Praktijk

Alledaagse ziekten

Gepubliceerd
10 augustus 2001

Fusidinezuurcrème versus placebo bij de behandeling van impetigo: een dubbelblinde gerandomiseerde trial

S. Koning. Instituut Huisartsgeneeskunde, Erasmus Universiteit Rotterdam

Inleiding Impetigo is de meest voorkomende huidinfectie bij kinderen. De wetenschappelijke basis voor het beleid is beperkt. De NHG-Standaard Bacteriële huidinfecties beveelt desinfectie met bijvoorbeeld povidonjodium aan als basisbehandeling, en bij meer uitgebreide laesies fusidinezuurcrème. De werkzaamheid hiervan bij impetigo is echter nooit placebogecontroleerd onderzocht. Methode Kinderen met impetigo werden door huisartsen aangemeld, en door een onderzoeksverpleegkundige thuis bezocht. Alle kinderen kregen een basisbehandeling van wassen met povidonjodiumshampoo. De helft van de kinderen kreeg daarnaast fusidinezuurcrème, de andere helft placebocrème. Na 7, 14 en 28 dagen werden evaluatiebezoeken afgelegd. Genezing was de primaire uitkomstmaat. Resultaat Wij includeerden 160 kinderen. Na één week was 13% in de placebogroep genezen tegenover 55% in de fusidinezuurgroep. (OR: 12,2 [5,0-30,0]). Na 14 en 28 dagen was er nog steeds verschil in het voordeel van de fusidinezuurgroep, maar niet meer significant. Het percentage kinderen dat buiten het protocol om door de huisarts (nog) een antibioticum kreeg voorgeschreven was 22% in de placebogroep, tegenover 7% in de fusidinezuurgroep. In de placebogroep werden aanmerkelijk meer bijwerkingen gezien, met name pijn en branden van de povidonjodiumshampoo. Beschouwing Fusidinezuurcrème is bij een week behandeling duidelijk effectiever dan placebo. Na twee tot vier weken was het effect niet meer significant. Aanmerkelijk meer kinderen in de placebogroep hadden echter alsnog antibiotica gekregen. Gezien het lage genezingspercentage in de placebogroep lijkt het gebruik van povidonjodiumshampoo bij impetigo weinig zinvol. Het advies in de standaard om bij impetigo fusidinezuurcrème te gebruiken wordt door onze resultaten ondersteund.

Incidentie van mondaandoeningen in de huisartspraktijk

A.J.P. Boeke, S. DeConinck, D. van der Windt en I. van der Waal. Afdeling Huisartsgeneeskunde, Instituut voor Extramuraal Geneeskundig Onderzoek en Afdeling Mondheelkunde en Kaakchirurgie, VU Medisch Centrum, Amsterdam

Inleiding Aandoeningen van mond, tong en lippen komen veel voor en zijn over het algemeen niet ernstig van aard. Veel mondaandoeningen worden dan ook uitsluitend in de huisartspraktijk gezien en behandeld. Het doel van dit onderzoek was om de incidentie van specifieke mondaandoeningen in de huisartspraktijk te bestuderen. Methode In 36 (opleidings)praktijken werden gedurende zes maanden consulten betreffende mondaandoeningen geregistreerd. Het ging hierbij om nieuwe gevallen: patiënten die de huisarts in de voorafgaande zes maanden nog niet voor deze klacht hadden geconsulteerd. Diagnose en behandeling werden geregistreerd, evenals enkele patiëntkenmerken, zoals leeftijd, geslacht, duur en ernst van de klacht, roken en alcoholconsumptie. Resultaten Van 354 patiënten met een mondklacht werden gegevens geregistreerd. De cumulatieve incidentie van mondaandoeningen werd geschat op 6,7/1000/jaar. Wanneer dit cijfer werd gecorrigeerd voor afwezigheid door vakantie of opleiding en gemiste consulten werd de incidentie geschat op maximaal 18,8/1000/jaar. De meest frequent geregistreerde diagnosen waren: aften (27%), Candida (14%) en herpes (10%). Veel van deze consulten betroffen kinderen onder de vijf jaar. Candida werd relatief veel gevonden bij diabeten (14% versus 4% in de rest van de populatie; p=0,01). Relatief weinig patiënten met aften bleken te roken (14% versus 21%; p=0,04). Overige patiëntkenmerken varieerden nauwelijks tussen de verschillende diagnosecategorieën. Conclusies Mondaandoeningen komen vrij veel voor in de huisartspraktijk. Veel consulten betreffen jonge kinderen met een eerste episode van aften, Candida of herpes. Nader onderzoek zal gericht zijn op het beloop van mondaandoeningen en de vraag welke patiëntkenmerken een gunstig of ongunstig beloop van klachten kunnen voorspellen.

Curettage of afwachtend beleid bij vrouwen met een miskraam

M. Wieringa--UvA, afdeling Amsterdam

Inleiding In veel landen is curettage de voorkeursbehandeling van vrouwen met een miskraam. In Nederland staan huisartsen een afwachtend beleid voor conform de NHG-Standaard. Gynaecologen voeren een actief beleid: gerichte diagnostiek met behulp van echoscopie, eventueel gevolgd door een curettage bij geconstateerde niet-vitaliteit van de zwangerschap. Een goed inzicht in de resultaten van beide behandelingen vanuit gerandomiseerd onderzoek ontbreekt echter, zodat van evidence based medicine geen sprake is. De onderzoeksvraag was: wat is de veiligheid en effectiviteit van een afwachtend beleid en van curettage bij een niet-vitale zwangerschap in het eerste trimester? Methoden Alle vrouwen met een niet-vitale zwangerschap korter dan zestien weken werd gevraagd deel te nemen aan een gerandomiseerd onderzoek waarbij afwachtend beleid werd vergeleken met vacuümcurettage (n=221). Patiënten die niet aan het onderzoek wilden deelnemen, werden behandeld naar eigen voorkeur (n=305). Resultaten Het succespercentage in de gerandomiseerde groep na zes weken was voor afwachtend beleid 47% en 78% voor de groep gerandomiseerd voor een curettage. Voor de afwachtgroep was de mediane tijd tot een complete miskraam 19 dagen; na 7 dagen had 37% een complete miskraam. Er wordt geen verschil gevonden in aantal spoedcurettages en complicaties tussen de groep die gerandomiseerd was voor afwachten of curettage. In de groep die volgens de eigen voorkeur werd behandeld, worden dezelfde resultaten gevonden wat betreft veiligheid en effectiviteit. Conclusie Bij een miskraam is een afwachtend beleid veilig en een periode van zeven dagen afwachten na het stellen van de diagnose voorkomt bijna 40% van de curettages.

Prevalentie van ‘oudere mannen met een bemoeilijkte mictie’

R.J.C. Norg, M.G. Spigt, C. van de Beek, J.A. Knottnerus en C.P. van Schayck. Universiteit Maastricht, capaciteitsgroep Huisartsgeneeskunde, Maastricht

Achtergrond De aandacht voor mictieklachten bij oudere mannen neemt toe. Het beschikbaar komen van nieuwe medicatie (met name alfablokkers) draagt ertoe bij dat bemoeilijkte mictie bij oudere mannen van een (ouderdoms)kwaal tot een medisch probleem is geworden. Was voorheen de uroloog de voornaamste behandelaar (operatie), nu is ook voor de huisarts een taak weggelegd (adviezen, medicatie). De NHG-Standaard stelt dat bij medicatie periodieke (halfjaarlijkse) monitoring van de noodzaak tot voortzetting van de therapie nodig is. De haalbaarheid van deze aanpak is mede afhankelijk van het aantal patiënten dat hiervoor in aanmerking komt. Vraagstelling Wat is de prevalentie van ‘oudere mannen met een bemoeilijkte mictie’ in de bevolking? Methode Postenquête. Alle mannen ouder dan 55 jaar in veertien huisartspraktijken werd gevraagd een Internationale Prostaat Symptoom Score in te vullen. Tevens werd gevraagd of men al onder behandeling was (geweest) in verband met mictieklachten. Resultaten Aangeschreven: n=4768. Respons: n=2928 (61,4%). Gemiddelde score: 6,81 (1e/3e kwartiel: 5/10). Aantal mannen met geen/milde klachten (IPSS-score 0-7): n=1865 (63,7%); met matige klachten (IPSS 8-19): n=862 (29,4%); met ernstige klachten (IPSS>19): n=201 (6,9%). Conclusie Deze resultaten liggen in dezelfde orde van grootte als bevindingen elders. Er is een groot aantal potentiële patiënten dat voor behandeling in aanmerking komt. Momenteel wordt daarvan slechts een gedeelte daadwerkelijk behandeld (ijsbergfenomeen). Wanneer deze verborgen vraag naar de oppervlakte komt en leidt tot medicamenteuze behandeling, zou dit volgens de standaard periodieke controle vereisen van 7 tot 36% van alle oudere mannen – specifiek voor deze kwaal. Of dit haalbaar en uitvoerbaar is, staat open voor discussie.

Reacties

Er zijn nog geen reacties

Verder lezen