NHG richtlijn

NHG-Standaard Psoriasis (derde herziening)

0 reacties

Samenvatting

NHG Guideline Psoriasis

Van Peet PG, Spuls PhI, Ek JW, Lantinga H, Lecluse LLA, Oosting AJ, Visser HS, Burgers JS, Geijer RMM, Kolnaar BGM, Eizenga WH. Dutch College of General Practitioners’ guideline Psoriasis (third revision). Huisarts Wet 2014;57(3):128-35.
The Dutch College of General Practitioners’ guideline “Psoriasis” provides recommendations for the diagnosis and treatment of psoriasis in general practice. The guideline also covers the diagnosis of the nail abnormalities and arthritis that can accompany psoriasis.
Psoriasis is a chronic disorder that can have a major impact on quality of life.
The treatment of plaque psoriasis and guttate psoriasis is symptomatic. Patients with a mild psoriasis can often be treated adequately with a topical cream or ointment. In shared decision making the patient and the general practitioner should draw up a care plan detailing treatment preferences and treatment aims.
The guideline recommends that emollients should be used continuously in patients with psoriasis. A stepwise treatment, using topical creams or ointments, is recommended once the scaly patches have cleared.
In adults with body and scalp psoriasis (except the face and skin folds), once daily treatment with a class 3 corticosteroid is the first step in the treatment. If this proves insufficiently effective, the next step is to combine a vitamin D analogue with a class 3 corticosteroid, both administered once daily. The third step is a class 4 corticosteroid once daily.
In adults with inverse (flexural) or facial psoriasis and in children, the first treatment step is a class 2 corticosteroid once daily, followed by combined treatment with a vitamin D analogue and a class 2 corticosteroid, both once daily, if a class 2 corticosteroid alone is insufficiently effective. The guideline provides recommendations and advice about long-term treatment if the disease goes into remission. It also provides indications when patients should be referred to a dermatologist.
If treatment aims are not or poorly achieved with topical treatment given according to the treatment plan, the patient should be referred for specialist treatment. The guideline also adresses aspects that the general practitioner should bear in mind if the patient receives systemic treatment in secondary care.
Belangrijkste wijzigingen
  • De invloed van psoriasis op de kwaliteit van leven en het bespreken van de behandeldoelen krijgen meer aandacht.
  • Het stappenplan bij de behandeling is aangepast, omdat calcipotriol als monopreparaat anno 2014 niet meer verkrijgbaar is. Ditranol wordt voor gebruik in de eerste lijn niet meer aanbevolen.
  • Patiënten bij wie > 5% van het lichaamsoppervlak is aangedaan worden verwezen (in de vorige versie > 10%).
  • De samenwerking tussen huisarts en dermatoloog krijgt meer aandacht.
  • De gevolgen van de tweedelijns systemische behandeling waar de huisarts rekening mee moet houden worden besproken.

Kernboodschappen
  • Bij de bepaling van de ernst van psoriasis spelen zowel de uitgebreidheid van de huidafwijkingen als de invloed op de kwaliteit van leven een rol. Stel samen met de patiënt het behandeldoel vast waarin beide elementen tot uiting komen.
  • Geen enkele behandeling geeft definitieve genezing. Lokale behandeling geeft een (bijna) volledige – maar meestal tijdelijke – remissie bij maximaal de helft van de patiënten.
  • Behandel volgens een stappenplan; bij volwassenen: start bij laesies op de romp of extremiteiten met een klasse-3-corticosteroïd en bij laesies in lichaamsplooien of gelaat met een klasse-2-corticosteroïd. Combineer dit bij onvoldoende effect met een vitamine-D-analoog.
  • Geef bij psoriasis altijd een indifferent middel als basisbehandeling.
  • Als een remissie of het maximaal haalbare behandeldoel is bereikt, zal minder frequente of minder intensieve onderhoudsbehandeling vaak nodig blijven.
  • Bij onvoldoende effect van lokale behandeling kan in de tweede lijn intensievere lokale behandeling, lichttherapie of systemische behandeling worden toegepast.

Inbreng van de patiënt

De NHG-Standaarden geven richtlijnen voor het handelen van de huisarts; de rol van de huisarts staat dan ook centraal. Daarbij geldt echter altijd dat factoren van de kant van de patiënt het beleid mede bepalen. Om praktische redenen komt dit uitgangspunt niet telkens opnieuw in de richtlijn aan de orde, maar wordt het hier expliciet vermeld. De huisarts stelt waar mogelijk het beleid vast in samenspraak met de patiënt, met inachtneming van diens specifieke omstandigheden en met erkenning van diens eigen verantwoordelijkheid, waarbij adequate voorlichting een voorwaarde is.

Afweging door de huisarts

Het persoonlijk inzicht van de huisarts is uiteraard bij alle richtlijnen een belangrijk aspect. Afweging van de relevante factoren in de concrete situatie zal beredeneerd afwijken van het hierna beschreven beleid kunnen rechtvaardigen. Dat laat onverlet dat deze standaard bedoeld is om te fungeren als maat en houvast.

Delegeren van taken

NHG-Standaarden bevatten richtlijnen voor huisartsen. Dit betekent niet dat de huisarts alle genoemde taken persoonlijk moet verrichten. Sommige taken kunnen worden gedelegeerd aan de praktijkassistente, praktijkondersteuner of praktijkverpleegkundige, mits zij worden ondersteund door duidelijke werkafspraken, waarin wordt vastgelegd in welke situaties de huisarts moet worden geraadpleegd en mits de huisarts toeziet op de kwaliteit. Omdat de feitelijke keuze van de te delegeren taken sterk afhankelijk is van de lokale situatie, bevatten de standaarden daarvoor geen concrete aanbevelingen.

Inleiding

De NHG-Standaard Psoriasispsoriasis geeft richtlijnen voor diagnostiek en behandeling van psoriasis bij volwassenen en kinderen. Psoriasis is een chronische huidaandoening die gepaard kan gaan met nagelafwijkingen en/of gewrichtsklachten. De standaard bespreekt tevens de diagnostiek van nagelafwijkingen en gewrichtsklachten, maar de behandeling hiervan valt buiten het bestek van de standaard. Voor de behandeling van gewrichtsklachten wordt verwezen naar de NHG-Standaard Artritis.
De uitgebreidheid van psoriasis varieert van enkele solitaire laesies tot een (zeldzaam voorkomende) uitgebreide erytrodermie. De invloed op de kwaliteit van leven is vaak groot en is niet altijd gerelateerd aan de objectief vastgestelde ernst van de aandoening.1
Diagnostiek en behandeling kunnen veelal in de eerste lijn plaatsvinden. De huisarts kan patiënten met een lichte vorm van psoriasis in het algemeen goed behandelen met lokale middelen. Adequate voorlichting en begeleiding zijn essentieel voor het welslagen van de behandeling. De standaard stelt een stapsgewijze behandeling voor. De behandeladviezen sluiten aan op de richtlijn van de Nederlandse Vereniging voor Dermatologie en Venereologie.2

Achtergronden

Begrippen

Psoriasis kent verschillende verschijningsvormen.
Psoriasis en plaquepsoriasis en plaque (psoriasis vulgarispsoriasis vulgaris) is zowel bij kinderen als bij volwassenen de meest voorkomende uitingsvorm van psoriasis (bij naar schatting 90% van de patiënten) die wordt gekenmerkt door meestal symmetrisch verdeelde rode, scherp begrensde, plaques met zilvergrijze schilfers die zich gemakkelijk laten verwijderen. De plaques variëren in grootte en kunnen conflueren. Jeuk treedt vooral op bij het ontstaan van de laesies. Bij kinderen zijn de plaques vaak dunner en jeuken meer dan bij volwassenen. Bij een donkere huid is de roodheid minder goed waarneembaar, maar zijn de andere klinische kenmerken hetzelfde. Voorkeurslokalisaties zijn de strekzijden van de ellebogen en knieën, de behaarde hoofdhuid en de lumbosacrale regio. Soms ontstaan plaques, veelal zonder schilfering, in de liezen, oksels, in de anogenitale regio of (bij vrouwen) in de submammaire regio (psoriasis inversa psoriasis inversa). De plaques komen zelden in het gelaat voor. Naast de lokalisatie en de impact op de kwaliteit van leven bepaalt de uitgebreidheid van de huidafwijkingen of er sprake is van een lichte, een matig ernstige of een ernstige vorm, waarbij respectievelijk &lt 5%, 5 tot 10% of > 10% van het lichaamsoppervlak is aangedaan.3
Een zeldzame vorm van psoriasis is erytrodermie erytrodermie, een diffuse, gegeneraliseerde roodheid met al dan niet uitgebreide schilfering.4 Na genezing van een psoriasislaesie ontstaat een gehyperpigmenteerd of gehypopigmenteerd gebied, dat langzaam weer normaliseert.4
Psoriasis guttata psoriasis guttata is een acute, (gegeneraliseerde) vorm van psoriasis, gekenmerkt door erythematosquameuze papels met een diameter van maximaal 1 cm, vooral op de romp en de proximale delen van de extremiteiten. Deze vorm komt vaker voor bij kinderen en bij jongvolwassenen.
Psoriasis pustulosa psoriasis pustulosa is een relatief zeldzame vorm van psoriasis met steriele pustels die kunnen conflueren. Deze vorm komt zowel lokaal (met name op handpalmen en voetzolen) als gegeneraliseerd voor, in het laatste geval soms vergezeld van koorts en algehele malaise.

Epidemiologie

De incidentie in de huisartsenpraktijk is ongeveer 2 per 1000 patiënten per jaar, en de prevalentie 7,6 per 1000 patiënten (LINH 2011). Bij jonge kinderen is de prevalentie laag (ongeveer 0,4 per 1000 patiënten per jaar).7 Er is geen relevant verschil in voorkomen tussen mannen en vrouwen. Psoriasis komt vaker voor bij blanken van Europese afkomst dan bij mensen van Afrikaanse of Aziatische afkomst. Psoriasis kan op iedere leeftijd ontstaan.

Etiologie en pathofysiologie

Over de etiologie en pathogenese van psoriasis bestaat nog veel onduidelijkheid. Verondersteld wordt dat het om een T-celgemedieerde aandoening gaat.8 Daarnaast spelen genetische en omgevingsfactoren een rol.9 Psoriasis kan geïnduceerd worden of verergeren door een verwonding, bijvoorbeeld op het werk; zeven tot veertien dagen na een verwonding kan op de aangedane plek een laesie ontstaan (Köbner-fenomeenKöbner-fenomeen).10 Zonlicht heeft in het algemeen een gunstige invloed.11
Geneesmiddelen zoals lithium, bètablokkers, RAS-remmers, terbinafine, antimalariamiddelen of NSAID’s kunnen een (zeer beperkte) rol spelen in de inductie of verergering van psoriasis.12 Streptokokkeninfecties kunnen een rol spelen bij het optreden van psoriasis guttata.13
Er lijkt een verband te bestaan tussen stress en het manifest worden en verergeren van psoriasis.14
Er is een epidemiologisch verband tussen roken en psoriasis en tussen alcoholgebruik en psoriasis; bij beide komt psoriasis vaker voor. Of roken en alcoholgebruik het risico op het ontstaan of verergeren van psoriasis verhogen, en of stoppen met roken of alcoholgebruik leidt tot verbetering van psoriasis, is nog onvoldoende onderzocht.15

Beloop

De huidafwijkingen bij psoriasis en plaque kunnen enkele weken tot levenslang aanwezig blijven. Een spontane remissie kan optreden, bij een klein aantal een totale remissie, maar het is onduidelijk hoe vaak dit voorkomt; de duur van de remissie valt niet te voorspellen.16 Ook de invloed van zwangerschap op het beloop van psoriasis is onvoorspelbaar.17
Psoriasis guttata geneest bij kinderen in de regel spontaan binnen enkele weken; bij volwassenen heeft deze vorm meestal een chronisch beloop, en gaat daarbij over in psoriasis en plaque.
Of psoriasis een risicofactor is voor hart- en vaatziekten is een onderwerp van discussie. Tot op heden is er onvoldoende bewijs voor een onafhankelijk oorzakelijk verband tussen psoriasis en hart- en vaatziekten.18

Richtlijnen diagnostiek

Anamnese

De huisarts gaat de volgende punten na:
  • de uitgebreidheid en lokalisatie van de huidafwijking(en) en nagelafwijkingen;
  • jeuk, branderigheid, pijn;
  • het beloop;
  • huidige behandeling en effect/ervaringen van eerdere behandelingen;
  • de invloed van trauma’s, zonlicht en een mogelijk verband met medicijngebruik, zoals bètablokkers, lithium, chloroquine/nivaquine, RAS-remmers, terbinafine of NSAID’s;
  • het voorkomen van psoriasis in de familie;
  • aanwezigheid van gewrichtsklachten of pijn rond de gewrichten, zie [kader Psoriasisgerelateerde aandoeningen].

Daarnaast informeert de huisarts naar de invloed van de klachten of beperkingen ten gevolge van de huidafwijkingen op:19
  • dagelijkse bezigheden (huishoudelijk werk);
  • werk of school/studie (beperkingen, verzuim);
  • persoonlijk vlak (omgang met relatie, vrienden, seksualiteit);
  • vrijetijdsbesteding.

Lichamelijk onderzoek

De huisarts bekijkt de door de patiënt aangegeven plekken, gaat na of er pustels aanwezig zijn, schat de totale uitgebreidheid van de afwijkingen in − de grootte van de handpalm komt ongeveer overeen met 1% van het huidoppervlak − en controleert:
  • de behaarde hoofdhuid (aanwezigheid schilfering en ernst schilfering) en de gehoorgangen; de strekzijden van de ellebogen en knieën;
  • de lumbosacrale, anogenitale en submammaire regio;
  • lichaamsplooien (oksels, bilnaad, liezen, navel).

Ook controleert de huisarts de nagels en onderzoekt bij gewrichtsklachten de betreffende gewrichten, zie [kader Psoriasisgerelateerde aandoeningen].
Bij twijfel aan de diagnose krabt de huisarts met een spatel over de laesie. Uit ervaring blijkt dat als de hoornlaag hierdoor witter wordt (‘kaarsvetfenomeenkaarsvetfenomeen’) dit de diagnose psoriasis ondersteunt.
Een biopsie, als aanvullend onderzoek, om de diagnose te bevestigen wordt niet aangeraden, omdat door beschadiging van de huid de psoriasis kan verergeren.

Evaluatie

  • Stel de diagnose psoriasis en plaque bij rode, scherp begrensde, verheven plekken met een zilvergrijze schilfering op de strekzijden van de knieën of ellebogen, het behaarde hoofd of in de lumbosacrale regio. Bij plaques (meestal zonder schilfering) in de liezen, oksels, in de anogenitale regio of (bij vrouwen) in de submammaire regio is sprake van psoriasis inversa.
  • Stel de diagnose psoriasis guttata bij acuut opgetreden en gegeneraliseerde erythematosquameuze papels met een diameter van maximaal 1 cm, vooral op de romp en de proximale delen van de extremiteiten.
  • Bepaal aan de hand van de uitgebreidheid van de huidafwijkingen of er sprake is van lichte ( 10%) psoriasis; de grootte van de handpalm komt ongeveer overeen met 1% van het huidoppervlak. Bespreek met de patiënt tevens de invloed van de huidafwijkingen op de kwaliteit van leven.
  • Bij twijfel kunnen aanwezigheid van het Köbner-fenomeen (zeven tot veertien dagen na een verwonding ontstaan van een laesie op de aangedane plek), het kaarsvetfenomeen (witter worden van de hoornlaag na krabben met een spatel over de laesie) of nagelafwijkingen de diagnose psoriasis waarschijnlijker maken.
  • Nagelafwijkingen of gewrichtsklachten kunnen gerelateerd zijn aan psoriasis, zie [kader Psoriasisgerelateerde aandoeningen].

Psoriasisgerelateerde aandoeningen

Artritis psoriatica artritis psoriatica. Psoriasis kan gepaard gaan met artritis. Schattingen over het voorkomen lopen uiteen van 5 tot 40%. Artritis psoriatica manifesteert zich meestal als een asymmetrische oligoartritis van de vingers, de tenen of de knieën. Bij een deel van de patiënten leidt deze artritis tot progressieve gewrichtsbeschadiging, met fysieke beperkingen tot gevolg.5
De huisarts informeert bij psoriasis daarom naar de aanwezigheid van gewrichtsklachten of pijn rond de gewrichten (welke gewrichten, beloop in de tijd, ochtendstijfheid).
Bij aanwezigheid van gewrichtsklachten onderzoekt de huisarts de betreffende gewrichten en let daarbij op de aanwezigheid van roodheid en zwelling, op bewegingsbeperking en op pijnlijkheid bij palpatie van de aanhechting van pezen of ligamenten in het bot.
Er is vermoedelijk sprake van artritis psoriatica bij asymmetrische oligo- of polyarticulaire gewrichtspijn in rust, gewrichtszwelling, warmte, roodheid, bewegingsbeperking en ochtendstijfheid langer dan een uur, die meestal in de vingers, de tenen of de knieën voorkomt. De artritis kan daarbij niet door een andere oorzaak verklaard worden (zie de NHG-Standaard Artritis).
Er is sprake van artralgie bij pijn rond (een) gewricht(en) als er (nog) geen aanwijzingen zijn voor een artritis.
Patiënten met (een vermoeden van) een artritis worden uiterlijk binnen 4 weken verwezen naar de reumatoloog. Patiënten met een artralgie, bij wie een NSAID na 4 weken onvoldoende effect heeft, worden eveneens verwezen naar de reumatoloog. De reumatoloog kan de juiste diagnose stellen en kan, wanneer er sprake is van artritis psoriatica, behandelen met systemische middelen waardoor toename van gewrichtsschade wordt vertraagd.
Nagelafwijkingen. Naar schatting 25 tot 50% van de patiënten met psoriasis heeft nagelafwijkingen zoals leukonychia (witte vlekken in de nagel), putjesnagels, subunguale hyperkeratose, distale onycholyse, splinterhemorrhagieën of bruine verkleuring van het nagelbed (‘olievlekfenomeenolievlekfenomeen’). Deze nagelafwijkingen kunnen lastig te behandelen zijn.6 Behandeling met systemische middelen door de dermatoloog kan tot duidelijke verbetering leiden, maar heeft vanwege de bijwerkingen een beperkte plaats. Voor patiënten met nagelpsoriasis die grote invloed heeft op de kwaliteit van leven is een verwijzing te overwegen.
Differentiaaldiagnostisch zijn de volgende aandoeningen van belang:
Pityriasis rosea: ovale, lichtrode erupties met een fijne schilfering. De erupties verschijnen meestal in een patroon dat de huidlijnen volgt.
Seborroïsch eczeem: meestal scherp begrensde roodheid met vettige, gelige schilfering, vooral op plaatsen waar veel talgklieren aanwezig zijn (behaarde hoofd, haargrens, nasolabiale plooien), bij jonge kinderen voornamelijk de behaarde hoofdhuid.
Nummulair eczeem: eczemateuze huidaandoening die zich manifesteert met ronde (‘nummulair’, ter grootte van een munt), matig scherp begrensde plekken.
Constitutioneel eczeem: eczemateuze huidaandoening op kenmerkende, leeftijdsafhankelijke plaatsen bij een droge huid en atopische constitutie.
Dermatomycose: zich centrifugaal uitbreidende, scherp begrensde roodheid met schilfering en randactiviteit, met meestal centrale genezing in gelaat, hals, romp, extremiteiten.
Onychomycose: witgele verkleuring van de nagelplaat, meestal vanuit de zijkant van de nagel naar proximaal uitbreidend, subunguale hyperkeratose, geen putjes.
Lichen planus: gekenmerkt door hoekige vlakke papeltjes, die meer op de buig- dan op de strekzijden gelokaliseerd zijn; soms zijn witte veldjes en fijne witte streepjes zichtbaar (striae van Wickham). Er is in eerste instantie geen schilfering aanwezig.
Cutane discoïde lupus erythematosus: huidafwijking bestaande uit vrij scherp begrensde, rode plekken met vastzittende schilfers meestal op de aan de zon blootgestelde huid (gezicht, armen en coeur).
Secundaire syfilis: vluchtige huidafwijkingen palmoplantair en op de romp (roseolen) met algemene klachten als koorts, hoofdpijn en een gegeneraliseerde lymfadenopathie; deze verschijnselen verdwijnen binnen drie maanden spontaan (zie de NHG-Standaard Het soa-consult).

Richtlijnen beleid

Voorlichting

De huisarts geeft informatie over de volgende aspecten.
  • Aandoening. Psoriasis is een chronische huidziekte met een genetische predispositie, waarvan de huidafwijkingen uitgelokt kunnen worden door omgevingsfactoren. Bij psoriasis is sprake van een versnelde verhoorning van de opperhuid door een onderliggend ontstekingsproces. Beschadiging van de huid en zonlicht zijn beïnvloedende factoren. Van sommige geneesmiddelen zijn er meldingen van een ongunstige werking op psoriasis. Het beloop van psoriasis gaat gepaard met exacerbaties en remissies. Psoriasis kan gepaard gaan met gewrichtsklachten en nagelafwijkingen. Psoriasis is geen besmettelijke aandoening, zoals sommige patiënten denken.
  • Bij psoriasis guttata wordt uitgelegd dat de aandoening bij kinderen soms spontaan binnen vier tot zes weken geneest. Recidieven komen zelden voor. Bij volwassenen heeft deze aandoening in de regel een meer chronisch beloop.
  • Roken en alcoholgebruik zijn geassocieerd met een verhoogd risico op psoriasis.
  • Erfelijkheid. Het risico op het krijgen van psoriasis is circa 10% als één ouder psoriasis heeft en ongeveer 50% als beide ouders psoriasis hebben.
  • Therapeutische mogelijkheden. Geen enkele behandeling geeft definitieve genezing. Indifferente middelen, lokale corticosteroïden en vitamine-D-analogen die op de aangedane huid worden aangebracht zijn in het algemeen de eerste stap in de behandeling en zijn effectief en veilig. Bij maximaal de helft van de patiënten treedt hiermee een aanzienlijke verbetering op of verdwijnen de afwijkingen, maar dit effect is meestal tijdelijk.
  • Bij onvoldoende effect kunnen in de tweede lijn intensievere vormen van lokale behandeling, lichttherapie of systemische middelen worden toegepast.20 Als een acceptabele remissie is bereikt, zal minder frequente of minder intensieve onderhoudsbehandeling vaak nodig blijven.
  • Kwaliteit van leven. In de dagelijkse praktijk bestaat een enorme variatie tussen de uitgebreidheid van psoriasis en de invloed op de kwaliteit van leven. De ernst van psoriasis wordt niet alleen bepaald door het percentage van het lichaamsoppervlak dat is aangetast, maar ook door de plaats waar de psoriasis zich manifesteert. Lokalisatie op met name handen, voeten, gelaat of genitale regio kan grote negatieve invloed hebben op het sociale functioneren (sportbeoefening, relaties) en kan invloed hebben op de beroepskeuze.
  • Sommige patiënten gaan op zoek naar alternatieve behandelmethoden. Het effect hiervan is onvoldoende onderzocht en onvoorspelbaar. Complementaire of alternatieve geneeswijzen kunnen ook bijwerkingen hebben.21

De huisarts wijst de patiënt op het bestaan van de Psoriasis Vereniging Nederland en de Psoriasis Federatie Nederland.22 In aansluiting op de gegeven mondelinge voorlichting kan de huisarts de patiënt verwijzen naar de informatie over psoriasis op de NHG-publiekswebsite www.thuisarts.nl of de betreffende tekst (voorheen NHG-Patiëntenbrief) meegeven (via het HIS). Deze patiënteninformatie is gebaseerd op de NHG-Standaard.

Niet-medicamenteuze behandeling

Wanneer de huidafwijkingen grote invloed hebben op de kwaliteit van leven van de patiënt, bespreekt de huisarts met de patiënt de mogelijkheden voor psychosociale ondersteuning (bijvoorbeeld praktijkondersteuner GGZ, maatschappelijk werk of psycholoog).

Medicamenteuze behandeling

De medicamenteuze behandeling van psoriasis en plaque en psoriasis guttata is symptomatisch en heeft tot doel om een aanzienlijke verbetering of verdwijnen van de huidafwijkingen te bewerkstelligen.
Er is voldoende bewijs voor de werkzaamheid van lokale behandeling met corticosteroïden en vitamine-D-analogen bij volwassenen. Veel praktische adviezen, zoals het verwijderen van de schilferlaag of het gebruik van indifferente middelen, berusten daarentegen op ervaring. Er is beperkt bewijs voor werkzaamheid van corticosteroïden en vitamine-D-analogen bij kinderen. Ook voor werkzaamheid van corticosteroïden en vitamine-D-analogen bij langer durend gebruik is het bewijs beperkt.
  • De therapiekeuze hangt af van de ernst, uitgebreidheid en lokalisatie van de laesies, van de leeftijd van de patiënt en van de door de patiënt ervaren last. Vanwege het chronische karakter van psoriasis bepalen eerdere ervaringen van de patiënt met de genoemde middelen mede de keuze.
  • Geef bij psoriasis en plaque altijd een indifferent middel als basisbehandeling en volg verder het stappenplan.
  • Wanneer een vermoeden van inductie of verergering van psoriasis door een geneesmiddel bestaat, beslist de huisarts in overleg met de patiënt of het betreffende geneesmiddel (op proef) wordt gestaakt of wordt gecontinueerd.

Voorkeursmiddelen

Voor de lokale behandeling zijn in Nederland de volgende middelen geregistreerd: ditranolditranol, koolteerkoolteer, lokale corticosteroïdencorticosteroïden 23 en vitamine-D-analogenvitamine-D-analogen.24 Voor gebruik in de eerste lijn gaat de voorkeur uit naar lokale corticosteroïden en vitamine-D-analogen. Vanwege de geur, de verkleuring van kleding en linnengoed en de voorzorgsmaatregelen die men moet treffen voor applicatie, worden teerpreparaten in de eerste lijn niet aangeraden, behalve de shampoo met koolteer voor de behaarde hoofdhuid.25
Ditranol wordt vanwege de bijwerkingen en de bewerkelijkheid van de toepassing in de eerste lijn niet meer aanbevolen.26 Topicale calcineurineremmerscalcineurineremmers (tacrolimus en pimecrolimus) zijn effectief gebleken bij de behandeling van psoriasis, maar zijn in Nederland hiervoor niet geregistreerd. Dermatologen passen calcineurineremmers − off-label − vooral toe bij psoriasis in het gelaat en in lichaamsplooien. Gebruik in de huisartsenpraktijk wordt afgeraden vanwege onzekerheid over de veiligheid op lange termijn.27

Applicatievorm

Bij de lokale behandeling heeft een zalfbasis de voorkeur omdat een zalf werkzamer lijkt te zijn dan andere bases, maar sommige patiënten vinden het prettiger een crème of gel te gebruiken. De voorkeur voor een zalfbasis is gebaseerd op ervaring. Naast het feit dat zalf minder snel intrekt, is die ook minder goed met water afwasbaar, dit in tegenstelling tot een crème. Voor toepassing op de behaarde hoofdhuid is een lotion of emulsie of gel het meest geschikt.28

Stapsgewijze behandeling

  • De huisarts stelt samen met de patiënt de behandelvoorkeur en de behandeldoelen op, waarbij aan de orde komen: ernst van de huidafwijkingen, invloed op de kwaliteit van leven, controles, de verwachtingen en de eigen inzichten van de patiënt en verandering van behandeling (ander therapieregime, verandering dosering) bij onvoldoende effect.
  • Na afweging van de voor- en nadelen van de behandeling kan de patiënt ook besluiten daarvan af te zien.
  • Als de patiënt instemt met behandeling, dan is uitleg en mondelinge en schriftelijke instructie over het smeren belangrijk voor een optimaal effect. Voor een hulpmiddel ter bepaling van de hoeveelheid te gebruiken zalf/crème per lichaamsdeel,29 uitgedrukt in het aantal vingertopeenheden, zie [tabel 1]. Voor de maximale weekdosering van vitamine-D-analogen en corticosteroïden, zie [tabel 2].
  • Volg vervolgens het onderstaande stappenplan [tabel 3],30 waarbij onderscheid wordt gemaakt tussen:
      • volwassenen met erupties op andere lokalisaties dan het gelaat of lichaamsplooien.
      • volwassenen met erupties in het gelaat of lichaamsplooien, en kinderen.

Tabel1Hoeveelheid te gebruiken crème of zalf per applicatie
Aantal vingertopeenheden* per keer smeren
LeeftijdHoofd en halsArm en handBeen en voetRomp (voorkant)Rug en billenHele lichaam
> 10 jaar2,54 (alleen hand: 1)8 (alleen voet: 2)7740,5
6-10 jaar22,54,53,5524,5
3-5 jaar1,52333,518
* een vingertopeenheidvingertopeenheid komt ongeveer overeen met 0,5 gram.
komt overeen met 140 gram zalf per week bij 1 dd smeren.

Basisbehandeling

Geef altijd een indifferent middel, zoals cetomacrogolzalf FNA, lanettezalf FNA, vaselinecetomacrogolcrème FNA, vaselinelanettecrème FNA, koelzalf FNA of cetomacrogolcrème FNA.31 De voorkeur van de patiënt speelt een belangrijke rol in de keuze van het indifferente middel. Uit ervaring blijkt dat een indifferent middel bij psoriasis een gunstig effect op de huid heeft (vermindering schilfering, versterking barrièrefunctie, hydratatie en vermindering irritatie). Breng het indifferente middel niet tegelijkertijd met een eventueel lokaal corticosteroïd of vitamine-D-analoog aan, maar bijvoorbeeld één uur of langer erna. Behandeling ter verwijdering van een schilferlaag is raadzaam, maar dient voorzichtig te gebeuren om beschadiging van de huid en daarmee een verhoogd risico op verergering van psoriasis te voorkomen.

Schilferlaag behaarde hoofdhuid

  • Bij lichte vormen van psoriasis op de behaarde hoofdhuid van volwassenen en kinderen kan de huisarts de behandeling beperken tot het voorschrijven van een koolteershampoo. De shampoo dient als volgt te worden toegepast: het haar natmaken, de shampoo inmasseren, ten minste dertig seconden laten inwerken, uitspoelen; dit aansluitend nog eenmaal herhalen. Dit dient de eerste tien dagen iedere twee dagen te gebeuren, daarna ten minste twee of drie maal per week, totdat het resultaat minder frequente behandeling toelaat. Tijdens een dergelijke behandeling kan een gewone shampoo gebruikt worden om het haar te wassen.
  • Gebruik bij een dikke schilferlaag op de behaarde hoofdhuid salicylzuur 10% in lanettesmeersel FNA, ’s avonds aanbrengen, totdat de schilferlaag is verdwenen (meestal binnen 2 tot 3 dagen); ’s ochtends de schilfers door kammen voorzichtig verwijderen en daarna het haar uitwassen met gewone shampoo en vervolgens wassen met koolteershampoo.
  • Pas bij zeer dikke schilferlagen op de behaarde hoofdhuid een basisvet als cetomacrogolzalf FNA met 25% cetiol V toe om de schilferlaag te verweken, ’s avonds aanbrengen en ’s ochtends de schilfers door kammen voorzichtig verwijderen en daarna het haar uitwassen met gewone shampoo en ten slotte wassen met koolteershampoo.

Schilferlaag elders op het lichaam

  • Gebruik bij een dikke schilferlaag elders op het lichaam bijvoorbeeld salicylzuur 10% in vaselinelanettecrème FNA.

Volwassenen met erupties op andere lokalisaties dan gelaat of lichaamsplooien.

Dit stappenplan kan ook worden toegepast bij psoriasis op de behaarde hoofdhuid.
Stap 1
  • Start met een klasse-3-corticosteroïdklasse-3-corticosteroïd als monotherapie gedurende 4 weken, eenmaal daags dun aan te brengen, bijvoorbeeld betamethasonvaleraat 0,1% zalf, crème, emulsie of lotion, of een ander klasse-3-preparaat.

Stap 2
  • Kies bij onvoldoende effect van stap 1 (ondanks goede therapietrouw) voor een combinatiebehandeling van een klasse-3-corticosteroïd met een vitamine-D-analoog gedurende 4 weken. Geef een vitamine-D-analoog, eenmaal daags ’s ochtends, bijvoorbeeld calcitriolzalfcalcitriolzalf 3 microg/g en een klasse-3-corticosteroïd eenmaal daags ’s avonds.

Tabel2Maximaal toe te passen hoeveelheid corticosteroïden en vitamine-D-analoog per week bij langdurig gebruik
LeeftijdsgroepKlasse 2Klasse 3Vit-D-analoogKlasse 4
Volwassenen en kinderen > 10 jaar100 g100 g100 g50 g
Kinderen 2-10 jaar60 g50 g50 g (Niet toepassen
Tabel3Basisbehandeling en stappenplan
Basisbehandeling
  • Behandel continu met een indifferent middel. Houd rekening met de voorkeur van de patiënt.
  • Breng het indifferente middel niet tegelijkertijd met een eventueel lokaal corticosteroïd of vitamine-D-analoog aan, maar bijvoorbeeld 1 uur of langer erna.
  • Verwijdering van de (dikke) schilferlaag is wenselijk. Week de schilfers met een vette zalf en verwijder de schilfers door voorzichtig te kammen, omdat beschadiging van de huid de psoriasis kan verergeren. Meestal verdwijnt de schilferlaag in 2 tot 3 dagen.
Stappenplan. Lokale medicamenteuze behandeling
Volwassenen met erupties op het behaarde hoofd of andere lokalisaties dan gelaat en/of lichaamsplooien
Stap 1
  • Klasse-3-corticosteroïd, eenmaal daags, gedurende 4 weken.
Stap 2
  • Bij onvoldoende effect stap 1: combinatiebehandeling met vitamine-D-analoog in de ochtend en een klasse-3-corticosteroïd in de avond gedurende 4 weken.
  • Overweeg of het (duurdere, eenmaal daags aan te brengen) combinatiepreparaat meerwaarde heeft voor de patiënt.
Stap 3
  • Bij onvoldoende effect stap 2: klasse-4-corticosteroïd, eenmaal daags, gedurende 4 weken.
  • Bij hardnekkige schilfering: overweeg een klasse-3-corticosteroïd onder occlusie.
Volwassenen met erupties in het gelaat en/of in de lichaamsplooien, en kinderen
Stap 1
  • Klasse-2-corticosteroïd, eenmaal daags, gedurende 4 weken.
Stap 2
  • Bij onvoldoende effect stap 1: combinatiebehandeling met vitamine-D-analoog in de ochtend en een klasse-2-corticosteroïd in de avond gedurende 4 weken.
  • Eventueel kan deze combinatiebehandeling in de vorm van een (duurder) combinatiepreparaat calcipotriolcalcipotriol/betamethasondipropionaat, eenmaal daags dun aan te brengen gel of zalf, gegeven worden als dit meerwaarde voor de patiënt heeft. De gel is ook geschikt voor toepassing op het behaarde hoofd.

Stap 3
  • Ga bij onvoldoende effect van stap 2 (ondanks goede therapietrouw) over op een klasse-4-corticosteroïd gedurende 4 weken, eenmaal daags dun aan te brengen, bijvoorbeeld clobetasolpropionaat 0,05% zalf, crème, lotion, shampoo of schuim.
  • Bij een enkele hardnekkige laesie kan gebruikgemaakt worden van een klasse-3-corticosteroïd onder occlusie. Breng dit (bijvoorbeeld onder een hydrocolloïd verband) om de 3 dagen aan gedurende maximaal 2 weken.

Volwassenen met erupties in het gelaat en/of in de lichaamsplooien, en kinderen

Stap 1
  • Start met een klasse-2-corticosteroïd als monotherapie gedurende 4 weken, eenmaal daags dun aan te brengen, bijvoorbeeld triamcinolonacetonidezalf 0,1%, crème, vaselinecrème of smeersel, of hydrocortisonbutyraatcrème 0,1%, vetcrème, emulsie, gel of lotion.

Stap 2
  • Ga bij onvoldoende effect van stap 1 over op een combinatiebehandeling van een klasse-2-corticosteroïd met een vitamine-D-analoog gedurende 4 weken. Geef een vitamine-D-analoog, zoals calcitriol zalf 3 microg/g, eenmaal daags ’s ochtends en het klasse-2-corticosteroïd eenmaal daags ’s avonds.

Vervolgbehandeling en adviezen na (acceptabele) remissie

  • Adviseer niet te lang en te heet te douchen of te baden en weinig zeep te gebruiken.
  • Handhaaf het dagelijks gebruik van indifferente middelen, zie [ tabel 3 ].
  • Ga bij voldoende resultaat door met het betreffende medicamenteuze middel op ‘zo nodig’-basis. Kies daarom bij voldoende resultaat met een corticosteroïd na maximaal 4 weken voor een intermitterende behandeling, tot het minimale aantal dagen, waarbij het resultaat voldoende blijft.
  • Als leidraad kan het op consensus gebaseerde basisafbouwschema corticosteroïden dienen [tabel 4].
  • Wijs de patiënt bij verzoek om een herhaalrecept op de onwenselijkheid van continu dagelijks gebruik van corticosteroïden vanwege de kans op bijwerkingen en het relatief ongevoelig worden van de psoriasisplekken voor deze middelen. Over het effect van toepassing van vitamine-D-analogen op lange termijn is weinig bekend.

Tabel4Basisafbouwschema corticosteroïden, bij een eenmaal daagse applicatie
Week 1Week 2Week 3Week 4Week 5Week 6Week 7
Zaterdagiiiiiii
Zondagciiiiii
Maandagcciiiii
Dinsdagccciiii
Woensdagcccciii
Donderdagcccccii
Vrijdagcccccci
c: insmeren met corticosteroïdzalf of -crème.i: insmeren met indifferente middelen.

Controle en verwijzing

Controle

  • Maak vier weken na de start van de behandeling een controleafspraak, bij gebruik van een corticosteroïd onder occlusie of bij gebruik van middelen ter ontschilfering na twee weken; bij onvoldoende ontschilfering kan toepassing van het ontschilferingsmiddel nog een week worden voortgezet.
  • Ga bij onvoldoende resultaat en voldoende therapietrouw over op een volgende stap. Spreek daarna steeds een vierwekelijkse controle af, en stel zo nodig de behandelwijze bij tot het behandeldoel is bereikt.
  • Ga bij de controle na of het behandeldoel is bereikt en vraag naar de tevredenheid over de behandelwijze en de therapietrouw. Indien werk een rol speelt bij het beloop van de psoriasis, dan is overleg met de bedrijfsarts gewenst.
  • Ga na of het de patiënt lukt de lokale middelen op alle aangedane delen van het lichaam aan te brengen; overweeg bij problemen de thuiszorg in te schakelen.
  • Jaarlijkse controle van patiënten wordt aanbevolen bij chronisch gebruik van lokale middelen.

Verwijzen

In de tweede lijn kan, naast intensivering van de lokale behandeling, lichttherapie of systemische therapie gegeven worden. Lichttherapie kan ook in de thuissituatie worden toegepast.
Indicaties voor verwijzing zijn:
  • onzekerheid over de diagnose psoriasis. Verwijzen heeft de voorkeur boven teledermatologie, omdat een goede diagnose, met name wanneer de diagnose niet duidelijk is, à vue beter te stellen is;
  • onvoldoende of niet bereiken van de behandeldoelen met lokale therapie volgens het stappenplan;
  • erytrodermie en andere gevallen waarbij > 5% van het lichaamsoppervlak is aangedaan, omdat dan eerder systemische therapie is geïndiceerd;
  • (gegeneraliseerde) psoriasis pustulosa;
  • psoriasis guttata met onvoldoende verbetering met lokale therapie na twee tot vier weken;
  • artritis of artralgie waarbij een NSAID na vier weken onvoldoende effect heeft: verwijs naar de reumatoloog, en bij een matig tot ernstige psoriasis ook naar de dermatoloog.

Samenwerking

De huisarts en dermatoloog zorgen voor een goed gedocumenteerde verwijs- respectievelijk terugverwijsbrief, ontleend aan de richtlijn Informatie-uitwisseling tussen huisarts en specialist bij verwijzingen (HASP) (NHG 2008©).
Bij een verwijzing naar de dermatoloog vermeldt de huisarts in de verwijsbrief:
  • huidige medicatie voor psoriasis;
  • voorgaande medicamenteuze behandeling van psoriasis: hoe lang gebruikt, met welk effect, therapietrouw, eventuele bijwerkingen en reden van staken behandeling;
  • kwaliteit van leven met psoriasis;
  • intoxicaties (roken, alcohol);
  • voorkomen van psoriasis en artritis psoriatica (bij patiënt zelf en in de familie);
  • dermatologische voorgeschiedenis;
  • comorbiditeit;
  • intoleranties, allergieën;
  • actueel medicatieoverzicht.

Bij de terugverwijzing door de dermatoloog naar de huisarts vermeldt deze in de brief ten minste:
  • het advies ten aanzien van lokale therapie; welk middel, hoe vaak en hoe lang;
  • een eventueel stappenplan;
  • indicaties voor terugverwijzing of overleg.

Bij de start van de systemische therapie stelt de dermatoloog de huisarts zo spoedig mogelijk hiervan op de hoogte vanwege mogelijke bijwerkingen of interacties met andere medicatie (zie Aandachtspunten voor de huisarts bij toepassing van systemische middelen in de tweede lijn).

Aandachtspunten voor de huisarts bij toepassing van systemische middelen in de tweede lijn

Methotrexaat, ciclosporine, acitretine, fumaraten en biologicals (TNF-alfa-blokkers) worden door de dermatoloog gebruikt bij de behandeling van psoriasis.
Ook de huisarts heeft een rol in een veilige en verantwoorde toepassing van deze medicatie. Zie voor uitgebreide informatie rond interacties en bijwerkingen van deze geneesmiddelen het Farmacotherapeutisch Kompas (www.fk.cvz.nl) of de richtlijn Verantwoord gebruik van biologicals (www.huidarts.info/document).
Daarnaast zal de huisarts geconfronteerd worden met vragen rond het gebruik van deze geneesmiddelen.33
Comedicatie:
  • Methotrexaat methotrexaat . Patiënten die methotrexaat gebruiken, mogen geen trimethoprimbevattende preparaten, zoals cotrimoxazol, gebruiken in verband met de sterk verhoogde kans op leukopenie. Aangeraden wordt om zeer zorgvuldig te zijn bij het overnemen van herhaalreceptuur van de reumatoloog of dermatoloog, aangezien fouten met dodelijke afloop zijn voorgekomen bij het voorschrijven van methotrexaat door huisartsen. Om bijwerkingen te voorkomen moeten patiënten die methotrexaat gebruiken foliumzuur voorgeschreven krijgen.
  • Ciclosporine ciclosporine . De plasmaconcentratie en daarmee de (nefroxiciteit) van ciclosporine kan stijgen door middelen die CYP3A4 remmen, zoals amiodaron, diltiazem, verapamil, fluconazol, ketoconazol, itraconazol, claritromycine en erytromycine. In voorkomende gevallen verdient het aanbeveling te overleggen met de apotheker over interacties van comedicatie met methotrexaat of ciclosporine.
  • Zwangerschap en kinderwens. Methotrexaat, ciclosporine, acitretine en biologicals worden ontraden bij zwangerschap. Daarnaast dient bij sommige middelen voor het starten én na het staken gedurende kortere of langere tijd betrouwbare anticonceptie gebruikt te worden. Raadpleeg hiervoor zo nodig het Farmacotherapeutisch Kompas.
  • Infectie. Door immunosuppressie vergroten methotrexaat en ciclosporine de kans op infecties. Tijdens het gebruik van biologicals worden de symptomen van infecties vaak gemaskeerd. Meer specifiek kunnen TNF-alfa-blokkersTNF-alfa-blokkers latente of inactieve tuberculose reactiveren. Bij intercurrente ernstige infecties dient het gebruik van biologicals tijdelijk te worden onderbroken. De behandeling van deze infecties is niet anders dan gebruikelijk.
  • Griepvaccinatie. Patiënten met psoriasis die methotrexaat, ciclosporine of biologicals gebruiken hebben een indicatie voor een griepvaccinatie (zie de NHG-Standaard Influenza en influenzavaccinatie).
  • Maligniteiten. Net als bij andere immunosuppressieve therapieën lijkt er een verhoogd risico op het ontwikkelen van lymfoproliferatieve aandoeningen en andere maligniteiten, en met name na veel uv-expositie van de huid. De incidentie van maligniteiten lijkt vooral afhankelijk van de mate en de duur van immunosuppressie.
  • Operatieve ingrepen. Men kan bij voorgenomen ‘niet-vieze’ operatieve ingrepen het gebruik van TNF-alfa-blokkers in de perioperatieve fase voortzetten, omdat er geen aanwijzingen zijn voor een verhoogd risico op postoperatieve wondgenezingsstoornissen of infectie. Bij individuele patiënten (met name bij comorbiditeit als diabetes mellitus of bij een mogelijk besmet operatiegebied) kan overwogen worden toch te stoppen met TNF-alfa-blokkers. Bij bloedige tandheelkundige ingrepen gedurende immuunsuppressie door biologicals kan men overwegen om antibiotische profylaxe toe te dienen.
  • Verblijf elders. Het wordt de patiënt aangeraden om op reis een document of verklaring mee te nemen waarin staat welke medicijnen voor wie meegenomen worden en waarin ook de contactgegevens van de medisch specialist en het ziekenhuis worden vermeld. Een patiënt die naar het buitenland wil reizen, wordt geadviseerd dit voornemen met de behandelend arts te bespreken. Het wordt afgeraden om bij het gebruik van biologicals naar landen te reizen zonder goede medische en hygiënische voorzieningen of naar gebieden waarvoor toediening van een levend vaccin vereist is. Mocht men toch naar het buitenland moeten, dan is het advies om de risico’s te schetsen met het in acht nemen van de epidemiologische cijfers van de GGD/RIVM. Vaccinaties met levend vaccin mogen niet worden toegepast bij immunosuppressieve geneesmiddelen.

Totstandkoming

In januari 2010 werd besloten tot (de derde) herziening van de NHG-Standaard Psoriasis. In de loop van 2010 startte een werkgroep Psoriasis die een conceptversie heeft gemaakt.
De werkgroep bestond uit de volgende leden: J.W. Ek, huisarts te Hoogeveen; H. Lantinga, huisarts te Groningen; dr. L.L.A. Lecluse, als dermatoloog verbonden aan het AMC te Amsterdam; dr. A.J. Oosting, als dermatoloog verbonden aan het Spaarne Ziekenhuis te Hoofddorp; P.G. van Peet, huisarts te Voorhout; dr. Ph.I. Spuls, als dermatoloog verbonden aan het AMC te Amsterdam en H.S. Visser, huisarts te Zevenhuizen.
Dr. B.G.M. Kolnaar begeleidde de werkgroep tot 1 januari 2013; W.H. Eizenga nam deze begeleiding over en deed de redactie. Zij zijn beiden huisarts en wetenschappelijk medewerker van de afdeling Richtlijnontwikkeling en Wetenschap; dr. R.M.M. Geijer was betrokken als senior wetenschappelijk medewerker van deze afdeling, M.M. Verduijn als senior wetenschappelijk medewerker Farmacotherapie. E. Oosterberg, huisarts, was betrokken als medewerker van de afdeling Implementatie.
Door geen van de leden van de werkgroep werd belangenverstrengeling gemeld. Meer details hierover zijn te vinden in de webversie van de standaard op www.nhg.org.
In juni 2013 werd de ontwerpstandaard voor commentaar naar vijftig willekeurig uit het NHG-ledenbestand gekozen huisartsen gestuurd. Er werden zeven commentaarformulieren retour ontvangen. Tevens werd commentaar ontvangen van een aantal referenten, te weten M.L.H.A. van Oppenraay, apotheker en redacteur van het Farmacotherapeutisch Kompas namens het CVZ te Diemen; prof.dr. A.L.M. Lagro-Janssen, hoogleraar Vrouwenstudies Medische Wetenschappen, verbonden aan het Radboudumc te Nijmegen, afdeling Eerstelijnsgeneeskunde/Vrouwenstudies Medische Wetenschappen; dr. J. Oltvoort, senior beleidsadviseur, werkzaam bij Nefarma; D. Dost, apotheker, M. Le Comte, apotheker, K. de Leest, apotheker, P.N.J. Langendijk, ziekenhuisapotheker, K. Hagendoorn-Becker, apotheker, S.F. Harkes-Idzinga, apotheker en F. Acarer, apotheker, allen namens het KNMP Geneesmiddel Informatie Centrum; G.W. Salemink, medisch adviseur bij Zorgverzekeraars Nederland; dr. J.A.H. Eekhof, huisarts en hoofdredacteur van Huisarts en Wetenschap; dr. D. Bijl, arts-epidemioloog en hoofdredacteur van het Geneesmiddelenbulletin; J.G. Bakker, bedrijfsarts-klinisch arbeidsgeneeskundigen namens de NVAB; prof.dr. B.A.C. Dijkmans, directeur ad interim van de Nederlandse Vereniging voor Reumatologie. Naamsvermelding als referent betekent overigens niet dat een referent de standaard inhoudelijk op ieder detail onderschrijft.
R.J. Hinloopen en D. Soeters hebben namens de NAS tijdens de commentaarronde beoordeeld of de ontwerpstandaard antwoord geeft op de vragen uit het herzieningsvoorstel. In oktober 2013 werd de standaard becommentarieerd en geautoriseerd door de NHG-Autorisatiecommissie.
De zoekstrategie die gevolgd werd bij het zoeken naar de onderbouwende literatuur is te vinden bij de webversie van deze standaard. Tevens zijn de procedures voor de ontwikkeling van de NHG-Standaarden in te zien in het procedureboek (zie www.nhg.org).
© 2014 Nederlands Huisartsen Genootschap

Literatuur

  • 1.Bij verwijzing naar NHG-producten: zie www.nhg.org.
  • 2.Al-Suwaidan SN, Feldman SR. Clearance is not a realistic expectation of psoriasis treatment. J Am Acad Dermatol 2000;42:796-802.
  • 3.Baker H, Ryan TJ. Generalized pustular psoriasis. A clinical and epidemiological study of 104 cases. Br J Dermatol 1968;80:771-93.
  • 4.Baran R. The burden of nail psoriasis: an introduction. Dermatology 2010;221 Suppl 1:1-5.
  • 5.Basavaraj KH, Ashok NM, Rashmi R, Praveen TK. The role of drugs in the induction and/or exacerbation of psoriasis. Int J Dermatol 2010;49:1351-61.
  • 6.Benedetti F. Placebo effects, understanding the mechanisms in health and disease. Oxford: Oxford University Press, 2009.
  • 7.Bijlsma JWJ, Hagemeijer JW, Jansen TLThA, Van de Laar MAFJ, Landewé RBM, Nurmohamed MT. Multidisciplinaire richtlijn ‘Verantwoord gebruik van biologicals’. Ned Tijdschr Geneeskd 2011;155:A3114.
  • 8.Bos JD, De Rie MA. Immunologie in de medische praktijk. VII. Psoriasis. Ned Tijdschr Geneeskd 1997;141:2334-8.
  • 9.Boyd AS, Morris LF, Phillips CM, Menter MA. Psoriasis and pregnancy: hormone and immune system interaction. Int J Dermatol 1996;35:169-72.
  • 10.Callen JP, Krueger GG, Lebwohl M, McBurney EI, Mease P, Menter A, et al. AAD consensus statement on psoriasis therapies. J Am Acad Dermatol 2003;49:897-9.
  • 11.Campbell SM, Warburton B, Amos CE, Roland MO. Who cares for people with psoriasis? A qualitative study of the impact of psoriasis on patients’ lives. Eur J Gen Pract 1996;2:101-3.
  • 12.Chi CC, Mayon-White RT, Wojnarowska FT. Safety of topical corticosteroids in pregnancy: a population-based cohort study. J Invest Dermatol 2011;131:884-91.
  • 13.Clark CM, Mckay RA, Fortune DG, Griffiths CE. Use of alternative treatments by patients with psoriasis. Br J Gen Pract 1998;48:1873-4.
  • 14.Comaish JS, Greener JS. The inhibiting effect of soft paraffin on the Kobner response in psoriasis. Br J Dermatol 1976;94:195-200.
  • 15.Commissie Farmaceutische Hulp. Farmacotherapeutisch Kompas (2013). http://www.fk.cvz.nl.
  • 16.De Arruda LH, De Moraes AP. The impact of psoriasis on quality of life. Br J Dermatol 2001;144 Suppl 58:33-6.
  • 17.De Vries AC, Bogaards NA, Hooft L, Velema M, Pasch M, Lebwohl M, et al. Interventions for nail psoriasis. Cochrane Database Syst Rev 2013;1:CD007633.
  • 18.Di Cesare A, Di Meglio P, Nestle FO. The IL-23/Th17 axis in the immunopathogenesis of psoriasis. J Invest Dermatol 2009;129:1339-50.
  • 19.Dunna SF, Finlay AY. Psoriasis: improvement during and worsening after pregnancy. Br J Dermatol 1989;120:584.
  • 20.Elder JT, Henseler T, Christophers E, Voorhees JJ, Nair RP. Of genes and antigens: the inheritance of psoriasis. J Invest Dermatol 1994;103:150S-3S.
  • 21.Faber WR, Naafs B. Imported skin diseases. Maarssen: Elsevier, 2006.
  • 22.Farber EM, Nall ML. The natural history of psoriasis in 5,600 patients. Dermatologica 1974a;148:1-18.
  • 23.Farber EM, Nall ML, Watson W. Natural history of psoriasis in 61 twin pairs. Arch Dermatol 1974b;109:207-11.
  • 24.Feldman SR, Krueger GG. Psoriasis assessment tools in clinical trials. Ann Rheum Dis 2005;64 Suppl 2:ii65-ii68.
  • 25.Finlay AY, Coles EC. The effect of severe psoriasis on the quality of life of 369 patients. Br J Dermatol 1995;132:236-44.
  • 26.Fluhr JW, Cavallotti C, Berardesca E. Emollients, moisturizers, and keratolytic agents in psoriasis. Clin Dermatol 2008;26:380-6.
  • 27.Fortune DG, Richards HL, Main CJ, Griffiths CE. What patients with psoriasis believe about their condition. J Am Acad Dermatol 1998;39:196-201.
  • 28.Gaston L, Lassonde M, Bernier-Buzzanga J, Hodgins S, Crombez JC. Psoriasis and stress: a prospective study. J Am Acad Dermatol 1987;17:82-6.
  • 29.Gebu. Angiotensine II-(type AT-1)-receptorantagonisten en psoriasis. Gebu 2007;41:43-4.
  • 30.Gelfand JM, Stern RS, Nijsten T, Feldman SR, Thomas J, Kist J, et al. The prevalence of psoriasis in African Americans: results from a population-based study. J Am Acad Dermatol 2005;52:23-6.
  • 31.Gelmetti C. Therapeutic moisturizers as adjuvant therapy for psoriasis patients. Am J Clin Dermatol 2009;10 Suppl 1:7-12.
  • 32.Gladman DD, Antoni C, Mease P, Clegg DO, Nash P. Psoriatic arthritis: epidemiology, clinical features, course, and outcome. Ann Rheum Dis 2005;64 Suppl 2:ii14-ii17.
  • 33.Gribetz C, Ling M, Lebwohl M, Pariser D, Draelos Z, Gottlieb AB, et al. Pimecrolimus cream 1% in the treatment of intertriginous psoriasis: a double-blind, randomized study. J Am Acad Dermatol 2004;51:731-8.
  • 34.Heller MM, Lee ES, Koo JY. Stress as an influencing factor in psoriasis. Skin Therapy Lett 2011;16:1-4.
  • 35.Helliwell PS, Taylor WJ. Classification and diagnostic criteria for psoriatic arthritis. Ann Rheum Dis 2005;64 Suppl 2:ii3-ii8.
  • 36.Hviid A, Molgaard-Nielsen D. Corticosteroid use during pregnancy and risk of orofacial clefts. CMAJ 2011;183:796-804.
  • 37.Jiaravuthisan MM, Sasseville D, Vender RB, Murphy F, Muhn CY. Psoriasis of the nail: anatomy, pathology, clinical presentation, and a review of the literature on therapy. J Am Acad Dermatol 2007;57:1-27.
  • 38.Kleyn CE, Woodcock D, Sharpe GR. The efficacy of 0.1% tacrolimus ointment compared with clobetasonebutyrate 0.05% ointment in patients wiht facial flexural or genital psoriasis. Br J Dermatol 2005;153:33.
  • 39.Koninklijke Nederlandse Maatschappij ter bevordering der Pharmacie. Informatorium Medicamentorum 2013. Den Haag: KNMP, 2013.
  • 40.Landelijk Informatienetwerk Huisartsenzorg (LINH). Nederlands Instituut voor Onderzoek van de Gezondheidszorg (NIVEL). http://www.nivel.nl/nationalestudie.
  • 41.Lareb Nederlands Bijwerkingen Centrum. Skin reactions associated with the use of oral terbinafine (2004). http://www.lareb.nl/larebcorporatewebsite/media/publicaties/kwb_2004_3_terbi.pdf.
  • 42.Liao YH, Chiu HC, Tseng YS, Tsai TF. Comparison of cutaneous tolerance and efficacy of calcitriol 3 microg g(-1) ointment and tacrolimus 0.3 mg g(-1) ointment in chronic plaque psoriasis involving facial or genitofemoral areas: a double-blind, randomized controlled trial. Br J Dermatol 2007;157:1005-12.
  • 43.Mason AR, Mason J, Cork M, Dooley G, Hancock H. Topical treatments for chronic plaque psoriasis. Cochrane Database Syst Rev 2013;3:CD005028.
  • 44.Menter A, Korman NJ, Elmets CA, Feldman SR, Gelfand JM, Gordon KB, et al. Guidelines of care for the management of psoriasis and psoriatic arthritis: section 6. Guidelines of care for the treatment of psoriasis and psoriatic arthritis: case-based presentations and evidence-based conclusions. J Am Acad Dermatol 2011;65:137-74.
  • 45.Murase JE, Chan KK, Garite TJ, Cooper DM, Weinstein GD. Hormonal effect on psoriasis in pregnancy and post partum. Arch Dermatol 2005;141:601-6.
  • 46.Nestle FO, Kaplan DH, Barker J. Psoriasis. N Engl J Med 2009;361:496-509.
  • 47.NVDV. Richtlijn Psoriasis (2011). http://www.huidarts.info/documents/?v=2&id=76.
  • 48.Ortonne JP, Van de Kerkhof PC, Prinz JC, Bieber T, Lahfa M, Rubins A, et al. 0.3% Tacrolimus gel and 0.5% Tacrolimus cream show efficacy in mild to moderate plaque psoriasis: Results of a randomized, open-label, observer-blinded study. Acta Derm Venereol 2006;86:29-33.
  • 49.Owen CM, Chalmers RJ, O’Sullivan T, Griffiths CE. Antistreptococcal interventions for guttate and chronic plaque psoriasis (review). Cochrane Database Syst Rev 2009;CD001976.
  • 50.Patel RV, Shelling ML, Prodanovich S, Federman DG, Kirsner RS. Psoriasis and vascular disease-risk factors and outcomes: a systematic review of the literature. J Gen Intern Med 2011;26:1036-49.
  • 51.Prey S, Paul C, Bronsard V, Puzenat E, Gourraud PA, Aractingi S, et al. Cardiovascular risk factors in patients with plaque psoriasis: a systematic review of epidemiological studies. J Eur Acad Dermatol Venereol 2010;24 Suppl 2:23-30.
  • 52.Rapp SR, Feldman SR, Exum ML, Fleischer AB jr, Reboussin DM. Psoriasis causes as much disability as other major medical diseases. J Am Acad Dermatol 1999;41:401-7.
  • 53.Roelofzen JH, Aben KK, Oldenhof UT, Coenraads PJ, Alkemade HA, Van de Kerkhof PC, et al. No increased risk of cancer after coal tar treatment in patients with psoriasis or eczema. J Invest Dermatol 2010;130:953-61.
  • 54.Ros AM, Wennersten G. Photosensitive psoriasis. In: Roenigk HH jr, Maibach HI, redactie. Psoriasis. New York: Marcel Dekker, 1998.
  • 55.Samarasekera EJ, Sawyer L, Wonderling D, Tucker R, Smith CH. Topical therapies for the treatment of plaque psoriasis: systematic review and network meta-analyses. Br J Dermatol 2013;168:954-67.
  • 56.Seite S, Khemis A, Rougier A, Ortonne JP. Emollient for maintenance therapy after topical corticotherapy in mild psoriasis. Exp Dermatol 2009;18:1076-8.
  • 57.Shbeeb M, Uramoto KM, Gibson LE, O’Fallon WM, Gabriel SE. The epidemiology of psoriatic arthritis in Olmsted County, Minnesota, USA, 1982-1991. J Rheumatol 2000;27:1247-50.
  • 58.Sillevis Smitt JH, Van Everdingen JJE, Starink ThM, Van der Horst HE. Dermatovenereologie voor de eerste lijn. Houten: Bohn Stafleu van Loghum, 2009.
  • 59.Skudlik C, John SM. Psoriasis and work. In: Rustemeyer T, Elsner P, John S-M, Maibach HI, redactie. Kanerva’s Occupational Dermatology. Berlin/Heidelberg: Springer-Verlag, 2012
  • 60.Smith AE, Kassab JY, Rowland Payne CM, Beer WE. Bimodality in age of onset of psoriasis, in both patients and their relatives. Dermatology 1993;186:181-6.
  • 61.Smith N, Weymann A, Tausk FA, Gelfand JM. Complementary and alternative medicine for psoriasis: a qualitative review of the clinical trial literature. J Am Acad Dermatol 2009;61:841-56.
  • 62.Spuls PI, Lecluse LL, Poulsen ML, Bos JD, Stern RS, Nijsten T. How good are clinical severity and outcome measures for psoriasis? Quantitative evaluation in a systematic review. J Invest Dermatol 2010;130:933-43.
  • 63.Spuls PI, Witkamp L, Bossuyt PM, Bos JD. The course of chronic plaque-type psoriasis in placebo groups of randomized controlled studies. Arch Dermatol 2004;140:338-44.
  • 64.Tijssen M. Lokale behandeling psoriasis vulgaris. Gebu 2011a;45:73-80.
  • 65.Tijssen M. Systemische behandeling van psoriasis vulgaris. Gebu 2011b;45:121-32.
  • 66.Tsankov N, Angelova I, Kazandjieva J. Drug-induced psoriasis. Recognition and management. Am J Clin Dermatol 2000;1:159-65.
  • 67.Van de Kerkhof PCM. Psoriasis. Dermatologie en venereologie. Maarssen: Elsevier Gezondheidszorg, 2000.
  • 68.Verhoeven EW, Kraaimaat FW, De Jong EM, Schalkwijk J, Van de Kerkhof PC, Evers AW. Individual differences in the effect of daily stressors on psoriasis: a prospective study. Br J Dermatol 2009;161:295-9.
  • 69.Wakkee M, De Jong EM. Is psoriasis een afhankelijke cardiovasculaire risicofactor? Ned Tijdschr Geneeskd 2013;157:A5417.
  • 70.Watsky KL, Freije L, Leneveu MC, Wenck HA, Leffell DJ. Water-in-oil emollients as steroid-sparing adjunctive therapy in the treatment of psoriasis. Cutis 1992;50:383-6.
  • 71.Wu JJ, Black MH, Smith N, Porter AH, Jacobsen SJ, Koebnick C. Low prevalence of psoriasis among children and adolescents in a large multiethnic cohort in southern California. J Am Acad Dermatol 2011;65:957-64.
  • 72.Zhu KJ, He SM, Sun LD, Hu D, Cheng H, Zhang Z, et al. Smoking and psoriasis: A meta-analysis of case-control studies. J Dermatol Sci 2011;63:126-8.
  • 73.Zhu KJ, Zhu CY, Fan YM. Alcohol consumption and psoriatic risk: a meta-analysis of case-control studies. J Dermatol 2012;39:770-3.

Reacties

Er zijn nog geen reacties

Verder lezen