Wetenschap

Effectiviteit van oefentherapie bij patiënten met heupartrose

Samenvatting

Samenvatting

Teirlinck CH, Luijsterburg PAJ, Dekker J, Bohnen AM, Verhaar JAN, Koopmanschap MA, et al. Effectiviteit van oefentherapie bij patiënten met heupartrose. Huisarts Wet 2016;59(8):346-9.
Volgens (inter)nationale richtlijnen is oefentherapie een belangrijk onderdeel van de conservatieve behandeling van patiënten met heupartrose. We hebben bij patiënten met heupartrose onderzoek gedaan naar de effectiviteit van oefentherapie in aanvulling op huisartsenzorg, vergeleken met alleen huisartsenzorg.
We hebben een pragmatisch gerandomiseerd onderzoek uitgevoerd in 120 huisartsenpraktijken in Rotterdam en omstreken. Deelnemers waren 45 jaar of ouder, kwamen met een nieuwe episode van problemen met de heup bij de huisarts en voldeden aan de ACR-criteria voor heupartrose. We hebben 203 patiënten geïncludeerd, van wie we 101 random indeelden in de oefentherapie- en huisartsenzorggroep en 102 in de alleen-huisartsenzorggroep. De eigen huisarts leverde de huisartsenzorg. De oefentherapie, gegeven door fysiotherapeuten, bestond uit maximaal twaalf sessies in de eerste drie maanden en drie boostersessies (na maand 5, 7 en 9). Blinderen was niet mogelijk. We volgden de deelnemers totaal twaalf maanden. Primaire uitkomsten waren pijn en functie, gemeten met de HOOS-vragenlijst (score tussen 0 en 100).
Gemiddeld gedurende de twaalf maanden waren er geen verschillen zichtbaar in pijn en functie tussen de twee groepen. Na drie maanden was er een statistisch significant verschil in pijn van –3,7 (95%-BI –7,3 tot –0,2) op een schaal van 0-100, effectgrootte –0,23 en in functie van –5,3 (95%-BI –8,9 tot –1,6) op een schaal van 0 tot 100, effectgrootte –0,31 ten gunste van de oefentherapiegroep. De patiënten rapporteerden geen bijwerkingen.
Gemiddeld over de twaalf maanden vonden we geen verschillen op pijn en functie van de heup tussen patiënten die wel en patiënten die geen oefentherapie kregen in aanvulling op huisartsenzorg. Na drie maanden scoorden patiënten met oefentherapie in aanvulling op huisartsenzorg beter op pijn en functie dan patiënten die alleen huisartsenzorg kregen.

Wat is bekend?

  • Richtlijnen bevelen oefentherapie aan bij knie- en heupartrose.
  • Onderzoek bij knieartrose heeft een klein tot middelmatig effect op pijn en functie aangetoond.

Wat is nieuw?

  • Wij vonden in ons onderzoek bij heupartrosepatiënten een klein effect van oefentherapie op pijn en functie op de korte termijn, in aanvulling op huisartsenzorg.
  • We vonden geen langetermijneffect.

Achtergrond

Er bestaat op dit moment geen behandeling die heupartrose kan genezen. Conservatieve behandeling blijft daarom de belangrijkste eerste stap. Pas bij ernstig invaliderende klachten en als effect van conservatieve behandeling uitblijft, overweegt men chirurgie.2 Richtlijnen voor de conservatieve behandeling van heupartrose adviseren oefentherapie.3 Verschillende systematische literatuuronderzoeken concluderen dat er onvoldoende onderzoeken van hoge kwaliteit zijn gedaan om de effectiviteit van oefentherapie bij heupartrose te bevestigen.456 Wij wilden bij heupartrosepatiënten het effect van oefentherapie op pijn en functie onderzoeken, in aanvulling op huisartsenzorg, en dit vergelijken met het effect van alleen huisartsenzorg over een periode van twaalf maanden.

Methode

Onderzoeksontwerp

We hebben een pragmatisch gerandomiseerd gecontroleerd onderzoek uitgevoerd met twee parallelle groepen in 120 verschillende huisartsenpraktijken. Het onderzoek was goedgekeurd door de Medisch Ethische Commissie van het Erasmus MC. Gedetailleerde informatie over de opzet hebben we beschreven in het gepubliceerde protocol7 en de economische evaluatie hebben we elders gepubliceerd.8

Deelnemers

Patiënten waren geschikt om mee te doen indien ze 45 jaar of ouder waren en het voorgaande jaar hun huisarts hadden bezocht met een nieuwe episode van heupproblemen die voldeden aan de klinische criteria van het American College of Rheumatology.9 Exclusiecriteria waren:
  • oefentherapie in de laatste drie maanden;
  • heuppijnscore &lt 2 op een elfpuntsschaal (numeric rating scale, NRS, waarbij 0 geen pijn is);
  • weinig functieverlies door de heupproblemen (score &lt 2 op de Algofunctional Index10);
  • een heupoperatie ondergaan of op de wachtlijst voor een heupoperatie;
  • comorbiditeit die een contra-indicatie vormt voor oefentherapie (bijvoorbeeld ernstig hartfalen);
  • onvoldoende begrip van de Nederlandse taal;
  • mentaal begrip onvoldoende voor deelname.

Steekproefomvang

De steekproefomvang hebben we berekend met WOMAC-pijnscores vanwege het ontbreken van gegevens van de Hip disability Osteoarthritis Outcome Score (HOOS).11 Er zijn 210 patiënten nodig voor het vaststellen van een 25%-verschil in WOMAC-pijnscore (gemiddelde 4,83; SD 2,25) over 12 maanden bij een tweezijdige test, een power van 80%, een alfa van 5%, 25% verwijzing naar de fysiotherapeut in de alleen-huisartsenzorggroep (cross-over) en 10% uitval van patiënten.

Randomisatie en interventies

Gezien de interventie was blinderen tijdens follow-up niet mogelijk. We hebben de patiënten aan de hand van een computergegeneerde lijst gerandomiseerd over twee groepen. De interventiegroep kreeg huisartsenzorg met als aanvulling een verwijzing naar de fysiotherapeut voor oefentherapie. De controlegroep kreeg alleen huisartsenzorg.
De oefentherapie bestond uit maximaal twaalf behandelingen gedurende de eerste drie maanden. Indien behandeldoelen al eerder werden bereikt, kon de fysiotherapeut eerder stoppen met de behandeling. Na de oefensessies hebben de fysiotherapeuten de patiënten teruggezien in de vijfde, zevende en negende maand (zogenaamde ‘boostersessies’). De fysiotherapeuten kregen instructies tijdens een consensusbijeenkomst. Het oefentherapieprotocol is gebaseerd op de richtlijn Artrose heup-knie van het Koninklijk Nederlands Genootschap voor Fysiotherapie.10 Fysiotherapeuten gaven onder andere advies over leefstijl, loophulpmiddelen, belasting van gewrichten en adequaat pijngedrag. De oefeningen waren gericht op kracht en flexibiliteit van de heupgordel, beenspieren en buikspieren, en uithoudingsvermogen. Passieve behandelvormen waren niet toegestaan. De fysiotherapeuten moedigden de deelnemers aan om thuis zelf oefeningen te doen aan de hand van een boekje met een beschrijving van de oefeningen. Elke therapiesessie duurde 30 minuten en de fysiotherapeuten konden adviezen en oefeningen afstemmen op de behandeldoelen van de patiënt. Tijdens de boostersessies herhaalden de fysiotherapeuten de adviezen en oefeningen, en bespraken ze mogelijke obstakels bij de uitvoering.
De huisartsenzorg was in handen van de eigen huisarts. Deze kon bestaan uit educatie, counseling, voorschrijven van medicatie, diagnostisch onderzoek of verwijzing naar een specialist, zoals de orthopeed. Aangezien verwijzing naar een fysiotherapeut reeds onderdeel is van de zorg voor heupartrosepatiënten, was het mogelijk dat ook patiënten uit de alleen-huisartsenzorggroep een verwijzing kregen voor oefentherapie.

Uitkomstmaten

De deelnemers vulden vragenlijsten in op baseline, na zes weken, en na drie, zes, negen en twaalf maanden. Op baseline en na twaalf maanden ondergingen de deelnemers tevens een lichamelijk onderzoek van de knie en heup. Op baseline werd een röntgenopname van de heup gemaakt.
Primaire uitkomstmaten waren heuppijn en functie van de heup gemeten met de HOOS,12 waarbij we keken naar het gemiddelde verschil in scores van alle vijf meetmomenten gedurende twaalf maanden. De HOOS-vragenlijst bestaat uit vijf subschalen (pijn, symptomen, functie, functie in sport en recreatie, en heupgerelateerde kwaliteit van leven), met bij elke subschaal een score van 0 = geen pijn/problemen tot 100 = veel pijn/totaal functieverlies.
Secundaire uitkomstmaten waren heuppijn gemeten met een NRS-score van 0 = geen pijn tot 10 = ergste pijn denkbaar,13 heuppijn gemeten met de Intermittent and Constant Osteoarthritis Pain (ICOAP) vragenlijst,1415 kwaliteit van leven gemeten met de EuroQol (EQ-5D3L; –0,329 laagste kwaliteit van leven en 1,0 maximale kwaliteit van leven).16
Daarnaast hebben we demografische en klinische gegevens verzameld, zoals leeftijd, geslacht, lengte, gewicht, opleidingsniveau, duur van de klachten, eerdere heuppijn, comorbiditeit, therapietrouw en co-interventies.

Statistiek

Alle analyses hebben we volgens het intention-to-treatprincipe uitgevoerd. We hebben gebruikgemaakt van een mixed model-analyse om te corrigeren voor de correlatie tussen herhaalde metingen. De effectgrootte hebben we berekend door de uitkomsten van de mixed model-analyse te delen door de pooled standaarddeviatie van de beide groepen op de baseline. De effectgrootte hebben we beschreven als klein (0,2-0,29), middelmatig (0,3-0,79) of groot (≥ 0,8).17 Alle analyses hebben we uitgevoerd met SPSS 21 (SPSS Inc., Verenigde Staten).

Resultaten

Deelnemers

Van september 2009 tot oktober 2011 hebben de deelnemende huisartsen 203 patiënten geïncludeerd, van wie we 101 at random indeelden in de oefentherapiegroep en 102 patiënten in de alleen-huisartsenzorggroep. Na twaalf maanden waren vijf patiënten (5%) in de oefentherapiegroep en zes patiënten (6%) in de alleen-huisartsenzorggroep tussentijds gestopt. De flowchart van het onderzoek en de baselinegegevens van de patiënten zijn achteraan dit artikel te vinden [figuur]. De gemiddelde leeftijd was 64 jaar (SD 8,5) in de oefentherapiegroep en 67 jaar (9,6) in de alleen-huisartsenzorggroep. Er zaten respectievelijk 63 (62%) en 56 (55%) vrouwen in de oefentherapiegroep en alleen-huisartsenzorggroep. Er waren geen klinisch relevante verschillen tussen de twee groepen op baseline, behalve dat er meer patiënten (> 10% verschil) in de alleen-huisartsenzorggroep aangaven thuis al oefeningen te doen en vertelden dagelijks pijnmedicatie te slikken. Daarom hebben we de analyses behalve voor leeftijd, geslacht en BMI, ook gecorrigeerd voor deze twee parameters.
Missing media-item.

Interventies

Tijdens de totale follow-up gingen 91 (91%) patiënten in de oefentherapiegroep en 19 (19%) patiënten in de alleen-huisartsenzorggroep naar de fysiotherapeut voor oefentherapie. De mediaan van het aantal behandelingen tijdens de totale follow-up was 11 (interkwartielspreiding 8,0) in de oefentherapiegroep en 9 (interkwartielspreiding 17,0) in de alleen-huisartsenzorggroep. Boostersessies werden door 48 (48%), 46 (46%) en 36 (36%) patiënten in de vijfde, zevende en negende maand bezocht. Patiënten in de alleen-huisartsenzorggroep maakten meer gebruik van co-interventies dan patiënten in de oefentherapiegroep [tabel 2].

Primaire en secundaire uitkomsten

[Tabel 1] toont de gecorrigeerde uitkomsten van de mixed model-analyses van onze primaire uitkomstmaten. De ongecorrigeerde uitkomsten en de uitkomsten van de secundaire uitkomstmaten staan in [tabel 3]. Het gemiddelde verschil tussen beide groepen gedurende de twaalf maanden follow-up was –1,7 (95%-BI –4,8 tot 1,4; effectgrootte –0,11) in HOOS-pijnscore en –3,3 (95%-BI –6,7 tot 0,2; effectgrootte –0,19) in HOOS-functiescore. Deze verschillen waren niet statistisch significant. Na drie maanden follow-up waren zowel de verschillen in HOOS-pijn als in HOOS-functie statistisch significant, respectievelijk –3,7 (95%-BI –7,3 tot –0,2; effectgrootte –0,23) en –5,3 (95%-BI –8,9 tot –1,6, effectgrootte –0,31) op een schaal van 0-100. Tevens waren na drie maanden alle ICOAP-scores significant verschillend. NRS-score en kwaliteit van leven lieten tijdens follow-up geen significant verschillen zien.
Tabel1Resultaat van de multivariabele lineair mixed model-analyse met herhaalde metingen
Gecorrigeerd mixed model*
Oefentherapie + huisartsenzorgAlleen huisartsenzorgCoëfficiënt (95%-BI)P-waardeEffectgrootte
Primaire uitkomstmatenGemiddeldSDGemiddeldSD
HOOS-pijn (0-100)6 weken3 maanden6 maanden9 maanden12 maandenGemiddeld36,831,834,432,531,614,617,719,719,919,537,736,237,235,434,617,018,918,021,119,3 0,5 (–2,9 tot 4,0)–3,7 (–7,3 tot –0,2)–2,2 (–6,2 tot 1,7)–1,5 (–6,2 tot 3,2)–1,6 (–6,2 tot 3,0)–1,7 (–4,8 tot 1,4)0,760,0390,270,530,490,28 0,03–0,23–0,14–0,09–0,10–0,11
HOOS-functie (0-100)6 weken3 maanden6 maanden9 maanden12 maandenGemiddeld32,728,830,830,026,817,621,321,921,421,238,035,735,336,034,219,019,020,720,721,4–2,4 (–6,1 tot 1,3)–5,3 (–8,9 tot 1,6)–2,4 (–6,7 tot 1,9)–3,2 (–7,9 tot 1,4)–3,0 (–8,0 tot 2,1)–3,3 (–6,7 tot 0,2)0,200,0050,270,170,250,06–0,14–0,31–0,14–0,18–0,17–0,19
* Analyses gecorrigeerd voor leeftijd, geslacht, body mass index, thuisoefeningen in laatste 3 maanden, dagelijkse pijnmedicatie op baseline.
SD = standaarddeviatie; 95%-BI = 95%-betrouwbaarheidsinterval; HOOS = Hip disability Osteoarthritis Outcome Score (0 = geen pijn of problemen).
Tabel2Kenmerken van de onderzoekspopulatie (n = 203)
Oefentherapie + huisartsenzorg(n = 101)%Alleen huisartsenzorg(n = 102)%
Leeftijd in jaren, gemiddelde (SD) 64 (8,5)67 (9,6)
Vrouwen; n (%) 636256 55
Body mass index; gemiddelde (SD) 27 (3,9)28 (4,1)
Opleiding, hbo/wo; n (%) 1414 16 16
Comorbiditeit; n (%)
  • Hoge bloeddruk
3737 45 44
  • Hartziekten
1717 16 16
  • Longaandoeningen
8 8 9 9
  • Diabetes mellitus
1010 16 16
  • Knieartrose
2929 32 31
  • Handartrose
2929 32 31
  • Reumatoïde artritis
1 1 5 5
Bezoek aan specialist afgelopen 3 maanden; n (%) 1212 14 14
Radiologische artrosekenmerken (K-L-score); n (%)
  • 0
1616 17 17
  • 1
3131 29 28
  • 2
2828 32 31
  • 3
1616 14 14
  • 4
2 2 3 3
Duur van de klachten, dagen; mediaan (IQR)365 (810)365 (819)
Thuisoefeningen gedurende afgelopen 3 maanden*; n (%) 2323 39 38
Dagelijks pijnmedicatie afgelopen 3 maanden; n (%) 2121 32 31
Ernst heuppijn NRS; gemiddelde (SD) 4,6 (2,1) 4,8 (1,8)
HOOS 0-100; gemiddeld (SD)
  • Pijn
37,6 (16,1) 38,9 (15,7)
  • Functie
35,4 (18,0) 38,0 (16,6)
ICOAP; gemiddelde (SD)
  • Intermitterend
8,0 (3,9) 8,4 (4,3)
  • Constant
5,4 (3,5) 5,8 (3,8)
  • Totaal
30,4 (15,8) 32,2 (17,5)
Kwaliteit van leven (EuroQol 5D-3L); gemiddelde (SD)
  • Gezondheidsstatus
0,778 (0,122) 0,748 (0,161)
Voorkeur voor behandeling; n (%)
  • Oefentherapie + huisartsenzorg
6463 52 51
  • Alleen huisartsenzorg
6 6 6 6
  • Geen voorkeur
3030 44 43
SD = standaarddeviatie, IQR = interkwartielspreiding (25- tot 75-percentiel); K-L-score = Kellgren en Lawrence-score 22 0 = geen radiologische artrosekenmerken, 1= twijfelachtige radiologische artrosekenmerken, ? 2 = radiologische artrosekenmerken toenemend met score in ernst; HOOS = Hip disability Osteoarthritis Outcome Score:0 = geen pijn of problemen; NRS = numeric rating scale: 0 = geen pijn; ICOAP = intermittent and constant osteoarthritis pain: 0 = geen pijn; EuroQol: –0,329 = slechtste gezondheidsstatus en 1,0 maximale kwaliteit van leven.
*De huisartsen vroegen de patiënten of ze zonder supervisie thuis zelf oefeningen deden om heupklachten te verminderen.
Tabel3Resultaat van de multivariabele lineair mixed model-analyse met herhaalde metingen
Gecorrigeerd mixed model*
Oefentherapie + huisartsenzorgAlleen huisartsenzorgCoëfficiënt (95%-BI)P-waardeEffectgrootte
Secundaire uitkomstmatenGemiddeldSDGemiddeldSD
Heuppijn afgelopen week(NRS 0-10)6 weken3 maanden6 maanden9 maanden12 maandenGemiddeld3,93,43,73,53,42,22,32,52,42,23,93,84,13,93,82,22,32,32,42,4 0,3 (–0,2 tot 0,9)–0,1 (–0,7 tot 0,4)–0,1 (–0,7 tot 0,5)–0,2 (–0,8 tot 0,5)–0,2 (–0,8 tot 0,4)–0,1 (–0,5 tot 0,4)0,260,610,730,580,570,81 0,15–0,05–0,05–0,10–0,10–0,05
ICOAP intermitterend(0-24)6 weken3 maanden6 maanden9 maanden12 maandenGemiddeld7,36,47,06,46,13,94,14,64,74,18,47,97,97,57,24,54,54,64,94,9–0,6 (–1,7 tot 0,5)–1,2 (–2,3 tot –0,1)–0,6 (–1,7 tot 0,6)–0,7 (–2,0 tot 0,5)–0,6 (–1,8 tot 0,6)–0,7 (–1,6 tot 0,1)0,310,0270,330,260,350,09–0,15–0,29–0,15–0,17–0,15–0,17
ICOAP constant (0-20)6 weken3 maanden6 maanden9 maanden12 maandenGemiddeld4,93,94,04,13,63,43,74,24,33,85,55,45,35,14,73,94,24,34,14,3–0,2 (–1,1 tot 0,7)–1,2 (–2,1 tot –0,3)–0,9 (–1,9 tot 0,1)–0,7 (–1,7 tot 0,4)–0,7 (–1,7 tot 0,4)–0,7 (–1,5 tot 0,02)0,700,0080,090,200,230,055–0,05–0,33–0,25–0,19–0,19–0,19
ICOAP totaal(0-100)6 weken3 maanden6 maanden9 maanden12 maandenGemiddeld27,823,524,923,922,215,716,319,119,717,131,630,229,828,727,018,719,319,320,119,8–1,7 (–6,0 tot 2,6)–5,5 (–9,6 tot –1,4)–3,3 (–8,0 tot 1,4)–3,1 (–8,2 tot 2,0)–2,8 (–7,6 tot 2,0)–3,3 (–6,7 tot 0,2)0,440,0080,160,230,250,06–0,10–0,33–0,20–0,19–0,17–0,19
Kwaliteit van leven(EQ-5D –0,329 - 1,0)6 weken3 maanden6 maanden9 maanden12 maandenGemiddeld0,7880,7800,7710,7810,7840,1260,1620,1870,1760,1980,7560,7770,7590,7630,7840,1770,1470,1740,1970,151 0,015 (–0,025 tot 0,055)–0,018 (–0,060 tot 0,023)–0,008 (–0,059 tot 0,041) 0,002 (–0,053 tot 0,056)–0,010 (–0,060 tot 0,040)–0,004 (–0,037 tot 0,029)0,450,390,730,950,690,81 0,10–0,14–0,06 0,01–0,07–0,03
*Analyses gecorrigeerd voor leeftijd, geslacht, body mass index, thuisoefeningen in laatste 3 maanden, dagelijkse pijnmedicatie op baseline.
SD = standaarddeviatie; 95%-BI= 95%-betrouwbaarheidsinterval; NRS = numerical rating scale (0 = geen heuppijn); ICOAP = intermittent and constant osteoarthritis pain (0 = geen pijn); EQ = EuroQol (1,0 = maximale kwaliteit van leven).
Tabel4Co-interventies tijdens de 12 maanden follow-up
Co-interventieOefentherapie + huisartsenzorgAlleenhuisartsenzorg
Bezoek huisarts2536
Bezoek specialist1626
Bezoek bedrijfsarts02
Bezoek psycholoog11
Bezoek revalidatiearts02
Gebruik van paracetamol4646
Gebruik van NSAID2328
Gebruik van opioïden812
Heupinjectie met anti-inflammatoire medicatie77
Andere medicatie212
Gebruik van koude kompressen34
Gebruik van warme kompressen78
Gebruik van krukken34
Gebruik van loopstok612
Gebruik van zooltjes2529
Gebruik van rollator012
Gebruik van looprek01
Gebruik van rolstoel02
Gebruik van scootmobiel11
Gebruik van elektrische fiets814
Hulp in de huishouding1017
Verzorgende11
Getallen zijn aantallen patiënten.

Bijwerkingen

De patiënten hebben geen ernstige bijwerkingen gemeld.

Beschouwing

Gemiddeld vonden we (over een periode van twaalf maanden) geen verschillen op pijn en functie tussen de twee groepen. Na drie maanden follow-up (net na het einde van de therapiesessies) hadden patiënten in de oefentherapiegroep wel een lagere pijnscore en betere functiescore dan de patiënten in de alleen-huisartsenzorggroep. De klinische relevantie van deze verschillen (–3,7 voor HOOS-pijn en –5,2 voor HOOS-functie op een schaal van 0 tot 100) is twijfelachtig, vooral omdat deze op twaalf maanden niet meer aanwezig waren. Een systematisch literatuuronderzoek liet zien dat boostersessies het effect van oefentherapie tijdens de langere follow-up konden laten voortduren.18 Dit was de reden waarom wij boostersessies aan ons protocol hadden toegevoegd. Het verdwijnen van het verschil op de langere termijn zou te maken kunnen hebben met de lage opkomst tijdens boostersessies en mogelijk daardoor het verminderen of stoppen met oefeningen thuis. Het effect van oefentherapie is gecorreleerd met de mate van therapietrouw bij patiënten met heup- en knieartrose.19 Wij hebben geen objectieve metingen over therapietrouw bij thuisoefeningen verzameld. De patiënten hebben in de vragenlijsten zelf aangegeven hoe vaak en hoeveel tijd ze hebben besteed aan thuisoefeningen (deze resultaten hebben we hier niet vermeld). Gedurende het hele onderzoek waren er in de oefentherapiegroep meer patiënten die thuis oefeningen deden dan in de alleen-huisartsenzorggroep. Tijdens de oefentherapie (na zes weken gemeten) was het aantal minuten per week besteed aan oefeningen thuis significant hoger in de oefentherapiegroep dan in de alleen-huisartsenzorggroep, maar was het aan het einde van de oefentherapie en de maanden daarop volgend gelijk in beide groepen. Dit zou erop wijzen dat een bepaalde mate en tijdsbesteding aan oefeningen nodig is om het effect van oefentherapie te behouden.
Een meta-analyse vond een effectgrootte van –0,46 voor oefentherapie bij heuppijn.5 Dit effect is groter dan bij onze trial, wat mogelijk komt doordat de geïncludeerde onderzoeken meer therapiesessies betroffen of de therapiesessies over een langere periode verspreid waren. De resultaten uit een ander onderzoek waren vergelijkbaar met die van ons.20 Een Cochrane-review liet net als onze resultaten wel een kortetermijneffect zien op pijn en functie, maar niet op kwaliteit van leven.21 Wel bleek uit deze meta-analyse dat er een aanhoudend effect was op de lange termijn.
Sterke kanten van dit onderzoek zijn de gerandomiseerde en pragmatische opzet. Hierdoor laten onze resultaten zien wat er ‘in het echt’ in de huisartsenpraktijk gebeurt als je patiënten voor oefentherapie naar de fysiotherapeut verwijst. Daarnaast hadden we een lage uitval van patiënten tijdens het onderzoek. Een beperking van dit onderzoek was de lage therapietrouw, de meeste patiënten gingen niet naar boostersessies. Daarbij gaven sommige fysiotherapeuten aan dat de boostersessie uit een telefonisch gesprek bestond in plaats van een afspraak op de praktijk. Dit kan er samen toe hebben bijgedragen dat het effect op de lange termijn is verdwenen.

Conclusie

Onze resultaten en die van andere onderzoeken laten zien dat het nog onduidelijk blijft wat de meerwaarde van oefentherapie is. De klinische heterogeniteit tussen de onderzoeken wat betreft patiënten, oefeningen, wijze, duur en intensiteit van de oefentherapie is waarschijnlijk de oorzaak van deze soms tegenstrijdige resultaten.
Het zou echter onjuist zijn om oefentherapie op grond van onze resultaten volledig in de ijskast te zetten. Op de korte termijn is er wel een (bescheiden) effect van oefentherapie te verwachten, maar niet op de langere termijn. Dit geldt voor de manier waarop Nederlandse fysiotherapeuten de oefentherapie na verwijzing door de huisarts momenteel vormgeven. Huisartsen zullen zelf in overleg met de patiënt moeten afwegen of oefentherapie een meerwaarde heeft voor de behandeling. Toekomstig onderzoek zal de huisarts hier richtlijnen in kunnen bieden door na te gaan welke subgroepen van patiënten mogelijk baat hebben bij oefentherapie, welke vorm van oefentherapie het grootste effect heeft en hoe wij als zorgverleners de patiënt gemotiveerd kunnen houden om door te blijven gaan met bewegen en oefenen.

Dankbetuiging

Graag bedanken wij alle patiënten en huisartsen die hebben meegedaan. Toke Mulder-van Kempen en Bernadette Schutijser danken we voor de gegevensverzameling.

Literatuur

  • 1.Teirlinck CH, Luijsterburg PA, Dekker J, Bohnen AM, Verhaar JA, Koopmanschap MA, et al. Effectiveness of exercise therapy added to general practitioner care in patients with hip osteoarthritis: a pragmatic randomized controlled trial. Osteoarthritis Cartilage 2016;24:82-90.
  • 2.Lohmander LS, Roos EM. Clinical update: treating osteoarthritis. Lancet 2007;370:2082-4.
  • 3.Zhang W, Moskowitz RW, Nuki G, Abramson S, Altman RD, Arden N, et al. OARSI recommendations for the management of hip and knee osteoarthritis, part I: critical appraisal of existing treatment guidelines and systematic review of current research evidence. Osteoarthritis Cartilage 2007;15:981-1000.
  • 4.Fransen M, McConnell S, Hernandez-Molina G, Reichenbach S. Does land-based exercise reduce pain and disability associated with hip osteoarthritis? A meta-analysis of randomized controlled trials. Osteoarthritis Cartilage 2010;18:613-20.
  • 5.Hernandez-Molina G, Reichenbach S, Bin Z, Lavalley M, Felson DT. Effect of therapeutic exercise for hip osteoarthritis pain: results of a meta-analysis. Arthritis Care Res 2008;59:1221-8.
  • 6.McNair PJ, Simmonds MA, Boocock MG, Larmer PJ. Exercise therapy for the management of osteoarthritis of the hip joint. A systematic review. Arthritis Res Ther 2009;11:R98.
  • 7.Van Es PP, Luijsterburg PAJ, Dekker J, Koopmanschap MA, Bohnen AM, Verhaar JAN, et al. Cost-effectiveness of exercise therapy versus general practitioner care for osteoarthritis of the hip: design of a randomised clinical trial. BMC Musculoskelet Disord 2011;12:232.
  • 8.Tan SS, Teirlinck CH, Dekker J, Goossens LM, Bohnen AM, Verhaar JA, et al. Cost-utility of exercise therapy in patients with hip osteoarthritis in primary care. Osteoarthritis Cartilage 2016;24:581-8.
  • 9.Altman R, Alarcon G, Appelrouth D, Bloch D, Borenstein D, Brandt K, et al. The American College of Rheumatology criteria for the classification and reporting of osteoarthritis of the hip. Arthritis Rheum 1991;34:505-14.
  • 10.Peter WFH, Jansen MJ, Bloo H, Dekker-Bakker LMMCJ, Dilling RG, Hilberdink WKHA, et al. KNGF-richtlijn Artrose heup-knie. Ned Tijdschr Fysiother 2010;120:2-15.
  • 11.Veenhof C, Koke AJA, Dekker J, Oostendorp RA, Bijlsma JWJ, Van Tulder MW, et al. Effectiveness of behavioral graded activity in patients with osteoarthritis of the hip and/or knee: a randomized clinical trial. Arthritis Care Res 2006;55:925-34.
  • 12.De Groot IB, Reijman M, Terwee CB, Bierma-Zeinstra SM, Favejee M, Roos EM, et al. Validation of the Dutch version of the Hip disability and Osteoarthritis Outcome Score. Osteoarthritis Cartilage 2007;15:104-9.
  • 13.Scott J, Huskisson EC. Graphic representation of pain. Pain 1976;2:175-84.
  • 14.Hawker GA, Davis AM, French MR, Cibere J, Jordan JM, March L, et al. Development and preliminary psychometric testing of a new OA pain measure – an OARSI/OMERACT initiative. Osteoarthritis Cartilage 2008;16:409-14.
  • 15.Maillefert JF, Kloppenburg M, Fernandes L, Punzi L, Gunther KP, Martin Mola E, et al. Multi-language translation and cross-cultural adaptation of the OARSI/OMERACT measure of intermittent and constant osteoarthritis pain (ICOAP). Osteoarthritis Cartilage 2009;17:1293-6.
  • 16.EuroQol Group. EuroQol – a new facility for the measurement of health-related quality of life. Health Policy 1990;16:199-208.
  • 17.Cohen J. Statistical power analysis for the behavioral sciences. New Yersey: Lawrence Erlbaum Associates, 1988.
  • 18.Pisters MF, Veenhof C, Van Meeteren NLU, Ostelo RW, De Barker DH, Schellevis FG, et al. Long-term effectiveness of exercise therapy in patients with osteoarthritis of the hip or knee: a systematic review. Arthritis Care Res 2007;57:1245-e53.
  • 19.Mazieres B, Thevenon A, Coudeyre E, Chevalier X, Revel M, Rannou F. Adherence to, and results of, physical therapy programs in patients with hip or knee osteoarthritis. Development of French clinical practice guidelines. Jt Bone Spine 2008;75:589-96.
  • 20.Fernandes L, Storheim K, Sandvik L, Nordsletten L, Risberg MA. Efficacy of patient education and supervised exercise vs patient education alone in patients with hip osteoarthritis: a single blind randomized clinical trial. Osteoarthritis Cartilage 2010;18:1237-43.
  • 21.Fransen M, McConnell S, Hernandez-Molina G, Reichenbach S. Exercise for osteoarthritis of the hip. Cochrane Database Syst Rev 2014;4:CD007912.
  • 22.Kellgren JH, Lawrence JS. Radiological assessment of osteo-arthrosis. Ann Rheum Dis 1957;16:494-502.

Reacties

Er zijn nog geen reacties.

Verder lezen