mg2-3 dd 1 zetpil 240 mg
15-20 kg (3 tot 5 jaar)4 dd 225-300 mg2-3 dd 1 zetpil 240-500 mg
20-25 kg (5 tot 7 jaar)4 dd 300-375 mg2-3 dd 1 zetpil 500 mg
25-30 kg (7 tot 9 jaar)4 dd 375-450 mg2-3 dd 1 zetpil 500 mg
30-43 kg (9 tot 12 jaar) 4 dd 450-650 mg2-3 dd 1 zetpil 500-1000 mg
43-70 kg (12 tot 18 jaar)4 dd 650-1000 mg 2-3 dd 1 zetpil 1000 mg
incidenteel max. 90 mg/kg/dag in 4 giften: 4 dd 22,5 mg/kg ged. max. 3 dgincidenteel max. 90 mg/kg/dag in 3 giften: 3 dd 30 mg/kg ged. max. 3 dg

Stap 2: NSAID

Dermaal NSAID

NSAID’sNSAID’s zoals diclofenacgeldiclofenacgel 1 tot 3% of ibuprofengelibuprofengel 5% op de huid zijn effectief bij de behandeling van gelokaliseerde pijn en kunnen worden toegepast bij acute spier- en gewrichtspijn. Combinatie met paracetamol is mogelijk. Het effect van dermaal diclofenac op vermindering van pijn als gevolg van artrose van knie en hand is vergelijkbaar met dat van orale NSAID’s. Dermale NSAID’s geven vergeleken met placebo vaker (doorgaans lichte en voorbijgaande) lokale bijwerkingen maar zijn minder sterk geassocieerd met systemische bijwerkingen en kunnen daardoor ook door ouderen met verminderde nierfunctie of hartfalen gebruikt worden (mits de huid intact is).28

Praktische adviezen

  • Diclofenacgel 1 tot 3% of ibuprofengel 5% 2 tot 4 dd zacht op pijnlijke plek inwrijven.
  • Er zijn geen gegevens bij gebruik langer dan 3 weken.

Orale (en rectaal en intramusculair toegediende) NSAID’s

Geef (of voeg toe) een NSAID wanneer paracetamol onvoldoende effect heeft.29 Door de combinatie van paracetamol met een NSAID kan worden volstaan met een lagere dosering van het NSAID (met kleinere kans op bijwerkingen) bij gelijkblijvend pijnstillend effect.30

Praktische adviezen

  • Houd vanwege de mogelijke (ernstige) bijwerkingen van NSAID’s de dosering zo laag en de duur van het gebruik zo kort mogelijk. Zie voor doseringen [tabel 3].
  • Kies afhankelijk van specifieke patiëntkenmerken (comorbiditeit, voorgeschiedenis van cardiovasculaire of gastro-intestinale aandoeningen, respons op eerder voorgeschreven NSAID’s, indicatie voor intramusculaire toediening) voor naproxennaproxen, ibuprofenibuprofen of diclofenacdiclofenac. Naproxen heeft het laagste cardiovasculaire risico, diclofenac het hoogste (dosisafhankelijk). Van de klassieke NSAID’s heeft diclofenac het laagste gastro-intestinale risico, naproxen het hoogste.31
  • NSAID’s (waarschijnlijk met uitzondering van naproxen) verhogen het risico op het optreden van veneuze trombo-embolische gebeurtenissen. Dit risico is afhankelijk van de toegepaste dosering, ook bij kortdurend gebruik.32
  • COX-2-selectieve NSAID’s worden niet aanbevolen vanwege een hoger risico op cardiovasculaire complicaties zonder aangetoonde voordelen ten opzichte van de klassieke NSAID’s gecombineerd met een protonpompremmer.33 De COX-2-selectieve NSAID’s geven minder gastro-intestinale complicaties dan de klassieke NSAID’s, maar geven in ongeveer gelijke mate aspecifieke maagklachten (maagpijn).
  • Alle NSAID’s (inclusief COX-2-selectieve) beïnvloeden de nierfunctie in gelijke mate nadelig. Bij verminderde nierfunctie kan acute nierinsufficiëntie of water- en zoutretentie optreden, waardoor hartfalen en hypertensie kunnen ontstaan of verergeren.
  • Diclofenac is het enige NSAID dat beschikbaar is in injectievorm en kan worden toegepast bij een indicatie voor parenterale toediening van een NSAID.
  • Combineer een klassiek NSAID (ook na parenterale toediening) met een protonpompremmer in standaarddosering als het gastro-intestinale risico is verhoogd (zie de NHG-Standaard Maagklachten, onderdeel Maagbescherming). Er is geen relatie tussen het optreden van aspecifieke maagklachten en het optreden van gastro-intestinale complicaties.
  • Combineer geen verschillende NSAID’s vanwege de grotere kans op bijwerkingen.
  • Vermijd NSAID-gebruik als onderhoudsbehandeling bij jicht zonder contra-indicatie voor of bewezen ineffectiviteit van allopurinol.

Kinderen

  • Geef ibuprofen als een NSAID is geïndiceerd bij kinderen. Zie voor doseringen [tabel 4].
  • Acetylsalicylzuur wordt niet aanbevolen voor kinderen.34

Zwangeren en borstvoeding

  • Geef NSAID’s alleen incidenteel aan zwangeren en alleen in de eerste helft van de zwangerschap (zie www.lareb.nl/teratologie/naslagwerk). Ibuprofen en diclofenac kunnen tijdens borstvoeding worden gebruikt.

Patiëntkenmerken waarbij NSAID’s afgeraden worden

  • Geef géén NSAID (of acetylsalicylzuur) aan patiënten die ooit een anafylactische reactie hebben gehad op een NSAID (kruisovergevoeligheid).35
  • Schrijf NSAID’s bij voorkeur niet voor:
      • aan kwetsbare ouderen;36
      • bij een verminderde nierfunctie (eGFR &lt 60 ml/min/1,73 m2, absolute contra-indicatie bij eGFR &lt 30 ml/min/1,73 m2: acute urineretentie mogelijk) of verminderde leverfunctie;
      • bij hypertensie, hartfalen of atherosclerotisch hart- en vaatlijden;
      • bij een verhoogd gastro-intestinaal risico;
      • bij inflammatoire darmziekten;
      • bij oorzaken die leiden tot dehydratie;
      • bij geneesmiddelen die de nierfunctie kunnen verminderen (bijvoorbeeld diuretica of RAS-remmers), vanwege het risico op acute nierinsufficiëntie.
  • Geef aan patiënten die een lage dosering acetylsalicylzuur als trombocytenaggregatieremmer gebruiken bij voorkeur geen ibuprofen.37,38
  • Als een NSAID toch noodzakelijk is bij patiënten met myocardinfarct en CVA in de voorgeschiedenis, dan is naproxen de eerste keus vanwege het laagste cardiovasculaire risico; diclofenac is bij hen gecontra-indiceerd.
  • Als een NSAID toch noodzakelijk is bij patiënten met een peptisch ulcus in de voorgeschiedenis, dan gaat de voorkeur uit naar diclofenac (vanwege het laagste risico op gastro-intestinale complicaties) of ibuprofen (beide met een protonpompremmer).
  • Combineer geneesmiddelen die gecontra-indiceerd zijn bij een peptisch ulcus in de voorgeschiedenis (zoals clopidogrel, prasugrel of ticagrelor, systemisch werkende glucocorticoïden, SSRI’s en spironolacton) bij voorkeur niet met een NSAID (zie de NHG-Standaard Maagklachten).
  • Schrijf geen NSAID’s voor aan patiënten die anticoagulantia (risico op bloedingen in combinatie met verlengde protrombinetijd met fatale afloop in het bijzonder bij ouderen), lithium (verhoging lithiumspiegels met risico op toxiciteit), ciclosporine en tacrolimus (verhoogde nefrotoxiciteit ciclosporine en tacrolimus) en methotrexaat (toename methotrexaat toxiciteit) gebruiken.36

Controle

  • NSAID’s kunnen het effect van diuretica, RAS-remmers en bètablokkers verminderen doordat ze water- en zoutretentie veroorzaken.
  • Controleer de nierfunctie voorafgaand aan en regelmatig tijdens chronisch gebruik van een NSAID (zie de LESA Rationeel aanvragen laboratoriumdiagnostiek).

Tabel3Doseringen van NSAID’s (volwassenen)
GeneesmiddelOraalRectaalParenteraal
naproxen2 dd 250-500 mg (tablet)2 dd 1 zetpil 250-500 mg?
ibuprofen3-4 dd 400-600 mg (dragee, tablet)??
diclofenac2-3 dd 25-50 mg of 2 dd 75 mg (tablet)of zo nodig 2 dd 100 mg ged. max. 1-2 dg2-3 dd 25-50 mg zetpilof zo nodig 2 dd 1 zetpil 100 mg ged. max. 1-2 dginjectievloeistof 25 mg/ml; ampul 3 ml
Overschrijd de geregistreerde maximale dagdosering nooit: boven deze dosering is de kans op bijwerkingen sterk verhoogd terwijl er geen bewijs is voor extra pijnvermindering.
Tabel4Kinderdoseringen ibuprofen (> 1 jaar) bij voorkeur kortdurend
Gewicht (en leeftijd)OraalRectaal
op basis van gewicht20 mg/kg/dag in 3-4 giften:4 dd 5 mg/kg max. 30 mg/kg/dag ged. 3 dg20 mg/kg/dag in 3-4 giften: 4 dd 5 mg/kg max. 30 mg/kg/dag ged. 3 dg
10-15 kg (1 tot 3 jaar)3 dd 3-5 ml drank (20 mg/ml)2 dd 0,5-1 zetpil 125 mg
15-20 kg (3 tot 5 jaar)3-4 dd 5 ml drank (20 mg/ml)2 dd 1 zetpil 125 mg
20-25 kg (5 tot 7 jaar)3-4 dd 5-6,5 ml drank (20 mg/ml)2 dd 200 mg (tablet, dragee, capsule)3-4 dd 1 zetpil 125 mg
25-30 kg (7 tot 9 jaar)3-4 dd 6,5-7,5 ml drank (20 mg/ml)2-3 dd 200 mg (tablet, dragee, capsule)4-5 dd 1 zetpil 125 mg
30-43 kg (9 tot 12 jaar)3-4 dd 200 mg (tablet, dragee, capsule)4-6 dd 1 zetpil 125 mg
43-70 kg (12 tot 18 jaar)2-3 dd 400 mg (tablet, dragee, capsule)?

Stap 3: tramadol (zwak werkend opiaat)

Algemeen

Overweeg tramadoltramadol toe te voegen aan paracetamol of NSAID als deze onvoldoende effect hebben.39,40 Codeïne wordt niet aanbevolen (ook niet in zetpillen) vanwege onvoldoende effect en frequent optreden van bijwerkingen.41 Eén op de vijf patiënten ondervindt bijwerkingen van tramadol (duizeligheid, misselijkheid, braken, hoofdpijn, droge mond, obstipatie, zweten, vermoeidheid en slaperigheid). Titreer tramadol bij kwetsbare patiënten langzaam op (bijvoorbeeld door gebruik te maken van druppels) om bijwerkingen te voorkomen. Bij chronisch gebruik is er een risico op afhankelijkheid en onthoudingsverschijnselen bij staken van tramadol (te voorkomen door afbouwen). Ook kan tramadol (off-label) worden toegepast bij neuropathische pijn (zie de paragraaf Neuropathische pijn). Bij dagdoseringen hoger dan 400 mg, in het bijzonder in combinatie met SSRI’s, SNRI’s en TCA’s, bestaat er risico op serotonerg syndroom. Vaste combinaties van tramadol en paracetamol worden ontraden.42

Praktische adviezen

  • Start tramadol in een dosering van 1 tot 4 dd 50 mg, zo nodig elke 3 tot 5 dagen verhogen tot maximaal 400 mg per dag.
  • Start bij kwetsbare ouderen in een lagere dosering (10 tot 25 mg) bijvoorbeeld in de vorm van druppels (2,5 mg per druppel) en verhoog vervolgens langzaam de dosis: 1 tot 4 dd 4 tot 10 druppels (10 tot 100 mg/dag).
  • Overweeg bij goede pijnstilling met tramadol deze om te zetten naar een preparaat met gereguleerde afgifte in doseringen 2 dd 50 tot 100 mg of 1 dd 400 mg.
  • Bij start beïnvloedt tramadol de rijvaardigheid sterk. Na 2 weken stabiel dagelijks gebruik is tramadol rijveilig.

Literatuur

  • 1.Bij verwijzing naar NHG-producten: zie www.nhg.org.
  • 2.Ali S, Drendel AL, Kircher J, Beno S. Pain management of musculoskeletal injuries in children: current state and future directions. Pediatr Emerg Care 2010;26:518-24.
  • 3.Anonymous. Morphine in cancer pain: modes of administration. Expert Working Group of the European Association for Palliative Care. BMJ 1996;312:823-6.
  • 4.Aronson MD. Nonsteroidal anti-inflammatory drugs, traditional opioids, and tramadol: contrasting therapies for the treatment of chronic pain. Clin Ther 1997;19:420-32; discussion 367-8.
  • 5.Aronson JK. The NSAID roller coaster: more about rofecoxib. Br J Clin Pharmacol 2006;62:257-9.
  • 6.Averbuch M, Katzper M. A search for sex differences in response to analgesia. Arch Intern Med 2000;160:3424-8.
  • 7.Bailey E, Worthington HV, Van Wijk A, Yates JM, Coulthard P, Afzal Z. Ibuprofen and/or paracetamol (acetaminophen) for pain relief after surgical removal of lower wisdom teeth. Cochrane Database Syst Rev 2013;12:CD004624.
  • 8.Bair MJ, Wu J, Damush TM, Sutherland JM, Kroenke K. Association of depression and anxiety alone and in combination with chronic musculoskeletal pain in primary care patients. Psychosom Med 2008;70:890-7.
  • 9.Barnabe C, Bessette L, Flanagan C, Leclercq S, Steiman A, Kalache F, et al. Sex differences in pain scores and localization in inflammatory arthritis: a systematic review and metaanalysis. J Rheumatol 2012;39:1221-30.
  • 10.Baron R, Mayoral V, Leijon G, Binder A, Steigerwald I, Serpell M. 5% lidocaine medicated plaster versus pregabalin in post-herpetic neuralgia and diabetic polyneuropathy: an open-label, non-inferiority two-stage RCT study. Curr Med Res Opin 2009;25:1663-76.
  • 11.Bárzaga Arencibia Z, Choonara I. Balancing the risks and benefits of the use of over-the-counter pain medications in children. Drug Saf 2012;35:1119-25.
  • 12.Beaulieu AD, Peloso P, Bensen W, Clark AJ, Watson CP, Gardner-Nix J, et al. A randomized, double-blind, 8-week crossover study of once-daily controlled-release tramadol versus immediate-release tramadol taken as needed for chronic noncancer pain. Clin Ther 2007;29:49-60.
  • 13.Beck DH, Schenk MR, Hagemann K, Doepfmer UR, Kox WJ. The pharmacokinetics and analgesic efficacy of larger dose rectal acetaminophen (40 mg/kg) in adults: a double-blinded, randomized study. Anesth Analg 2000;90:431-6.
  • 14.Begré S, Traber M, Gerber M, Von KR. Change in pain severity with open label venlafaxine use in patients with a depressive symptomatology: an observational study in primary care. Eur Psychiatry 2008;23:178-86.
  • 15.Bekkering GE, Bala MM, Reid K, Kellen E, Harker J, Riemsma R, et al. Epidemiology of chronic pain and its treatment in The Netherlands. Neth J Med 2011;69:141-53.
  • 16.Berges-Gimeno MP, Simon RA, Stevenson DD. Long-term treatment with aspirin desensitization in asthmatic patients with aspirin-exacerbated respiratory disease. J Allergy Clin Immunol 2003;111:180-6.
  • 17.Bijl D. Tramadol: onthouding en risico van afhankelijkheid (2007). http://gebu.artsennet.nl/Archief/Tijdschriftartikel/Tramadol-onthouding-en-risico-van-afhankelijkheid.htm.
  • 18.Bijl D. Ernstige bijwerkingen bij accidentele blootstelling aan fentanylpleisters (2014). http://gebu.artsennet.nl/Archief/Tijdschriftartikel/Ernstige-bijwerkingen-bij-accidentele-blootstelling-aan-fentanylpleisters.htm.
  • 19.Binder A, Bruxelle J, Rogers P, Hans G, Bosl I, Baron R. Topical 5% lidocaine (lignocaine) medicated plaster treatment for post-herpetic neuralgia: results of a double-blind, placebo-controlled, multinational efficacy and safety trial. Clin Drug Investig 2009;29:393-408.
  • 20.Bjordal JM, Ljunggren AE, Klovning A, Slordal L. Non-steroidal anti-inflammatory drugs, including cyclo-oxygenase-2 inhibitors, in osteoarthritic knee pain: meta-analysis of randomised placebo controlled trials. BMJ 2004;329:1317.
  • 21.Blandizzi C, Tuccori M, Colucci R, Gori G, Fornai M, Antonioli L, et al. Clinical efficacy of esomeprazole in the prevention and healing of gastrointestinal toxicity associated with NSAIDs in elderly patients. Drugs Aging 2008;25:197-208.
  • 22.Blomqvist K, Hallberg IR. Pain in older adults living in sheltered accommodation--agreement between assessments by older adults and staff. J Clin Nurs 1999;8:159-69.
  • 23.Blomqvist K. Older people in persistent pain: nursing and paramedical staff perceptions and pain management. J Adv Nurs 2003;41:575-84.
  • 24.Bolesta S, Haber SL. Hepatotoxicity associated with chronic acetaminophen administration in patients without risk factors. Ann Pharmacother 2002;36:331-3.
  • 25.Bouhassira D, Attal N. Diagnosis and assessment of neuropathic pain: the saga of clinical tools. Pain 2011;152:S74-S83.
  • 26.Briggs M, Nelson EA, Martyn-St JM. Topical agents or dressings for pain in venous leg ulcers. Cochrane Database Syst Rev 2012;11:CD001177.
  • 27.Brouwers JRBJ, Delhaas EM. Medicamenteuze behandeling van chronische pijn bij volwassenen. Geneesmiddelenbulletin 1998;32:111-8.
  • 28.Buchmuller A, Navez M, Milletre-Bernardin M, Pouplin S, Presles E, Lanteri-Minet M, et al. Value of TENS for relief of chronic low back pain with or without radicular pain. Eur J Pain 2012;16:656-65.
  • 29.Buhrman M, Nilsson-Ihrfeldt E, Jannert M, Strom L, Andersson G. Guided internet-based cognitive behavioural treatment for chronic back pain reduces pain catastrophizing: a randomized controlled trial. J Rehabil Med 2011;43:500-5.
  • 30.Burch F, Fishman R, Messina N, Corser B, Radulescu F, Sarbu A, et al. A comparison of the analgesic efficacy of Tramadol Contramid OAD versus placebo in patients with pain due to osteoarthritis. J Pain Symptom.Manage. 2007;34:328-38.
  • 31.Busch AJ, Barber KA, Overend TJ, Peloso PM, Schachter CL. Exercise for treating fibromyalgia syndrome. Cochrane Database Syst Rev 2007:CD003786.
  • 32.Busch AJ, Webber SC, Richards RS, Bidonde J, Schachter CL, Schafer LA, et al. Resistance exercise training for fibromyalgia. Cochrane Database Syst Rev 2013;12:CD010884.
  • 33.Bussing A, Ostermann T, Ludtke R, Michalsen A. Effects of yoga interventions on pain and pain-associated disability: a meta-analysis. J Pain 2012;13:1-9.
  • 34.Carpenter KM, Stoner SA, Mundt JM, Stoelb B. An online self-help CBT intervention for chronic lower back pain. Clin J Pain 2012;28:14-22.
  • 35.Carter KA. Heat-associated increase in transdermal fentanyl absorption. Am J Health Syst Pharm 2003;60:191-2.
  • 36.CBG. News human medicines (2012). College ter beoordeling van geneesmiddelen. http://www.cbg-meb.nl/CBG/en/human-medicines/actueel/monthly_prac_report/default.htm.
  • 37.CBO, KVDG. Richtlijn NSAID-gebruik en preventie van maagschade (2003). http://www.mdl.nl/uploads/240/117/NSAID-gebruik_en_preventie_van_maagschade_-_CBO_2003.pdf.
  • 38.Cepeda MS, Camargo F, Zea C, Valencia L. Tramadol for osteoarthritis: a systematic review and metaanalysis. J Rheumatol 2007;34:543-55.
  • 39.Chan FK, Hung LC, Suen BY, Wu JC, Lee KC, Leung VK, et al. Celecoxib versus diclofenac and omeprazole in reducing the risk of recurrent ulcer bleeding in patients with arthritis. N Engl J Med 2002;347:2104-10.
  • 40.Chan AT, Manson JE, Albert CM, Chae CU, Rexrode KM, Curhan GC, et al. Nonsteroidal Antiinflammatory Drugs, Acetaminophen, and the Risk of Cardiovascular Events. Circulation 2006;113:1578-87.
  • 41.Chan FK, Wong VW, Suen BY, Wu JC, Ching JY, Hung LC, et al. Combination of a cyclo-oxygenase-2 inhibitor and a proton-pump inhibitor for prevention of recurrent ulcer bleeding in patients at very high risk: a double-blind, randomised trial. Lancet 2007;369:1621-6.
  • 42.Chaparro LE, Wiffen PJ, Moore RA, Gilron I. Combination pharmacotherapy for the treatment of neuropathic pain in adults. Cochrane Database Syst Rev 2012;7:CD008943.
  • 43.Cherkin DC, Sherman KJ, Kahn J, Wellman R, Cook AJ, Johnson E, et al. A comparison of the effects of 2 types of massage and usual care on chronic low back pain: a randomized, controlled trial. Ann Intern Med 2011;155:1-9.
  • 44.Chiesa A, Serretti A. Mindfulness-based interventions for chronic pain: a systematic review of the evidence. J Altern Complement Med 2011;17:83-93.
  • 45.Chou R, Huffman LH. Nonpharmacologic therapies for acute and chronic low back pain: a review of the evidence for an American Pain Society/American College of Physicians clinical practice guideline. Ann Intern Med 2007;147:492-504.
  • 46.Chou R, Turner JA, Devine EB, Hansen RN, Sullivan SD, Blazina I, et al. The effectiveness and risks of long-term opioid therapy for chronic pain: a systematic review for a national institutes of health pathways to prevention workshop. Ann Intern Med 2015;162:276-86.
  • 47.Clarke CL, Ryan CG, Martin DJ. Pain neurophysiology education for the management of individuals with chronic low back pain: systematic review and meta-analysis. Man Ther 2011;16:544-9.
  • 48.Clère F, Delorme-Morin C, George B, Navez M, Rioult B, Tiberghien-Chatelain F, et al. 5% lidocaine medicated plaster in elderly patients with postherpetic neuralgia: results of a compassionate use programme in France. Drugs Aging 2011;28:693-702.
  • 49.Cohen-Mansfield J. Relatives’ assessment of pain in cognitively impaired nursing home residents. J Pain Symptom Manage 2002;24:562-71.
  • 50.Coudeyre E, Tubach F, Rannou F, Baron G, Coriat F, Brin S, et al. Effect of a simple information booklet on pain persistence after an acute episode of low back pain: a non-randomized trial in a primary care setting. PLoS One 2007;2:e706.
  • 51.Cukiernik VA, Lim R, Warren D, Seabrook JA, Matsui D, Rieder MJ. Naproxen versus acetaminophen for therapy of soft tissue injuries to the ankle in children. Ann Pharmacother 2007;41:1368-74.
  • 52.Curhan GC, Bullock AJ, Hankinson SE, Willett WC, Speizer FE, Stampfer MJ. Frequency of use of acetaminophen, nonsteroidal anti-inflammatory drugs, and aspirin in US women. Pharmacoepidemiol Drug Saf 2002;11:687-93.
  • 53.Curhan GC, Knight EL, Rosner B, Hankinson SE, Stampfer MJ. Lifetime nonnarcotic analgesic use and decline in renal function in women. Arch Intern Med 2004;164:1519-24.
  • 54.De Abajo FJ, Gil MJ, Bryant V, Timoner J, Oliva B, Garcia-Rodriguez LA. Upper gastrointestinal bleeding associated with NSAIDs, other drugs and interactions: a nested case-control study in a new general practice database. Eur J Clin Pharmacol 2013;69:691-701.
  • 55.De Graeff A, Besse TC, Krol RJA. Pijn. Landelijke richtlijn 2.0 (2010). http://www.pallialine.nl/pijn.
  • 56.De Vries F, Setakis E, Van Staa TP. Concomitant use of ibuprofen and paracetamol and the risk of major clinical safety outcomes. Br J Clin Pharmacol. 2010;70:429-38.
  • 57.Derry S, Moore RA, Rabbie R. Topical NSAIDs for chronic musculoskeletal pain in adults. Cochrane Database Syst Rev 2012a;9:CD007400.
  • 58.Derry S, Moore RA. Topical capsaicin (low concentration) for chronic neuropathic pain in adults. Cochrane Database Syst Rev 2012b;9:CD010111.
  • 59.Derry CJ, Derry S, Moore RA. Single dose oral ibuprofen plus paracetamol (acetaminophen) for acute postoperative pain. Cochrane Database Syst Rev 2013a;6:CD010210.
  • 60.Derry S, Sven-Rice A, Cole P, Tan T, Moore RA. Topical capsaicin (high concentration) for chronic neuropathic pain in adults. Cochrane Database Syst Rev 2013b;2:CD007393.
  • 61.Derry S, Wiffen PJ, Aldington D, Moore RA. Nortriptyline for neuropathic pain in adults. Cochrane Database Syst Rev 2015;1:CD011209.
  • 62.Deveaugh-Geiss AM, West SL, Miller WC, Sleath B, Gaynes BN, Kroenke K. The adverse effects of comorbid pain on depression outcomes in primary care patients: results from the ARTIST trial. Pain Med 2010;11:732-41.
  • 63.Dworkin RH, O’connor AB, Backonja M, Farrar JT, Finnerup NB, Jensen TS, et al. Pharmacologic management of neuropathic pain: evidence-based recommendations. Pain 2007;132:237-51.
  • 64.Eddleston M, Buckley N. Paracetamol (acetaminophen) poisoning. Clinical Evidence 2000;4:775-80.
  • 65.Edwards RR, Bingham CO, Iii, Bathon J, Haythornthwaite JA. Catastrophizing and pain in arthritis, fibromyalgia, and other rheumatic diseases. Arthritis Rheum 2006;55:325-32.
  • 66.Eisenberg E, Marinangeli F, Birkhahn J, Paladini A, Varrassi G. Time to modify the WHO analgesic ladder? (2005). http://iasp.files.cms-plus.com/Content/ContentFolders/Publications2/PainClinicalUpdates/Archives/PCU05-5_1390263972695_23.pdf.
  • 67.Elliott AM, Smith BH, Penny KI, Smith WC, Chambers WA. The epidemiology of chronic pain in the community. Lancet 1999;354:1248-52.
  • 68.Evans M, Fored CM, Bellocco R, Fitzmaurice G, Fryzek JP, Mclaughlin JK, et al. Acetaminophen, aspirin and progression of advanced chronic kidney disease. Nephrol Dial Transplant 2009;24:1908-18.
  • 69.Farkouh ME, Greenberg JD, Jeger RV, Ramanathan K, Verheugt FW, Chesebro JH, et al. Cardiovascular outcomes in high risk patients with osteoarthritis treated with ibuprofen, naproxen or lumiracoxib. Ann Rheum Dis 2007;66:764-70.
  • 70.Fava M, Mallinckrodt CH, Detke MJ, Watkin JG, Wohlreich MM. The effect of duloxetine on painful physical symptoms in depressed patients: do improvements in these symptoms result in higher remission rates? J Clin Psychiatry 2004;65:521-30.
  • 71.Finnerup NB, Sindrup SH, Jensen TS. The evidence for pharmacological treatment of neuropathic pain. Pain 2010;150:573-81.
  • 72.Fishman RL, Kistler CJ, Ellerbusch MT, Aparicio RT, Swami SS, Shirley ME, et al. Efficacy and safety of 12 weeks of osteoarthritic pain therapy with once-daily tramadol (Tramadol Contramid OAD). J Opioid Manag 2007;3:273-80.
  • 73.Florete OG, Xiang J, Vorsanger GJ. Effects of extended-release tramadol on pain-related sleep parameters in patients with osteoarthritis. Expert Opin Pharmacother 2008;9:1817-27.
  • 74.Fournier JP, Azoulay L, Yin H, Montastruc JL, Suissa S. Tramadol use and the risk of hospitalization for hypoglycemia in patients with noncancer pain. JAMA Intern Med 2015a;175:186-93.
  • 75.Fournier JP, Yin H, Nessim SJ, Montastruc JL, Azoulay L. Tramadol for non-cancer pain and the risk of hyponatremia. Am J Med 2015b;128:418-25.
  • 76.Frolich MA, Giannotti A, Modell JH. Opioid overdose in a patient using a fentanyl patch during treatment with a warming blanket. Anesth Analg 2001;93:647-8.
  • 77.Furlan AD, Imamura M, Dryden T, Irvin E. Massage for low-back pain. Cochrane Database Syst Rev 2008; CD001929.
  • 78.García Rodríguez LA, Hernández-Díaz S. Relative risk of upper gastrointestinal complications among users of acetaminophen and nonsteroidal anti-inflammatory drugs. Epidemiology 2001;12:570-6.
  • 79.Gaynor PJ, Gopal M, Zheng W, Martinez JM, Robinson MJ, Marangell LB. A randomized placebo-controlled trial of duloxetine in patients with major depressive disorder and associated painful physical symptoms. Curr Med Res Opin 2011;27:1849-58.
  • 80.Gerrits M, Van Oppen P, Leone S, Van Marwijk H, Van Der Horst H, Penninx B. Pain, not chronic disease, is associated with the recurrence of depressive and anxiety disorders. BMC Psychiatry 2014;14:187.
  • 81.Gilron I, Watson CP, Cahill CM, Moulin DE. Neuropathic pain: a practical guide for the clinician. CMAJ 2006;175:265-75.
  • 82.Gladding PA, Webster MW, Farrell HB, Zeng IS, Park R, Ruijne N. The antiplatelet effect of six non-steroidal anti-inflammatory drugs and their pharmacodynamic interaction with aspirin in healthy volunteers. Am J Cardiol 2008;101:1060-3.
  • 83.Godges JJ, Anger MA, Zimmerman G, Delitto A. Effects of education on return-to-work status for people with fear-avoidance beliefs and acute low back pain. Phys Ther 2008;88:231-9.
  • 84.Golden BD, Abramson SB. Selective cyclooxygenase-2 inhibitors. Rheum Dis Clin North Am 1999;25:359-78.
  • 85.Gordon A, Callaghan D, Spink D, Cloutier C, Dzongowski P, O’mahony W, et al. Buprenorphine transdermal system in adults with chronic low back pain: a randomized, double-blind, placebo-controlled crossover study, followed by an open-label extension phase. Clin Ther 2010;32:844-60.
  • 86.Gotzsche PC. NSAIDs. (2010). http://www.ncbi.nlm.nih.gov/pmc/articles/PMC3217803/pdf/2010-1108.pdf.
  • 87.Gramke HF, De Rijke JM, Van Kleef M, Raps F, Kessels AGH, Peters ML, et al. The prevalence of postoperative pain in a cross-sectional group of patients after day-case surgery in a university hospital. Clin J Pain 2007;23:543-8.
  • 88.Gross A, Kay TM, Paquin JP, Blanchette S, Lalonde P, Christie T, et al. Exercises for mechanical neck disorders. Cochrane Database Syst Rev 2015;1:CD004250.
  • 89.Grotle M, Vollestad NK, Brox JI. Screening for yellow flags in first-time acute low back pain: reliability and validity of a Norwegian version of the Acute Low Back Pain Screening Questionnaire. Clin J Pain 2006;22:458-67.
  • 90.Haanpää ML, Gourlay GK, Kent JL, Miaskowski C, Raja SN, Schmader KE, et al. Treatment considerations for patients with neuropathic pain and other medical comorbidities. Mayo Clin Proc 2010;85:S15-S25.
  • 91.Hadley G, Derry S, Moore RA, Wiffen PJ. Transdermal fentanyl for cancer pain. Cochrane Database Syst Rev 2013;10:CD010270.
  • 92.Hahn TW, Mogensen T, Lund C, Schouenborg L, Rasmussen M. High-dose rectal and oral acetaminophen in postoperative patients--serum and saliva concentrations. Acta Anaesthesiol Scand 2000;44:302-6.
  • 93.Hair PI, Curran MP, Keam SJ. Tramadol extended-release tablets. Drugs 2006;66:2017-27.
  • 94.Hall-Lord ML, Larsson G, Steen B. Chronic pain and distress among elderly in the community: comparison of patients’ experiences with enrolled nurses’ assessments. J Nurs Manag 1999;7:45-54.
  • 95.Haroutiunian S, Mcnicol ED, Lipman AG. Methadone for chronic non-cancer pain in adults. Cochrane Database Syst Rev 2012;11:CD008025.
  • 96.Häuser W, Klose P, Langhorst J, Moradi B, Steinbach M, Schiltenwolf M, et al. Efficacy of different types of aerobic exercise in fibromyalgia syndrome: a systematic review and meta-analysis of randomised controlled trials. Arthritis Res Ther 2010;12:R79.
  • 97.Hawkey CJ. COX-2 inhibitors. Lancet 1999;353:307-14.
  • 98.Hawkey CJ, Jones RH, Yeomans ND, Scheiman JM, Talley NJ, Goldstein JL, et al. Efficacy of esomeprazole for resolution of symptoms of heartburn and acid regurgitation in continuous users of non-steroidal anti-inflammatory drugs. Aliment Pharmacol Ther 2007;25:813-21.
  • 99.Hearn L, Derry S, Phillips T, Moore RA, Wiffen PJ. Imipramine for neuropathic pain in adults. Cochrane Database Syst Rev 2014;5:CD010769.
  • 100.Heesch KC, Miller YD, Brown WJ. Relationship between physical activity and stiff or painful joints in mid-aged women and older women: a 3-year prospective study. Arthritis Res Ther 2007;9:R34.
  • 101.Heneweer H, Aufdemkampe G, Van Tulder MW, Kiers H, Stappaerts KH, Vanhees L. Psychosocial variables in patients with (sub)acute low back pain: an inception cohort in primary care physical therapy in The Netherlands. Spine (Phila Pa 1976) 2007;32:586-92.
  • 102.Heneweer H, Van Woudenberg NJ, Van Genderen F, Vanhees L, Wittink H. Measuring psychosocial variables in patients with (sub) acute low back pain complaints, at risk for chronicity: a validation study of the Acute Low Back Pain Screening Questionnaire-Dutch Language Version. Spine (Phila Pa 1976) 2010;35:447-52.
  • 103.Henry D, Lim LL, Garcia Rodriguez LA, Perez GS, Carson JL, Griffin M, et al. Variability in risk of gastrointestinal complications with individual non-steroidal anti-inflammatory drugs: results of a collaborative meta-analysis. BMJ 1996;312:1563-6.
  • 104.Henschke N, Ostelo RW, Van Tulder MW, Vlaeyen JW, Morley S, Assendelft WJ, et al. Behavioural treatment for chronic low-back pain. Cochrane Database Syst Rev 2010:CD002014.
  • 105.Hernández-Díaz S, Rodríguez LA. Association between nonsteroidal anti-inflammatory drugs and upper gastrointestinal tract bleeding/perforation: an overview of epidemiologic studies published in the 1990s. Arch Intern Med 2000;160:2093-9.
  • 106.Hernández-Molina G, Reichenbach S, Zhang B, Lavalley M, Felson DT. Effect of therapeutic exercise for hip osteoarthritis pain: results of a meta-analysis. Arthritis Rheum. 2008;59:1221-8.
  • 107.Hewitt DJ, Todd KH, Xiang J, Jordan DM, Rosenthal NR. Tramadol/acetaminophen or hydrocodone/acetaminophen for the treatment of ankle sprain: a randomized, placebo-controlled trial. Ann Emerg Med 2007;49:468-80.
  • 108.Hjermstad MJ, Fayers PM, Haugen DF, Caraceni A, Hanks GW, Loge JH, et al; European Palliative Care Research Collaborative (EPCRC). Studies comparing Numerical Rating Scales, Verbal Rating Scales, and Visual Analogue Scales for assessment of pain intensity in adults: a systematic literature review. J Pain Symptom Manage 2011;41:1073-93.
  • 109.Ho CY, Sole G, Munn J. The effectiveness of manual therapy in the management of musculoskeletal disorders of the shoulder: a systematic review. Man Ther 2009;14:463-74.
  • 110.Hollingshead J, Duhmke RM, Cornblath DR. Tramadol for neuropathic pain. Cochrane Database Syst Rev 2006:CD003726.
  • 111.Holmer PP, Jakobsson J, Owall A. Plasma concentrations following repeated rectal or intravenous administration of paracetamol after heart surgery. Acta Anaesthesiol Scand 2006;50:673-7.
  • 112.Houben RM, Ostelo RW, Vlaeyen JW, Wolters PM, Peters M, Stomp-Van Den Berg SG. Health care providers’ orientations towards common low back pain predict perceived harmfulness of physical activities and recommendations regarding return to normal activity. Eur J Pain 2005;9:173-83.
  • 113.Howell TK, Patel D. Plasma paracetamol concentrations after different doses of rectal paracetamol in older children A comparison of 1 g vs. 40 mg x kg(-1). Anaesthesia 2003;58:69-73.
  • 114.Hurley DA, Dusoir TE, Mcdonough SM, Moore AP, Baxter GD. How effective is the acute low back pain screening questionnaire for predicting 1-year follow-up in patients with low back pain? Clin J Pain 2001;17:256-63.
  • 115.Inturrisi CE. Management of cancer pain. Pharmacology and principles of management. Cancer 1989;63:2308-20.
  • 116.Isacson D, Bingefors K. Epidemiology of analgesic use: a gender perspective. Eur J Anaesthesiol Suppl 2002;26:5-15.
  • 117.Jalili M, Fathi M, Moradi-Lakeh M, Zehtabchi S. Sublingual buprenorphine in acute pain management: a double-blind randomized clinical trial. Ann Emerg Med 2012;59:276-80.
  • 118.James IG, O’brien CM, Mcdonald CJ. A randomized, double-blind, double-dummy comparison of the efficacy and tolerability of low-dose transdermal buprenorphine (BuTrans seven-day patches) with buprenorphine sublingual tablets (Temgesic) in patients with osteoarthritis pain. J Pain Symptom Manage 2010;40:266-78.
  • 119.Jansen MJ, Viechtbauer W, Lenssen AF, Hendriks EJ, De Bie RA. Strength training alone, exercise therapy alone, and exercise therapy with passive manual mobilisation each reduce pain and disability in people with knee osteoarthritis: a systematic review. J Physiother 2011;57:11-20.
  • 120.Jeal W, Benfield P. Transdermal fentanyl. A review of its pharmacological properties and therapeutic efficacy in pain control. Drugs 1997;53:109-38.
  • 121.Kahan M, Srivastava A, Wilson L, Mailis-Gagnon A, Midmer D. Opioids for managing chronic non-malignant pain: safe and effective prescribing. Can Fam Physician 2006;52:1091-6.
  • 122.Kanai A, Okamoto T, Suzuki K, Niki Y, Okamoto H. Lidocaine eye drops attenuate pain associated with ophthalmic postherpetic neuralgia. Anesth Analg 2010;110:1457-60.
  • 123.Kean WF, Bouchard S, Roderich GE. Women with pain due to osteoarthritis: the efficacy and safety of a once-daily formulation of tramadol. Pain Med 2009;10:1001-11.
  • 124.Keefe FJ, Lefebvre JC, Egert JR, Affleck G, Sullivan MJ, Caldwell DS. The relationship of gender to pain, pain behavior, and disability in osteoarthritis patients: the role of catastrophizing. Pain 2000;87:325-34.
  • 125.Khadilkar A, Odebiyi DO, Brosseau L, Wells GA. Transcutaneous electrical nerve stimulation (TENS) versus placebo for chronic low-back pain. Cochrane Database Syst Rev 2008:CD003008.
  • 126.Kisely SR, Campbell LA, Yelland MJ, Paydar A. Psychological interventions for symptomatic management of non-specific chest pain in patients with normal coronary anatomy. Cochrane Database Syst Rev 2012;6:CD004101.
  • 127.KNGF. Multidisciplinaire richtlijn aspeciefieke KANS (2012). Koninklijk Nederlands Genootschap voor Fysiotherapie. http://www.fysionet-evidencebased.nl/images/pdfs/multidisciplinaire_richtlijnen/aspecifieke_kans.pdf.
  • 128.KNMP. Handboek verminderde Nierfunctie. Doseringsadviezen voor geneesmiddelen. Den Haag: Geneesmiddel Informatie Centrum van Koninklijke Nederlandse Maatschappij ter bevordering der Pharmacie, KNMP, 2012.
  • 129.KNMP. Informatorium Medicamentorum. Den Haag: KNMP, 2015.
  • 130.Koffeman AR, Valkhoff VE, Celik S, Jong GW, Sturkenboom MC, Bindels PJ, et al. High-risk use of over-the-counter non-steroidal anti-inflammatory drugs: a population-based cross-sectional study. Br J Gen Pract 2014;64:e191-e8.
  • 131.Kopf A, Banzhaf A, Stein C. Perioperative management of the chronic pain patient. Best Pract Res Clin Anaesthesiol 2005;19:59-76.
  • 132.Kosinski M, Janagap C, Gajria K, Schein J, Freedman J. Pain relief and pain-related sleep disturbance with extended-release tramadol in patients with osteoarthritis. Curr Med Res Opin 2007;23:1615-26.
  • 133.Krijthe BP, Heeringa J, Hofman A, Franco OH, Stricker BH. Non-steroidal anti-inflammatory drugs and the risk of atrial fibrillation: a population-based follow-up study. BMJ Open 2014;4:e004059.
  • 134.Kroenke K, Bair MJ, Damush TM, Wu J, Hoke S, Sutherland J, et al. Optimized antidepressant therapy and pain self-management in primary care patients with depression and musculoskeletal pain: a randomized controlled trial. JAMA 2009;301:2099-110.
  • 135.Kurth T, Glynn RJ, Walker AM, Rexrode KM, Buring JE, Stampfer MJ, et al. Analgesic use and change in kidney function in apparently healthy men. Am J Kidney Dis. 2003;42:234-44.
  • 136.Kvalsvik O, Borchgrevink PC, Hagen L, Dale O. Randomized, double-blind, placebo-controlled study of the effect of rectal paracetamol on morphine consumption after abdominal hysterectomy. Acta Anaesthesiol Scand 2003;47:451-6.
  • 137.Lai KC, Chu KM, Hui WM, Wong BC, Hu WH, Wong WM, et al. Celecoxib compared with lansoprazole and naproxen to prevent gastrointestinal ulcer complications. Am J Med 2005;118:1271-8.
  • 138.Lam VY, Wallace M, Schulteis G. Effects of lidocaine patch on intradermal capsaicin-induced pain: a double-blind, controlled trial. J Pain 2011;12:323-30.
  • 139.Laporte JR, Ibanez L, Vidal X, Vendrell L, Leone R. Upper gastrointestinal bleeding associated with the use of NSAIDs: newer versus older agents. Drug Saf 2004;27:411-20.
  • 140.Lareb. Anafylactische reacties op NSAID’s (2005). Nederlands bijwerkingen centrum Lareb. http://www.lareb.nl/LarebCorporateWebsite/media/publicaties/Anafylactische-reacties-op-NSAID-s.pdf.
  • 141.Lasko B, Levitt RJ, Rainsford KD, Bouchard S, Rozova A, Robertson S. Extended-release tramadol/paracetamol in moderate-to-severe pain: a randomized, placebo-controlled study in patients with acute low back pain. Curr Med Res Opin 2012;28:847-57.
  • 142.Latremoliere A, Woolf CJ. Central Sensitization: A Generator of Pain Hypersensitivity by Central Neural Plasticity. J Pain 2009;10:895-926.
  • 143.Launay-Vacher V, Karie S, Fau JB, Izzedine H, Deray G. Treatment of pain in patients with renal insufficiency: the World Health Organization three-step ladder adapted. J Pain 2005;6:137-48.
  • 144.Leaver AM, Refshauge KM, Maher CG, McAuley JH. Conservative interventions provide short-term relief for non-specific neck pain: a systematic review. J Physiother 2010;56:73-85.
  • 145.Lee JY, Simon RA, Stevenson DD. Selection of aspirin dosages for aspirin desensitization treatment in patients with aspirin-exacerbated respiratory disease. J Allergy Clin Immunol 2007;119:157-64.
  • 146.Lee YC, Chen PP. A review of SSRIs and SNRIs in neuropathic pain. Expert Opin Pharmacother 2010;11:2813-25.
  • 147.Leresche L. Defining gender disparities in pain management. Clin Orthop Relat Res 2011;469:1871-7.
  • 148.Likar R, Krainer B, Sittl R. Challenging the equipotency calculation for transdermal buprenorphine: four case studies. Int J Clin Pract 2008;62:152-6.
  • 149.Lin EH, Katon W, Von Korff M, Tang L, Williams JW, Jr., Kroenke K, et al. Effect of improving depression care on pain and functional outcomes among older adults with arthritis: a randomized controlled trial. JAMA 2003;290:2428-9.
  • 150.Lipworth L, Friis S, Mellemkjaer L, Signorello LB, Johnsen SP, Nielsen GL, et al. A population-based cohort study of mortality among adults prescribed paracetamol in Denmark. J Clin Epidemiol 2003;56:796-801.
  • 151.Louw A, Diener I, Butler DS, Puentedura EJ. The effect of neuroscience education on pain, disability, anxiety, and stress in chronic musculoskeletal pain. Arch Phys Med Rehabil 2011;92:2041-56.
  • 152.Lunn MP, Hughes RA, Wiffen PJ. Duloxetine for treating painful neuropathy, chronic pain or fibromyalgia. Cochrane Database Syst Rev 2014;1:CD007115.
  • 153.Macea DD, Gajos K, Daglia Calil YA, Fregni F. The efficacy of Web-based cognitive behavioral interventions for chronic pain: a systematic review and meta-analysis. J Pain 2010;11:917-29.
  • 154.Macedo LG, Smeets RJ, Maher CG, Latimer J, Mcauley JH. Graded activity and graded exposure for persistent nonspecific low back pain: a systematic review. Phys Ther 2010;90:860-79.
  • 155.Machado GC, Maher CG, Ferreira PH, Pinheiro MB, Lin CW, Day RO, et al. Efficacy and safety of paracetamol for spinal pain and osteoarthritis: systematic review and meta-analysis of randomised placebo controlled trials. BMJ 2015;350:h1225.
  • 156.Maltoni M, Scarpi E, Modonesi C, Passardi A, Calpona S, Turriziani A, et al. A validation study of the WHO analgesic ladder: a two-step vs three-step strategy. Support Care Cancer 2005;13:888-94.
  • 157.Marinangeli F, Ciccozzi A, Leonardis M, Aloisio L, Mazzei A, Paladini A, et al. Use of strong opioids in advanced cancer pain: a randomized trial. J Pain Symptom Manage 2004;27:409-16.
  • 158.Marinko LN, Chacko JM, Dalton D, Chacko CC. The effectiveness of therapeutic exercise for painful shoulder conditions: a meta-analysis. J Shoulder Elbow Surg 2011;20:1351-9.
  • 159.Massey T, Derry S, Moore RA, Mcquay HJ. Topical NSAIDs for acute pain in adults. Cochrane Database Syst Rev 2010:CD007402.
  • 160.McNicol ED, Midbari A, Eisenberg E. Opioids for neuropathic pain. Cochrane Database Syst Rev 2013;8:CD006146.
  • 161.McQuay H. Opioids in pain management. Lancet 1999;353:2229-32.
  • 162.Meeks TW, Dunn LB, Kim DS, Golshan S, Sewell DD, Atkinson JH, et al. Chronic pain and depression among geriatric psychiatry inpatients. Int J Geriatr Psychiatry 2008;23:637-42.
  • 163.Meeus M, Nijs J, Hamers V, Ickmans K, Oosterwijck JV. The efficacy of patient education in whiplash associated disorders: a systematic review. Pain Physician 2012;15:351-61.
  • 164.Melloh M, Elfering A, Egli Presland C, Roeder C, Barz T, Rolli Salathe C, et al. Identification of prognostic factors for chronicity in patients with low back pain: a review of screening instruments. Int Orthop 2009;33:301-13.
  • 165.Mercadante S, Fulfaro F. Alternatives to oral opioids for cancer pain. Oncology (Williston.Park) 1999;13:215-20, 25.
  • 166.Mercadante S, Caraceni A. Conversion ratios for opioid switching in the treatment of cancer pain: a systematic review. Palliat Med 2011;25:504-15.
  • 167.Merskey H, Bogduk N. Classification of Chronic Pain. (1994). IASP Task Force on Taxonomy. http://www.iasp-pain.org/files/Content/ContentFolders/Publications2/FreeBooks/Classification-of-Chronic-Pain.pdf.
  • 168.Michaleff ZA, Maher CG, Lin CW, Rebbeck T, Jull G, Latimer J, et al. Comprehensive physiotherapy exercise programme or advice for chronic whiplash (PROMISE): a pragmatic randomised controlled trial. Lancet 2014;384:133-41.
  • 169.Miller J, Gross A, D’sylva J, Burnie SJ, Goldsmith CH, Graham N, et al. Manual therapy and exercise for neck pain: a systematic review. Man Ther 2010;15:334-54.
  • 170.Miller M, Sturmer T, Azrael D, Levin R, Solomon DH. Opioid analgesics and the risk of fractures in older adults with arthritis. J Am Geriatr Soc 2011;59:430-8.
  • 171.Moore RA, Straube S, Wiffen PJ, Derry S, Mcquay HJ. Pregabalin for acute and chronic pain in adults. Cochrane Database Syst Rev 2009:CD007076.
  • 172.Moore RA, Derry S, Aldington D, Cole P, Wiffen PJ. Amitriptyline for neuropathic pain and fibromyalgia in adults. Cochrane Database Syst Rev 2012;12:CD008242.
  • 173.Moore RA, Wiffen PJ, Derry S, Toelle T, Rice AS. Gabapentin for chronic neuropathic pain and fibromyalgia in adults. Cochrane Database Syst Rev 2014;4:CD007938.
  • 174.Moseley L. Unraveling the barriers to reconceptualization of the problem in chronic pain: the actual and perceived ability of patients and health professionals to understand the neurophysiology. J Pain 2003;4:184-9.
  • 175.Moseley GL. Evidence for a direct relationship between cognitive and physical change during an education intervention in people with chronic low back pain. Eur J Pain 2004;8:39-45.
  • 176.Neubauer E, Junge A, Pirron P, Seemann H, Schiltenwolf M. HKF-R 10 - screening for predicting chronicity in acute low back pain (LBP): a prospective clinical trial. Eur J Pain 2006;10:559-66.
  • 177.NICE. Osteoarthritis. Care and management in adults (2014). http://www.nice.org.uk/guidance/cg177/resources/guidance-osteoarthritis-pdf.
  • 178.Nicholson AB. Methadone for cancer pain. Cochrane Database Syst Rev 2007:CD003971.
  • 179.Niesters M, Dahan A, Kest B, Zacny J, Stijnen T, Aarts L, et al. Do sex differences exist in opioid analgesia? A systematic review and meta-analysis of human experimental and clinical studies. Pain 2010;151:61-8.
  • 180.Nijs J, Van Wilgen PC, Van Oosterwijck J, Van Ittersum M, Meeus M. How to explain central sensitization to patients with ‘unexplained’ chronic musculoskeletal pain: practice guidelines. Man Ther 2011;16:413-8.
  • 181.NKFK. Kinderformularium (2015). Nederlandse Vereniging voor Farmacotherapie bij kinderen. https://www.kinderformularium.nl.
  • 182.Noble M, Treadwell JR, Tregear SJ, Coates VH, Wiffen PJ, Akafomo C, et al. Long-term opioid management for chronic noncancer pain. Cochrane Database Syst Rev 2010:CD006605.
  • 183.Norrbrink C, Lundeberg T. Tramadol in neuropathic pain after spinal cord injury: a randomized, double-blind, placebo-controlled trial. Clin J Pain 2009;25:177-84.
  • 184.NVA. Artsenwijzer Pijn (2014). Nederlandse Vereniging voor Anesthesiologie. http://www.anesthesiologie.nl/aandachtsgebieden/pijngeneeskunde.
  • 185.Oesch P, Kool J, Hagen KB, Bachmann S. Effectiveness of exercise on work disability in patients with non-acute non-specific low back pain: Systematic review and meta-analysis of randomised controlled trials. J Rehabil Med 2010;42:193-205.
  • 186.Oldenkamp I, Brouwers JRBJ, Van Valkenhoef G, Jansen PaF, Van Roon EN. NSAID’s Geneesmiddelbeoordeling voor de kwetsbare oude patiënt in het Farmacotherapeutisch Kompas. Herziene versie 2.1. (2014). http://ephor.artsennet.nl/web/file?uuid=45aa800f-fbe5-4b51-a6ca-382007256ea2 &owner=01727ffe-989b-4627-9db0-514fef33ff6a.
  • 187.Paller CJ, Campbell CM, Edwards RR, Dobs AS. Sex-based differences in pain perception and treatment. Pain Med 2009;10:289-99.
  • 188.Panneman M, Herings RM. Kengetallen NSAID-gerelateerde gastro-intestinale morbiditeit en mortaliteit. Pharmo Institute, 2001.
  • 189.Park KS, Choi JJ, Kim WU, Min JK, Park SH, Cho CS. The efficacy of tramadol/acetaminophen combination tablets (Ultracet(R)) as add-on and maintenance therapy in knee osteoarthritis pain inadequately controlled by nonsteroidal anti-inflammatory drug (NSAID). Clin Rheumatol. 2012;31:317-23.
  • 190.Pascual ML, Fleming RR, Gana TJ, Vorsanger GJ. Open-label study of the safety and effectiveness of long-term therapy with extended-release tramadol in the management of chronic nonmalignant pain. Curr Med Res Opin 2007;23:2531-42.
  • 191.Patel KC, Gross A, Graham N, Goldsmith CH, Ezzo J, Morien A, et al. Massage for mechanical neck disorders. Cochrane Database Syst Rev 2012;9:CD004871.
  • 192.Pergolizzi J, Boger RH, Budd K, Dahan A, Erdine S, Hans G, et al. Opioids and the management of chronic severe pain in the elderly: consensus statement of an International Expert Panel with focus on the six clinically most often used World Health Organization Step III opioids (buprenorphine, fentanyl, hydromorphone, methadone, morphine, oxycodone). Pain Pract 2008;8:287-313.
  • 193.Pergolizzi J, Aloisi AM, Dahan A, Filitz J, Langford R, Likar R, et al. Current knowledge of buprenorphine and its unique pharmacological profile. Pain Pract 2010;10:428-50.
  • 194.Perrott DA, Piira T, Goodenough B, Champion GD. Efficacy and safety of acetaminophen vs ibuprofen for treating children’s pain or fever: a meta-analysis. Arch Pediatr Adolesc Med 2004;158:521-6.
  • 195.Phillips TJ, Cherry CL, Cox S, Marshall SJ, Rice AS. Pharmacological treatment of painful HIV-associated sensory neuropathy: a systematic review and meta-analysis of randomised controlled trials. PLoS One 2010;5:e14433.
  • 196.Pierce CA, Voss B. Efficacy and safety of ibuprofen and acetaminophen in children and adults: a meta-analysis and qualitative review. Ann Pharmacother 2010;44:489-506.
  • 197.Posadzki P, Ernst E, Terry R, Lee MS. Is yoga effective for pain? A systematic review of randomized clinical trials. Complement Ther Med 2011a;19:281-7.
  • 198.Posadzki P, Ernst E. Yoga for low back pain: a systematic review of randomized clinical trials. Clin Rheumatol 2011b;30:1257-62.
  • 199.Posadzki P, Lewandowski W, Terry R, Ernst E, Stearns A. Guided imagery for non-musculoskeletal pain: a systematic review of randomized clinical trials. J Pain Symptom Manage 2012;44:95-104.
  • 200.Quigley C. Opioid switching to improve pain relief and drug tolerability. Cochrane Database Syst Rev 2004:CD004847.
  • 201.Rahme E, Pettitt D, Lelorier J. Determinants and sequelae associated with utilization of acetaminophen versus traditional nonsteroidal antiinflammatory drugs in an elderly population. Arthritis Rheum 2002;46:3046-54.
  • 202.Rahme E, Barkun A, Nedjar H, Gaugris S, Watson D. Hospitalizations for upper and lower GI events associated with traditional NSAIDs and acetaminophen among the elderly in Quebec, Canada. Am J Gastroenterol 2008;103:872-82.
  • 203.Regieraad Kwaliteit van Zorg. Chronische pijn (2011). http://www.dutchpainsociety.nl/files/rapport-regieraad-chronischepijn-2011.pdf.
  • 204.Roberts E, Delgado Nunes V, Buckner S, Latchem S, Constanti M, Miller P, et al. Paracetamol: not as safe as we thought? A systematic literature review of observational studies. Ann Rheum Dis 2015.
  • 205.Roelofs PD, Deyo RA, Koes BW, Scholten RJ, Van Tulder MW. Non-steroidal anti-inflammatory drugs for low back pain. Cochrane Database Syst Rev 2008:CD000396.
  • 206.Rostom A, Dube C, Wells G, Tugwell P, Welch V, Jolicoeur E, et al. Prevention of NSAID-induced gastroduodenal ulcers. Cochrane Database Syst Rev 2002:CD002296.
  • 207.Rubinstein SM, Van Middelkoop M, Assendelft WJ, De Boer MR, Van Tulder MW. Spinal manipulative therapy for chronic low-back pain: an update of a Cochrane review. Spine (Phila Pa 1976) 2011;36:E825-E46.
  • 208.Ruehlman LS, Karoly P, Enders C. A randomized controlled evaluation of an online chronic pain self management program. Pain 2012;153:319-30.
  • 209.Scherder E, Van Manen F. Pain in Alzheimer’s disease: nursing assistants’ and patients’ evaluations. J Adv Nurs 2005;52:151-8.
  • 210.Schieir O, Thombs BD, Hudson M, Taillefer S, Steele R, Berkson L, et al. Symptoms of depression predict the trajectory of pain among patients with early inflammatory arthritis: a path analysis approach to assessing change. J Rheumatol 2009;36:231-9.
  • 211.Schjerning Olsen AM, Gislason GH, Mcgettigan P, Fosbol E, Sorensen R, Hansen ML, et al. Association of NSAID use with risk of bleeding and cardiovascular events in patients receiving antithrombotic therapy after myocardial infarction. JAMA 2015;313:805-14.
  • 212.Scudds RJ, Ostbye T. Pain and pain-related interference with function in older Canadians: the Canadian Study of Health and Aging. Disabil Rehabil 2001;23:654-64.
  • 213.Silverstein FE, Faich G, Goldstein JL, Simon LS, Pincus T, Whelton A, et al. Gastrointestinal toxicity with celecoxib vs nonsteroidal anti-inflammatory drugs for osteoarthritis and rheumatoid arthritis: the CLASS study: a randomized controlled trial. Celecoxib Long-term Arthritis Safety Study. JAMA 2000;284:1247-55.
  • 214.Sommer M, De Rijke JM, Van Kleef M, Kessels AGH, Peters ML, Geurts JWJM, et al. The prevalence of postoperative pain in a sample of 1490 surgical inpatients. Eur J Anaesthesiol 2008;25:267-74.
  • 215.Southey ER, Soares-Weiser K, Kleijnen J. Systematic review and meta-analysis of the clinical safety and tolerability of ibuprofen compared with paracetamol in paediatric pain and fever. Curr Med Res Opin 2009;25:2207-22.
  • 216.Spiegel BM, Farid M, Dulai GS, Gralnek IM, Kanwal F. Comparing rates of dyspepsia with Coxibs vs NSAID+PPI: a meta-analysis. Am J Med 2006;119:448-36.
  • 217.Standaert CJ, Friedly J, Erwin MW, Lee MJ, Rechtine G, Henrikson NB, et al. Comparative effectiveness of exercise, acupuncture, and spinal manipulation for low back pain. Spine (Phila Pa 1976) 2011;36:S120-S30.
  • 218.Standing JF, Savage I, Pritchard D, Waddington M. Diclofenac for acute pain in children. Cochrane Database Syst Rev 2009:CD005538.
  • 219.Stevenson DD, Simon RA. Selection of patients for aspirin desensitization treatment. J Allergy Clin Immunol 2006;118:801-4.
  • 220.Stocker ME, Montgomery JE. Serum paracetamol concentrations in adult volunteers following rectal administration. Br J Anaesth 2001;87:638-40.
  • 221.Stocker ME, Montgomery JE. Rectal paracetamol dosages. A response to ‘Plasma paracetamol concentrations after different doses of rectal paracetamol in older children. A comparison of 1 g vs. 40 mg x kg(-1)’, Howell TK, Patel D, Anaesthesia 2003; 58: 69-72. Anaesthesia 2003;58:618.
  • 222.Thorne C, Beaulieu AD, Callaghan DJ, O’mahony WF, Bartlett JM, Knight R, et al. A randomized, double-blind, crossover comparison of the efficacy and safety of oral controlled-release tramadol and placebo in patients with painful osteoarthritis. Pain Res Manag 2008;13:93-102.
  • 223.Thorsell J, Finnes A, Dahl J, Lundgren T, Gybrant M, Gordh T, et al. A comparative study of 2 manual-based self-help interventions, acceptance and commitment therapy and applied relaxation, for persons with chronic pain. Clin J Pain 2011;27:716-23.
  • 224.Toms L, Mcquay HJ, Derry S, Moore RA. Single dose oral paracetamol (acetaminophen) for postoperative pain in adults. Cochrane Database Syst Rev 2008:CD004602.
  • 225.Torrance N, Smith BH, Bennett MI, Lee AJ. The epidemiology of chronic pain of predominantly neuropathic origin. Results from a general population survey. J Pain 2006;7:281-9.
  • 226.Towheed TE, Maxwell L, Judd MG, Catton M, Hochberg MC, Wells G. Acetaminophen for osteoarthritis. Cochrane Database Syst Rev 2006:CD004257.
  • 227.Tsui JI, Herman DS, Kettavong M, Anderson BJ, Stein MD. Escitalopram is associated with reductions in pain severity and pain interference in opioid dependent patients with depressive symptoms. Pain 2011;152:2640-4.
  • 228.Tunks ER, Crook J, Weir R. Epidemiology of chronic pain with psychological comorbidity: prevalence, risk, course, and prognosis. Can J Psychiatry 2008;53:224-34.
  • 229.United Nations. International covenant on economics, social and cultural rights (1976). http://www.ohchr.org/Documents/ProfessionalInterest/cescr.pdf.
  • 230.United Nations. Economic and social council (2000). http://www.un.org/documents/ecosoc/docs/2000/e2000-46.pdf.
  • 231.United Nations. Human Rights Council (2013). http://www.ohchr.org/Documents/HRBodies/HRCouncil/RegularSession/Session22/A-HRC-22-2_en.pdf.
  • 232.Ungprasert P, Srivali N, Wijarnpreecha K, Charoenpong P, Knight EL. Non-steroidal anti-inflammatory drugs and risk of venous thromboembolism: a systematic review and meta-analysis. Rheumatology (Oxford) 2014.
  • 233.Van den Bemt BJ, Benraad HB, Rasker JJ. Cardiovasculaire en gastro-intestinale risico’s bij selectieve en niet-selectieve NSAID’s. Ned Tijdschr Geneeskd 2007;151:1062-7.
  • 234.Van den Bemt PMLA, Tjwa ETTL, Van Oijen MGH. Cardiovasculaire en gastro-intestinale veiligheid van NSAID’s. Ned Tijdschr Geneeskd 2014;158:A7311.
  • 235.Van den Beuken-van Everdingen M, De Rijke JM, Kessels AG, Schouten HC, Van Kleef M, Patijn J. High prevalence of pain in patients with cancer in a large population-based study in The Netherlands. Pain 2007;132:312-20.
  • 236.Van der Giessen RN, Speksnijder CM, Helders PJ. The effectiveness of graded activity in patients with non-specific low-back pain: a systematic review. Disabil Rehabil 2012;34:1070-6.
  • 237.Van der Marel CD, Van Lingen RA, Pluim MA, Scoones G, Van Dijk M, Vaandrager JM, et al. Analgesic efficacy of rectal versus oral acetaminophen in children after major craniofacial surgery. Clin Pharmacol Ther 2001;70:82-90.
  • 238.Van Kleef M, Vreeling FW. Pijn en pijnbehandeling: een basaal onderwijscurriculum. Maastricht: Universitaire Pers;, 1999.
  • 239.Van Luijn JCF. Rapport. Uitstroomadvies Paracetamol-Codeïne (2012). http://www.zorginstituutnederland.nl/binaries/content/documents/zinl-www/documenten/publicaties/rapporten-en-standpunten/2012/1210-uitstroomadvies-paracetamol-codeine.
  • 240.Van Middelkoop M, Rubinstein SM, Verhagen AP, Ostelo RW, Koes BW, Van Tulder MW. Exercise therapy for chronic nonspecific low-back pain. Best Pract Res Clin Rheumatol 2010;24:193-204.
  • 241.Van Puijenbroek EP, Egberts AC, Meyboom RH, Leufkens HG. Different risks for NSAID-induced anaphylaxis. Ann Pharmacother 2002;36:24-9.
  • 242.Vecht CJ, Sillevis Smitt PA. Transdermale opioidtoediening: de pijnpleister. Ned Tijdschr Geneeskd 1997;141:821-3.
  • 243.Veehof MM, Oskam MJ, Schreurs KM, Bohlmeijer ET. Acceptance-based interventions for the treatment of chronic pain: a systematic review and meta-analysis. Pain 2011;152:533-42.
  • 244.Verenso. Multidisciplinaire richtlijn Pijn. Herkenning en behandeling van pijn bij kwetsbare ouderen. Deel 1, 2 en 3 (2011). http://www.verenso.nl/wat-doen-wij/vakinhoudelijke-producten/richtlijnen/pijn.
  • 245.Verhagen AP, Scholten-Peeters GG, Van Wijngaarden S, De Bie RA, Bierma-Zeinstra SM. Conservative treatments for whiplash. Cochrane Database Syst Rev 2007:CD003338.
  • 246.Vollaard EJ, Kramers CK, Brouwers JR. Interactie NSAID’s en acetylsalicylzuur genegeerd. Ned Tijdschr Geneeskd 2014;158:A7893.
  • 247.Vonkeman HE, Brouwers JR, Van de Laar MA. Understanding the NSAID related risk of vascular events. BMJ 2006;332:895-8.
  • 248.Vorsanger G, Xiang J, Jordan D, Farrell J. Post hoc analysis of a randomized, double-blind, placebo-controlled efficacy and tolerability study of tramadol extended release for the treatment of osteoarthritis pain in geriatric patients. Clin Ther 2007;29 S:2520-35.
  • 249.Vorsanger GJ, Xiang J, Gana TJ, Pascual ML, Fleming RR. Extended-release tramadol (tramadol ER) in the treatment of chronic low back pain. J Opioid Manag 2008;4:87-97.
  • 250.Wang W, Sun YH, Wang YY, Wang YT, Wang W, Li YQ, et al. Treatment of functional chest pain with antidepressants: a meta-analysis. Pain Physician 2012;15:E131-42.
  • 251.Watson CP, Gilron I, Sawynok J. A qualitative systematic review of head-to-head randomized controlled trials of oral analgesics in neuropathic pain. Pain Res Manag 2010;15:147-57.
  • 252.Werner P, Cohen-Mansfield J, Watson V, Pasis S. Pain in participants of adult day care centers: assessment by different raters. J Pain Symptom Manage 1998;15:8-17.
  • 253.Wetherell JL, Afari N, Rutledge T, Sorrell JT, Stoddard JA, Petkus AJ, et al. A randomized, controlled trial of acceptance and commitment therapy and cognitive-behavioral therapy for chronic pain. Pain 2011;152:2098-107.
  • 254. Whittle BJ. COX-1 and COX-2 products in the gut: therapeutic impact of COX-2 inhibitors. GUT 2000;47:320-5.
  • 255.WHO. Cancer pain relief (1986). World Health Organization. http://apps.who.int/iris/bitstream/10665/43944/1/9241561009_eng.pdf?ua=1.
  • 256.Wienecke T, Gotzsche PC. Paracetamol versus nonsteroidal anti-inflammatory drugs for rheumatoid arthritis. Cochrane Database Syst Rev 2004:CD003789.
  • 257.Wiffen PJ, Derry S, Moore RA, Kalso EA. Carbamazepine for chronic neuropathic pain and fibromyalgia in adults. Cochrane Database Syst Rev 2014;4:CD005451.
  • 258.Williams AC, Eccleston C, Morley S. Psychological therapies for the management of chronic pain (excluding headache) in adults. Cochrane Database Syst Rev 2012;11:CD007407.
  • 259.WMA. Resolution on the access to adequate pain treatment (2011). World Medical Association. http://www.wma.net/en/30publications/10policies/p2/index.html.pdf?print-media-type&footer-right=[page]/[toPage].
  • 260.Wolfe MM, Lichtenstein DR, Singh G. Gastrointestinal toxicity of nonsteroidal antiinflammatory drugs. N Engl J Med 1999;340:1888-99.
  • 261.Wolff RF, Aune D, Truyers C, Hernandez AV, Misso K, Riemsma R, et al. Systematic review of efficacy and safety of buprenorphine versus fentanyl or morphine in patients with chronic moderate to severe pain. Curr Med Res Opin 2012;28:833-45.
  • 262.Wong T, Stang AS, Ganshorn H, Hartling L, Maconochie IK, Thomsen AM, et al. Combined and alternating paracetamol and ibuprofen therapy for febrile children. Cochrane Database Syst Rev 2013;10:CD009572.
  • 263.Woolf CJ. Central sensitization: Implications for the diagnosis and treatment of pain. Pain 2011;152:S2-S15.
  • 264.Yeomans ND, Tulassay Z, Juhasz L, Racz I, Howard JM, Van Rensburg CJ, et al. A comparison of omeprazole with ranitidine for ulcers associated with nonsteroidal antiinflammatory drugs. Acid Suppression Trial: Ranitidine versus Omeprazole for NSAID-associated Ulcer Treatment (ASTRONAUT) Study Group. N.Engl J Med 1998;338:719-26.
  • 265.Zeppetella G, Davies AN. Opioids for the management of breakthrough pain in cancer patients. Cochrane Database Syst Rev 2013;10:CD004311.
  • 266.Zorginstituut Nederland. Farmacotherapeutisch Kompas (2015). https://www.farmacotherapeutischkompas.nl.

Reacties

Er zijn nog geen reacties

Verder lezen