NHG richtlijn

NHG-Standaard Ziekte van Parkinson

0 reacties
Gepubliceerd
7 juli 2011

Samenvatting

Draijer LW, Eizenga WH, Sluiter A. NHG-Guideline on Parkinson’s Disease. Huisarts Wet 2011;54(7):380-92. The NHG Guideline on Parkinson’s Disease provides general practitioners with guidelines regarding the diagnosis and treatment of Parkinson’s disease and its associated symptoms and disorders. This Guideline is based on the multidisciplinary guideline ‘Parkinson’s disease’ from 2010. Parkinson’s disease is characterized by bradykinesia in combination with one or more of the following symptoms: rigidity, resting tremor, and postural instability. If these symptoms are caused by medication, then that medication should be stopped or changed. Timely referral to a neurologist is indicated if Parkinson’s disease is suspected. Non-motor problems, such as depression, cognitive disorders, autonomic disorders, and sleeping problems, nearly always arise during the course of the disease, and this often makes the management of patients with Parkinson’s disease complex. Although patients are usually treated by their neurologist, the general practitioner is often consulted in the first instance for concurrent health problems which are often associated with or influenced by the disease. Treatment should preferably involve the neurologist, general practitioner, and Parkinson’s disease nurse specialist working together as a team, which makes good communication, collaboration, and coordination of care essential. The general practitioner has an important role in:

  • Identifying side effects of medication and changes in the use or efficacy of medication.
  • Detecting, diagnosing, and where possible treating newly developed symptoms or disorders associated with Parkinson’s disease.
  • Coordinating and intensifying care for patients in the end-stage or palliative stage of the disease.
  • Detecting psychosocial problems in the patient or his/her partner.

In order to fulfil these tasks, it is recommended that general practitioners monitor their patients with Parkinson’s disease at least once a year. If referral to other healthcare professionals is necessary, general practitioners can make use of the national network of healthcare professionals specialized in the treatment of patients with Parkinson’s disease (ParkinsonNet).

Main points

  • The characteristic symptom of Parkinson’s disease is bradykinesia in combination with one or more of the following symptoms: rigidity, resting tremor, postural instability.
  • If Parkinson’s disease, or Parkinsonism, is suspected, the patient should be referred to a neurologist, preferably a neurologist with expertise in movement disorders, for diagnosis and treatment.
  • Treatment is focused on symptom control. To date, there is no treatment that slows disease progression.
  • The treatment of patients with Parkinson’s disease and associated symptoms should involve neurologist, general practitioner, and Parkinson’s disease nurse specialist working in close cooperation.
  • In addition to recognizing the hypokinetic-rigid syndrome, the general practitioner has a role in diagnosing and treating associated symptoms and disorders, and in supporting and counselling the patient and his/her partner or caregiver.

Kernboodschappen

  • Kenmerkend voor de ziekte van Parkinson is bradykinesie in combinatie met één of meer van de volgende symptomen: rigiditeit, rusttremor, houdings- en balansstoornissen.
  • Verwijs een patiënt met het vermoeden van de ziekte van Parkinson (of parkinsonisme) voor diagnostiek en behandeling, bij voorkeur naar een neuroloog met expertise op het gebied van bewegingsstoornissen.
  • De behandeling van de ziekte van Parkinson is symptomatisch. Er zijn tot nu toe geen behandelingen die de progressie van de ziekte afremmen.
  • De behandeling van patiënten met de ziekte van Parkinson en aan de ziekte gerelateerde aandoeningen vindt plaats in een samenwerkingsverband van neuroloog, parkinsonverpleegkundige en huisarts.
  • Naast herkenning van een hypokinetisch-rigide syndroom heeft de huisarts een rol in de diagnostiek en behandeling van gerelateerde symptomen en aandoeningen en in de ondersteuning en begeleiding van de patiënt en zijn partner of mantelzorger.

Inbreng van de patiënt

De NHG-Standaarden geven richtlijnen voor het handelen van de huisarts; de rol van de huisarts staat dan ook centraal. Daarbij geldt echter altijd dat factoren van de kant van de patiënt het beleid mede bepalen. Om praktische redenen komt dit uitgangspunt niet telkens opnieuw in de richtlijn aan de orde, maar wordt het hier expliciet vermeld. De huisarts stelt waar mogelijk zijn beleid vast in samenspraak met de patiënt, met inachtneming van diens specifieke omstandigheden en met erkenning van diens eigen verantwoordelijkheid, waarbij adequate voorlichting een voorwaarde is.

Afweging door de huisarts

Het persoonlijk inzicht van de huisarts is uiteraard bij alle richtlijnen een belangrijk aspect. Afweging van de relevante factoren in de concrete situatie zal beredeneerd afwijken van het hierna beschreven beleid kunnen rechtvaardigen. Dat laat onverlet dat deze standaard bedoeld is om te fungeren als maat en houvast.

Delegeren van taken

NHG-Standaarden bevatten richtlijnen voor huisartsen. Dit betekent niet dat de huisarts alle genoemde taken persoonlijk moet verrichten. Sommige taken kunnen worden gedelegeerd aan de praktijkassistente, praktijkondersteuner of praktijkverpleegkundige, mits zij worden ondersteund door duidelijke werkafspraken waarin wordt vastgelegd in welke situaties de huisarts moet worden geraadpleegd en mits de huisarts toeziet op de kwaliteit. Omdat de feitelijke keuze van de te delegeren taken sterk afhankelijk is van de lokale situatie, bevatten de standaarden daarvoor geen concrete aanbevelingen.

Inleiding

De NHG-Standaard Ziekte van Parkinson geeft richtlijnen voor de diagnostiek en het beleid bij de ziekte van Parkinson en de aan de ziekte van Parkinson gerelateerde symptomen en aandoeningen. Omdat de aandoening een complex karakter heeft en meestal andere zorgverleners bij de behandeling zijn betrokken, wordt ook beknopt hun rol besproken. De standaard is gebaseerd op de multidisciplinaire richtlijn Ziekte van Parkinson en vervangt de gelijknamige Farmacotherapeutische richtlijn.Noot 1 Na de ziekte van Alzheimer is de ziekte van Parkinson de meest voorkomende chronische neurodegeneratieve aandoening. De ziekte van Parkinson heeft als belangrijkste motorische symptomen bradykinesie in combinatie met één of meer van de volgende symptomen: rigiditeit, rusttremor of houdings- en balansstoornissen. In het progressieve beloop ontstaan vrijwel altijd niet-motorische problemen zoals depressie en dementie. Het stellen van de diagnose kan in de beginfase van de ziekte van Parkinson lastig zijn. Daarom is verwijzing van patiënten met het vermoeden van de ziekte van Parkinson naar een neuroloog aangewezen. Door het progressieve beloop en de complexiteit van de aandoening vindt de behandeling idealiter plaats in een samenwerkingsverband van huisarts, neuroloog en parkinsonverpleegkundige. Doorgaans zijn ook andere zorgverleners betrokken. Om de zorg voor de patiënt met de ziekte van Parkinson te verbeteren is een landelijk netwerk van zorgverleners ontwikkeld, die gespecialiseerd zijn in de behandeling van patiënten met de ziekte van Parkinson (ParkinsonNet).Noot 2 De behandeling van de ziekte van Parkinson is symptomatisch: er zijn tot nu toe geen behandelingen waarvan bewezen is dat ze de progressie van de ziekte remmen. De huisarts heeft een rol bij de vroege herkenning van symptomen die kunnen wijzen op de ziekte van Parkinson en bij de herkenning en behandeling van daaraan gerelateerde symptomen en aandoeningen. Dit geldt ook voor het signaleren van effecten of bijwerkingen van de medicamenteuze behandeling en voor de begeleiding van de patiënt en zijn partner of mantelzorger. Afhankelijk van de ernst en het beloop van de aandoening zal de rol van de huisarts veranderen. Bij toenemende ernst van de ziekte van Parkinson en in de eindfase van de ziekte wanneer patiënten alleen behandeling in de thuissituatie wensen, zullen de zorgverlening en coördinerende rol van de huisarts toenemen en verschuiven van de neuroloog of parkinsonverpleegkundige naar de huisarts.

Achtergronden

Begrippen

Bradykinesie: traagheid in bewegen en afnemende amplitude van bewegingen. Dopaminedysregulatiesyndroom: syndroom als gevolg van bijwerkingen of overmatig gebruik van dopaminerge medicatie (meer dan nodig om de motorische symptomen te controleren) in combinatie met onder andere gedragsproblemen zoals hyperseksualiteit, gokverslaving, stereotiep gedrag en stemmingsstoornissen.Noot 3 Dyskinesieën: ongewilde bewegingen (als bijwerking van parkinsonmedicatie). Tardieve dyskinesieën zijn laat optredende ongewilde bewegingen (meestal in het orofaciale gebied) ten gevolge van geneesmiddelgebruik (neuroleptica of anti-emetica). Freezing: tijdelijk niet meer kunnen bewegen (alsof de voeten aan de vloer vastgekleefd zijn of kleine pasjes maken op de plaats). Meestal duurt dit niet langer dan een paar seconden, betreft het de benen en gaat het gepaard met een tremor van de benen. Uitlokkende momenten zijn onder andere het starten met lopen of draaien om de (lichaams)lengte-as. Gangspoor: (denkbeeldig) patroon van voetafdrukken tijdens het lopen. Een normaal gangspoor verloopt in een rechte lijn waarbij de voeten aan weerszijde van de lijn worden geplaatst. De afstand tussen de passen is ongeveer tweederde van de voetlengte. Bij de ziekte van Parkinson is de pasafstand tussen de voeten verkleind (schuifelpasjes). Het gangspoor is niet verbreed.Noot 4 (Peak dose) hyperkinesieën: overtollige bewegingen die kunnen ontstaan bij een piekconcentratie van het betreffende geneesmiddel. Houdingsinstabiliteit: moeite met bewaren van evenwicht wat niet gerelateerd is aan visuele, cerebellaire, vestibulaire of proprioceptieve stoornissen.Noot 5 Impulscontrolestoornis: een persisterend onvermogen om een impuls of verleiding te kunnen weerstaan, die betrekking heeft op het uitvoeren van een handeling die schade aan de persoon of de omgeving toebrengt (verslaving op het gebied van gokken, seksualiteit, winkelen en eten). De stoornis treedt op als gevolg van een bijwerking of overmatig gebruik van dopaminerge medicatie. Parkinson, ziekte van: een progressieve neurodegeneratieve aandoening, zich uitend in een hypokinetisch syndroom, die voor een groot deel wordt veroorzaakt door verlies van dopamineproducerende neuronen in de substantia nigra. In het beloop van de ziekte worden verschillende fasen onderscheiden:

  • Vroege of ongecompliceerde fase: uni- of bilateraal beeld zonder evenwichtsstoornissen.
  • Gecompliceerde fase: bilateraal beeld met evenwichtsstoornissen en functiebeperkingen maar nog wel in staat om zelfstandig te lopen.
  • Eindfase: rolstoelafhankelijk of lopen is alleen met hulp mogelijk.Noot 6
Parkinsonisme: hypokinetisch-rigide syndroom ten gevolge van andere oorzaken dan de ziekte van Parkinson (bijvoorbeeld geneesmiddelen). Responsfluctuaties (synoniem voor on-off-fluctuaties): schommelingen in de reactie op dopaminerge medicatie die meestal pas optreden na een ziekteduur van een aantal jaren. De fase waarin de patiënt merkt dat de medicatie goed werkt wordt de on-fase genoemd, terwijl de fase waarin de medicatie onvoldoende of zelfs geheel niet werkt de off-fase wordt genoemd. In de off-fase keren de parkinsonsymptomen zoals stijfheid, traagheid of tremor terug enige uren na inname van de dopaminerge (levodopa, dopamine-agonisten) medicatie. In het begin van de behandeling zijn deze fluctuaties vaak voorspelbaar omdat ze optreden aan het einde van de werkingsduur van de ingenomen medicatie (vlak voor inname van de volgende dosis) de zogenaamde voorspelbare wearing-off of end-of-dose-akinesie. Later kunnen deze onvoorspelbaar optreden. Rigiditeit: stijfheid, voelbaar door een verhoogde tonus bij het passief bewegen van de spier. Tandradfenomeen: schokkende beweging die voelbaar is bij passieve beweging van een gewricht (alsof het gewricht een tandrad is). Tremoren: onwillekeurige, ritmische bewegingen die unilateraal of symmetrisch aanwezig kunnen zijn. Typen tremoren:
  • bewegingstremor: treedt op bij het uitvoeren van een beweging;
  • essentiële tremor: zie onder Evaluatie en differentiaaldiagnose;
  • fysiologische tremor: houdingstremor die bij gezonde personen zichtbaar kan zijn;
  • houdingstremor: tremor die optreedt wanneer het desbetreffende lichaamsdeel in een bepaalde stand tegen de zwaartekracht in wordt gehouden (bijvoorbeeld tremor aan uitgestrekte armen);
  • intentietremor: een schokkende beweging bij het naderen van het doel (top-neusproef);
  • rusttremor: tremor die optreedt wanneer het desbetreffende lichaamsdeel volledig ondersteund en ontspannen is (bijvoorbeeld het ‘geld tellen’ of ‘pillendraaien’ bij de ziekte van Parkinson).

Epidemiologie

De incidentie van de ziekte van Parkinson is 0,2 tot 0,3 per 1000 patiënten per jaar. Gemiddeld ziet de huisarts met een normpraktijk 1 nieuwe patiënt met de ziekte van Parkinson per 1 à 2 jaar. De prevalentie in de huisartsenpraktijk is 1,8 per 1000 mannen en 1,6 per 1000 vrouwen. Ongeveer 80% van de patiënten met de ziekte van Parkinson is ouder dan 65 jaar. Door vergrijzing zal de prevalentie toenemen.Noot 7   Pathofysiologie en beloop van de ziekte van Parkinson Bij de ziekte van Parkinson is sprake van verlies van dopamineproducerende neuronen in de substantia nigra. Ook treedt een verstoring op in de werking van andere neurotransmitters (serotonine, noradrenaline, acetylcholine). De oorzaak van het verlies van deze neuronen is niet bekend.Noot 8 Bij jonge patiënten kunnen erfelijke factoren een rol spelen. Ook worden omgevingsfactoren zoals blootstelling aan toxische stoffen genoemd.Noot 9 De ziekte van Parkinson is de bekendste en meest voorkomende oorzaak van het zogenaamde hypokinetisch-rigide syndroom. Een hypokinetisch-rigide syndroom kan echter ook ontstaan door andere oorzaken, zoals het gebruik van antipsychotica of anti-emetica.Noot 10,Noot 11 De symptomen en klachten waarmee de patiënt zich in het begin van de ziekte presenteert zijn doorgaans van motorische aard [tabel 1]. De klachten beginnen unilateraal maar kunnen later in het beloop ook aan de andere zijde optreden. Er blijft een asymmetrie in de ernst van de klachten bestaan ten nadele van de kant waar de klachten zijn begonnen. Van de patiënten met de ziekte van Parkinson ontwikkelt 48 tot 80% in de loop van de ziekte dementie, dat soms al bij het stellen van de diagnose aanwezig is. Voor een inschatting van de prognose kan het van belang zijn onderscheid te maken tussen een type waarbij een (rust)tremor op de voorgrond staat (tremordominante type, TD-type) en een type waarbij houdings-, balans- en loopstoornissen op de voorgrond staan (postural imbalance and gait disorder type, PIGD-type). In het beloop van het ziektebeeld kan het TD-type veranderen naar een ziektebeeld waarbij houdings-, balans- en loopstoornissen op de voorgrond staan. Bij het type met loopstoornissen of bij het ontstaan van loopstoornissen en verdwijnen van de tremor is het risico op dementie in het beloop van de aandoening groter dan bij het TD-type.Noot 12 Patiënten met de ziekte van Parkinson hebben een kortere levensverwachting (ongeveer tweemaal zo hoog sterfterisico in tien jaar) dan leeftijdgenoten zonder deze aandoening. Bij aanwezigheid van dementie neemt de levensverwachting verder af.Noot 13 Depressieve symptomen komen bij ongeveer eenderde van de patiënten voor, vaak in combinatie met cognitieve stoornissen.Noot 14 Psychotische symptomen kunnen op elk moment in het beloop van de ziekte ontstaan. Bij 30% van de patiënten treden psychotische symptomen op in de eerste vijf jaar van de ziekte. Hierbij dient als eerste aan een delier te worden gedacht op basis van intercurrente ziekten zoals infecties en metabole stoornissen. Daarnaast worden psychotische symptomen veroorzaakt door een combinatie van de ziekte van Parkinson en de toegepaste medicatie. Vooral anticholinergica, selegiline, amantadine en, in mindere mate, dopamine-agonisten zijn bekend vanwege dit psychose-inducerende of versterkende effect. Een impulscontrolestoornis komt voor bij ongeveer 10% van de patiënten met de ziekte van Parkinson. Vooral jongere patiënten ((dopaminedysregulatiesyndroom).Noot 15 Een impulscontrolestoornis kan ook pas na jarenlang gebruik van dopamine-agonisten ontstaan. Dit gaat vaak gepaard met gevoelens van schuld en schaamte en wordt weinig spontaan gemeld. Door het verlagen van de dosering of het volledig staken van de behandeling met dopamine-agonisten kan de stoornis verminderen of verdwijnen. Vooral de autonome stoornissen en slaapstoornissen kunnen zowel door de ziekte zelf als door bijwerkingen van de medicamenteuze behandeling ontstaan. Tot dusver bestaan er geen curatieve of bewezen effectieve behandelingen om de ziekteprogressie te remmen (neuroprotectieve behandelingen).Noot 16 De behandeling van de motorische symptomen bestaat uit paramedische, medicamenteuze en neurochirurgische interventies. Door de functionele beperkingen en het progressieve beloop van de ziekte van Parkinson treden een substantieel verlies van kwaliteit van leven en ziekteverzuim op.Noot 17 Zie [tabel 1] voor een overzicht van vaak voorkomende aan de ziekte van Parkinson gerelateerde symptomen en aandoeningen. De in de tabel genoemde medicatiegerelateerde symptomen kunnen zowel optreden bij langdurig gebruik van parkinsonmedicatie (impulscontrolestoornis, responsfluctuaties) als na het starten of dosisveranderingen van het geneesmiddel.

Tabel1De ziekte van Parkinson met gerelateerde symptomen en aandoeningen
Motorische stoornissenAandoeninggerelateerd: hypokinetisch-rigide syndroom: bradykinesie, rigiditeit, rusttremor, instabiliteit in houding- en balans. In de gecompliceerde fase van de ziekte: frequent vallen (vaak in een gevorderd stadium van de ziekte door motorische stoornissen, instabiele lichaamshouding en/of orthostatische hypotensie) en slikstoornissen die kunnen resulteren in gewichtsverlies, kwijlen, of aspiratiepneumonie;
(mogelijk) medicatiegerelateerd: orthostatische hypotensie, dyskinesieën, responsfluctuaties (wearing off, peak-dose, onvoorspelbare off-perioden)
Psychische en cognitieve stoornissenAandoeninggerelateerd: depressie, dementie, psychotische symptomen (dd delier); minder vaak: angst, apathie;
(mogelijk) medicatiegerelateerd: verwardheid, hallucinaties, agitatie, depressie, impulscontrolestoornis
Autonome stoornissen (van het autonome zenuwstelsel) Aandoening- of (mogelijk) medicatiegerelateerd: obstipatie, mictiestoornissen (incontinentie, frequente mictie), erectiele disfunctie, orthostatische hypotensie (syncope), overmatig zweten
Slaapstoornissen Aandoening- of (mogelijk) medicatiegerelateerd: hypersomnolentie, REM-slaapstoornis, restlesslegssyndroom, slaapstoornis door nachtelijke off-symptomen (en moeizaam omrollen in bed ), nycturie
OverigeAandoening- (verminderd reukvermogen) of (mogelijk) medicatiegerelateerd: pijnklachten, vermoeidheid

Medicamenteuze behandeling

De neuroloog bepaalt de keuze voor een geneesmiddel bij motorische symptomen, afhankelijk van onder andere de leeftijd, klinische verschijnselen, de levensverwachting en de wensen van de patiënt.Noot 18 In de vroege of ongecompliceerde fase (uni- of bilateraal beeld zonder evenwichtsstoornissen) zijn levodopa en dopamine-agonisten even effectief. Bij patiënten jonger dan veertig jaar hebben dopamine-agonisten de voorkeur omdat het risico op uiteindelijke responsfluctuaties kleiner is dan bij het gebruik van levodopa. Het risico op bijwerkingen van dopamine-agonisten is echter groter dan bij levodopa en neemt toe bij het ouder worden (hallucinaties, hypotensie, impulscontrolestoornis, toegenomen slaperigheid). Volgens de huidige inzichten is er desondanks, ook bij jongere patiënten, geen reden het voorschrijven van levodopa uit te stellen bij onvoldoende effect of bijwerkingen van andere toegepaste middelen of bij oudere patiënten die in het dagelijks functioneren door motorische stoornissen worden beperkt. Indien bij progressie van het ziektebeeld (gecompliceerde fase) voorspelbare (wearing off en peak-dose dyskinesieën) en later ook onvoorspelbare motorische symptomen (off-perioden) optreden wordt de dosering van de geneesmiddelen aangepast en kunnen andere middelen zoals MAO-B-remmers, amantadine of catechol-O-methyltransferase-(COMT-)remmersNoot 19 worden gestart. Bij onvoorspelbare motorische symptomen komen apomorfine subcutaanNoot 20 of intraduodenale levodopa/carbidopaNoot 21 in aanmerking. Bij patiënten zonder cognitieve stoornissen is stereotactische diepe hersenstimulatie (meestal de nucleus subthalamicus)Noot 22 een behandelingsmogelijkheid.

Richtlijnen diagnostiek

Bij ongeveer tweederde van de patiënten met de ziekte van Parkinson openbaart de ziekte zich met klachten van een (rust)tremor. Daarnaast kan de patiënt zich presenteren met een zwak, onhandig, pijnlijk of stijf gevoel in arm of been of een traag looppatroon met een verminderde armzwaai.

Anamnese

Besteed aandacht aan:

  • aard van de klachten in arm of been (gevoel van verminderde kracht, onhandigheid, stijfheid of pijnklachten?);
  • duur en beloop van de tremor, stijfheid en loopproblemen (eenzijdig of symmetrisch begin?);
  • ernst van de klachten en gevolgen voor het dagelijks leven (problemen met vastmaken van knoopjes of tandenpoetsen, niet meer kunnen fietsen kan mogelijk duiden op parkinsonismeNoot 23), verhoogde valneiging (struikelen?) en gevolgen voor het werk;
  • gebruik van geneesmiddelen die reversibel parkinsonisme kunnen veroorzaken, zoals antipsychotica, anti-emetica (metoclopramide, cinnarizine, meclozine), SSRI’s, venlafaxine, bupropion, valproïnezuur;
  • aan de ziekte van Parkinson gerelateerde klachten en symptomen zoals depressieve klachten14, 12 en cognitieve stoornissen.

Lichamelijk onderzoek

Beoordeel tijdens het lichamelijk onderzoek:

  • de tremor: laat de patiënt zijn handen en armen uitstrekken of een glas water drinken of overschenken. Een (symmetrische) houdings- en bewegingstremor kan wijzen op een essentiële tremor;
  • het looppatroon: voorovergebogen traag, schuifelend looppatroon zonder verbreed gangspoor met (asymmetrische) verminderde armzwaai, passen bij de ziekte van Parkinson, een breed gangspoor kan bij (atypisch) parkinsonisme passen.4 Evenwichtsproblemen (houdingsinstabiliteit?);
  • de motoriek: laat patiënt beiderzijds duim en wijsvinger op de tafel trommelen of afwisselend pro- en supinatie van de onderarm (links-rechtsverschil in snelheid, amplitude en regelmaat, sneller vermoeid?), vraag een zin op te schrijven (micrografie, een onregelmatig patroon tijdens het schrijven en spontane bewegingen als ‘geld tellen’ passen bij de ziekte van Parkinson);
  • de tonus (rigiditeit) en kracht van de arm- of beenspieren bij passieve en actieve bewegingen (verhoogde tonus en tandradfenomeen passen bij de ziekte van Parkinson);
  • de (voorovergebogen?) houding en gezichtsuitdrukking (maskergelaat?).

Aanvullend onderzoek

Er is geen indicatie voor aanvullend onderzoek in de huisartsenpraktijk.

Evaluatie

Er zijn geen tests of onderzoeken (zoals beeldvormend onderzoek of een dopamineprovocatietest) die kunnen differentiëren tussen de ziekte van Parkinson en andere vormen van een hypokinetisch-rigide syndroom. De diagnose Parkinson is een klinische diagnose, waarbij de neuroloog gebruikmaakt van de UK PDS Brain Bank Criteria. Deze zijn gevalideerd in de tweede lijn en hebben een hoge voorspellende waarde bij toepassing door een expert in bewegingsstoornissen bij een patiënt met een gevorderd stadium van de ziekte.Noot 24 Overweeg de diagnose ziekte van Parkinson bij:

  • traag bewegen (bradykinesie); én
  • ten minste één van de volgende symptomen:
      • een rusttremor;
      • rigiditeit;
      • houdingsinstabiliteit (zonder aanwijzingen voor visuele, vestibulaire, cerebellaire of proprioceptieve stoornissen).
Kenmerken die de diagnose ondersteunen zijn:
  • een unilateraal begin en blijvend asymmetrisch beeld ten nadele van de kant waar de ziekte begon;
  • een progressief beloop;
  • ontbreken van aanwijzingen voor andere oorzaken van een hypokinetisch-rigide syndroom (zie volgende alinea).

Differentiaaldiagnostisch komen in aanmerking:

  • bij een hypokinetische-rigide syndroom: parkinsonisme bijvoorbeeld bij gebruik van geneesmiddelen (tardieve dyskinesie) zoals antipsychotica en anti-emetica zoals metoclopramide, vasculair parkinsonisme of andere (zeldzame) oorzaken.Noot 25,9
  • bij een tremor:
      • essentiële tremor: symmetrische onwillekeurige, ritmische bewegingen die meestal optreden aan de handen en onderarmen en toenemen bij angst, stressvolle situaties, overmatig gebruik van cafeïnehoudende dranken en het ouder worden (zie FTR Essentiële tremor; www.nhg.org);
      • geneesmiddelgebruik zoals lithium, levothyroxine, natriumvalproaat, bronchusverwijders (sympathicomimetica, xanthinederivaten), antidepressiva (TCA’s minder dan SSRI’s): overweeg om geneesmiddelen die een tremor kunnen uitlokken indien mogelijk te stoppen, te vervangen of de dosering te wijzigen;
      • verergering van fysiologische tremor bij onttrekkingsverschijnselen van alcohol- of benzodiazepinegebruik, hyperthyreoïdie, hypoglykemie of door roken en overmatig gebruik van cafeïnehoudende dranken. Bij stress of vermoeidheid kan ook een verergering van de fysiologische tremor optreden;
      • intentietremor bij cerebellaire stoornissen.

Richtlijnen Beleid

Beleid bij het vermoeden van parkinsonisme of de ziekte van Parkinson

Stop of verander indien mogelijk de medicatie bij het vermoeden van parkinsonisme door het gebruik van medicatie (antipsychotica, anti-emetica). Overleg indien nodig hierover met de neuroloog of behandelend specialist. Verwijs bij het vermoeden van de ziekte van Parkinson of andere oorzaken van parkinsonisme binnen zes weken naar een (bij voorkeur in bewegingsstoornissen gespecialiseerde) neuroloog voor diagnostiek en behandeling.Noot 26

Beleid tijdens het beloop van de ziekte van Parkinson

Nadat de diagnose ziekte van Parkinson is gesteld dient de behandeling plaats te vinden in een samenwerkingsverband van neuroloog, huisarts en parkinsonverpleegkundige [kader Samenwerking en ketenzorg]. De neuroloog initieert en vervolgt de medicamenteuze behandeling. Het doel van de behandeling is het functioneren van de patiënt te optimaliseren. Het moment waarop met farmacotherapie wordt gestart hangt af van de functiebeperkingen door de motorische symptomen van de ziekte. Daarnaast kunnen ook niet-motorische symptomen, zoals depressie, psychotische symptomen waaronder een delier, een reden zijn om geneesmiddelen te starten of medicatie te wijzigen. De huisarts heeft een rol bij het:

  • Signaleren van bijwerkingen en veranderingen in de effectiviteit of het gebruik van de medicatie. Dit kan aanleiding zijn om (vervroegd) de neuroloog te consulteren.
  • Signaleren, diagnosticeren en behandelen van nieuw ontstane symptomen of aandoeningen die aan de ziekte van Parkinson zijn gerelateerd (of hiervoor verwijzen naar de neuroloog of overige zorgverleners).
  • Intensiveren en coördineren van zorg bij patiënten die zich in het eindstadium of de palliatieve faseNoot 27 van de aandoening bevinden (en alleen behandeling in de thuissituatie wensen).
  • Signaleren van psychosociale problemen bij de patiënt of zijn partner.

Om deze taken te kunnen vervullen verdient het aanbeveling de patiënt met de ziekte van Parkinson minstens eenmaal per jaar te controleren. Afhankelijk van bijkomende problemen of aandoeningen, de ernst van de aandoening en de behoefte van de patiënt en zijn naasten kunnen frequentere contacten nodig zijn.Noot 28 In aansluiting op deze contacten kunt u de NHG-Patiëntenbrief Ziekte van Parkinson meegeven. Deze brief is gebaseerd op de NHG-Standaard, en bevat informatie over de ziekte van Parkinson (zie voor een overzicht van alle NHG-patiëntenbrieven de NHG-website: www.nhg.org, rubriek Patiëntenvoorlichting). Overweeg een verwijzing bij klachten of problemen die gerelateerd zijn aan de ziekte van Parkinson [tabel 2]. Informeer bij verwijzing de neuroloog of parkinsonverpleegkundige en verwijs bij voorkeur naar een in de ziekte van Parkinson gespecialiseerde zorgverlener.Noot 29 Aandachtspunten die tijdens een jaarlijkse controle of bij tussentijdse contacten aan de orde kunnen komen staan hieronder:

Effecten en bijwerkingen van geneesmiddelen

  • besteed aandacht aan symptomen of bijwerkingen die het gevolg kunnen zijn van de toegepaste geneesmiddelen [tabel 1 en tabel 3].Noot 30 Klachten die kort na het starten of wijzigen van de dosering van de medicatie optreden kunnen op bijwerkingen duiden;
  • consulteer of verwijs naar de neuroloog bij veranderingen in de effectiviteit van medicatie zoals bij (on)voorspelbare responsfluctuaties (peak dose dyskinesieën, off-perioden);
  • vraag ter opsporing van een impulscontrolestoornis (ook bij langdurig gebruik van medicatie) de patiënt en partner naar symptomen hiervan en let op therapietrouw of overmatig gebruik van dopaminerge medicatie.15

Niet-motorische symptomen of aandoeningen gerelateerd aan de ziekte van Parkinson

Depressieve symptomen:

  • gebruik voor de diagnostiek van depressieve symptomen de NHG-Standaard Depressieve stoornis. Het is hierbij van belang de patiënt in de on-fase te beoordelen omdat er overlap kan zijn met de symptomen van de ziekte van Parkinson (motorische vertraging, mimiekarmoede en traagheid in het denken). De diagnostiek kan worden bemoeilijkt doordat een depressie in combinatie met cognitieve stoornissen kan voorkomen;Noot 31
  • aanpassing van de medicatie kan nodig zijn als stemmingsklachten optreden na verandering van de parkinsonmedicatie of tijdens off-fases (de fase waarin de patiënt merkt dat de medicatie onvoldoende of niet (meer) werkt). Als patiënt nog geen dopaminerge middelen gebruikt kan het starten van deze middelen effectief zijn om depressieve symptomen te verminderen;
  • de effectiviteit van antidepressiva bij de behandeling van depressie bij patiënten met de ziekte van Parkinson is niet aangetoond. Als antidepressiva worden overwogen, kan afhankelijk van de klinische kenmerken en het bijwerkingenprofiel zowel voor tricyclische antidepressiva als voor kortwerkende SSRI’s worden gekozen. Tricyclische antidepressiva worden afgeraden bij patiënten met cognitieve stoornissen omdat deze middelen een negatief effect op het cognitief functioneren kunnen hebben. Door een verhoogd risico op extrapiramidale bijwerkingen hebben langwerkende SSRI’s zoals fluoxetine niet de voorkeur.Noot 32

Dementie:

  • maak voor het opsporen van symptomen bij dementie gebruik van de NHG-Standaard Dementie. Hierbij dient te worden opgemerkt dat bij parkinsonpatiënten de MMSE waarschijnlijk minder sensitief is voor het opsporen van dementie dan bij patiënten zonder de ziekte van Parkinson;Noot 33
  • verwijs de patiënt voor neuropsychologisch onderzoek bij twijfel over de aan- of afwezigheid van cognitieve functiestoornissen;
  • het initiëren van de behandeling met cholinesteraseremmers door de huisarts wordt ontraden.Noot 34

Psychotische symptomen:

  • psychotische symptomen (verlies van realiteitszin, wanen en (visuele) hallucinaties) worden meestal veroorzaakt door een delier (zie NHG-Standaard Delier). Verricht onderzoek naar mogelijke oorzaken zoals een urineweginfectie, pneumonie, dehydratie, elektrolytstoornissen of hypoglykemie;
  • behandel in eerste instantie de oorzaken van een delier;
  • overleg met de neuroloog over eventuele aanpassing van de parkinsonmedicatie;
  • indien aanpassing van de medicatie niet mogelijk is of geen effect heeft, is behandeling met clozapine en met strikte bloedcontroles een mogelijkheid. In dit geval dient de huisarts de neuroloog te consulteren om het beleid en de controles af te stemmen. Typische antipsychotica (zoals haloperidol) en olanzapine en risperidon zijn gecontra-indiceerd omdat de kans op toename van de motorische parkinsonverschijnselen groot is.Noot 35

Overige symptomen:Noot 36 Slaapstoornissen:

  • denk aan onderliggende oorzaken zoals bijwerkingen of afname van de werkzaamheid van de medicatie (off-fase), neuropsychiatrische oorzaken (depressie, dementie), nycturie en specifieke slaapstoornissen zoals REM-slaapstoornis of restlesslegssyndroom. Vraag ook bij de partner na of er specifieke slaapstoornissen zijn opgevallen;
  • begin met slaaphygiëne-adviezen, eventueel kortdurend benzodiazepine (terughoudendheid is geboden vanwege het vijfvoudig verhoogd valrisico bij het gebruik van benzodiazepine in vergelijking met niet-gebruikers), zie voor het (niet-medicamenteuze) beleid de NHG-Standaard Slaapproblemen en slaapmiddelen;
  • bij slaapproblemen door motorische beperkingen kan aanpassing van de parkinsonmedicatie, fysio- of ergotherapie zinvol zijn, bij persisterende klachten is verwijzing naar een slaapcentrum geïndiceerd.

Vallen:

  • inventariseer mogelijke risicofactoren voor vallen zoals: eerdere valincidenten, motorische problemen (freezing), houdings- of balansproblemen, orthostatische hypotensie, het gebruik van (sederende) medicatie;
  • voor adviezen over valpreventie kan de Richtlijn Preventie van valincidenten bij ouderen worden geraadpleegd.Noot 37

Autonome stoornissen:

  • slikproblemen en speekselvloed: verwijs naar een logopedist;
  • gewichtsverlies: denk behalve aan de ziekte van Parkinson ook aan andere onderliggende oorzaken (endocriene aandoeningen, maligniteit). Verwijs indien nodig naar een diëtist [tabel 2];
  • obstipatie: Zie voor de diagnostiek en beleid de NHG-Standaard Obstipatie;
  • mictieklachten: verricht diagnostiek naar onderliggende oorzaken vooral indien plotseling mictieproblemen optreden (urineweginfectie?) of bij frequent en overvloedig urineren;Noot 38
  • seksuele problemen: besteed aandacht aan belemmerende factoren en onderliggende oorzaken (depressie, medicatie). Zie voor de diagnostiek en beleid de NHG-Standaard Erectiele disfunctie;
  • orthostatische hypotensie: analyseer het geneesmiddelgebruik en stop of wijzig antihypertensiva. Geef bij hinderlijke klachten leefstijladviezenNoot 39 en overweeg verwijzing naar een klinisch geriater;
  • overmatig transpireren: kan een gevolg zijn van de dopaminerge medicatie tijdens de on- of het begin van de off-fase.

Eindstadium of palliatieve fase van de ziekte van ParkinsonNoot 40

  • coördineer de zorg indien de patiënt in de eindfase alleen behandeling in de thuissituatie wenst en geen behoefte heeft aan (poli)klinische behandeling;
  • als de huisarts geen parkinsonspecifieke deskundigheid bezit is consultatie van een in ouderenzorg of palliatieve zorg gespecialiseerde huisarts in de regio een mogelijkheid (NHG-kaderopleiding Ouderengeneeskunde of Palliatieve zorg);
  • voor het verlenen van palliatieve zorg in de eindfase van de ziekte van Parkinson kan consultatie van de specialist ouderengeneeskunde, een regionaal palliatief team of neuroloog zinvol zijn (bijvoorbeeld indien het afbouwen of stoppen van de parkinsonmedicatie wenselijk is).

Psychosociale problemen

  • besteed aandacht aan mogelijke psychosociale problematiek bij de patiënt en zijn partner, denk hierbij aan problemen zoals ziekte-acceptatie, veranderingen in de relatie met de partner zoals veranderingen in de gelijkwaardigheid van partners en de seksuele relatie, draagkracht van de mantelzorger of partner en angst voor medicatie;
  • attendeer patiënten op de patiëntenvereniging;
  • adviseer de patiënt bij werkgerelateerde problemen de bedrijfsarts te raadplegen;
  • verwijs indien nodig voor verdere begeleiding of behandeling naar een psycholoog of maatschappelijk werker [tabel 2].
Tabel2 Indicaties voor verwijzing of consultatie
Verstrekking en coördinatie van medicatie(verschaffing), controle op geneesmiddelinteracties (overleg zonodig met de neuroloog hierover), leveren van medicatie in therapietrouwbevorderende aflevervormen (medicatiedozen, Baxterverpakkingen), informatie over (verminderen van) bijwerkingenApotheker
(Risico op) gewichtsverlies (> 5% in 1 maand of > 10% in 6 maanden), dieetadviezen bijvoorbeeld bij dysfagie, obstipatieDiëtist
Advies en voorlichting wanneer de patiënt met de ziekte van Parkinson beperkingen ervaart tijdens de uitoefening van werk, activiteiten thuis of vrijetijdsbesteding. Advies bij problemen van partner bij verzorging of begeleiding van patiëntErgotherapeut, bedrijfsarts
Behandeling van (risico op) een verminderd activiteitenniveau, angst om te bewegen of te vallen, problemen met lopen (freezing, balansproblemen), transfers, pijnklachten, decubitus preventie of contracturenFysiotherapeut, cesar-, mensendiecktherapeut
Hoge leeftijd en symptomen of klachten (bijvoorbeeld vaak vallen) die kunnen samenhangen met complexe comorbiditeit, polyfarmacie Klinisch geriater
Beperkingen in de spraak of communicatie en advies over hulpmiddelen, slikproblemen (kwijlen)Logopedist
Psychosociale problemen (coping, problemen in de dagbesteding), problemen in de draagkracht van de partner, informatie over en begeleiding bij aanvragen, wet- en regelgevingMaatschappelijk werker
Gebruik van anticholinergica en aanwezigheid van glaucoom (in familie), visusklachten bij vermoeden van oculomotore stoornissenOpticien/oogarts
Spanningen bij de patiënt of diens partner, complexe psychosociale problematiek, coping, relatieproblemen, stemmings- en angststoornissen, cognitieve stoornissen(Neuro)psycholoog
(Complexe) ADL-, HDL (huishoudelijke dagelijkse levensverrichtigingen)- of (arbeids) participatie problematiek, indicatiestelling voor verstrekking van hulpmiddelen, aanpassingen en voorzieningenRevalidatiearts
Problemen in het seksueel functioneren (als gevolg van de ziekte van Parkinson, de medicamenteuze of neurochirurgische behandelingSeksuoloog
Dagbehandeling in verband met complexe motorische, cognitieve en emotionele pathologie, kortdurende opname voor ontlasten thuissituatie, inventarisatie van ADL-problematiek en reactivering met terugkeer naar huis, consultatie in zorgcentra en aan huisSpecialist ouderengeneeskunde (verpleeghuisarts)
Hulp bij huishouden, zelfzorg of noodzaak tot verplegingThuiszorg

Samenwerking en ketenzorg

De ziekte van Parkinson heeft grote invloed op de ervaren kwaliteit van leven. Door het progressieve beloop en bijkomende aandoeningen zijn naast de huisarts vaak meerdere gespecialiseerde zorgverleners betrokken bij de zorg voor de patiënt met de ziekte van Parkinson. In de huidige opzet van de multidisciplinaire richtlijn Ziekte van Parkinson is er een vaste groep van zorgverleners die altijd bij de patiënt betrokken is: de huisarts, neuroloog en parkinsonverpleegkundige. Bij patiënten met de ziekte van Parkinson is het van belang afspraken te maken over de taken en onderlinge rapportage met deze vaste groep van zorgverleners. Optimale netwerkzorg kan alleen worden geleverd bij goede deskundigheid, communicatie, samenwerking, coördinatie en financiering. In het algemeen is de neuroloog hoofdbehandelaar van de gezondheidsproblemen die gerelateerd zijn aan de ziekte van Parkinson. In overleg met de neuroloog kan hiervan worden afgeweken en kan de neuroloog als consulent optreden bij bijvoorbeeld patiënten in de eindfase van de ziekte die alleen behandeling in de thuissituatie wensen. De taak van de Parkinsonverpleegkundige betreft onder andere het signaleren van (veranderingen in) de zorg- en informatiebehoefte en het (in samenwerking met de neuroloog) initiëren en coördineren van de hiervoor benodigde zorg. De huisarts heeft naast herkenning van het ziektebeeld een rol in de diagnostiek en behandeling van gerelateerde symptomen en aandoeningen en in de ondersteuning en begeleiding van de patiënt en zijn partner (of mantelzorger) (zie onder Richtlijnen Beleid).
De rol van andere zorgverleners die op indicatie bij patiënten met de ziekte van Parkinson worden betrokken kan regionaal verschillen en overlap vertonen [tabel 2]. Gespecialiseerde zorgverleners per regio zijn te vinden op de zorgzoeker van het ParkinsonNet (www.parkinsonnet.nl).

Totstandkoming

De NHG-Standaard Ziekte van Parkinson is afgeleid van de Multidisciplinaire richtlijn Ziekte van Parkinson 2010. De multidisciplinaire richtlijn is opgesteld door vertegenwoordigers van organisaties en landelijke beroepsverenigingen van disciplines die bij de zorg voor patiënten met de ziekte van Parkinson zijn betrokken. In 2007 startte de centrale werkgroep met het schrijven van de Multidisciplinaire richtlijn Parkinson 2010. Het project werd gesubsidieerd vanuit het programma Kennisbeleid Kwaliteit Curatieve Zorg van ZonMw. Vanuit de betrokken Nederlandse wetenschappelijke beroepsverenigingen werd afvaardiging gevraagd en verkregen. De basis van de Multidisciplinaire richtlijn Ziekte van Parkinson 2010 wordt gevormd door de NICE-richtlijn Parkinson's disease: Diagnosis and management in primary and secondary care (2006). Voor de adaptatie van de NICE-richtlijn werd gebruikgemaakt van de ADAPTE-methode die door de ADAPTE Collaboration is ontwikkeld. Voor uitgebreide informatie over de ontwikkelingsprocedure en de samenstelling van de werkgroepen en focusgroepen verwijzen we naar de multidisciplinaire richtlijn. In januari 2010 startte een klankbordwerkgroep met de ontwikkeling van de standaard. De werkgroep bestond uit de volgende leden: L.W. Draijer, W.H. Eizenga en A. Sluiter, allen huisarts en wetenschappelijk medewerker van de afdeling Richtlijnontwikkeling en Wetenschap van het NHG. Dr. W. Opstelten, huisarts, was als seniorwetenschappelijk medewerker en M.M. Verduijn, apotheker, was als seniorwetenschappelijk medewerker Farmacotherapie van deze afdeling bij de totstandkoming betrokken. In januari 2011 werd de ontwerpstandaard voor commentaar naar vijftig willekeurig uit het NHG-ledenbestand gekozen huisartsen gestuurd. Er werden 22 commentaarformulieren retour ontvangen. Tevens werd commentaar ontvangen van een aantal referenten, te weten prof.dr. B.R. Bloem, neuroloog; dr. A.W. Chavannes, huisarts n.p; E.K. Fogelberg, huisarts; dr. P. van den Hombergh, huisarts n.p., namens de LHV; D. Dost, dr. T. Schalekamp, I.C. Heijboer-Vinks, K. de Leest, J.J. Luinenburg, P.N.J. Langendijk en R. Tahmassian, allen apotheker namens de KNMP; P. Koeck, namens de Vlaamse vereniging voor huisartsen; H.P.J. Stinis, bedrijfsarts namens het Nederlands Centrum voor Beroepsziekten. Naamsvermelding als referent betekent overigens niet dat een referent de standaard inhoudelijk op ieder detail onderschrijft. De NHG-Standaard werd in maart 2011 door de Autorisatiecommissie van het NHG geautoriseerd. © 2011 Nederlands Huisartsengenootschap

Voetnoten

  • Noot 1.

    MDR ziekte van Parkinson Deze NHG-Standaard is gebaseerd op de multidisciplinaire richtlijn (MDR) Ziekte van Parkinson. De MDR is met medewerking van het NHG tot stand gekomen en is te vinden op www.nhg.org [Kwaliteitsinstituut voor de gezondheidszorg CBO 2010].

  • Noot 2.

    ParkinsonNet Het ParkinsonNet is in het leven geroepen om zowel patiënten als (huis)artsen te informeren over de beschikbaarheid van deskundige zorgverleners in de regio en is te vinden op www.parkinsonnet.nl. Momenteel zijn in alle regio’s van Nederland in de ziekte van Parkinson gespecialiseerde zorgverleners zoals neurologen en Parkinsonverpleegkundigen beschikbaar.

  • Noot 3.

    Dopaminedysregulatiesyndroom In een overzichtsartikel wordt van een dopaminedysregulatiesyndroom gesproken als de patiënt meer dopaminerge medicatie gebruikt dan nodig is om de motorische symptomen te controleren en er sprake is van een verslechtering van functioneren in werk en sociale relaties (bijvoorbeeld agressie, verlies van baan), stemmingsstoornissen (angst, depressieve klachten) en onttrekkingsverschijnselen bij vermindering van dopaminerge medicatie. Dopamine kan overigens zelf ook een impulscontrolestoornis uitlokken. Bij het dopaminedysregulatiesyndroom kan, naast pathologisch gokken, koopdwang en punding (langdurig, stereotiep motorisch gedrag) ook seksuele ontremming optreden [O'Sullivan 2009].

  • Noot 4.

    Looppatroon bij de ziekte van Parkinson De beschrijving van het begrip gangspoor en het looppatroon bij de ziekte van Parkinson zijn ontleend aan een leerboek en een overzichtsartikel waarin de verschillende looppatronen en de onderliggende aandoeningen worden besproken [Kuks 2007; Van de Warrenburg 2007].

  • Noot 5.

    Houdingsinstabiliteit Ter beoordeling van de houdingsstabiliteit bij patiënten met de ziekte van Parkinson (en het risico van vallen) worden verschillende diagnostische onderzoeken beschreven. Een hiervan is de retropulsietest. Hierbij wordt met een onverwachte snelle ruk aan de schouders de patiënt achterwaarts getrokken. De test is afwijkend als de patiënt meer dan twee stappen achteruit zet of ondersteund moet worden om het evenwicht te bewaren. Er zijn geen eerstelijnsonderzoeken gevonden waarin de diagnostische waarde van de retropulsietest bij patiënten met de ziekte van Parkinson is onderzocht [Samii 2004, Visser 2003].

  • Noot 6.

    Ernst van de ziekte van Parkinson In de multidisciplinaire richtlijn wordt voor de indeling naar ernst aangesloten bij een indeling die in de NICE richtlijn Parkinson’s disease: national clinical guideline for diagnosis and management in primary and secondary care wordt gebruikt [Kwaliteitsinstituut voor de gezondheidszorg CBO 2010; pagina 23, NICE 2006, pagina 202].

  • Noot 7.

    Epidemiologie De incidentie van de ziekte van Parkinson in de Tweede Nationale studie is 0,2 per 1000 patiënten per jaar en bij mannen en vrouwen van 75 jaar en ouder respectievelijk 2,7 en 1,8 per 1000 patiënten per jaar [Van der Linden 2004]. Uit de Continue Morbiditeits Registratie (CMR) Nijmegen blijkt dat een huisarts met een normpraktijk ongeveer eens per 1 à 2 jaar een nieuwe patiënt met de ziekte van Parkinson ziet (incidentie 0,3 per 1000 patiënten per jaar). De prevalentie van de ziekte van Parkinson in de periode 1985 tot 2006 was in de CMR Nijmegen 1,8 per 1000 mannen en 1,6 per 1000 vrouwen [Van de Lisdonk 2008]. Op basis van vijf huisartsregistratiesystemen heeft het RIVM een incidentie bij mannen en vrouwen berekend van respectievelijk 0,31 en 0,24 per 1000 in 2007. De puntprevalentie op 1 januari 2007 bij patiënten van 65 jaar en ouder was 8,95 per 1000 mannen en 6,53 per 1000 vrouwen (www.nationaalkompas.nl > gezondheid-en-ziekte > ziekten-en-aandoeningen > zenuwstelsel-en-zintuigen > ziekte-van-parkinson > cijfers-ziekte-van-parkinson-prevalentie-incidentie-en-sterfte-uit-de-vtv-2010, geraadpleegd op 28 september 2010). De prevalentie van de ziekte van Parkinson in bevolkingsonderzoek is 2 tot 2,5 maal hoger. Hierbij spelen verschillen in diagnostische criteria en het meetellen van patiënten met de ziekte van Parkinson in verpleeghuizen een rol. Door de verwachte veranderingen in de leeftijdsopbouw en de omvang van de Nederlandse bevolking zal de prevalentie naar schatting met de helft toenemen tussen 2005 en 2025 (www.nationaalkompas.nl > gezondheid-en-ziekte > ziekten-en-aandoeningen > zenuwstelsel-en-zintuigen > ziekte-van-parkinson > trend). De sterfte door de ziekte van Parkinson als primaire doodsoorzaak was in 2007 6,7 per 100.000 mannen en 5,7 per 100.000 vrouwen.

  • Noot 8.

    Pathofysiologie De oorzaak van de ziekte van Parkinson is niet bekend. Bij pathologisch onderzoek wordt een afname van de dopaminerge neuronen gevonden en aanwezigheid van lewy-lichaampjes in de resterende dopaminerge neuronen van de substantia nigra [Samii 2004]. Bij een afname in dopaminerge activiteit van 50 tot 60% treedt een hypokinetisch-rigide syndroom op.

  • Noot 9.

    Genetische oorzaken en toxische stoffen Naar schatting 10 tot 15% van de patiënten heeft een eerste- of tweedegraadsfamilielid met de ziekte van Parkinson [Nutt 2005]. Bij jonge patiënten (< 40 jaar) met de ziekte van Parkinson kan er sprake zijn van een genetische oorzaak. Hierbij spelen meerdere genen een rol. In observationeel onderzoek en casuscontroleonderzoek is een verband gevonden tussen langdurige blootstelling aan onder andere pesticiden en oplosmiddelen en de ziekte van Parkinson [Mc Donell 2003, Costello 2009].

  • Noot 10.

    Geneesmiddelen met parkinsonachtige bijwerkingen Geneesmiddelen die parkinsonachtige verschijnselen kunnen geven zijn onder andere antipsychotica, anti-emetica (metoclopramide, cinnarizine, meclozine), SSRI’s (met name de langwerkende zoals fluoxetine), venlafaxine, bupropion en valproïnezuur [Aronson 2006, Samii 2004].

  • Noot 11.

    Hypokinetisch-rigide syndromen De MDR Ziekte van Parkinson maakt onderscheid tussen de ziekte van Parkinson en atypisch parkinsonisme [Kwaliteitsinstituut voor de gezondheidszorg CBO 2010; pagina 29]. In de standaard is om praktische redenen atypisch parkinsonisme aangeduid als ‘parkinsonisme’. Als groep hebben atypische parkinsonismen klinische overeenkomsten met de ziekte van Parkinson, maar ook een aantal belangrijke verschillen. Deze verschillen zijn onder andere een (gemiddeld) snellere progressie, een beperktere tot afwezige reactie op Parkinsonmedicatie, en een kortere levensverwachting. [[tbl:3186]]

  • Noot 12.

    Cognitieve stoornissen Naar schatting 48 tot 80% van de patiënten met de ziekte van Parkinson ontwikkelt dementie in het beloop van de ziekte [Kwaliteitsinstituut voor de gezondheidszorg CBO 2010; pagina 47, 205]. In een prospectief cohortonderzoek bij 126 patiënten met een bij aanvang van het onderzoek gestelde diagnose ziekte van Parkinson was de incidentie van dementie 3% per jaar (95%-BI 1,6 tot 5,3%) bij een follow-upduur van 3,5 jaar. Ruim de helft van de patiënten vertoonde bij aanvang van het onderzoek een afwijkende uitslag van ten minste één van de (gevalideerde) neuropsychologische tests. Als onafhankelijke risicofactoren voor de vermindering van de cognitieve capaciteiten werd een afwijkende uitslag bij het natekenen van twee overlappende vijfhoeken (uit de MMSE) en een afwijkende uitslag bij de semantische fluencytest (zo veel mogelijk dieren opnoemen in 90 seconden) gevonden. Een scoreresultaat lager dan 2 bij het tekenen van een overlappende vijfhoek ging gepaard met een 5 maal zo groot (95%-BI 2 tot 14) risico op dementie in vergelijking met patiënten met een score van 2. Daarnaast bleek het risico op dementie 4 maal zo groot (95%-BI 1 tot 18) bij patiënten met het PIGD-type van de ziekte van Parkinson in vergelijking met patiënten met het tremor type [Williams-Gray 2007]. Dat patiënten met het PIGD-type een groter risico hebben op het ontwikkelen van dementie wordt ondersteund door een incidentiemeting na 4 en 8 jaar bij 171 patiënten met de ziekte van Parkinson. Patiënten bij wie een verandering optrad van het TD-type naar het PIGD-type en patiënten met een PIGD-type hadden een groter risico op dementie in vergelijking met patiënten met een TD-type [Alves 2006]. Conclusie: bij een groot deel van de patiënten treedt in het beloop van de aandoening cognitieve functiestoornissen op die soms al bij het stellen van de diagnose Parkinson waarneembaar zijn. Het risico op cognitieve stoornissen en dementie is groter bij patiënten met de ziekte van Parkinson die een PIGD-type hebben dan patiënten bij wie een tremor (TD-type) op de voorgrond blijft staan.

  • Noot 13.

    Levensverwachting bij dementie In een cohortonderzoek van 6969 mensen van 55 jaar en ouder in de algemene bevolking van Rotterdam bleek het risico op sterfte tijdens een follow-up van 9 jaar in de groep met de ziekte van Parkinson in vergelijking met de groep zonder de ziekte van Parkinson 54% versus 24% (hazardratio [HR] 1,83; 95%-BI 1,47 tot 2,26). Bij Parkinson patiënten met dementie was het risico op sterfte groter in vergelijking met patiënten zonder dementie (HR 2,85; 95%-BI 1,77 tot 4.62) [De Lau 2005].

  • Noot 14.

    Depressieve symptomen Klinisch relevante depressieve symptomen komen bij ongeveer eenderde van de patiënten met de ziekte van Parkinson voor. Hoewel een depressie vaak tijdens het beloop van de ziekte ontstaat is bij ongeveer 1 op 10 patiënten 3 jaar voor het stellen van de diagnose Parkinson een depressie aanwezig (geweest) [Kwaliteitsinstituut voor de gezondheidszorg CBO 2010; pagina 49].

  • Noot 15.

    Risico op impulscontrolestoornis Kenmerken die met een verhoogd risico op een impulscontrolestoornis of dopaminedysregulatiesyndroom worden geassocieerd zijn: het vóórkomen van de ziekte van Parkinson op jonge leeftijd (< 45 jaar), mannelijk geslacht, sensatiezoekende of impulsieve persoonlijkheidskenmerken, een voorgeschiedenis of een positieve familieanamnese van alcoholmisbruik, impulscontrolestoornis in de voorgeschiedenis en het gebruik van dopamine-agonisten. Hoewel het risico voor het ontwikkelen van een impulscontrolestoornis het hoogste lijkt te zijn bij gebruik van dopamine-agonisten is ook het gebruik van andere anti-parkinsonmedicatie (inclusief levodopa) en zelfs diepe hersenstimulatie een risicofactor [Kwaliteitsinstituut voor de gezondheidszorg CBO 2010; pagina 101, 102, O’Sullivan 2009].

  • Noot 16.

    Neuroprotectieve middelen Het neuroprotectieve effect van de antioxidanten vitamine E en co-enzym Q10 en dopamine-agonisten en MAO-B-remmers is niet aangetoond. Behandeling met deze middelen om de progressie van de ziekte te remmen is daarom niet zinvol [Kwaliteitsinstituut voor de gezondheidszorg CBO 2010; pagina 106].

  • Noot 17.

    Ernst en beperkingen bij de ziekte van Parkinson Afhankelijk van de ernst varieert de kwaliteit van leven score (Quality of life score) van 0,15 tot 0,67 (op een schaal van 0 tot 1,0) [Kwaliteitsinstituut voor de gezondheidszorg CBO 2010; pagina 24]. Veel jonge patiënten met de ziekte van Parkinson moeten het betaalde werk uiteindelijk opgeven. Uit een Engels onderzoek met patiënten bij wie de ziekte van Parkinson voor het 65e jaar ontstond (n = 459) bleek ongeveer de helft van de patiënten na vijf jaar en viervijfde na een ziekteduur van tien jaar met werken te zijn gestopt [Schrag 2006].

  • Noot 18.

    Geneesmiddelkeuze bij motorische symptomen Bij de keuze van een bepaald geneesmiddel bij de ziekte van Parkinson spelen verschillende factoren een rol zoals: klinische verschijnselen, leefstijl, functiebeperkingen, levensverwachting, effectiviteit van de geneesmiddelen, bijwerkingenprofiel en de voorkeur van de patiënt na informatievoorziening over de korte- en langetermijneffecten van de verschillende geneesmiddelen. In de ongecompliceerde fase van de ziekte van Parkinson (uni- of bilateraal beeld zonder bewegingsklachten) geven dopamine-agonisten minder motorische complicaties en hyperkinesieën dan levodopa, echter met een trend naar minder effectiviteit en ten koste van meer bijwerkingen. Er zijn geen significante verschillen in effectiviteit of bijwerkingen tussen dopamine-agonisten en MAO-B remmers tijdens de ongecompliceerde fase van de ziekte van Parkinson, voor zover het de vertraging van motorische complicaties betreft. Agonisten lijken effectiever dan MAO-B-remmers in het uitstellen van de behoefte aan levodopa. Volgens de huidige inzichten is er (ongeacht de leeftijd) echter geen reden het voorschrijven van levodopa uit te stellen bij onvoldoende effect of bijwerkingen van andere toegepaste middelen of bij oudere patiënten die in het dagelijks functioneren door motorische stoornissen worden beperkt [Odekerken 2009, Kwaliteitsinstituut voor de gezondheidszorg CBO 2010; pagina 66-69].

  • Noot 19.

    COMT-remmers COMT-remmers (entacapon, tolcapon), die de afbraak van levodopa remmen en de beschikbaarheid verhogen, worden in een later gecompliceerd stadium van de ziekte voorgeschreven als sprake is van voorspelbare responsfluctuaties (wearing off). Entacapon is de COMT-remmer van eerste keus. Wees bij gebruik van COMT-remmers alert op mogelijke interactie met ijzerpreparaten (doseringsinterval van ten minste twee à drie uur aanhouden) [Informatorium Medicamentorum 2011, Kwaliteitsinstituut voor de gezondheidszorg CBO 2010; pagina 76-79].

  • Noot 20.

    Apomorfine Subcutane toediening van de dopamine-1- en -2-receptoragonist apomorfine kan worden ingezet bij de behandeling van onvoorspelbare off-perioden bij patiënten met de ziekte van Parkinson in de gecompliceerde fase (bilaterale symptomen met evenwichtsstoornissen). Indien deze perioden weinig frequent zijn worden intermitterende injecties toegepast. Indien deze frequent optreden (als richtlijn > 5 keer per dag) wordt het middel continu per pomp toegediend. Vaak wordt tevens domperidon gestart ter voorkoming van de bijwerking misselijkheid. Vanwege de complexiteit van de behandeling en de eventuele bijwerkingen vindt instelling op apomorfine klinisch en uitsluitend in centra met expertise op dit gebied plaats [Kwaliteitsinstituut voor de gezondheidszorg CBO 2010; pagina 83-85].

  • Noot 21.

    Intraduodenale infusie Continue intraduodenale infusie van levodopa/carbidopa via een PEG-sonde als monotherapie verbetert mogelijk bestaande responsfluctuaties en is wellicht even veilig als orale therapie met levodopa bij patiënten met de ziekte van Parkinson. Deze infusie gaat echter wel gepaard met een risico op complicaties gerelateerd aan het gebruik van een PEG-sonde (lekkage of verstopping) [Kwaliteitsinstituut voor de gezondheidszorg CBO 2010; pagina 86-88].

  • Noot 22.

    Diepe hersenstimulatie Bilaterale stimulatie van de nucleus subthalamicus wordt door de behandelend neuroloog en neurochirurg overwogen bij patiënten met onder andere gevorderde stadia van de ziekte van Parkinson en ernstige responsfluctuaties of dyskinesieën die ondanks optimale aanpassing van de parkinsonmedicatie persisteren. Diepe hersenstimulatie is het best onderzocht en lijkt het meest effectief in vergelijking met het gebruik van apomorfine of intraduodenale levodopa/carbidopa infusie, maar is door contra-indicaties niet altijd mogelijk [Kwaliteitsinstituut voor de gezondheidszorg CBO 2010; pagina 112-119].

  • Noot 23.

    Parkinsonisme en fietsen Mogelijk kan het vermogen nog te kunnen fietsen differentiëren tussen de ziekte van Parkinson en parkinsonisme. In een prospectief cohortonderzoek (n = 156) onder patiënten met nog niet goed te duiden parkinsonsymptomen werd bij aanvang van het onderzoek geregistreerd of de patiënt nog kon fietsen. Na een follow-up van 3 jaar werd vastgesteld of uiteindelijk sprake was van de ziekte van Parkinson of parkinsonisme. Van de patiënten met parkinsonisme had 51% bij aanvang fietsproblemen, versus 4% van de patiënten met de ziekte van Parkinson. Een mogelijke verklaring zou kunnen zijn dat bij patiënten met de ziekte van Parkinson de zijwaartse stabiliteit en het vermogen in een rechte lijn te lopen beter intact blijven dan bij patiënten met parkinsonisme [Aerts 2011].

  • Noot 24.

    UK PDS Brain Bank Criteria Zekerheid over de diagnose ziekte van Parkinson kan alleen worden verkregen door (post mortem) neuropathologisch onderzoek waarbij Lewy lichaampjes en degeneratie van dopaminerge neuronen worden aangetroffen. Goed opgezet onderzoek naar de diagnostische waarde van de anamnese en lichamelijk onderzoek in de huisartsenpraktijk is niet voorhanden. In een onderzoek waarin de bevindingen van pathologisch onderzoek van de hersenen van 100 patiënten werd vergeleken met de diagnose ziekte van Parkinson gesteld door een neuroloog, bleek de diagnose bij 76 juist gesteld. Na retrospectieve toepassing van de United Kingdom Parkinson's Disease Society (UK PDS) Brain Bank Criteria bij patiënten bij wie deze onjuist of onvolledig waren toegepast steeg het aantal juist gediagnosticeerde patiënten naar 82% [Hughes 1992]. In een derdelijnsonderzoek van vergelijkbare opzet met 143 patiënten met parkinsonisme werd een positiefvoorspellende waarde van 85% gevonden [Hughes 2002]. De belangrijkste beperking van deze onderzoeken is dat het geselecteerde patiëntengroepen betrof die retrospectief werden geanalyseerd. De multidisciplinaire richtlijn adviseert neurologen voor de diagnostiek bij een patiënt met de vermoedelijke diagnose Parkinson de UK PDS Brain Bank Criteria te gebruiken. Naast beoordeling van de klachten en verschijnselen aan de hand van de UK PDS Brain Bank Criteria verricht de neuroloog ter uitsluiting van andere oorzaken een MRI-scan en eventueel overig aanvullend onderzoek zoals een DATSPECT-Scan. Laboratoriumonderzoek is niet geïndiceerd. [Kwaliteitsinstituut voor de gezondheidszorg CBO 2010; pagina 46]. De UK PDS Brain Bank Criteria zijn: Stap 1. Het diagnosticeren van de ziekte van Parkinson. Bradykinesie en één van de volgende symptomen:

    • rigiditeit;
    • rusttremor (4-6 Hz);
    • houdings- en balansstoornissen (niet gerelateerd aan primair visuele, cerebellaire, vestibulaire of proprioceptieve stoornissen).
    Stap 2. Exclusiecriteria voor de diagnose (idiopathische) ziekte van Parkinson. Voorgeschiedenis van:
    • meerdere beroertes met een stapsgewijze progressie;
    • meerdere hoofdtrauma’s;
    • antipsychotica of dopaminedepleterende geneesmiddelen;
    • encephalitis en/of spasmen van de oogspieren (oculogyre crisis), niet medicamenteus geïnduceerd;
    • meer dan één aangedaan familielid (als meerdere familieleden zijn aangedaan kan dit duiden op een familiaire vorm van de ziekte van Parkinson);
    • blijvende remissie;
    • negatieve respons op hoge dosis levodopa (als malabsorptie is uitgesloten);
    • alleen unilaterale symptomen drie jaar na het begin van de ziekte;
    • andere neurologische symptomen: supranucleaire blikparese, cerebellaire symptomen, vroege ernstige autonome stoornissen, voetzoolreflex volgens Babinski, vroege ernstige dementie met taalproblemen, geheugenstoornissen of apraxie;
    • blootstelling aan een bekende neurotoxine;
    • op beeldvormend onderzoek aanwijzingen voor een hersentumor of communicerende hydrocephalus.
    Stap 3. Ondersteunende criteria voor de ziekte van Parkinson (drie of meer criteria zijn vereist).
    • aanwezigheid van rusttremor;
    • progressief beloop;
    • blijvend asymmetrisch beeld ten nadele van de kant waar de ziekte begon;
    • uitstekende respons op levodopa;
    • ernstige levodopageïnduceerde chorea;
    • levodopa respons gedurende minimaal vijf jaar;
    • klinisch beloop van minimaal tien jaar.

  • Noot 25.

    Klinische kenmerken van (atypisch) parkinsonisme Symptomen die de kans op (atypisch) parkinsonisme vergroten zijn:

    • duidelijke houdingsinstabiliteit, tekenen van freezing of hallucinaties die binnen drie jaar na het ontstaan van de eerste symptomen van het hypokinetisch-rigide syndroom optreden;
    • dementie, optredend in het eerste jaar, of voordat de motorische symptomen optreden (kan duiden op lewylichaampjesdementie);
    • (supranucleaire) blikparese (bij progressieve supranucleaire paralyse);
    • ernstige autonome stoornissen, niet-medicatiegerelateerd, binnen drie jaar na ontstaan van de eerste symptomen van het hypokinetisch-rigide syndroom [Kwaliteitsinstituut voor de gezondheidszorg CBO 2010; pagina 33].

  • Noot 26.

    Redenen voor verwijzing Omdat de diagnose ziekte van Parkinson of parkinsonisme in de beginfase lastig te stellen is en de huisarts weinig ervaring heeft met de behandeling wordt geadviseerd patiënten met tekenen van de ziekte van Parkinson te verwijzen naar een neuroloog met parkinsonspecifieke kennis. Hoewel er geen behandelingen beschikbaar zijn die de aandoening kunnen genezen of het beloop ervan kunnen vertragen, hebben patiënten vaak behoefte aan duidelijkheid over de diagnose en het beleid, ook met betrekking tot de aan de ziekte van Parkinson gerelateerde aandoeningen en functiebeperkingen. Daarom beveelt de multidisciplinaire richtlijn aan patiënten bij wie de huisarts de ziekte van Parkinson of parkinsonisme vermoedt laagdrempelig en binnen een redelijke termijn van zes weken naar een neuroloog te verwijzen [Kwaliteitsinstituut voor de gezondheidszorg CBO 2010; pagina 33].

  • Noot 27.

    Palliatieve fase van de ziekte van Parkinson De palliatieve fase bij patiënten met de ziekte van Parkinson is niet precies aan te geven omdat ook de vroege behandeling gericht is op het verminderen van klachten en verbeteren van de kwaliteit van leven. De NICE richtlijn Parkinson’s disease: national clinical guideline for diagnosis and management in primary and secondary care (www.nice.org.uk/nicemedia/live/10984/30087/30087.pdf) noemt onder andere de volgende criteria: patiënt tolereert adequate dopaminerge behandeling niet, komt niet (meer) in aanmerking voor chirurgische behandeling en heeft gevorderde comorbiditeit. Vaak zal het gaan om patiënten die ernstig geïnvalideerd zijn en verpleegkundige zorg behoeven.

  • Noot 28.

    Controlebeleid door de huisarts Hoewel de multidisciplinaire richtlijn geen advies geeft over een controlebeleid voor de huisarts is de werkgroep van mening dat afhankelijk van bijkomende problemen of aandoeningen en de behoefte van de patiënt en zijn naasten, een minimale controlefrequentie van eenmaal per jaar gerechtvaardigd is. Overwegingen die hierbij een rol hebben gespeeld zijn dat bij patiënten met de ziekte van Parkinson vaak sprake is van polyfarmacie, comorbiditeit en in het beloop van de ziekte aan Parkinson gerelateerde aandoeningen ontstaan. Jaarlijkse beoordeling van deze aspecten bevordert volgens de werkgroep de kwaliteit en continuïteit van zorg en biedt de mogelijkheid om indien nodig aanvullende diagnostiek te doen of het beleid in samenwerking met de neuroloog en/of parkinsonverpleegkundige aan te passen.

  • Noot 29.

    Verwijzing naar gespecialiseerde hulpverlener Voor de onderbouwing van de effectiviteit van de behandeling of consultatie van andere zorgverleners wordt verwezen naar de multidisciplinaire richtlijn. Bij voorkeur verwijst de huisarts naar een hulpverlener met parkinsonspecifieke kennis [Kwaliteitsinstituut voor de gezondheidszorg CBO 2010]. Hiervoor kan het ParkinsonNet worden geraadpleegd waarin regionale netwerken van zorgverleners worden vermeld die gespecialiseerd zijn in het behandelen en begeleiden van patiënten met de ziekte van Parkinson of daarop lijkende aandoeningen (parkinsonismen).

  • Noot 30.

    Geneesmiddelen bij de ziekte van Parkinson [Tabel 3] benoemt de meest gebruikte geneesmiddelen bij motorische symptomen van de ziekte van Parkinson, de belangrijkste bijwerkingen en interacties. De bijwerkingen en interacties zijn gebaseerd op het Farmacotherapeutisch Kompas en Informatorium Medicamentorum [Commissie Farmaceutische Hulp 2010]. [[tbl:3189]]

  • Noot 31.

    Diagnostiek depressieve symptomen Zie voor de diagnostiek van depressieve symptomen de NHG-Standaard Depressieve stoornis. Van belang hierbij is dat de patiënt in de on-fase wordt beoordeeld omdat er bij een milde depressie overlap kan zijn met de motorische symptomen van de ziekte van Parkinson zoals motorische vertraging, mimiekarmoede en bradyfrenie. De diagnostiek kan lastig zijn omdat depressieve symptomen in combinatie met cognitieve stoornissen kunnen voorkomen. In de MDR zijn de criteria voor depressie gebaseerd op de DSM-IV-TR-criteria die overeenkomen met de criteria van de NHG-Standaard. Daarnaast worden de depressie schalen (HAM-D, MADRS, BDI) geadviseerd [Kwaliteitsinstituut voor de gezondheidszorg CBO 2010; pagina 49, 50]. Bij twijfel aan de diagnose depressie is verwijzing voor aanvullende diagnostiek zinvol.

  • Noot 32.

    Effectiviteit antidepressiva Er is onvoldoende bewijs voor de effectiviteit van antidepressiva bij de behandeling van depressie bij patiënten met de ziekte van Parkinson. Daarom is beoordeling en eventuele aanpassing van de geneesmiddelen die gebruikt worden bij de ziekte van Parkinson van primair belang. Vooral bij ouderen en bij cognitieve stoornissen kunnen tricyclische antidepressiva een negatief effect hebben op het cognitief functioneren. Extrapiramidale bijwerkingen kunnen (vooral bij ouderen) optreden bij SSRI’s met een lange eliminatiehalfwaardetijd, zoals fluoxetine. Mogelijk heeft cognitieve gedragstherapie enig effect [Kwaliteitsinstituut voor de gezondheidszorg CBO 2010; pagina 92-96].

  • Noot 33.

    Diagnostiek bij dementie Voor de symptomen die kunnen wijzen op dementie verwijzen we naar de gelijknamige NHG-Standaard. Dementie die al voor of binnen één jaar na het ontstaan van motorische symptomen ontstaat kan wijzen op lewylichaampjesdementie. De diagnose dementie bij patiënten met de ziekte van Parkinson berust op de volgende criteria:

    • de diagnose ziekte van Parkinson volgens de UK PDS Brain Bank Criteria;
    • progressieve cognitieve stoornissen in twee of meer domeinen: geheugenstoornissen, aandacht (vijf keer het getal zeven aftrekken beginnend bij honderd, maanden in omgekeerde volgorde opnoemen), uitvoerende functies, visuospatiële functies (klok-, kubus-, pentagram tekenen, herkenning van voorwerpen);
    • beperkingen in het dagelijks functioneren door de cognitieve stoornissen en niet door motorische stoornissen of autonome disfunctie).
    Aanwezigheid van één of meer symptomen zoals visuele hallucinaties, wanen, agitatie, overmatige slaperigheid overdag, depressieve symptomen, angst of apathie maakt de diagnose waarschijnlijker [Kwaliteitsinstituut voor de gezondheidszorg CBO 2010; pagina 49, appendix 3]. Voor de beoordeling van het geheugen en de cognitieve functies kan de MMSE worden gebruikt. Er zijn echter aanwijzingen dat de MMSE minder sensitief is voor het opsporen van cognitieve stoornissen en dementie bij patiënten met de ziekte van Parkinson [Kulisevsky 2009]. Om dit te ondervangen kan het afkappunt worden verhoogd naar 25 tot 26, wat echter ten koste gaat van de specificiteit. Als alternatief voor het gebruik van de MMSE beveelt de multidisciplinaire richtlijn de Scales for the Outcome of Parkinson’s disease COGnition (SCOPA-COG) aan. Deze schaal is geconstrueerd voor gebruik bij de ziekte van Parkinson en is gevalideerd en genormeerd voor verschillende taalgebieden [Kwaliteitsinstituut voor de gezondheidszorg CBO 2010; pagina 48]. De SCOPA-COG schaal is beschikbaar op www.scopa-propark.eu. Voor de huisarts is het gebruik van MMSE in de praktijk echter een praktisch en bekend meetinstrument. Indien na screening met de MMSE (of de SCOPACOG) nog twijfel bestaat over de aan- of afwezigheid van cognitieve functiestoornissen, of over de aard of ernst ervan, verdient het aanbeveling te verwijzen voor een neuropsychologisch onderzoek.

  • Noot 34.

    Acetylcholinesteraseremmers De multidisciplinaire richtlijn stelt dat de behandelend specialist acetylcholinesteraseremmers alleen dient voor te schrijven als de patiënt met de ziekte van Parkinson voldoet aan de internationaal hiervoor geaccepteerde criteria voor (de behandeling van) dementie [Kwaliteitsinstituut voor de gezondheidszorg CBO 2010; pagina 101].

  • Noot 35.

    Antipsychotica Voor de behandeling van een psychose adviseert de multidisciplinaire richtlijn een stapsgewijze aanpak. Indien aanpassing van de geneesmiddelen geen effect sorteert of niet mogelijk is, heeft clozapine een plaats. Omdat er kans bestaat op de ernstige bijwerking granulocytopenie of agranulocytose is vooraf en gedurende de behandeling intensieve controle van het bloed noodzakelijk. Behandeling met rivastigmine komt in aanmerking als een psychose voorkomt in combinatie met dementie. Bij patiënten met de ziekte van Parkinson is het voorschrijven van typische antipsychotica (bijvoorbeeld haloperidol) in alle gevallen gecontra-indiceerd, vanwege een hoog risico op toename van de motorische parkinsonverschijnselen. Dit geldt ook voor het atypisch antipsychoticum risperidon [Kwaliteitsinstituut voor de gezondheidszorg CBO 2010; pagina 98, 99].

  • Noot 36.

    Onderbouwing adviezen overige symptomen De beschreven belangrijkste aandachtspunten bij de overige symptomen zijn op basis van expert opinion en consensus tot stand gekomen. In de multidisciplinaire richtlijn is ter onderbouwing geen systematisch literatuur onderzoek verricht. Voor een volledig overzicht van de aanbevelingen en de argumentatie verwijzen we naar de multidisciplinaire richtlijn [Kwaliteitsinstituut voor de gezondheidszorg CBO 2010].

  • Noot 37.

    Valincidenten Zie de Richtlijn Preventie van valincidenten bij ouderen van de Nederlandse Vereniging voor Klinische Geriatrie www.cbo.nl/Downloads/389/val-richtlijn2004.pdf.

  • Noot 38.

    Nycturie Bij nycturie kunnen adviezen (minder vochtinname en vermijden van alcohol- en koffiegebruik ’s avonds, urinaal en po-stoel naast bed, condoomkatheter) mogelijk een oplossing bieden. Indien deze adviezen geen oplossing bieden kan desmopressine voor de nacht overwogen worden. Voorzichtigheid is geboden bij oudere patiënten en cognitieve stoornissen in verband met de mogelijke bijwerkingen (verslechtering cognitie, vochtretentie, hyponatriëmie) [Kwaliteitsinstituut voor de gezondheidszorg CBO 2010; pagina 142].

  • Noot 39.

    Adviezen bij orthostatische hypotensie De multidisciplinaire richtlijn noemt de volgende leefstijladviezen bij orthostatische hypotensie: verhoging van het hoofdeinde van het bed, bloeddrukverhogende manoeuvres (zie ook NHG-Standaard Duizeligheid), verhoging van de inname van vocht en zout, overweeg steunkousen bij enkel of pretibiaal oedeem [Kwaliteitsinstituut voor de gezondheidszorg CBO 2010; pagina 144].

  • Noot 40.

    Zorg in de eindfase van de ziekte van Parkinson De aanbevelingen zijn gebaseerd op de aanbevelingen van de multidisciplinaire richtlijn [Kwaliteitsinstituut voor de gezondheidszorg CBO 2010; pagina 166 aanbeveling 6-2, pagina 186 aanbeveling 11-3]. In de terminale fase van de ziekte kan verandering of stoppen van de medicatie wenselijk zijn door verandering van de effectiviteit van de medicatie of het ontstaan van hinderlijke bijwerkingen. In het algemeen is het raadzaam hierover te overleggen met een neuroloog specialist ouderengeneeskunde of het regionaal palliatief team.

Literatuur

Reacties

Er zijn nog geen reacties

Verder lezen