NHG richtlijn

NHG-Standaard Urinesteenlijden (tweede herziening)

0 reacties
Gepubliceerd
28 april 2015

Inbreng van de patiënt

De NHG-Standaarden geven richtlijnen voor het handelen van de huisarts; de rol van de huisarts staat dan ook centraal. Daarbij geldt echter altijd dat factoren van de kant van de patiënt het beleid mede bepalen. Om praktische redenen komt dit uitgangspunt niet telkens opnieuw in de richtlijn aan de orde, maar wordt het hier expliciet vermeld. De huisarts stelt waar mogelijk zijn beleid vast in samenspraak met de patiënt, met inachtneming van diens specifieke omstandigheden en met erkenning van diens eigen verantwoordelijkheid, waarbij adequate voorlichting een voorwaarde is.

Afweging door de huisarts

Het persoonlijk inzicht van de huisarts is uiteraard bij alle richtlijnen een belangrijk aspect. Afweging van de relevante factoren in de concrete situatie zal beredeneerd afwijken van het hierna beschreven beleid kunnen rechtvaardigen. Dat laat onverlet dat deze standaard bedoeld is om te fungeren als maat en houvast.

Delegeren van taken

NHG-Standaarden bevatten richtlijnen voor huisartsen. Dit betekent niet dat de huisarts alle genoemde taken persoonlijk moet verrichten. Sommige taken kan de huisarts delegeren aan de praktijkassistente, praktijkondersteuner of praktijkverpleegkundige, mits zij worden ondersteund door duidelijke werkafspraken waarin is vastgelegd in welke situaties zij de huisarts moeten raadplegen en mits de huisarts toeziet op de kwaliteit. Omdat de keuze van de te delegeren taken sterk afhankelijk is van de lokale situatie, bevatten de standaarden daarvoor geen concrete aanbevelingen.
Evenmin bevatten standaarden gedetailleerde aanwijzingen over de beoordeling van het spoedeisende karakter van een hulpvraag als de patiёnt zich telefonisch meldt bij de triagist tijdens avond-, nacht- en weekenddiensten of bij de praktijkassistente tijdens praktijkuren. Meer gedetailleerde informatie hierover is te vinden in de NHG-TriageWijzer. Ook bij telefonische spoedbeoordeling geldt dat de huisarts verantwoordelijk blijft en moet toezien op de kwaliteit.
Belangrijkste wijzigingen
  • In deze herziening is de indeling in acute en postacute fase vervallen. De controleafspraken na 5 tot 7 dagen en na 4 weken hebben in deze herziening meer nadruk gekregen.
  • De toedieningsvorm van diclofenac als aanvangsbehandeling is beperkt tot intramusculair vanwege de snellere werking, vergeleken met rectale toediening.
  • Ook bij de eerste presentatie van de klachten wordt besproken of direct met tamsulosine wordt gestart om de kans op spontane lozing van een urinesteen te vergroten (in de vorige versie alleen in de postacute fase).
  • Het advies om in de acute fase niet te veel te drinken ter vermindering van de pijn en in de fase na lozing juist veel te drinken ter preventie van het heroptreden van urinestenen is komen te vervallen, omdat dit niet bewezen effectief is.

Kernboodschappen
  • Stel de diagnose urinesteenlijden bij acute hevige pijn in de flank met bewegingsdrang in combinatie met hematurie.
  • Geef bij acute hevige koliekpijn diclofenac intramusculair (voor een snel effect) en bespreek met de patiënt het mogelijke gebruik van tamsulosine.
  • Geef patiënten met acute hevige koliekpijn en een contra-indicatie voor diclofenac pijnstilling met morfine. Kies als middel waarmee de patiënt zelf de pijn kan bestrijden voor diclofenac of naproxen, afhankelijk van het cardiovasculair risicoprofiel.
  • Beeldvormend onderzoek in de eerste dagen tot een week wordt niet aanbevolen. Bij aanhoudende klachten en/of erytrocyturie na 5 tot 7 dagen bestaat het beeldvormend onderzoek uit echografie, aangevuld met een buikoverzichtsfoto als er op de echo geen dilatatie of steen zichtbaar is.

Inleiding

De NHG-Standaard Urinesteenlijdenurinesteenlijden geeft richtlijnen voor de diagnostiek en behandeling van urinesteenaanvallen bij volwassenen. Het vermoeden van een urinesteenaanvalurinesteenaanval wordt in deze standaard als uitgangspunt genomen voor diagnostiek en beleid. Andere presentatievormen van urinestenenurinesteen, zoals recidiverende urineweginfecties, urinestenen als toevalsbevinding en asymptomatische urinestenen blijven buiten beschouwing.
In de eerste dagen tot een week van de urinesteenaanval staat de behandeling van pijn op de voorgrond. In de daaropvolgende periode komen de toetsing van de diagnose en het beleid bij urinesteenlijden op langere termijn aan de orde.

Achtergronden

Epidemiologie

De incidentie van urinesteenaanvallen in de huisartsenpraktijk is ongeveer 3 per 1000 patiënten per jaar. Kinderen en adolescenten hebben zelden een urinesteen, maar vanaf de volwassen leeftijd neemt de incidentie toe; mannen hebben ongeveer 2 maal zo vaak een urinesteen als vrouwen. De jaarprevalentie van urinesteenaanvallen wordt geschat op 8 per 1000 patiënten. Wie een eerstegraadsfamilielid met een urinesteen heeft, heeft een 2 tot 3 maal zo grote kans om een urinesteen te krijgen als anderen. De helft van de patiënten krijgt binnen 7 tot 8 jaar na de eerste aanval een tweede aanval. Er zijn geen factoren bekend die voorspellen wie een recidief krijgt.1

Pathofysiologie

Urinestenen ontstaan meestal in de tubuli en papillae van het bovenste deel van de urinewegen. Men veronderstelt dat dit gebeurt doordat de urine oververzadigd is met ionen, vooral calcium, en oxalaationen. Het ontstaansmechanisme is echter onduidelijk.
De meestvoorkomende urinestenen (ruim 70%) bestaan uit calciumoxalaat, gevolgd door calciumfosfaatstenen (waaronder struviet), urinezuurstenen en zelden cystinestenen (2

Symptomatologie en beloop

Een typische urinesteenaanval wordt gekenmerkt door eenzijdige koliekpijn: krampende pijn van wisselende intensiteit, die gepaard gaat met bewegingsdrang en vaak met misselijkheid en braken. Vaak is erytrocyturie aantoonbaar, soms heeft de patiënt macroscopische hematuriehematurie. Stolsels in de urine passen niet bij urinesteenlijden en zijn reden voor nadere diagnostiek. De pijn kan in de flank gelokaliseerd zijn, maar ook aan de zijkant van de buik of in de onderbuik. Distale ureterstenen kunnen mictieklachten veroorzaken, zoals frequente mictie of gevoel van aandrang.
Urinestenen kunnen symptoomloos blijven en bijvoorbeeld alleen een microscopische hematurie veroorzaken. De kans dat een steen tijdens of binnen 2 maanden na de aanval spontaan wordt geloosd is gemiddeld 85 tot 95% en mede afhankelijk van de grootte en de lokalisatie. Na 2 maanden is spontane lozing niet meer te verwachten. Doorgaans verlaat de steen het lichaam niet tijdens de aanval maar in de pijnvrije fase, binnen enkele dagen tot weken. De kans op een begeleidende urineweginfectie is 3 tot 12% en op urosepsis ongeveer 1%. De nierfunctie kan door stuwing kortdurend gestoord zijn, echter blijvend nierfunctieverlies is onwaarschijnlijk als de stuwing niet langer dan 1 à 2 weken duurt.3

Richtlijnen diagnostiek

Het lichamelijk onderzoek is er in eerste instantie op gericht de klinische stabiliteit van de patiënt vast te stellen volgens de ABCDE-systematiek.

Anamnese

Vraag bij acute pijn in de flank of buik naar klachten die kunnen passen bij een urinesteenaanval:
  • pijn: aard, acuut begin, bewegingsdrang, lokalisatie en uitstraling;
  • misselijkheid en braken;
  • bloed in de urine;
  • eerdere urinesteenaanval;
  • familiair voorkomen van urinestenen;
  • aangeboren afwijkingen (mononier);
  • nierfunctiestoornis;
  • mictieklachten en koorts als uiting van een mogelijke infectie.

Breid, als de symptomen minder of niet kenmerkend zijn voor een urinesteenaanval, de anamnese uit met het oog op andere oorzaken van de pijn (zie Evaluatie).

Lichamelijk onderzoek

Het lichamelijk onderzoek bestaat uit:
  • signaleren van bewegingsdrang;
  • bepalen lichaamstemperatuur;
  • meten bloeddruk;
  • buikonderzoek: vooral druk- of slagpijn in de nierloge (kan passen bij een urinesteen), tekenen van peritoneale prikkeling (past niet bij een ongecompliceerd urinesteenlijden).

Aanvullend onderzoek

Onderzoek bij acute hevige pijn de urine op de aanwezigheid van erytrocyten (met een urinestick)4 en tekenen van een urineweginfectie (zie voor diagnostiek en beleid de NHG-Standaard Urineweginfecties). Eventueel aanvullend beeldvormend onderzoek is pas aan de orde bij controle na vijf tot zeven dagen (zie Controle na 5 tot 7 dagen).

Evaluatie

Stel de diagnose urinesteenlijden bij acute hevige pijn in de flank met bewegingsdrang in combinatie met hematurie. De diagnose wordt bevestigd met het lozen van de steen of, indien geïndiceerd, met beeldvormende diagnostiek (na vijf tot zeven dagen). Houd rekening met een andere diagnose dan urinesteenlijden als de patiënt geen hematurie heeft, maar afwezigheid van hematurie sluit een urinesteen niet uit. De differentiële diagnose bij acute pijn in de buik of de flank omvat een lange lijst aandoeningen. De belangrijkste zijn:
  • urologische oorzaken: nier- of blaastumor (bloedstolsel), urineweginfectie met tekenen van weefselinvasie (pyelonefritis of prostatitis), urineretentie;
  • gynaecologische oorzaken: extra-uteriene graviditeit, ovariumpathologie;
  • andere oorzaken: galsteenkoliek, obstructie-ileus, pancreatitis, peritonitis (appendicitis, diverticulitis, cholecystitis), lekkend aneurysma van de aorta abdominalis.

Richtlijnen beleid

Voorlichting en advies

  • Leg uit dat de pijn veroorzaakt wordt door een urinesteen en dat een dergelijke aanval zeer pijnlijk kan zijn, maar dat het met medicatie meestal lukt om de pijn goed onder controle te krijgen. Spontane lozing kan worden afgewacht indien de pijn onder controle is en er geen sprake is van dilatatie (echografisch of op CT-scan).
  • Leg uit dat de meeste patiënten de urinesteen uitplassen; dit kan na enkele uren tot dagen gebeuren, soms duurt het een paar weken. Het uitplassen wordt niet altijd opgemerkt. Vraag de patiënt om te proberen het steentje op te vangen en mee te nemen naar de praktijk met als doel om het te laten analyseren en het beleid te kunnen bepalen bij een recidiefsteen. Het opvangen kan gebeuren door te plassen door een zeefje of door de urine op te vangen in een po en dan te zeven.
  • Adviseer de patiënt normaal te blijven drinken.5,6
  • Er wordt geen speciaal dieet aanbevolen dat afwijkt van de richtlijnen gezonde voeding.7 Instrueer bij koorts, mictieklachten of oncontroleerbare pijn contact op te nemen met de huisarts. Instrueer de patiënt om na vijf tot zeven dagen en zo nodig na vier weken op controle te komen, ook als de klachten zijn verdwenen.

In aansluiting op de gegeven mondelinge voorlichting, kan de huisarts de patiënt verwijzen naar de informatie over urinesteenlijden op de NHG-publiekswebsite www.thuisarts.nl of de betreffende tekst meegeven (via het HIS). Deze patiënteninformatie is gebaseerd op de NHG-Standaard.

Medicamenteuze behandeling

Pijnstilling

Aanvangsbehandeling:
  • Geef bij hevige klachten diclofenacdiclofenac 75 mg intramusculair (diclofenac is bij intramusculaire toediening werkzaam na 10 tot 30 minuten).
  • Geef bij onvoldoende effect van of een contra-indicatie voor diclofenac morfinemorfine 10 mg subcutaan of intramusculair.

Schrijf vervolgens een middel voor waarmee de patiënt zelf de pijn gedurende enkele dagen kan bestrijden:
  • Diclofenactabletten of -zetpillen (50 tot 100 mg per keer, maximale dagdosis 150 mg) of naproxentabletten of -zetpillen (250 tot 500 mg per keer, maximale dagdosis 1000 mg). Naproxen heeft een laag cardiovasculair risico en hoog gastro-intestinaal risico, diclofenac een hoog cardiovasculair en lager gastro-intestinaal risico. Geef patiënten met een verhoogd risico op maagcomplicaties maagbescherming (zie de NHG-Standaard Maagklachten). Bij contra-indicaties voor NSAID’s: morfine oraal of zetpillen (doseer op geleide van effect, start met 2 dd 10 tot 20 mg morfine mga of 4 dd 10 mg, overweeg om bij ouderen en patiënten met een verminderde nierfunctie met de halve dosering te starten) in combinatie met een laxans om het ontstaan van obstipatie te voorkomen.

Zie voor algemene aspecten van pijnbestrijding, contra-indicaties en bijwerkingen de NHG-Standaard Pijn (in ontwikkeling, voorheen de FTR Pijnbestrijding).

Steenlozing

Bespreek met de patiënt de voor- en nadelen van tamsulosinetamsulosine (off-label). De voordelen zijn dat de kans op lozing van de urinesteen kan toenemen, de tijd tot steenlozing kan worden verkort en het aantal pijnaanvallen kan worden verminderd. Het nadeel is dat er bijwerkingen kunnen optreden, zoals duizeligheid, orthostatische hypotensie, hoofdpijn, vermoeidheid en ejaculatiestoornissen.
Geef bij keuze voor tamsulosine een tablet van 0,4 mg, eenmaal daags ’s morgens na het ontbijt. Zet het gebruik voort tot het moment dat de episode wordt afgesloten. Vraag de patiënt contact op te nemen bij onverwacht verloop dan wel bij het optreden van bijwerkingen.

Controle na 5 tot 7 dagen

Vijf tot zeven dagen na de aanval vindt controle plaats. Tijdens deze controleafspraak wordt bij aanhoudende klachten het lichamelijk onderzoek en urineonderzoek herhaald. Afhankelijk van de bevindingen van het urineonderzoek wordt dit eventueel na vier en na acht weken herhaald.
Als er geen klachten meer zijn en geen erytrocyturie dan wordt de episode afgesloten. Evalueer het gebruik van tamsulosine.
Aanvullend beeldvormend onderzoek wordt niet aanbevolen wanneer bij de controle na vijf tot zeven dagen blijkt dat de patiënt klachtenvrij is geworden en geen erytrocyturie meer heeft.
Als tijdens de controle na vijf tot zeven dagen blijkt dat de klachten persisteren of recidiveren, of dat er nog sprake is van erytrocyturie, wordt een echografieechografie van de urinewegen gemaakt met de vraag of er een steen zichtbaar is en of het pyelum en/of de ureter gedilateerd zijn. Vraag aan om direct aansluitend een buikoverzichtsfotobuikoverzichtsfoto te maken in geval de patiënt geen dilatatie heeft en er op de echografie geen steen zichtbaar is. Zonder dilatatie bij echografisch onderzoek kan spontane lozing worden afgewacht indien de pijn onder controle is.10

Controle na 4 weken

Als er bij echografisch onderzoek geen steen en dilatatie aantoonbaar zijn, op de buikoverzichtsfoto geen steen zichtbaar is en de klachten of de erytrocyturie persisteren, is na vier weken een CT-scan van het abdomen geïndiceerd om na te gaan of er toch een steen aangetoond kan worden en om de positie ervan vast te stellen. Indien mogelijk vraagt de huisarts dit onderzoek zelf aan; zo niet, dan verwijst hij de patiënt naar de uroloog. Als op de CT-scan een kleine (

Verwijzing en consultatie

Overleg met de uroloog of verwijs een patiënt met (vermoeden van) een niersteen bij:
  • koorts;
  • onbeheersbare pijn ondanks pijnstilling;
  • vermoeden van dubbelzijdig steenlijden;
  • zwangerschap;
  • nierinsufficiëntie (eGFR &lt 30 ml/min) of als bekend is dat de patiënt slechts één nier heeft;
  • dilatatie bij echografie of op de CT-scan;
  • klachten of hematurie na 4 weken en geen mogelijkheid een CT-scan aan te vragen;
  • persisteren van (beheersbare) pijn en/of erytrocyturie na:
      • 4 weken, tenzij op de CT-scan een kleine, distale uretersteen (
      • 8 weken, als een kleine distale uretersteen ondanks behandeling met tamsulosine nog steeds niet is geloosd;
      • recidiverende stenen (verschillende stenen binnen één jaar) of een struviet-, cystine- of urinezuursteen, vanwege de mogelijke consequenties voor het beleid. Verwijs voor metabool onderzoek naar een in deze materie geïnteresseerde en ervaren uroloog of internist; zie de evidence-based richtlijn Diagnostiek, behandeling en follow-up van Nierstenen van de Nederlandse Vereniging voor Urologie.
© 2015 Nederlands Huisartsen Genootschap

Totstandkoming en methoden

In augustus 2013 startte een werkgroep met de herziening van de NHG-Standaard Urinesteenlijden. De werkgroep bestond uit de volgende leden: U.P. Arndt, huisarts te Leiderdorp; S. Klinkhamer, huisarts te Utrecht; P.J.W. van Koningsbruggen, huisarts te Maarssen; dr. J van Lieshout, huisarts te Arnhem; H.S. Visser, huisarts te Zevenhuizen. De begeleiding van de werkgroep en de redactie waren in handen van dr. T. Kuijpers, epidemioloog en senior wetenschappelijk medewerker van de afdeling Richtlijnontwikkeling en Wetenschap. Dr. G.M. van der Weele was betrokken als senior wetenschappelijk medewerker en dr. J.S. Burgers als hoofd van deze afdeling. F. Jacobi was betrokken als wetenschappelijk medewerker van de afdeling Implementatie. Door de leden van de werkgroep werd geen belangenverstrengeling gemeld.
Dr. F. d’Ancona, uroloog bij het Radboudumc te Nijmegen en afgevaardigde namens de Nederlandse Vereniging voor Urologie (NVU), heeft gedurende het proces de conceptaanbevelingen eenmaal becommentarieerd.
In juli 2014 werd de ontwerpstandaard voor commentaar naar vijftig willekeurig uit het NHG-ledenbestand gekozen huisartsen gestuurd. Er werden zestien commentaarformulieren retour ontvangen. Ook werd commentaar ontvangen van een aantal referenten, te weten: L.J. Boomsma, huisarts en senior beleidsmedewerker Beleid & Ontwikkeling, namens de Landelijke Huisartsen Vereniging (LHV); dr. F. d’Ancona, uroloog bij het Radboudumc te Nijmegen en dr. H.F.H. Brulez, richtlijnwerkgroep Nierstenen, namens de Nederlandse Vereniging voor Urologie (NVU); M. Favié, voorzitter, namens Bogin; dr. M. Nelissen, senior apotheker, namens het Instituut voor Verantwoord Medicijngebruik (IVM); dr. E. van Leeuwen, namens Domus Medica te België, de Vlaamse vereniging van huisartsen; D. Dost, dr. K. de Leest, dr. T. Schalekamp, allen apotheker, en dr. E.J. Vollaard, ziekenhuisapotheker/klinisch farmacoloog, namens KNMP Geneesmiddel Informatie Centrum; M. Lensink, directeur zorg, namens Zorgverzekeraars Nederland (ZN); P.J. Dekker, medical manager Zambon Nederland BV en dr. J.J. Oltvoort, senior beleidsadviseur gezondheidseconomie, namens Nefarma; dr. J.A.H. Eekhof, huisarts en hoofdredacteur van Huisarts en Wetenschap; dr. D. Bijl, arts-epidemioloog en hoofdredacteur van het Geneesmiddelenbulletin; E. Berends en R. Hendrikse, beiden huisarts, namens InEen; R. Dorland namens ExpertDoc BV.
Naamsvermelding als referent betekent overigens niet dat de referent de standaard inhoudelijk op ieder detail onderschrijft. W. Willems en dr. J.W.M. Muris, beiden huisarts, hebben namens de NHG-Adviesraad Standaarden (NAS) tijdens de commentaarronde beoordeeld of de ontwerpstandaard antwoord geeft op de vragen uit het herzieningsvoorstel. Op 5 november 2014 werd de standaard becommentarieerd en geautoriseerd door de NHG-Autorisatiecommissie (AC).
Deze standaard is tot stand gekomen op basis van de Handleiding ontwikkelen van NHG-Standaarden (zie www.nhg.org). Voor een uitvoerige beschrijving van de totstandkoming en methoden van deze standaard wordt verwezen naar het deel Totstandkoming en methoden op www.nhg.org en www.henw.org, rubriek NHG-Standaard. In dit document zijn eveneens bijlagen behorende bij deze standaard te vinden, waaronder systematische zoekacties, selectie van de literatuur en GRADE-evidenceprofielen.

Literatuur

  • 1.Bij verwijzing naar NHG-producten: zie www.nhg.org.
  • 2.Almby B, Meirik O, Schonebeck J. Incidence, morbidity and complications of renal and ureteral calculi in a well defined geographical area. Scand J Urol Nephrol 1975;9:249-53.
  • 3.Argyropoulos A, Farmakis A, Doumas K, Lykourinas M. The presence of microscopic hematuria detected by urine dipstick test in the evaluation of patients with renal colic. Urol Res 2004;32:294-7.
  • 4.Asplin JR, Coe FL, Favus MJ. Neprolithiasis. In: Kasper DL, Braunwald E, Fauci AS, Hauser SL, Longo DL, Jameson JL, et al., editors. Harrison’s principles of internal medicine. 16th ed. New York: McGraw Hill, 2005.
  • 5.Bao Y, Wei Q. Water for preventing urinary stones. Cochrane Database Syst Rev 2012;6:CD004292.
  • 6.Bichler KH, Eipper E, Naber K, Braun V, Zimmermann R, Lahme S. Urinary infection stones. Int J Antimicrob Agents 2002;19:488-98.
  • 7.Blijenberg BG, Liem TL, Leijnse B. Niersteenanalyse. Ned Tijdschr Geneeskd 1986;130:354-6.
  • 8.Borghi L, Meschi T, Amato F, Briganti A, Novarini A, Giannini A. Urinary volume, water and recurrences in idiopathic calcium nephrolithiasis: a 5-year randomized prospective study. J Urol 1996;155:839-43.
  • 9.Borghi L, Schianchi T, Meschi T, Guerra A, Allegri F, Maggiore U, et al. Comparison of two diets for the prevention of recurrent stones in idiopathic hypercalciuria. N Engl J Med 2002;346:77-84.
  • 10.Coe FL, Parks JH, Asplin JR. The pathogenesis and treatment of kidney stones. N Engl J Med 1992;327:1141-52.
  • 11.Cohen TD, Preminger GM. Struvite calculi. Semin Nephrol 1996;16:425-34.
  • 12.Coll DM, Varanelli MJ, Smith RC. Relationship of spontaneous passage of ureteral calculi to stone size and location as revealed by unenhanced helical CT. Am J Roentgenol 2002;178:101-3.
  • 13.Curhan GC, Willett WC, Rimm EB, Stampfer MJ. Family history and risk of kidney stones. J Am Soc Nephrol 1997;8:1568-73.
  • 14.Dussol B, Iovanna C, Rotily M, Morange S, Leonetti F, Dupuy P, et al. A randomized trial of low-animal-protein or high-fiber diets for secondary prevention of calcium nephrolithiasis. Nephron Clin Pract 2008;110:c185-94.
  • 15.Edna TH, Hesselberg F. Acute ureteral colic and fluid intake. Scand J Urol Nephrol 1983;17:175-8.
  • 16.Ekici S, Sinanoglu O. Comparison of conventional radiography combined with ultrasonography versus nonenhanced helical computed tomography in evaluation of patients with renal colic. Urol Res 2012;40:543-7.
  • 17.Fan B, Yang D, Wang J, Che X, Li X, Wang L, et al. Can tamsulosin facilitate expulsion of ureteral stones? A meta-analysis of randomized controlled trials. Int J Urol 2013;20:818-30.
  • 18.Fink HA, Wilt TJ, Eidman KE, Garimella PS, MacDonald R, Rutks IR, et al. Recurrent nephrolithiasis in adults: comparative effectiveness of preventive medical strategies. Rockville (MD): Agency for Healthcare Research and Quality, 2012. http://www.effectivehealthcare.ahrq.gov/reports/final.cfm.
  • 19.Gezondheidsraad. Richtlijnen goede voeding. Den Haag: Gezondheidsraad, 2006. http://www.gezondheidsraad.nl/sites/default/files/2006@21N.pdf
  • 20.Haroun AA, Hadidy AM, Mithqal AM, Mahafza WS, Al-Riyalat NT, Sheikh-Ali RF. The role of B-mode ultrasonography in the detection of urolithiasis in patients with acute renal colic. Saudi J Kidney Dis Transpl 2010;21:488-93.
  • 21.Hiatt RA, Ettinger B, Caan B, Quesenberry CP, Duncan D, Citron JT. Randomized controlled trial of a low animal protein, high fiber diet in the prevention of recurrent calcium oxalate kidney stones. Am J Epidemiol 1996;144:25-33.
  • 22.Holdgate A, Pollock T. Nonsteroidal anti-inflammatory drugs (NSAIDS) versus opioids for acute renal colic. Cochrane Database Syst Rev 2004;1:CD004137.
  • 23.Hughes J, DeHart HS, Coppridge AJ, Roberts LC. Ureteral stone: diagnosis in emergency room patients. Urology 1977;10:425-7.
  • 24.Irving SO, Calleja R, Lee F, Bullock KN, Wraight P, Doble A. Is the conservative management of ureteric calculi of > 4 mm safe? BJU Int 2000;85:637-40.
  • 25.Kartal M, Eray O, Erdogru T, Yilmaz S. Prospective validation of a current algorithm including bedside US performed by emergency physicians for patients with acute flank pain suspected for renal colic. Emerg Med J 2006;23:341-4.
  • 26.KNMP. Informatorium medicamentorum. Den Haag: KNMP, 2014.
  • 27.Lagro-Janssen T. Eenmaal een steen, altijd een steen? Prognose en beleid bij een eerste niersteenaanval. Huisarts Wet 1989;32:4-6.
  • 28.Lamberts H, Brouwer HJ, Mohrs J. Reason for encounter-, episode- and process-oriented standard output from the transition project. Amsterdam: Dept of General Practice, University of Amsterdam, 1991.
  • 29.Ljunghall S, Christensson T, Wengle B. Prevalence and incidence of renal stone disease in a health screening program. Scand J Urol Nephrol 1977;S41:39-53.
  • 30.Lu Z, Dong Z, Ding H, Wang H, Ma B, Wang Z. Tamsulosin for ureteral stones: a systematic review and meta-analysis of a randomized controlled trial. Urol Int 2012;89:107-15.
  • 31.Manthey D, Teichman J. Nephrolithiasis. Emerg Med Clin North Am 2001;19:633-54.
  • 32.Malo C, Audette-Côté JS, Emond M, Turgeon AF. Tamsulosin for treatment of unilateral distal ureterolithiasis: a systematic review and meta-analysis. CJEM 2013;15:1-14.
  • 33.Miller OF, Kane CJ. Time to stone passage for observed ureteral calculi: a guide for patient education. J Urol 1999;162:688-91.
  • 34.Mitterberger M, Pinggera GM, Pallwein L, Gradi J, Feuchtner G, Plattner R, et al. Plain abdominal radiography with transabdominal native tissue harmonic imaging ultrasonography vs unenhanced computed tomography in renal colic. BJU Int 2007;100:887-90.
  • 35.Moe OW. Kidney stones: pathophysiology and medical management. Lancet 2006;367:333-44.
  • 36.Morse RM, Resnick MI. Ureteral calculi: natural history and treatment in an era of advanced technology. J Urol 1991;145:263-5.
  • 37.Nielen MMJ, Spronk I, Davids R, Zwaanswijk M, Verheij RA, Korevaar JC. Verantwoording incidentie en prevalentie cijfers van gezondheidsproblemen in de Nederlandse huisartsenpraktijk in 2012. NIVEL. http://www.nivel.nl/en/node/3094.
  • 38.NVU. Evidence-based richtlijn diagnostiek, behandeling en follow-up van nierstenen (2014). http://www.nvu.nl/en-us/kwaliteit/richtlijnen/actuelerichtlijnen.aspx.
  • 39.Ohkawa M, Tokunaga S, Nakashima T, Yamaguchi K, Orito M, Hisazumi H. Spontaneous passage of upper urinary tract calculi in relation to composition. Urol Int 1993;50:153-8.
  • 40.Parmar MS. Kidney stones. BMJ 2004;328:1420-4.
  • 41.Patlas M, Farkas A, Fisher D, Zaghal I, Hadas-Halpern I. Ultrasound vs CT for the detection of ureteric stones in patients with renal colic. Br J Radiol 2001;74:901-4.
  • 42.Prasetyo T, Birowo P, Rasyid N. The influence of increased fluid intake in the prevention of urinary stone formation: a systematic review. Acta Med Indones 2013;45:253-8.
  • 43.Ryall RL. Macromolecules and urolithiasis: parallels and paradoxes. Nephron Physiol 2004;98:37-42.
  • 44.Siener R, Ebert D, Hesse A. Urinary oxalate excretion in female calcium oxalate stone formers with and without a history of recurrent urinary tract infections. Urol Res 2001;29:245-8.
  • 45.Smith-Bindman R, Aubin C, Bailitz J, Bengiamin RN, Camargo CA Jr, Corbo J, et al. Ultrasonography versus computed tomography for suspected nephrolithiasis. N Engl J Med 2014;371:1100-10.
  • 46.Springhart WP, Marguet CG, Sur RL, Norris RD, Delvecchio FC, Young MD, et al. Forced versus minimal intravenous hydration in the management of acute renal colic: a randomized trial. J Endourol 2006;20:713-6.
  • 47.Tiselius HG. Epidemiology and medical management of stone disease. BJU Int 2003;91:758-67.
  • 48.Ulusan S, Koc Z, Tokmak N. Accuracy of sonography for detecting renal stone: comparison with CT. J Clin Ultrasound 2007;35:256-61.
  • 49.Van Helsdingen PJ. Stenen in het distale deel van de ureter I. De conservatieve behandeling. Ned Tijdschr Geneeskd 1980;124:814-8.
  • 50.Varma G, Nair N, Salim A, Marickar YM. Investigations for recognizing urinary stone. Urol Res 2009;37:349-52.
  • 51.Viprakasit DP, Sawyer MD, Herrell SD, Miller NL. Limitations of ultrasonography in the evaluation of urolithiasis: a correlation with computed tomography. J Endourol 2012;26:209-13.
  • 52.Volmer M. Infrared spectroscopy in clinical chemistry, using chemometric calibration techniques [Proefschrift]. Groningen: Rijksuniversiteit Groningen, 2001. http://dissertations.ub.rug.nl/FILES/faculties/medicine/-2001/m.volmer/thesis.pdf.
  • 53.Worster AS, Bhanich Supapol W. Fluids and diuretics for acute ureteric colic. Cochrane Database Syst Rev 2012;2:CD004926.

Reacties

Er zijn nog geen reacties

Verder lezen