Wetenschap

Aanpassing aan kanker

Gepubliceerd
10 januari 2004

Maya Schoevers ondervroeg enige honderden kankerpatiënten in de crisisperiode, drie maanden nadat de diagnose was gesteld. Ze ondervroeg ze opnieuw in de fase van kortetermijnaanpassing – na negen en na vijftien maanden – en nog eens na acht jaar, in de fase van de langetermijnaanpassing. De resultaten van de ondervraging werden vergeleken met die van een referentiegroep die in de loop van acht jaar eveneens viermaal werd ondervraagd. Patiënten ervaren in de eerste fasen van de ziekte nogal wat depressieve klachten. Medische factoren, zoals het type kanker, de behandeling en het stadium hebben daar niet zo veel invloed op. Maar net als in de referentiegroep zijn vrouwen gevoeliger voor depressieve symptomen dan mannen. Jongere patiënten zijn kwetsbaarder voor een depressie dan de oudere, met name na drie maanden: alsof het meer ingrijpt in hun dagelijks bestaan en hun levensverwachting. Na vijftien maanden zijn bij veel patiënten die na drie maanden depressieve symptomen vertonen, deze nog steeds aanwijsbaar. Na acht jaar hebben patiënten niet meer depressieve gevoelens dan referentiepersonen. Bij zowel patiënten als referentiepersonen hangen een gebrekkig gevoel van eigenwaarde en weinig sociale steun samen met depressieve symptomen; daarin zit geen verschil. Alleen een tekort aan feitelijk ontvangen emotionele steun blijkt bij kankerpatiënten een veel sterkere invloed te hebben op de mate van depressiviteit dan bij referentiepersonen. Bij iemand terechtkunnen voor steun, troost en goede raad is dus voor patiënten van belang. Patiënten jonger dan 65 jaar ervaren meer lichamelijke problemen dan hun leeftijdsgenoten uit de referentiegroep; ze zijn ook alerter geworden op lichamelijke symptomen. Bij patiënten ouder dan 65 jaar verschilt het niveau van lichamelijke beperkingen na 8 jaar niet meer met ouderen uit de referentiegroep: de ziekte heeft daar geen invloed op. Driekwart van de patiënten denkt na acht jaar nog regelmatig aan de ziekte. Het gevoel van zelfwaardering en de waardering voor het leven in het algemeen nemen in de loop van de acht jaar toe en wel in dezelfde mate bij referentiepersonen als bij patiënten. Maar de patiënten schrijven dat toe aan hun ziekte! Er zijn verschillen tussen mannen en vrouwen, tussen ouderen en jongeren. Maar de meeste patiënten blijken in staat zich op lange termijn aan te passen aan hun ziekte. Al zijn de verschillen tussen wie de ziekte hebben overleefd en wie de ziekte niet hebben gehad niet zo groot als patiënten denken. Dat doet niets af aan de bevinding dat het construeren van een eigen verhaal waarin de patiënt betekenis geeft aan de ziekte, voor de aanpassing vaak van grotere waarde is dan rationele, op algemene feiten gebaseerde verklaringen. Dat is voor ons huisartsen een relevante conclusie.

Reacties

Er zijn nog geen reacties

Verder lezen