Samenvatting

Van Pinxteren B, Knottnerus BJ, Geerlings SE, Visser HS, Klinkhamer S, Van der Weele GM, Verduijn MM, Opstelten W, Burgers JS, Van Asselt KM. Dutch College of General Practitioners’ guideline Urinary tract infections (third revision). Huisarts Wet 2013;56(6):270-80.
The Dutch College of General Practitioners (NHG) guideline Urinary tract infections provides advice about the diagnosis, treatment, and prevention of urinary tract infections (UTIs) in general practice. A distinction is made between cystitis, recurrent cystitis, and invasive UTIs (pyelonephritis or acute prostatitis) and between different patient groups, namely, healthy, non-pregnant women; individuals with an increased risk of a complicated course, such as men, pregnant women, immunocompromised patients (e.g., patients with diabetes), and patients with urological abnormalities, neurological bladder dysfunction, or long-term indwelling catheters; and children younger than 12 years. For each of these groups the guideline provides a diagnostic algorithm.
The diagnosis is mainly based on the patient history, with cystitis being strongly suspected if dysuria is the main complaint, if symptoms have been present for fewer than 7 days, if there have been no recent changes in vaginal irritation or discharge, and if there is no increased risk of sexually transmitted diseases. In these cases urine analysis is not necessary. Urine analysis (starting with dipstick) is necessary if the patient has never had a UTI, and if symptoms are different from those previously experienced with a UTI. Since cystitis is usually self-limiting and the risk for pyelonephritis is negligible, treatment options are non-pharmacological interventions (with a ‘delayed prescription’ for antibiotics, only to be started if symptoms get worse or persist), analgesics for symptoms, or antibiotics. On the basis of Dutch data on antibiotic resistance, nitrofurantoin (5 days) is still the drug of choice.
Women with three or more UTIs a year can be offered antibiotics to treat each new episode of UTI or prophylactic treatment with cranberry products, antibiotics (to be taken daily or after intercourse), or vaginal oestriol.
Suspected UTIs should be confirmed by dipstick, dipslide, or culture of a urine sample. The drug of choice is nitrofurantoin (7 days).
In patients presenting with fever and/or other signs of invasive UTI, the diagnosis should be confirmed as described above, and antibiotic resistance should be tested. Once the diagnosis is established, treatment should be started immediately with antibiotics with sufficient tissue penetration. On the basis of Dutch data on antibiotic resistance, ciprofloxacin is the drug of choice, followed by amoxicillin-clavulanate, both prescribed for 7 days in women and 14 days in men. Pregnant women, patients with kidney stones, patients who recover insufficiently 48 hours after starting antibiotics, and patients with signs of sepsis should be referred.
The diagnosis should always be confirmed in children with suspected UTI, using dipslide or urine culture, and antibiotic resistance should be tested. ‘Clean catch’ urine is preferred for urine analysis in children who are not yet toilet trained. Initial treatment should be started immediately after diagnosis. In the case of cystitis, nitrofurantoin (5 days) is the drug of choice, but amoxicillin-clavulanate (10 days) is the drug of choice if the child presents with fever and/or other signs of invasive UTI. Children younger than 3 months, children who are very ill or vomiting, and those who recover insufficiently 48 hours after starting antibiotics should be referred.

Inbreng van de patiënt

De NHG-Standaarden geven richtlijnen voor het handelen van de huisarts; de rol van de huisarts staat dan ook centraal. Daarbij geldt echter altijd dat factoren van de kant van de patiënt het beleid mede bepalen. Om praktische redenen komt dit uitgangspunt niet telkens opnieuw in de richtlijn aan de orde, maar wordt het hier expliciet vermeld. De huisarts stelt waar mogelijk zijn beleid vast in samenspraak met de patiënt, met inachtneming van diens specifieke omstandigheden en met erkenning van diens eigen verantwoordelijkheid, waarbij adequate voorlichting een voorwaarde is.

Afweging door de huisarts

Het persoonlijk inzicht van de huisarts is uiteraard bij alle richtlijnen een belangrijk aspect. Afweging van de relevante factoren in de concrete situatie zal beredeneerd afwijken van het hierna beschreven beleid kunnen rechtvaardigen. Dat laat onverlet dat deze standaard bedoeld is om te fungeren als maat en houvast.

Delegeren van taken

NHG-Standaarden bevatten richtlijnen voor huisartsen. Dit betekent niet dat de huisarts alle genoemde taken persoonlijk moet verrichten. Sommige taken kunnen worden gedelegeerd aan de praktijkassistente, praktijkondersteuner of praktijkverpleegkundige, mits zij worden ondersteund door duidelijke werkafspraken waarin wordt vastgelegd in welke situaties de huisarts moet worden geraadpleegd en mits de huisarts toeziet op de kwaliteit. Omdat de feitelijke keuze van de te delegeren taken sterk afhankelijk is van de lokale situatie, bevatten de standaarden daarvoor geen concrete aanbevelingen.

Belangrijkste wijzigingen

  • De indeling van urineweginfecties is gewijzigd, waarbij de termen ongecompliceerde en gecompliceerde urineweginfecties zijn verlaten.
  • Urine voor een kweek (al dan niet via dipslide) bij een niet-zindelijk kind wordt bij voorkeur opgevangen door middel vanclean catch (zonder plaszakje); urine uit een plaszakje is alleen geschikt om een urineweginfectie uit te sluiten.
  • De belangrijkste wijzigingen in het medicamenteuze beleid zijn:
      • bij gezonde niet-zwangere vrouwen met een cystitis kan een expectatief beleid gevoerd worden, met eventueel een ‘uitgesteld recept’;
      • urineweginfecties onder de 12 jaar worden bij jongens en meisjes op dezelfde wijze behandeld;
      • norfloxacine wordt niet meer aanbevolen;
      • bij niet-zwangere vrouwen en bij mannen met een urineweginfectie met tekenen van weefselinvasie is ciprofloxacine het middel van eerste keus als initiële behandeling voordat de uitslag van de urinekweek bekend is.
  • Na behandeling van een urineweginfectie is controle van de urine alleen nodig als de klachten niet verdwenen zijn.

Kernboodschappen

  • Overweeg bij een gezonde, niet-zwangere vrouw die eerder een geobjectiveerde urineweginfectie heeft gehad, die de klachten herkent waarbij de klachten niet langer dan een week bestaan en die geen fluorklachten of verhoogd soa-risico heeft, om urineonderzoek achterwege te laten vanwege de hoge voorafkans op een urineweginfectie.
  • Bij antibiotische behandeling van een cystitis bij gezonde niet-zwangere vrouwen is een vijfdaagse kuur nitrofurantoïne eerste keus; een éénmalige gift fosfomycine is tweede keus.
  • Zet een kweek in voor resistentiebepaling (al dan niet via dipslide) voorafgaand aan de behandeling van een urineweginfectie zonder weefselinvasie bij personen uit een risicogroep, zoals mannen, zwangeren, kinderen jonger dan 12 jaar en patiënten met afwijkingen aan nieren of urinewegen of met een verminderde weerstand en bij alle patiënten met een urineweginfectie met tekenen van weefselinvasie.
  • Na isolatie van een groep-B-streptokok uit de urine van een zwangere vrouw, bestaat er – ongeacht het resultaat van de behandeling en de zwangerschapsduur – een indicatie voor intraveneuze antibiotische profylaxe tijdens de partus.

Inleiding

De NHG-Standaard Urineweginfectiesurineweginfectie geeft richtlijnen voor de diagnostiek en behandeling van acute bacteriële infecties van de urinewegen; hiertoe worden cystitiscystitis, pyelonefritispyelonefritis en acute prostatitisprostatitisgerekend. Diagnostiek en behandeling van urethritis, chronische prostatitis en epididymitis vallen buiten het bestek van deze standaard.
Bij de herziening van de standaard is gekozen om de indeling in gecompliceerde en ongecompliceerde urineweginfecties te verlaten, omdat het begrip gecompliceerd zowel kan verwijzen naar het beloop als naar het verhoogde risico op een gecompliceerd beloop. De nieuwe indeling staat vermeld in het kader. Kinderen jonger dan 12 jaar worden beschouwd als een aparte risicogroep,1 omdat de etiologie en behandeling verschillen van die bij andere risicogroepen.

Indeling urineweginfecties

  • cystitis bij gezonde, niet-zwangere vrouwen (vanaf 12 jaar).
  • cystitis bij patiënten vanaf 12 jaar met een verhoogd risico op een gecompliceerd beloop. Deze ‘risicogroepen’ zijn:
      • mannen;
      • zwangeren;
      • patiënten met diabetes mellitus of verminderde weerstand;
      • patiënten met afwijkingen aan de nieren of urinewegen;
      • patiënten met neurologische blaasstoornissen;
      • patiënten met een verblijfskatheter.
  • urineweginfectie bij patiënten vanaf 12 jaar met tekenen van weefselinvasie, met onderscheid tussen:
      • vrouwen;
      • mannen.
  • urineweginfectie bij kinderen jonger dan 12 jaar, met onderscheid tussen patiënten:
      • zonder tekenen van weefselinvasie;
      • met tekenen van weefselinvasie.

Achtergronden

Begrippen

Urineweginfectie: bacteriuriebacteriurie met klinische verschijnselen. In de standaard wordt van bacteriurie gesproken bij een positieve nitriettest, een dipslide met ten minste 104 kolonievormende eenheden per milliliter (kve/ml) of een kweek met ten minste 105 kve/ml.2
Bij kinderen jonger dan 12 jaar is voor de diagnose een positieve kweek vereist.
Cystitis: urineweginfectie die zich beperkt tot het oppervlak van de blaasmucosa, zonder tekenen van weefselinvasie.
Pyelonefritis: bacteriële infectie van het nierbekken en het nierweefsel, met tekenen van weefselinvasie.
Acute prostatitis:bacteriële infectie van de prostaat, met tekenen van weefselinvasie.
Asymptomatische bacteriuriebacteriurieasymptomatische bacteriurie: ontbreken van klinische verschijnselen bij bacteriurie.3
Risicogroepen bij urineweginfectieurineweginfectie:mannen, zwangeren, patiënten met diabetes mellitus of met verminderde weerstand, patiënten met afwijkingen aan de nieren of urinewegen, patiënten met neurologische blaasstoornissen, patiënten met een verblijfskatheter en kinderen onder de 12 jaar. Bij deze groepen bestaat een verhoogd risico op een gecompliceerd beloop met weefselinvasie.
Tekenen van weefselinvasieurineweginfectie: koorts, rillingen, algemeen ziekzijn, flank- of perineumpijn, acute (toename van) verwardheid/delier.
Clean catchclean catch-methode: methode waarbij de middenstroomurine van niet-zindelijke kinderen direct wordt opgevangen zonder gebruik te maken van een plaszakje.

Epidemiologie

Het aantal gerapporteerde nieuwe episodes vancystitis in de huisartsenpraktijk bedraagt bij vrouwen gemiddeld bijna 70 en bij mannen bijna 10 per 1000 patiënten per jaar.4 De incidentie vertoont bij vrouwen tussen de 15 en 24 jaar een piek en is het hoogst bij vrouwen ouder dan 60 jaar. Van alle klachten en aandoeningen waarmee vrouwen de huisarts consulteren komt een cystitis het meest voor.
De gemiddelde incidentie van pyelonefritis is lager: bij vrouwen ruim 2 en bij mannen minder dan 1 per 1000 patiënten per jaar. De incidentie van pyelonefritis bij vrouwen blijft vanaf het 15e levensjaar tot op hoge leeftijd ongeveer gelijk.
De incidentie vanacute prostatitis bedraagt bijna 2 per 1000 mannen per jaar. Bij mannen vertoont de incidentie van zowel pyelonefritis als prostatitis met het oplopen van de leeftijd een continu stijgende tendens.
Urineweginfecties bij kinderen komen minder vaak voor. Bij jongens is de incidentie het hoogst in de leeftijdsgroep jonger dan 4 jaar en bij meisjes tussen 5 en 9 jaar.

Pathofysiologie bij volwassenen

Urineweginfecties worden in hoofdzaak veroorzaakt door micro-organismen afkomstig uit de fecale flora die via het epitheel van de urinewegen de blaas koloniseren. Van daaruit kunnen deze micro-organismen, eventueel via een weefselinfectie, verder opstijgen. In zeldzame gevallen ontstaat een pyelonefritis via de hematogene route. Het overgrote deel van alle urineweginfecties wordt veroorzaakt doorEscherichia coliEscherichia coli; andere verwekkers zijn die van de proteus- en klebsiellaspecies en in mindere mateStaphylococcus saprophyticus en enterokokken.5
Het verschil in incidentie tussen mannen en vrouwen is, naar men aanneemt, in belangrijke mate te verklaren doordat de vrouwelijke urethra korter is en dichter bij de anus uitmondt. De coïtus en vooral het gebruik van condooms met spermadodende glijmiddelen zijn bevorderende factoren voor het ontwikkelen van (recidiverende) urineweginfecties(recidiverende) urineweginfectie bij vrouwen.6
Vaak is de aanleiding voor een urineweginfectie multifactorieel en lastig op te helderen. Volgens de gangbare hypothese speelt residuvorming een belangrijke rol, waarbij het niet van belang is of het residu tot stand komt door obstructie, neurogene blaasfunctiestoornissen, een te geringe mictiefrequentie, het niet-volledig ledigen van de blaas tijdens de mictie of door pendel van urine binnen de urinewegen. Zo zijn bij oudere mannen afvloedbelemmering en onvolledige lediging van de blaas belangrijke predisponerende factoren voor het ontstaan van een urineweginfectie. Bij zwangere vrouwen dragen dilatatie van de ureteren en een verminderde blaastonus bij aan het ontstaan van urineweginfecties.
Bij oudere vrouwen spelen postmenopauzale atrofie van de tractus urogenitalis alsmede een onvolledige blaaslediging ten gevolge van een descensus uteri een rol.
Andere predisponerende factoren voor het ontwikkelen van urineweginfecties zijn blaas- of nierstenen, verblijfskatheters en een verminderde weerstand, bijvoorbeeld door diabetes mellitus, bestraling of gebruik van immunosuppressiva.
Bij patiënten met diabetes mellitus komt vaker asymptomatische bacteriurie voor en is ook de incidentie van symptomatische urineweginfecties hoger. Bij ouderen varieert de prevalentie van asymptomatische bacteriurie sterk (5 tot 50% bij ouderen vanaf 65 jaar), oplopend tot 100% bij patiënten 20 dagen na het inbrengen van een verblijfskatheter. Behandeling van bacteriurie is niet nodig in afwezigheid van pijnlijke mictie of tekenen van weefselinvasie. Het behandelen van een asymptomatische bacteriurie verbetert een aanwezige incontinentie niet.3

Pathofysiologie bij kinderen

Bij jonge kinderen met een urineweginfectie kan de oorzaak een anatomische afwijking zijn, zoals vesico-ureterale reflux (VURVUR),vesico-ureterale reflux (VUR) verdubbelingsanomalieën van de urinewegen, hydronefrose, mega-ureter en urethrale obstructies (herkenbaar aan persen bij het plassen). Ongeveer eenderde van de kinderen met een cystitis heeft VUR. Bij de meeste kinderen verdwijnt deze VUR spontaan. VUR blijkt familiair voor te kunnen komen.7
Bij een deel van de kinderen met een urineweginfectie ontstaat schade aan het nierparenchym. Het risico op langetermijnschade in de vorm van hypertensie of nierfalen lijkt echter klein. De kans op blijvende schade lijkt groter bij ernstige VUR bij kinderen onder de vier jaar.7
Kinderen die zindelijk zijn, kunnen door een te hoge bekkenbodemspanning een verkeerde manier van plassen ontwikkelen, waarbij ze niet goed uitplassen, ‘staccato’ of intermitterend plassen, soms op de buik drukken om te plassen en vaker ongewild urine verliezen, zowel overdag als ’s nachts. Door residuvorming zou de kans op een urineweginfectie kunnen toenemen. Er is echter alleen indirect bewijs voor een oorzakelijk verband tussen een dergelijk afwijkend plaspatroon en het optreden van (recidiverende) urineweginfecties.8

Natuurlijk beloop

Een cystitis bij een gezonde niet-zwangere vrouw kan vanzelf overgaan.9 Het onbehandeld laten van een cystitis leidt zelden tot weefselinvasie.10 Een pyelonefritis kan zich acuut en zonder voorafgaande mictieklachten ontwikkelen.
Urineweginfecties bij jonge kinderen kunnen wel in korte tijd aanleiding geven tot nierschade en zijn een reden om direct met antibiotische behandeling te beginnen.11

Urineweginfectie met tekenen van weefselinvasie

Omdat bij pyelonefritis en prostatitis sprake is van weefselinvasie gaan deze infecties, in tegenstelling tot infecties waarbij alleen de lagere urinewegen betrokken zijn, doorgaans gepaard met koorts en algemene malaise. Ook spelen hierbij relatief vaak predisponerende factoren een rol, zoals diabetes, zwangerschap, nierstenen en anatomische afwijkingen, waaronder ook VUR.

Richtlijnen diagnostiek

De meeste patiënten met een urineweginfectie komen bij de huisarts met mictieklachtenmictieklachten. Wanneer er sprake is van weefselinvasie zullen koorts – bij jonge kinderen soms het enige symptoom – en malaise meer op de voorgrond staan.12

Anamnese

Vraag bij aanwijzingen voor een urineweginfectie naar:13
  • pijnlijke of branderige mictie;
  • ernst van de pijn;
  • toegenomen mictiefrequentie;
  • hematurie;
  • eerdere episodes met vergelijkbare klachten, herkenning van de klachten;
  • recent invasief onderzoek van blaas of prostaat;
  • loze aandrang;
  • pijn in de rug of onderbuik;
  • tekenen van weefselinvasie: (duur van) koorts, rillingen, algemeen ziekzijn, flank- of perineumpijn;
  • bij ouderen: acute (toename van) verwardheid/tekenen van een delier.

Vraag ook naar symptomen of factoren die kunnen wijzen op een andere diagnose:
  • langer dan een week bestaande klachten;13
  • risico op soa (zie de NHG-Standaard Het soa-consult);
  • nieuw ontstane of veranderde vaginale irritatie of afscheiding of ecoulement.

Vraag bij vrouwen met recidiverende urineweginfecties naar:
  • seksueel actief zijn;
  • relatie met coïtus;
  • gebruik van condooms en/of spermadodende middelen.

Ga na of de patiënt behoort tot een risicogroep en ga per risicogroep tevens onderstaande aandachtspunten na:
  • zwangere vrouwenurineweginfectie: de zwangerschapstermijn; voortijdige weeën of toename van harde buiken;
  • mannen: (al langer) last van moeilijk uitplassen, pijn bij het zitten;
  • patiënten metdiabetes mellitus of eenverminderde weerstand (zoals ten gevolge van bestraling, immunosuppressiva): aard comorbiditeit en medicatie, beloop eerdere urineweginfecties, noodzaak tot aanpassing medicatie (bijvoorbeeld bij chronisch prednisongebruik of bij ontregeling van glucosewaarden);
  • patiënten met eenverblijfskatheterverblijfskatheter: ga de indicatie voor de katheter na;
  • patiënten met bestaandeafwijkingen aan nieren of urinewegen (zoals ernstige nierinsufficiëntie, cystenieren, nierstenen, een neurogene blaas, een bemoeilijkte mictie of bekend blaasresidu): aard comorbiditeit en medicatie; ernst van de nierinsufficiëntie (zie de LTA Chronische nierschade).

Vraag bij kinderen jonger dan 12 jaar (zonodig aan ouders/verzorgers) naar:
  • buikpijn, pijnlijke of branderige mictie en toegenomen mictiefrequentie;
  • koorts, braken, sufheid, verminderde groei (vooral bij leeftijd jonger dan drie maanden);
  • eerdere urineweginfecties, eventuele kweekresultaten;
  • voorkomen van urineweginfecties bij ouders of broertjes/zusjes;
  • obstipatie (zie de NHG-Standaard Obstipatie);
  • aanwijzingen voor obstructie: persen tijdens plassen, slappe straal.

Bij zindelijke kinderen wijzen de volgende symptomen op een afwijkend plaspatroon: slechte of intermitterende straal (bij kinderen ouder dan vijf jaar); gebruik van ophoudmanoeuvres; abnormaal hoge of lage mictiefrequentie (normaal vier tot zeven keer per etmaal); incontinentie overdag of ’s nachts.

Lichamelijk onderzoek

Verricht lichamelijk onderzoek bij:
  • vrouwen met recidiverende infecties (drie of meer per jaar);
  • mannen;
  • koorts of andere tekenen van weefselinvasie;
  • kinderen;
  • patiënten bij wie het afnemen van een (betrouwbare) anamnese niet mogelijk is.

Het lichamelijk onderzoek omvat:
  • bij vrouwen met meer dan driemaal per jaar een urineweginfectie:
      • inspectie genitale regio (atrofie, fluor);
      • vaginaal toucher (cystocele, afwijkingen genitalia interna).

  • bij mannen:
      • buikonderzoek (urineretentie);
      • inspectie en palpatie genitale regio (balanitis, phimosis, ecoulement bij soa-risico, epididymitis).

Bij vermoeden van een prostatitis wordt een rectaal toucher niet aanbevolen, omdat dit onvoldoende differentieert ten opzichte van andere prostaataandoeningen.24
  • bij tekenen van weefselinvasie:
      • inschatting algemene toestand (zieke indruk, dehydratie, tekenen van delier);
      • temperatuur, bloeddruk en pols (aanwijzingen voor septische shock);
      • buikonderzoek (peritoneale prikkeling, flankpijn, urineretentie).
  • bij kinderen:
      • buikonderzoek (obstipatie, retentieblaas of andere palpabele massa);
      • overweeg, vooral bij kinderen jonger dan vijf jaar, inspectie genitale regio (positie meatus, ernstige phimosis, balanitis, vulvitis).

Aanvullend onderzoek

De [stroomdiagrammen 1, 2 en 3] geven het traject aan van het urineonderzoek voor verschillende patiëntengroepen.
Urineonderzoekurineweginfectie kan achterwege blijven bij een gezonde niet-zwangere vrouw met een sterk vermoeden van een urineweginfectie (criteria zie onderEvaluatie) die eerder een geobjectiveerde urineweginfectie heeft gehad en de klachten duidelijk herkent.14
Verricht bij andere groepen alleen urineonderzoek bij een klinisch vermoeden van een urineweginfectie. Urineonderzoek kan dus ook achterwege blijven:
  • indien alternatieve diagnoses waarschijnlijker zijn, zoals balanitis, vulvitis op basis van candida of wormen;
  • bij patiënten met een verblijfskatheter zonder duidelijke tekenen van weefselinvasie, aangezien bij hen vrijwel steeds bacteriurie bestaat en er bovendien geen duidelijke relatie is tussen klachten en infectie;15
  • bij ouderen zonder klinische symptomen, aangezien asymptomatische bacteriurie vaak voorkomt. Om die reden kan bij ouderen een aangetoonde bacteriurie niet zonder meer als (enige) oorzaak van koorts of een delier worden gezien (zie ook de NHG-Standaard Delier).

Urinestick

Verricht, behalve in de hierboven genoemde situaties, bij het vermoeden van een urineweginfectie een combinatietesturinestick van nitriet, leukocyten en erytrocyten, hierna aangeduid als nitriettesturineonderzoeknitriettest, leukotesturineonderzoekleukotest en erytesturineonderzoekerytest.16
Een positieve nitriettest is specifiek voor een urineweginfectie en bevestigt bij patiënten vanaf 12 jaar de diagnose; bij kinderen jonger dan 12 jaar wordt de diagnose pas gesteld bij een positieve kweek. De ery- en leukotest zijn veel minder specifiek. Ze zijn echter wel erg gevoelig, zodat een negatieve uitslag van deze tests de kans op een urineweginfectie klein maakt.
Fout-negatieve uitslagen van nitriet kunnen veroorzaakt worden doordat het infecterende micro-organisme geen reductase ter beschikking heeft om nitraat in nitriet om te zetten, maar ook doordat de urine niet lang genoeg in de blaas aanwezig is geweest om deze omzetting mogelijk te maken. Andere mogelijke oorzaken zijn: afwezigheid van nitraat in de voeding en een hoge concentratie ascorbinezuur in de urine.

Dipslide

Verricht aanvullend urineonderzoek met een dipslideurineonderzoekdipslide in de volgende gevallen:17
  • negatieve nitriettest bij vrouwen met eensterk vermoeden (criteria zieEvaluatie) van een (eerste) urineweginfectie, ongeacht de uitslag van de leuko- en erytest;16
  • negatieve nitriettest, maar positieve leuko- en/of erytest bij vrouwen zonder sterk vermoeden van een urineweginfectie;16
  • negatieve nitriettest bij personen uit een risicogroep met mictieklachten.

Voor resistentiebepalingurineonderzoekresistentiebepaling kan, afhankelijk van regionale afspraken hierover, de dipslide naar het laboratorium worden gestuurd. Een alternatief hiervoor is om vóór het begin van de behandeling urine te verzamelen en deze rechtstreeks naar het laboratorium te sturen voor het inzetten van een kweek.

Aflezen dipslide

De dipslide moet gedurende ten minste 18 uur in een broedstoof (38oC), of ten minste 24 uur bij kamertemperatuur (20oC) worden bewaard, voordat deze wordt afgelezen. Het aantal kolonievormende eenheden per ml urine wordt geschat door het groeibeeld dat ontstaan is te vergelijken met een standaardafbeelding. De groene kant van de dipslide (CLED) is de kant waarop het aantal kolonies wordt geteld; op de rode kant (MacConkey) groeien alleen gramnegatieve micro-organismen.

Urinesediment

Bij patiënten vanaf 12 jaar kan, als gelijkwaardig alternatief voor de dipslide, het urinesedimenturineonderzoekurinesediment microscopisch worden beoordeeld op de aanwezigheid van bacteriën, indien de beoordelaar hiertoe adequaat geschoold is en gebruik maakt van een goed onderhouden microscoop. Het sediment is positief bij ten minste 20 bacteriën per gezichtsveld (vergroting 400x); de aanwezigheid van epitheelcellen duidt op contaminatie.18 Het sediment heeft geen plaats bij de diagnostiek in de eerste lijn van urineweginfecties bij kinderen.

Kweek en resistentiebepaling

Voor het opsturen naar een laboratorium van de dipslide of verse urine voor kweekurineonderzoekurinekweek en resistentiebepaling gelden de volgende indicaties:
  • bij koorts of andere tekenen van weefselinvasie;
  • na falen van twee blind ingezette behandelingen;
  • urineweginfectie bij patiënten die antibiotische profylaxe gebruiken;
  • bij patiënten uit een risicogroep (NB: bij vrouwen met diabetes mellitus met een cystitis, die verder gezond zijn en geen zieke indruk maken, kan de huisarts overwegen pas een kweek in te zetten bij een eventueel recidief);19
  • bij kinderen jonger dan 12 jaar.

Opvangen en bewaren van urine

Bij volwassenen zijn geen speciale maatregelen nodig bij het opvangenurineonderzoek van urine. Wanneer er echter een discrepantie bestaat tussen het klinisch beeld en de uitslag van het urineonderzoek overweegt de huisarts een nieuw monster te onderzoeken, dat met gespreide schaamlippen of teruggetrokken voorhuid is opgevangen. Bij niet-zindelijke kinderen wordt geadviseerd om de genitalia vooraf te wassen; omdat bij hen de voorafkans op een infectie kleiner is dan bij volwassenen, is het bij kinderen extra belangrijk om contaminatie te voorkomen, teneinde een urineweginfectie uit te kunnen sluiten.20 Voor het opvangen van urine bij niet-zindelijke kinderen zie [kader].
Het onderzoek van bij kamertemperatuur bewaarde urine is alleen betrouwbaar indien de urine binnen 2 uur na lozing wordt onderzocht. Wanneer dit niet mogelijk is, moet de urine onmiddellijk worden geplaatst in een koelkast met een temperatuur van maximaal 10oC, waarin deze hoogstens 24 uur bewaard mag worden.21

Opvangen urine bij niet-zindelijke kinderen

Bij voorkeur wordt urine opgevangen door middel van eenclean catch. Het plaszakje is een methode die meer kans op contaminatie geeft. Een positieve nitriet- of leukotest van urine uit een plaszakje vergt altijd alsnog onderzoek van schone ‘clean catch’-urine [kader] om de diagnose urineweginfectie te bevestigen.22 Indien een clean catch niet lukt is katheterisatie (door een kinderarts) geïndiceerd.

Instructie voor opvangen van urine bij niet-zindelijke kinderen (clean catch)

Geef het kind ruim te drinken. Kinderen jonger dan 2 jaar zullen dan in het algemeen binnen 20 tot 30 minuten plassen.
Spreid de schaamlippen of trek de voorhuid terug en reinig vulva of penis zorgvuldig met een ruime hoeveelheid water (geen zeep) door de douche er op te zetten of natte watten uit te knijpen (niet poetsen).
Laat het kind met ontbloot genitaal op een aankleedkussen liggen of bloot rondlopen en vang middenstroomurine op met een schone container.
Lukt dit niet, plak dan alsnog een plaszak en controleer elke 10 minuten of er urineproductie is. Laat de plaszak niet langer dan 1 uur zitten, omdat daarna de kans op contaminatie groot is. Hoewel met de urine uit een plaszak een urineweginfectie niet betrouwbaar aangetoond kan worden, is deze wel bruikbaar om een urineweginfectie uit te sluiten.23 Voor uitvoeriger instructies zie www.thuisarts.nl.

Evaluatie

Algemeen

Bij patiënten ouder dan 12 jaar is sprake van een aangetoonde urineweginfectie bij een positieve nitriettest of een urinesediment met ten minste 20 bacteriën per gezichtsveld (vergroting 400x) of een dipslide met ten minste 104 kolonievormende eenheden per ml urine. Bij kinderen jonger dan 12 jaar is een urineweginfectie pas aangetoond bij een positieve kweek (al dan niet via dipslide).

Cystitis bij gezonde niet-zwangere vrouwen vanaf 12 jaar

De combinatie van de volgende symptomen geven eensterk vermoeden van een urineweginfectie bij gezonde niet-zwangere vrouwen:
  • pijn bij het plassen als op de voorgrond staande klacht,én
  • klachten korter durend dan een week,én
  • geen verhoogd risico op een soa,én
  • geen vaginale irritatie of fluorklachten.

Stel dewaarschijnlijkheidsdiagnose cystitis bij een sterk vermoeden van een urineweginfectie. Bevestig bij een eerste urineweginfectie de diagnose met een positieve nitriettest en zet een dipslide in bij een negatieve nitriettest.
Stel dediagnose cystitis bij vrouwen zonder een sterk vermoeden alleen bij een positieve nitriettest, positief sediment of positieve dipslide.

Cystitis bij risicogroepen

Er is sprake van cystitis bij een patiënt uit een risicogroep met een pijnlijke en/of frequente mictie zonder tekenen van weefselinvasie én met ten minste een positieve nitriettest, een positief urinesediment of een positieve dipslide.

Urineweginfectie met tekenen van weefselinvasie

Stel bij tekenen van weefselinvasie, al dan niet in combinatie met pijnlijke en/of frequente mictie, de diagnose urineweginfectie bij een positieve nitriettest, een positief sediment of een positieve dipslide. Koorts is een bijna obligaat symptoom bij een urineweginfectie met weefselinvasie, maar kan vroeg in de ziekte of bij ouderen ontbreken.
Het onderscheid tussen een prostatitis en een pyelonefritis bij mannen is moeilijk te maken op basis van klinische symptomen zoals flankpijn en perineumpijn.24 Het onderscheid tussen een prostatitis of pyelonefritis is niet van belang voor de behandeling.

Kinderen

Bij niet-zindelijke kinderen uit een urineweginfectie zich vooral met algemeen ziekzijn, koorts en buikpijn; bij zindelijke kinderen vaker met buikpijn, een pijnlijke of branderige mictie en/of een toegenomen mictiefrequentie (zie ook de NHG-Standaard Kinderen met koorts).
Stel de diagnose urineweginfectie bij kinderen alleen bij een positieve kweek, bij niet-zindelijke kinderen bij voorkeur door onderzoek van ‘clean catch’-urine (zie [kader]). Een positieve nitriet- en leukotest maken de diagnose weliswaar waarschijnlijk, maar vergen alsnog bevestiging door middel van een kweek (al dan niet via dipslide).22
Een urineweginfectie kan nagenoeg worden uitgesloten als de nitriet- en leukotest negatief zijn, ook als het kind koorts heeft.

Differentiële diagnostiek

Bij volwassenen:
  • aspecifieke klachten kunnen wijzen op urethritis (urethrale afscheiding en pijnlijke mictie en een verhoogd soa-risico; zie ook de NHG-Standaard Het soa-consult);
  • overweeg bij frequente mictie of loze aandrang met of zonder incontinentie eenoveractieve blaas (zie de NHG-Standaarden Urine-incontinentie en Mictieklachten bij mannen).

Bij kinderen:
  • overweeg obstructieve pathologie (meestal jongens) als oorzaak van de urineweginfectie (bij jonge kinderen onrust, buikkrampen, persen tijdens mictie en een slappe straal);
  • er is sprake van een afwijkend plaspatroon bij kinderen die buikdruk gebruiken om te plassen, minder dan vier keer of vaker dan zeven keer per etmaal plassen en al zindelijk waren maar weer regelmatig (een beetje) urine verliezen zowel overdag als ’s nachts;
  • overweeg bij sterke loze aandrang met of zonder incontinentie overactieve blaassymptomen als alternatieve diagnose, wanneer een urineweginfectie is uitgesloten.

Richtlijnen beleid

De keuze voor het soort antibioticum hangt af van diverse factoren, zoals leeftijd, het al dan niet behoren tot een risicogroep en de aanwezigheid van tekenen van weefselinvasie.25
Voor behandeling van urineweginfecties bij patiënten met een ernstige nierfunctiestoornis zie de LTA Chronische nierschade. Na publicatie van de LTA in 2009 zijn de adviezen voor nitrofurantoïne herzien; aanpassing van de dosering is pas nodig bij een klaring onder de 30 ml/min.26

Cystitis bij gezonde niet-zwangere vrouwen (vanaf 12 jaar)

Voorlichting

De huisarts legt uit dat een blaasontsteking veel voorkomt, niet besmettelijk is, maar wel af en toe kan terugkomen. Het gaat om een hinderlijke, in principe onschuldige aandoening, die vanzelf binnen één week kan genezen.9 De huisarts bespreekt de mogelijkheid van een afwachtend beleid (ruim drinken en zonodig pijnstilling) en het meegeven van een ‘uitgesteld antibioticumrecept’uitgesteld recept bij urineweginfectie. Over het al dan niet starten van het antibioticum kan de vrouw dan zelf beslissen als de klachten persisteren of toenemen.27
Met antibiotische behandeling zijn de klachten vaak eerder verdwenen, hoewel ze tot enkele dagen na afloop van de behandeling kunnen blijven bestaan.
In aansluiting op de gegeven mondelinge informatie kan de huisarts de patiënt verwijzen naar www.thuisarts.nl.

Medicatie

Bij het besluit een cystitis antibiotisch te behandelen gebeurt dit in eerste instantie blind. Dat wil zeggen zonder dat de verwekker en het resistentiepatroon bekend zijn. De volgende antibiotica komen in aanmerking:
  • eerste keus: een 5-daagse kuur nitrofurantoïnenitrofurantoïne (2 maal daags 100 mg met gereguleerde afgifte of 4 maal daags 50 mg);28 contra-indicaties zijn ernstige nierinsufficiëntie (klaring &lt 30 ml/min) en G6PD-deficiëntie;
  • tweede keus: een eenmalige gift fosfomycinefosfomycine (3 gram), 2 uur na de maaltijd, bij voorkeur voor de nacht. Leg uit dat de klachten niet meteen zijn verdwenen na inname van de eenmalige gift.29 Geef vrouwen die borstvoeding geven geen fosfomycine, tenzij de borstvoeding 24 uur onderbroken kan worden, door te kolven en de gekolfde melk niet te gebruiken;
  • derde keus: een 3-daagse kuur trimethoprimtrimethoprim (1 maal daags 300 mg voor de nacht);30 contra-indicaties zijn ernstige lever- en nierfunctiestoornissen, ernstige afwijkingen in het bloedbeeld, acute porfyrie en methotrexaatgebruik.

Controle

  • Indien de klachten na de kuur verdwijnen, is controle van de urine niet nodig.
  • Verricht, wanneer de klachten 3 tot 5 dagen na aanvang van de kuur niet duidelijk zijn afgenomen, alsnog of opnieuw urineonderzoek en verstrek, indien aangewezen, een alternatief middel.
  • Stuur een dipslide of verse urine naar een laboratorium voor kweek en resistentiebepaling als de klachten na een tweede kuur aanhouden, waarna behandeling plaatsvindt op grond van de uitslag.

Verwijzing

Verwijzing van een gezonde niet-zwangere vrouw met een cystitis zonder tekenen van weefselinvasie is niet nodig.

Recidiverende cystitis bij gezonde niet-zwangere vrouwen (vanaf 12 jaar)

Voorlichting

Adviseer de volgende maatregelen:31
  • veel drinken;
  • blaas geheel leegplassen;
  • bij aandrang de mictie niet uitstellen;
  • spoedige lediging van de blaas post coitum;
  • indien relevant: het gebruik van condooms/pessaria met spermadodende glijmiddelen heroverwegen.

In aansluiting op de gegeven mondelinge informatie kan de huisarts de patiënt verwijzen naar www.thuisarts.nl.

Medicatie

De huisarts legt vrouwen met recidiverende urineweginfecties de volgende behandelopties voor: zelfbehandeling, waarvoor een antibioticumrecept op voorraad wordt verstrekt, of profylactische behandeling.

Zelfbehandeling

Bij vrouwen die de klachten duidelijk herkennen van eerder doorgemaakte infecties is zelfbehandeling een goede optie. Hiertoe geeft de huisarts een recept mee voor een 5-daagse kuur nitrofurantoïne (2 maal daags 100 mg met gereguleerde afgifte of 4 maal daags 50 mg) of een eenmalige gift fosfomycine 3 gram, waarmee de vrouw kan starten zodra zich herkenbare tekenen van een infectie voordoen. Instrueer de patiënt contact op te nemen bij uitblijven van verbetering of een afwijkend beloop.

Profylaxe

Bespreek bij drie of meer urineweginfecties binnen één jaar de mogelijkheid van profylaxe met keuze uit de volgende opties:
  • cranberryproductencranberryproducten bij urineweginfecties. Voor de effectiviteit van cranberryproducten ter voorkoming van urineweginfecties bij vrouwen bestaat beperkt bewijs.33 Zowel cranberrytabletten (2 maal daags 500 mg) als drank (volgens gebruiksaanwijzing op de verpakking) kunnen worden gebruikt, hoewel de optimale dosering en toedieningsvorm nog niet vaststaan. Cranberrydrank wordt meestal matig verdragen. Ten opzichte van antibioticaprofylaxe heeft cranberryprofylaxe het voordeel dat het niet bijdraagt aan bacteriële resistentie tegen antibiotica;
  • continue antibioticaprofylaxecontinue antibioticaprofylaxe. Dit beperkt het aantal recidieven aanmerkelijk, ook in het jaar na staken van de profylaxe.34 Maak voor profylactische behandeling, mede afhankelijk van de reactie op de initiële therapie, een keuze tussen nitrofurantoïne (50 tot 100 mg) en trimethoprim (100 mg), dagelijks in te nemen voor de nacht. Informeer de patiënt over belangrijke bijwerkingen die bij langdurig gebruik van nitrofurantoïne zelden optreden, namelijk een – soms irreversibele – polyneuropathie, waarvan paresthesieën een eerste symptoom zijn, en het pulmonair syndroom, met kortademigheid en prikkelhoest als klachten (en soms leidt tot irreversibele fibrose). Voor de optimale duur van deze vorm van profylaxe is geen hard bewijs; de werkgroep adviseert na 6 tot 12 maanden de medicatie te staken;
  • postcoïtumprofylaxepostcoïtumprofylaxe bij urineweginfecties.35 Evenals bij continue profylaxe wordt – mede afhankelijk van de reactie op de initiële therapie – gekozen voor nitrofurantoïne (50 tot 100 mg) of trimethoprim 100 mg, in te nemen binnen 2 uur na iedere coïtus, maximaal eenmaal daags. Ook bij deze vorm van profylaxe is het advies om na 6 tot 12 maanden te stoppen;
  • vaginaal estriolvaginaal estriol bij urineweginfecties.36 Overweeg bij recidiverende infecties van postmenopauzale vrouwen vaginaal gebruik van estriolovules of -crème (1 maal daags 0,5 mg, na 2 weken af te bouwen tot maximaal 0,5 mg 2 maal per week). De werkzaamheid berust mogelijk op het tegengaan van slijmvliesatrofie, wat indirect leidt tot een verbetering van de vaginale flora en afname van de kans op kolonisatie door uropathogenen. Conform de NHG-Standaard De overgang wordt een behandelduur van maximaal 6 maanden geadviseerd (zie ook de NHG-Standaard De overgang).

Bij cystitis onder antibiotische profylaxe

  • Indien ondanks profylaxe een cystitis optreedt, geef dan een ander antibioticum (nitrofurantoïne, fosfomycine, trimethoprim; dosering zie onderCystitis bij gezonde niet-zwangere vrouwen).
  • Verzamel voor de start van de behandeling urine voor kweek en bepaling van resistentie.

Controle na cystitis onder antibiotische profylaxe

  • Indien de klachten na de kuur verdwijnen, is controle van de urine niet nodig.
  • Overweeg na afloop van de cystitis een ander middel als profylaxe, afhankelijk van het resistentiepatroon.
  • Verricht, wanneer de klachten drie tot vijf dagen na aanvang van de kuur niet duidelijk zijn afgenomen, urineonderzoek en verstrek, indien aangewezen, een alternatief middel.

Verwijzen

Verwijs vrouwen die ondanks profylactische behandeling last houden van frequent recidiverende urineweginfecties.

Cystitis bij risicogroepen

Voorlichting

Personen uit een risicogroep lopen een groter risico om complicaties van een cystitis te ontwikkelen. Behandel daarom een cystitis bij hen, in afwachting van de kweekuitslag, altijd met een antibioticum. Adviseer ruime vochtinname. Laat de patiënt bij verergering van klachten (koorts, algemeen ziekzijn) altijd direct contact opnemen met de (dienstdoende) huisarts.
In aansluiting op de gegeven mondelinge informatie kan de huisarts de patiënt verwijzen naar www.thuisarts.nl.

Medicatie

Bij zwangeren:37
  • eerste keus: een 7-daagse kuur nitrofurantoïne (2 maal daags 100 mg met gereguleerde afgifte of 4 maal daags 50 mg; niet in de periode rond de uitgerekende datum);
  • tweede keus: een 5-daagse kuur amoxicilline/clavulaanzuur (3 maal daags 500/125 mg).

Het verdere beleid bij zwangeren wordt bepaald door de reactie op de ingezette behandeling en de uitslag van de kweek en resistentiebepaling.
Indien uit de urine van een zwangere vrouw een groep-B-streptokok (GBS)GBSgroep-B-streptokok wordt geïsoleerd, bestaat er – ongeacht het resultaat van de behandeling en de zwangerschapsduur – een indicatie voor intraveneuze antibiotische profylaxe tijdens de partus, ter voorkoming van een GBS-infectie bij de neonaat. Van alle gekoloniseerde kinderen ontwikkelt 1 tot 2% een ernstige GBS-infectie in de vorm van een pneumonie, sepsis of meningitis met relatief hoge mortaliteit (in Nederland 5%).38 Stel de verloskundig hulpverlener op de hoogte als in de urine van een zwangere een GBS is gevonden.
Bij mannen39 en patiënten met diabetes mellitus, een verminderde weerstand of afwijkingen aan de nieren of urinewegen:40
  • eerste keus: een 7-daagse kuur nitrofurantoïne (2 maal daags 100 mg met gereguleerde afgifte of 4 maal daags 50 mg);
  • tweede keus: een 7-daagse kuur trimethoprim (1 maal daags 300 mg voor de nacht). Contra-indicaties zijn ernstige lever- en nierfunctiestoornissen, ernstige afwijkingen in het bloedbeeld, acute porfyrie en methotrexaatgebruik.

Het beleid bij recidiverende infecties bij risicogroepen hangt af van het onderliggend risico en de mate waarin dit behandelbaar is en van het optreden van urineweginfecties met tekenen van weefselinvasie bij deze patiënten. Overleg in voorkomende gevallen met de uroloog, internist of gynaecoloog.

Controle

Indien de klachten na de kuur verdwijnen is urinecontrole niet nodig. Bij uitblijven van herstel is urinecontrole geïndiceerd: bij een positieve nitriettest is kweek en resistentiebepaling geïndiceerd; bij een negatieve nitriettest is dit alleen geïndiceerd bij een positieve uitslag van dipslide of sediment.

Verwijzing

Verwijs:
  • patiënten met aanwijzingen voor onderliggende afwijkingen als urineretentie, bemoeilijkte mictie, nier- of blaasstenen en tumoren in blaas of kleine bekken;
  • mannen met meer dan één urineweginfectie in betrekkelijk korte tijd (arbitrair: 2 binnen een half jaar).

Urineweginfectie met tekenen van weefselinvasie

Voorlichting

Leg uit dat een urineweginfectie met koorts een aandoening is die ernstig kan verlopen, dat behandeling met antibiotica noodzakelijk is en dat dit alvast gestart wordt voordat de uitslag van de ingezette urinekweek en resistentiebepaling bekend zijn. De kweekuitslag kan reden zijn om van antibioticum te moeten wisselen. Adviseer ruime vochtinname.
In aansluiting op de gegeven mondelinge informatie kan de huisarts de patiënt verwijzen naar www.thuisarts.nl.

Medicatie

Bij een urineweginfectie met koorts of andere tekenen van weefselinvasie is een antibioticum nodig dat voldoende weefselpenetratie geeft, zoals ciprofloxacine, amoxicilline/clavulaanzuur en cotrimoxazol. Nitrofurantoïne, fosfomycine en norfloxacine zijn om deze reden niet geschikt voor deze indicatie, ondanks een gunstig resistentiepatroon.41 De geadviseerde volgorde van voorkeursmiddelen voor de initiële, blinde behandeling (dat wil zeggen na afname van urine, maar voordat de kweekuitslag en het resistentiepatroon bekend zijn) is gebaseerd op de huidige resistentiegegevens.25
Pas zo nodig de behandeling aan nadat de uitslagen van kweek en resistentiebepaling bekend zijn.
Heroverweeg bij patiënten met een verblijfskatheter de indicatie hiervoor. Vervang bij patiënten met een nog bestaande indicatie de katheter voor het eind van de antibioticumkuur.42
Bij niet-zwangere vrouwen:
  • eerste keus: een 7-daagse kuur ciprofloxacineciprofloxacine (2 maal daags 500 mg; uitsluitend bij leeftijd > 16 jaar). Niet gelijktijdig innemen met metaalverbindingen, zoals calcium-, magnesium- en ijzerpreparaten; contra-indicaties zijn ernstige gecombineerde lever- en nierfunctiestoornissen en peesaandoeningen gerelateerd aan het eerdere gebruik van chinolonen;
  • tweede keus: een 10-daagse kuur amoxicilline/clavulaanzuur (3 maal daags 500/125 mg);
  • derde keus en bij overgevoeligheid voor penicilline: een 10-daagse kuur cotrimoxazolcotrimoxazol (2 maal daags 960 mg); cotrimoxazol is gecontra-indiceerd bij gebruik van cumarine of methotrexaat.

Bij mannen:
Het antibiotische beleid bij mannen is identiek aan dat bij vrouwen, maar onafhankelijk van het gekozen middel steeds met een veertiendaagse behandelduur.41

Controle

Instrueer de patiënt contact op te nemen indien binnen twee dagen geen verbetering optreedt, of eventueel eerder bij verergering van het ziektebeeld of zich ontwikkelende verwardheid. Indien de klachten na de kuur verdwijnen is urinecontrole niet nodig. Bij uitblijven van herstel is urinecontrole geïndiceerd: bij een positieve nitriettest is kweek en resistentiebepaling geïndiceerd; bij een negatieve nitriettest is dit alleen geïndiceerd bij een positieve uitslag van dipslide of sediment.

Verwijzing

Verwijs:
  • zwangeren met tekenen van weefselinvasie;43
  • volwassenen met een pyelonefritis bij (vermoeden van of reeds bekende) nierstenen;
  • volwassenen met een urineweginfectie met koorts of andere tekenen van weefselinvasie die niet binnen 48 uur verbeteren op antimicrobiële behandeling;
  • patiënten met een vermoedelijke sepsis (hypotensie, tachycardie, koude rillingen, verwardheid).

Urineweginfecties bij kinderen tot 12 jaar

Voorlichting

Geef ouders van kinderen met een urineweginfectie die zindelijk zijn of ouder dan vijf jaar uitleg over de werking van de bekkenbodem en vertel dat ontspanning nodig is voor volledige lediging van blaas en darmen.
Geef, als er aanwijzingen zijn voor een afwijkend plaspatroon, de volgende adviezen om het plaspatroon te normaliseren:
  • laat het kind rustig en ontspannen op het toilet zitten. Zorg ervoor dat de bovenbenen horizontaal (recht) op de toiletbril rusten en de voeten op de grond of een bankje staan;
  • let er op dat het kind niet perst tijdens het plassen. De buik moet slap gehouden worden. Dit lukt het beste door zacht en rustig te fluiten, blazen of neuriën;
  • wanneer het kind de plas te lang ophoudt, is er meer kans dat het kind nat wordt of de blaas niet meer goed leeg krijgt. Probeer het kind zes tot zeven keer per dag te laten plassen. Dit lukt alleen als het kind ook minimaal zeven keer per dag drinkt.

Behandel aanwezige obstipatie volgens de NHG-Standaard Obstipatie.
In aansluiting op de gegeven mondelinge informatie kan de huisarts de patiënt verwijzen naar www.thuisarts.nl.

Medicatie

Behandel aangetoonde urineweginfecties bij jonge kinderen altijd met antibiotica omdat deze infecties in korte tijd aanleiding kunnen geven tot nierschade.
Medicamenteuze behandeling van een cystitis:44
  • eerste keus: een 5-daagse kuur nitrofurantoïne (5 tot 6 mg/kg lichaamsgewicht in 4 giften; maximaal 400 mg/dag);
  • tweede keus: een 3-daagse kuur amoxicilline/clavulaanzuur (30/7,5 mg/kg lichaamsgewicht in 3 giften; maximaal 3 g/750 mg per dag).

Bij tekenen van weefselinvasie:
  • eerste keus: een 10-daagse kuur amoxicilline/clavulaanzuur (50/12,5 mg/kg lichaamsgewicht in 3 giften; maximaal 3 g/750 mg per dag);
  • tweede keus (en bij overgevoeligheid voor penicilline): een 10-daagse kuur cotrimoxazol (6/30 mg/kg lichaamsgewicht in 2 giften; maximaal 320/1600 mg per dag).

De hier genoemde medicatiekeuze en doseringen zijn conform het Kinderformularium (www.kinderformularium.nl), hoewel de toepassing van bovengenoemde medicatie voor sommige leeftijden formeel te boek staat alsoff-label.

Controle

Controle van de urine is niet nodig als de klachten verdwenen zijn. Bij uitblijven van herstel is urinecontrole geïndiceerd: bij een positieve nitriettest is kweek en resistentiebepaling geïndiceerd; bij een negatieve nitriettest is dit alleen geïndiceerd bij een positieve uitslag van dipslide of sediment.

Verwijzing

Verwijs direct naar een kinderarts:
  • kinderen jonger dan 1 maand met koorts en kinderen van 1 tot 3 maanden met koorts zonder focus;45
  • kinderen met (vermoeden van) een urineweginfectie die ernstig ziek zijn en/of braken;
  • kinderen die niet binnen 48 uur verbeteren op antimicrobiële behandeling.

Verwijs direct voor nadere diagnostiek naar een kinderarts:
  • niet-zindelijke kinderen met een positieve nitriet- of leukotest van urine uit een plaszakje bij wie een clean catch niet lukt (katheterisatie geïndiceerd);
  • als tijdens de infectie sprake is van een slappe straal of palpabele massa in de buik.

Verwijzing naar een kinderarts binnen zes weken na de infectie is geïndiceerd in geval van:46
  • tweemaal een urineweginfectie, waarvan ten minste eenmaal met koorts;
  • driemaal een urineweginfectie zonder koorts;
  • een urineweginfectie met een andere verwekker danE. coli.

Totstandkoming

Nadat werd besloten te beginnen met de ontwikkeling van een NHG-Standaard Urineweginfecties startte in juni 2011 een werkgroep. Deze werkgroep heeft een conceptversie gemaakt.
De werkgroep bestond uit de volgende leden: B. van Pinxteren, huisarts te Utrecht; dr. B.J. Knottnerus, huisarts en onderzoeker; dr. S.E. Geerlings, internist-infectioloog te Amsterdam; H.S. Visser, huisarts te Zevenhuizen; S. Klinkhamer, aios huisartsgeneeskunde. Dr. K.M. van Asselt, huisarts te Kockengen en tot 1 september 2012 wetenschappelijk medewerker van de afdeling Richtlijnontwikkeling en Wetenschap, begeleidde de werkgroep en deed de redactie; dr. G.M. van der Weele, wetenschappelijk medewerker van de afdeling Richtlijnontwikkeling en Wetenschap nam dit daarna over en deed de eindredactie; dr. W. Opstelten was betrokken als senior wetenschappelijk medewerker en M.M. Verduijn als senior wetenschappelijk medewerker farmacotherapie, beiden van de afdeling Richtlijnontwikkeling en Wetenschap. M.A. Kijser was betrokken als medewerker van de afdeling Implementatie.
Door de werkgroepleden werd geen belangenverstrengeling gemeld. Meer details hierover zijn te vinden in de webversie van de standaard op www.nhg.org.
In juni 2012 werd de ontwerpstandaard voor commentaar naar vijftig willekeurig uit het NHG-ledenbestand gekozen huisartsen gestuurd. Er werden twintig commentaarformulieren retour ontvangen. Tevens werd commentaar ontvangen van een aantal referenten, te weten: P.F. Bongers, namens Bogin; dr. J.A.H. Eekhof, huisarts en hoofdredacteur van Huisarts en Wetenschap; E.P. van Haarst, uroloog namens de Nederlandse Vereniging voor Urologie; prof.dr. A.L.M. Lagro-Janssen, huisarts en werkzaam bij het Institute for Gender Studies te Nijmegen; P.M. Leusink, huisarts en als seksuoloog werkzaam bij het Groene Hart Ziekenhuis te Gouda; M.L.H.A. van Oppenraay namens het College voor Zorgverzekeringen; R.M. Dull, apotheker, dr. T. Schalekamp,

Literatuur

  • 1.Abrutyn E, Berlin J, Mossey J, Pitsakis P, Levison M, Kaye D. Does treatment of asymptomatic bacteriuria in older ambulatory women reduce subsequent symptoms of urinary tract infection? J Am Geriatr Soc 1996;44:293-5.
  • 2.Adatto K, Gormale DK, Galland L, Granowetter L. Behavioral factors and urinary tract infection. JAMA 1979;241:2525.
  • 3.Alam MT, Coulter JB, Pacheco J, Correia JB, Ribeiro MG, Coelho MF, et al. Comparison of urine contamination rates using three different methods of collection: clean-catch, cotton wool pad and urine bag. Ann Trop Paediatr 2005;25:29-34.
  • 4.Albert X, Huertas I, Pereiro II, Sanfelix J, Gosalbes V, Perrota C. Antibiotics for preventing recurrent urinary tract infection in non-pregnant women. Cochrane Database Syst Rev 2004;CD001209.
  • 5.Arneil GC, McAllister TA, Kay P. Detection of bacteriuria at room-temperature. Lancet 1970;1:119-21.
  • 6.Avorn J, Monane M, Gurwitz JH, Glynn RJ, Choodnovskiy I, Lipsitz LA. Reduction of bacteriuria and pyuria after ingestion of cranberry juice. JAMA 1994;271:751-4.
  • 7.Baerheim A, Digranes A, Hunskaar S. Evaluation of urine sampling technique: bacterial contamination of samples from women students. Br J Gen Pract 1992;42:241-3.
  • 8.Baerheim A, Laerum E. Home-voided urine specimens in women. Diagnostic agreement with clean-catch midstream specimens. Scand J Prim Health Care 1990;8:207-11.
  • 9.Baldassarre JS, Kaye D. Special problems of urinary tract infection in the elderly. Med Clin North Am 1991;75:375-90.
  • 10.Baselier PJAM. Acute bacteriële urineweginfecties in de huisartspraktijk [proefschrift]. Katholieke Universiteit Nijmegen, 1983.
  • 11.Beerepoot MA, Ter Riet G, Nys S, Van der Wal WM, De Borgie CA, De Reijke TM, et al. Cranberries vs antibiotics to prevent urinary tract infections: a randomized double-blind noninferiority trial in premenopausal women. Arch Intern Med 2011;171:1270-8.
  • 12.Bent S, Nallamothu BK, Simel DL, Fihn SD, Saint S. Does this woman have an acute uncomplicated urinary tract infection? JAMA 2002;287:2701-10.
  • 13.Beral V. Breast cancer and hormone-replacement therapy in the Million Women Study. Lancet 2003;362:419-27.
  • 14.Bleidorn J, Gagyor I, Kochen MM, Wegscheider K, Hummers-Pradier E. Symptomatic treatment (ibuprofen) or antibiotics (ciprofloxacin) for uncomplicated urinary tract infection?--results of a randomized controlled pilot trial. BMC Med 2010;8:30.
  • 15.Brumfitt W, Hamilton-Miller JM, Smith GW, al Wali W. Comparative trial of norfloxacin and macrocrystalline nitrofurantoin (Macrodantin) in the prophylaxis of recurrent urinary tract infection in women. Q J Med 1991;81:811-20.
  • 16.Brumfitt W, Smith GW, Hamilton-Miller JM, Gargan RA. A clinical comparison between Macrodantin and trimethoprim for prophylaxis in women with recurrent urinary infections. J Antimicrob Chemother 1985;16:111-20.
  • 17.Christiaens TC, De Meyere M, Verschraegen G, Peersman W, Heytens S, De Maeseneer JM. Randomised controlled trial of nitrofurantoin versus placebo in the treatment of uncomplicated urinary tract infection in adult women. Br J gen Pract 2002;52:729-34.
  • 18.Chung JM, Lee SD, Kang DI, Kwon DD, Kim KS, Kim SY, et al. An epidemiologic study of voiding and bowel habits in Korean children: a nationwide multicenter study. Urology 2010;76:215-9.
  • 19.Commissie Aanvullende Diagnostiek. Diagnostisch Kompas. Amstelveen: College voor zorgverzekeringen, 2003.
  • 20.Commissie Verloskunde van het College voor zorgverzekeringen. Verloskundig Vademecum (2003). College voor zorgverzekeringen. http://www.knov.nl/docs/uploads/Verloskundig_Vademecum_2003.pdf .
  • 21.Cormican M, Murphy AW, Vellinga A. Interpreting asymptomatic bacteriuria. BMJ 2011;343:d4780.
  • 22.Coulthard MG, Lambert HJ, Keir MJ. Occurrence of renal scars in children after their first referral for urinary tract infection. Br Med J 1997;315:918.
  • 23.Deville W, IJzermans CJJM, Van Duijn NP, Bezemer PD, Van der Windt DAWM, Bouter LM. Which factors affect the accuracy of the urine dipstick test for the detection of bacteriuria or urinary tract infections? A meta-analysis. Evidence in diagnostic research. Reviewing diagnostic accuracy: from search to guidelines. Amsterdam: AMC-UvA, 2001: 39-74.
  • 24.Deville WL, Yzermans JC, Van Duijn NP, Bezemer PD, Van der Windt DA, Bouter LM. The urine dipstick test useful to rule out infections.A meta-analysis of the accuracy. BMC Urol 2004;4:4.
  • 25.Dick PT, Feldman W. Routine diagnostic imaging for childhood urinary tract infections: a systematic overview. J Pediatr 1996;128:15-22.
  • 26.Ditchburn RK, Ditchburn JS. A study of microscopical and chemical tests for the rapid diagnosis of urinary tract infections in general practice. Br J Gen Pract 1990;40:406-8.
  • 27.Ellner PD, Papachristos T. Detection of bacteriuria by dip-slide. Routine use in a large general hospital. Am J Clin Pathol 1975;63:516-21.
  • 28.Eriksen B. A randomized, open, parallel-group study on the preventive effect of an estradiol-releasing vaginal ring (Estring) on recurrent urinary tract infections in postmenopausal women. Am J Obstet Gynecol 1999;180:1072-9.
  • 29.Etienne M, Chavanet P, Sibert L, Michel F, Levesque H, Lorcerie B, et al. Acute bacterial prostatitis: heterogeneity in diagnostic criteria and management. Retrospective multicentric analysis of 371 patients diagnosed with acute prostatitis. BMC Infect Dis 2008;8:12.
  • 30.European Medicines Agency. PERSBERICHT: EMEA adviseert beperkt gebruik van orale norfloxacine bevattende geneesmiddelen bij urineweginfecties (2008). European Medicines Agency. http://www.cbg-meb.nl/NR/rdonlyres/E580F55A-B4CD-4098-93A0-80BE2ECE2086/0/NL_EMEA_Persbericht_Norfloxacin.pdf .
  • 31.Falagas ME, Kotsantis IK, Vouloumanou EK, Rafailidis PI. Antibiotics versus placebo in the treatment of women with uncomplicated cystitis: a meta-analysis of randomized controlled trials. J Infect 2009;58:91-102.
  • 32.Falagas ME, Vouloumanou EK, Togias AG, Karadima M, Kapaskelis AM, Rafailidis PI, et al. Fosfomycin versus other antibiotics for the treatment of cystitis: a meta-analysis of randomized controlled trials. J Antimicrob Chemother 2010;65:1862-77.
  • 33.Fihn SD, Boyko EJ, Normand EH, Chen CL, Grafton JR, Hunt M, et al. Association between use of spermicide-coated condoms and Escherichia coli urinary tract infection in young women. Am J Epidemiol 1996;144:512-20.
  • 34.Folkeringa-de Wijs MA, Dekker JH. Streptokokken uit groep B bij zwangeren. Huisarts Wet 2012;55:412-3.
  • 35.Foxman B, Marsh J, Gillespie B, Rubin N, Koopman JS, Spear S. Condom use and first-time urinary tract infection. Epidemiology 1997;8:637-41.
  • 36.Geerlings SE. Urinary tract infections in patients with diabetes mellitus: epidemiology, pathogenesis and treatment. Int J Antimicrob Agents 2008;31 Suppl 1:S54-S57.
  • 37.Giesen LGM, Cousins G, Dimitrov BD, Van de Laar FA, Fahey T. Predicting acute uncomplicated urinary tract infection in women: a systematic review of the diagnostic accuracy of symptoms and signs. BMC Fam Pract 2010;11:78.
  • 38.Goettsch WG, Janknegt R, Herings RM. Increased treatment failure after 3-days’ courses of nitrofurantoin and trimethoprim for urinary tract infections in women: a population-based retrospective cohort study using the PHARMO database. Br J Clin Pharmacol 2004;58:184-9.
  • 39.Gossius G, Vorland L. A randomised comparison of single-dose vs. three-day and ten-day therapy with trimethoprim-sulfamethoxazole for acute cystitis in women. Scand J Infect Dis 1984;16:373-9.
  • 40.Gradwohl S. UMHS urinary tract infection guideline.University of Michigan Health System. http://www.med.umich.edu/1info/fhp/practiceguides/uti/uti.pdf.
  • 41.Gupta K, Hooton TM, Roberts PL, Stamm WE.Patient-initiated treatment of uncomplicated recurrent urinary tract infections in young women. Ann Intern Med 2001;135:9-16.
  • 42.Guttmann D, Naylor GR. Dip-slide: an aid to quantitative urine culture in general practice. Br Med J 1967;3:343-5.
  • 43.Handley MA, Reingold AL, Shiboski S, Padian NS. Incidence of acute urinary tract infection in young women and use of male condoms with and without nonoxynol-9 spermicides. Epidemiology 2002;13:431-6.
  • 44.Hansson S, Jodal U, Noren L, Bjure J. Untreated bacteriuria in asymptomatic girls with renal scarring. Pediatrics 1989;84:964.
  • 45.Harvard Davis R, O’Dowd TC, Holmes W, Smail J, Slack RC. A comparative double-blind randomised study of single dose fosfomycin trometamol with trimethoprim in the treatment of urinary tract infections in general practice. Chemotherapy 1990;36 Suppl 1:34-6.
  • 46.Heilenkotter K, Bachmann C, Janhsen E, Stauber T, Lax H, Petermann F, et al. Prospective evaluation of inpatient and outpatient bladder training in children with functional urinary incontinence. Urology 2006;67:176-80.
  • 47.Hooton TM. Clinical practice. Uncomplicated urinary tract infection. N Engl J Med 2012;366:1028-37.
  • 48.Hooton TM, Scholes D, Hughes DP ea. A prospective study of risk factors for symptomatic urinary tract infection in young women. N Engl J Med 1996;335:468.
  • 49.Hooton TM, Winter C, Tiu F, Stamm WE. Randomized comparative trial and cost analysis of 3-day antimicrobial regimens for treatment of acute cystitis in women. JAMA 1995;273:41-5.
  • 50.Jackaman FR, Darrell JH, Shackman R. The dip-slide in urology. Br Med J 1973;1:207-8.
  • 51.Janknegt R, Hooymans PM, Fabius GT, Nohlmans-Paulssen MK, Machielsen C, Boogaard-van den BJ, et al. Urinary concentrations of fosfomycin after a single 3 g dose of fosfomycin to elderly nursing-home patients. Pharm World Sci 1994;16:149-53.
  • 52.Jefferson H, Dalton HP, Escobar MR, Allison MJ. Transportation delay and the microbiological quality of clinical specimens. Am J Clin Pathol 1975;64:689-93.
  • 53.Jepson RG, Williams G, Craig JC. Cranberries for preventing urinary tract infections. Cochrane Database Syst Rev 2012;(10):CD001321.
  • 54.Jojart G. Comparison of 3-day versus 14-day treatment of lower urinary tract infection in children. Int Urol Nephrol 1991;23:129-34.
  • 55.Jones KV. Prognosis for vesicoureteric reflux. Arch Dis Child 1999;81:287-9.
  • 56.Karacan C, Erkek N, Senel S, Akin GS, Catli G, Tavil B. Evaluation of urine collection methods for the diagnosis of urinary tract infection in children. Med Princ Pract 2010;19:188-91.
  • 57.Karachalios GN. Randomized comparative study of amoxicillin-clavulanic acid and co-trimoxazole in the treatment of acute urinary tract infections in adults. Antimicrob Agents Chemother 1985;28:693-4.
  • 58.KASS EH. Bacteriuria and the diagnosis of infections of the urinary tract; with observations on the use of methionine as a urinary antiseptic. AMA Arch Intern Med 1957;100:709-14.
  • 59.Kemper KJ, Avner ED. The case against screening urinalyses for asymptomatic bacteriuria in children. Am J Dis Child 1992;146:343-6.
  • 60.Knottnerus BJ, Geerlings SE, Moll van Charante EP, Ter Riet G. Acute uncomplicated urinary tract infections: towards a simple diagnostic index. Ann Fam Med 2012 [Epub ahead of print].
  • 61.Kodner CM, Thomas Gupton EK. Recurrent urinary tract infections in women: diagnosis and management. Am Fam Physician 2010;82:638-43.
  • 62.Koeijers JJ, Kessels AG, Nys S, Bartelds A, Donker G, Stobberingh EE, et al. Evaluation of the nitrite and leukocyte esterase activity tests for the diagnosis of acute symptomatic urinary tract infection in men. Clin Infect Dis 2007;45:894-6.
  • 63.Koeijers JJ, Verbon A, Kessels AG, Bartelds A, Donkers G, Nys S, et al. Urinary tract infection in male general practice patients: uropathogens and antibiotic susceptibility. Urology 2010;76:336-40.
  • 64.Kunin CM. Detection, prevention and management of urinary tract infections. 4e druk. Philadelphia: Lea & Febiger, 1987.
  • 65.Ladhani S, Gransden W. Increasing antibiotic resistance among urinary tract isolates. Arch Dis Child 2003;88:444-5.
  • 66.Leibovici L, Alpert G, Laor A, Kalter-Leibovici O, Danon YL. A clinical model for diagnosis of urinary tract infection in young women. Arch Intern Med 1989;149:2048-50.
  • 67.Leydon GM, Turner S, Smith H, Little P. Women’s views about management and cause of urinary tract infection: qualitative interview study. BMJ 2010;340:c279. doi: 10.1136/bmj.c279.:c279.
  • 68.Lifshitz E, Kramer L. Outpatient urine culture: does collection technique matter? Arch Intern Med 2000;160:2537-40.
  • 69.Lipsky BA, Inui TS, Plorde JJ, Berger RE. Is the clean-catch midstream void procedure necessary for obtaining urine culture specimens from men? Am J Med 1984;76:257-62.
  • 70.Little P, Merriman R, Turner S, Rumsby K, Warner G, Lowes JA et al. Presentation, pattern, and natural course of severe symptoms, and role of antibiotics and antibiotic resistance among patients presenting with suspected uncomplicated urinary tract infection in primary care: observational study. BMJ 2010a;340:b5633.
  • 71.Little P, Moore MV, Turner S, Rumsby K, Warner G, Lowes JA, et al. Effectiveness of five different approaches in management of urinary tract infection: randomised controlled trial. BMJ 2010b;340:c199.
  • 72.Little P, Turner S, Rumsby K, Jones R, Warner G, Moore M, et al. Validating the prediction of lower urinary tract infection in primary care: sensitivity and specificity of urinary dipsticks and clinical scores in women. Br J Gen Pract 2010c;60:495-500.
  • 73.Lohr JA, Hayden GF, Kesler RW, Gleason CH, Wood JB, Ford RF, et al. Three-day therapy of lower urinary tract infections with nitrofurantoin macrocrystals: a randomized clinical trial. J Pediatr 1981;99:980-3.
  • 74.Lowe FC, Fagelman E. Cranberry juice and urinary tract infections: what is the evidence? Urology 2001;57:407-13.
  • 75.Mazzola BL, Von Vigier RO, Marchand S, Tonz M, Bianchetti MG. Behavioral and functional abnormalities linked with recurrent urinary tract infections in girls. J Nephrol 2003;16:133-8.
  • 76.McIsaac WJ, Hunchak CL. Overestimation error and unnecessary antibiotic prescriptions for acute cystitis in adult women. Med Decis Making 2011;31:405-11.
  • 77.McIsaac WJ, Moineddin R, Ross S. Validation of a decision aid to assist physicians in reducing unnecessary antibiotic drug use for acute cystitis. Arch Intern Med 2007;167:2201-6.
  • 78.Meiland R, Geerlings SE, Hoes AW, Hoepelman IM. Asymptomatische bacteriurie: beleidskeuzen in verschillende patiëntengroepen. Ned Tijdschr Geneeskd 2002;146:659-62.
  • 79.Melekos MD, Asbach HW, Gerharz E, Zarakovitis IE, Weingaertner K, Naber KG. Post-intercourse versus daily ciprofloxacin prophylaxis for recurrent urinary tract infections in premenopausal women. J Urol 1997;157:935-9.
  • 80.Michael M, Hodson EM, Craig JC, Martin S, Moyer VA. Short versus standard duration oral antibiotic therapy for acute urinary tract infection in children. Cochrane Database Syst Rev 2003;CD003966.
  • 81.Moore EE, Hawes SE, Scholes D, Boyko EJ, Hughes JP, Fihn SD. Sexual intercourse and risk of symptomatic urinary tract infection in post-menopausal women. J Gen Intern Med 2008;23:595-9.
  • 82.Mota DM, Victora CG, Hallal PC. Investigacao de disfuncao miccional em uma amostra populacional de criancas de 3 a 9 anos. J Pediatr (Rio J) 2005;81:225-32.
  • 83.NICE. Urinary tract infection in children: Diagnosis, treatment and long-term management (2007). http://publications.nice.org.uk/urinary-tract-infection-in-children-cg54.
  • 84.Nicolle LE. Asymptomatic bacteriuria in the elderly. Infect Dis Clin North Am 1997;11:647-62.
  • 85.Nicolle LE, Harding GK, Thompson M, Kennedy J, Urias B, Ronald AR. Prospective, randomized, placebo-controlled trial of norfloxacin for the prophylaxis of recurrent urinary tract infection in women. Antimicrob Agents Chemother 1989;33:1032-5.
  • 86.NVK. Richtlijn Urineweginfecties bij kinderen (2010). Nederlandse Vereniging voor Kindergeneeskunde. http://www.nvk.nl/Kwaliteit/Richtlijnenenindicatoren/Richtlijnen/Urineweginfecties/tabid/493/language/nl-NL/Default.aspx.
  • 87.NVOG. Preventie van perinatale groep-B-streptokokkenziekte (1998). http://nvog-documenten.nl/uploaded/docs/richtlijnen_pdf/12_pre_peri_strep.pdf.
  • 88.NVU, NVK, CV&V. Richtlijn Incontinentie bij kinderen (2008). http://www.nvk.nl/Kwaliteit/Richtlijnenenindicatoren/Richtlijnen/Incontinentiebijkinderen.aspx.
  • 89.Nygaard IE, Johnson JM. Urinary tract infections in elderly women. Am Fam Physician 1996;53:175-82.
  • 90.Nys S, Van Merode T, Bartelds AIM, Stobberingh EE. Urinary tract infections in general practice patients: diagnostic tests versus bacteriological culture. J Antimicrob Chemother 2006;57:955-8.
  • 91.Ohlsson A, Shah VS. Intrapartum antibiotics for known maternal Group B streptococcal colonization. Cochrane Database Syst Rev 2009;CD007467.
  • 92.Olbing H, Claëssen I, Ebel K-D. Renal scars and parenchymal thinning in children with vesicoureteral reflux: a 5-year report of the international reflux study in children (european branch). J Urol 1992;148:1653.
  • 93.Osterberg E, Hallander HO, Kallner A, Lundin A, Svensson SB, Aberg H. Female urinary tract infection in primary health care: bacteriological and clinical characteristics. Scand J Infect Dis 1990;22:477-84.
  • 94.Ouslander JG, Schapira M, Schnelle JF ea. Does eradicating bacteriuria affect the severity of chronic urinary incontinence in nursing home residents? Ann Intern Med 1995;122:749-54.
  • 95.Overdevest ITMA, Willemsen I, Kluytmans JAJW. Prevalence of extended spectrum beta-lactamase producing Enterobacteriaceae (ESBL) rectal carriage in hospitalised patients in The Netherlands. Ned Tijdschr Med Microbiol 2010;18:111.
  • 96.Peterson J, Kaul S, Khashab M, Fisher AC, Kahn JB. A double-blind, randomized comparison of levofloxacin 750 mg once-daily for five days with ciprofloxacin 400/500 mg twice-daily for 10 days for the treatment of complicated urinary tract infections and acute pyelonephritis. Urology 2008;71:17-22.
  • 97.Pfau A, Sacks T, Engelstein D. Recurrent urinary tract infections in premenopausal women: prophylaxis based on an understanding of the pathogenesis. J Urol 1983;129:1153-7.
  • 98.Pfau A, Sacks TG. Effective postcoital quinolone prophylaxis of recurrent urinary tract infections in women. J Urol 1994;152:136-8.
  • 99.Pinggera GM, Feuchtner G, Frauscher F, Rehder P, Strasser H, Bartsch G, et al. Effects of local estrogen therapy on recurrent urinary tract infections in young females under oral contraceptives. Eur Urol 2005;47:243-9.
  • 100.Raz R, Boger S. Long-term prophylaxis with norfloxacin versus nitrofurantoin in women with recurrent urinary tract infection. Antimicrob Agents Chemother 1991;35:1241-2.
  • 101.Raz R, Colodner R, Rohana Y, Battino S, Rottensterich E, Wasser I, et al. Effectiveness of estriol-containing vaginal pessaries and nitrofurantoin macrocrystal therapy in the prevention of recurrent urinary tract infection in postmenopausal women. Clin Infect Dis 2003;36:1362-8.
  • 102.Raz R, Schiller D, Nicolle LE. Chronic indwelling catheter replacement before antimicrobial therapy for symptomatic urinary tract infection. J Urol 2000;164:1254-8.
  • 103.Raz R, Stamm WE.A controlled trial of intravaginal estriol in postmenopausal women with recurrent urinary tract infections. N Engl J Med 1993;329:753-6.
  • 104.Ryan WL, Mills RD. Bacterial multiplication in urine during refrigeration. Am J Med Technol 1963;29:175-80.
  • 105.Sandberg T, Skoog G, Hermansson AB, Kahlmeter G, Kuylenstierna N, Lannergard A, et al. Ciprofloxacin for 7 days versus 14 days in women with acute pyelonephritis: a randomised, open-label and double-blind, placebo-controlled, non-inferiority trial. Lancet 2012;380:484-90.
  • 106.Schneeberger C, Stolk RP, Devries JH, Schneeberger PM, Herings RM, Geerlings SE. Differences in the pattern of antibiotic prescription profile and recurrence rate for possible urinary tract infections in women with and without diabetes. Diabetes Care 2008;31:1380-5.
  • 107.Sobota AE. Inhibition of bacterial adherence by cranberry juice: potential use for the treatment of urinary tract infections. J Urol 1984;131:1013-6.
  • 108.Spencer RC, Cole TP. Ofloxacin versus trimethoprim and co-trimoxazole in the treatment of uncomplicated urinary tract infection in general practice. Br J Clin Pract 1992;46:30-3.
  • 109.Spencer RC, Moseley DJ, Greensmith MJ. Nitrofurantoin modified release versus trimethoprim or co-trimoxazole in the treatment of uncomplicated urinary tract infection in general practice. J Antimicrob Chemother 1994;33 Suppl A:121-9.
  • 110.Stamm WE. Quantitative urine cultures revisited. Eur J Clin Microbiol 1984;3:279-81.
  • 111.Stamm WE, Counts GW, Running KR, Fihn S, Turck M, Holmes KK.Diagnosis of coliform infection in acutely dysuric women. N Engl J Med 1982;307:463-8.
  • 112.Stamm WE, Counts GW, Wagner KF, Martin D, Gregory D, McKevitt M, et al. Antimicrobial prophylaxis of recurrent urinary tract infections: a double-blind, placebo-controlled trial. Ann Intern Med 1980;92:770-5.
  • 113.Stamm WE, McKevitt M, Roberts PL, White NJ.Natural history of recurrent urinary tract infections in women. Rev Infect Dis 1991;13:77-84.
  • 114.Stansfeld JM. Clinical observations relating to incidence and aetiology of urinary-tract infections in children. Br Med J 1966;1:631.
  • 115.Stapleton A, Latham RH, Johnson C, Stamm WE.Postcoital antimicrobial prophylaxis for recurrent urinary tract infection. A randomized, double-blind, placebo-controlled trial. JAMA 1990;264:703-6.
  • 116.Strom BL, Collins M, West SL, Kreisberg J, Weller S. Sexual activity, contraceptive use, and other risk factors for symptomatic and asymptomatic bacteriuria. Ann Intern Med 1987;107:816.
  • 117.SWAB. NethMap 2012 - Consumption of antimicrobial agents and antimicrobial resistance among medically important bacteria in the Netherlands. http://www.swab.nl/swab/cms3.nsf/uploads/E8426668DC9BC944C1257A24006252DE/$FILE/Nethmap_Maran_2012.pdf.
  • 118.Talan DA, Stamm WE, Hooton TM, Moran GJ, Burke T, Iravani A, et al. Comparison of ciprofloxacin (7 days) and trimethoprim-sulfamethoxazole (14 days) for acute uncomplicated pyelonephritis pyelonephritis in women: a randomized trial. JAMA 2000;283:1583-90.
  • 119.Tambyah PA, Maki DG. Catheter-associated urinary tract infection is rarely symptomatic: a prospective study of 1,497 catheterized patients. Arch Intern Med 2000;160:678-82.
  • 120.Trienekens TA, Stobberingh EE, Winkens RA, Houben AW. Different lengths of treatment with co-trimoxazole for acute uncomplicated urinary tract infections in women. BMJ 1989;299:1319-22.
  • 121.Turner GM, Coulthard MG. Fever can cause pyuria in children. BMJ 1995;311:924.
  • 122.Ulleryd P, Sandberg T. Ciprofloxacin for 2 or 4 weeks in the treatment of febrile urinary tract infection in men: a randomized trial with a 1 year follow-up. Scand J Infect Dis 2003;35:34-9.
  • 123.Usta TA, Dogan O, Ates U, Yucel B, Onar Z, Kaya E. Comparison of single-dose and multiple-dose antibiotics for lower urinary tract infection in pregnancy. Int J Gynaecol Obstet 2011;114:229-33.
  • 124.Vaillancourt S, McGillivray D, Zhang X, Kramer MS. To clean or not to clean: effect on contamination rates in midstream urine collections in toilet-trained children. Pediatrics 2007;119:e1288-e1293.
  • 125.Van de Zwaard J, Vos M. De uricultmethode bij kamertemperatuur. Huisarts Wet 1975;18:252-4.
  • 126.Van der Linden MW, Westert GP, De Bakker DH, Schellevis FG. Tweede Nationale Studie naar ziekten en verrichtingen in de huisartspraktijk. Klachten en aandoeningen in de bevolking en in de huisartspraktijk. Utrecht/Bilthoven: NIVEL/RIVM, 2004.
  • 127.Van der Starre WE, Van Dissel JT, Van Nieuwkoop C. Treatment duration of febrile urinary tract infections. Curr Infect Dis Rep 2011;13:571-8.
  • 128.Van Nieuwkoop C, Van ‘t Wout JW, Spelt IC, Becker M, Kuijper EJ, Blom JW, et al. Prospective cohort study of acute pyelonephritis in adults: safety of triage towards home based oral antimicrobial treatment. J Infect 2010;60:114-21.
  • 129.Van Pienbroek E, Hermans J, Kaptein AA, Mulder JD. Fosfomycin trometamol in a single dose versus seven days nitrofurantoin in the treatment of acute uncomplicated urinary tract infections in women. Pharm World Sci 1993;15:257-62.
  • 130.Vazquez JC, Villar J. Treatments for symptomatic urinary tract infections during pregnancy. Cochrane Database Syst Rev 2000;(3):CD002256.
  • 131.Venmans LM, Sloof M, Hak E, Gorter KJ, Rutten GE. Prediction of complicated urinary tract infections in patients with type 2 diabetes: a questionnaire study in primary care. Eur J Epidemiol 2007;22:49-54.
  • 132.Vernon SJ, Coulthard MG, Lambert HJ, Keir MJ, Matthews JN. New renal scarring in children who at age 3 and 4 years had had normal scans with dimercaptosuccinic acid: follow up study. BMJ 1997;315:905-8.
  • 133.Volksgezondheid Toekomst Verkenning. Nationaal Kompas Volksgezondheid. Bilthoven: RIVM, 2004. http://www.nationaalkompas.nl.
  • 134.Wang CH, Fang CC, Chen NC, Liu SS, Yu PH, Wu TY, et al. Cranberry-containing products for prevention of urinary tract infections in susceptible populations: a systematic review and meta-analysis of randomized controlled trials. Arch Intern Med 2012;172:988-96.
  • 135.Warren JW, Abrutyn E, Hebel JR, Johnson JR, Schaeffer AJ, Stamm WE. Guidelines for antimicrobial treatment of uncomplicated acute bacterial cystitis and acute pyelonephritis in women.Infectious Diseases Society of America (IDSA). Clin Infect Dis 1999;29:745-58.
  • 136.Warren JW, Anthony WC, Hoopes JM, Muncie HL, Jr. Cephalexin for susceptible bacteriuria in afebrile, long-term catheterized patients. JAMA 1982a;248:454-8.
  • 137.Warren JW, Tenney JH, Hoopes JM, Muncie HL, Anthony WC.A prospective microbiologic study of bacteriuria in patients with chronic indwelling urethral catheters. J Infect Dis 1982b;146:719-23.
  • 138.Wheeler D, Vimalachandra D, Hodson EM, Roy LP, Smith G, Craig JC. Antibiotics and surgery for vesicoureteric reflux: a meta-analysis of randomised controlled trials. Arch Dis Child 2003;88:688-94.
  • 139.Wheldon DB, Slack M. Multiplication of contaminant bacteria in urine and interpretation of delayed culture. J Clin Pathol 1977;30:615-9.
  • 140.Whiting P, Westwood M, Watt I, Cooper J, Kleijnen J. Rapid tests and urine sampling techniques for the diagnosis of urinary tract infection (UTI) in children under five years: a systematic review. BMC Pediatr 2005;5:4.
  • 141.Winkens R, Nelissen-Arets H, Stobberingh E. Validity of the urine dipslide under daily practice conditions. Fam Pract 2003;20:410-2.
  • 142.Winkens RA, Leffers P, Trienekens TA, Stobberingh EE. The validity of urine examination for urinary tract infections in daily practice. Fam Pract 1995;12:290-3.
  • 143.Wong ES, McKevitt M, Running K. Management of recurrent urinary tract infections with patient-administered single-dose therapy. Ann Intern Med 1985;102:302-7.
  • 144.Xu R, Wu Y, Hu Y. [Prevention and treatment of recurrent urinary system infection with estrogen cream in postmenopausal women]. Zhonghua Fu Chan Ke Za Zhi 2001;36:531-3.

Reacties

Er zijn nog geen reacties

Verder lezen