Wetenschap

Allochtone kinderen krijgen slechtere zorg

Gepubliceerd
10 februari 2008

Er wordt weinig onderzoek gedaan naar etnische verschillen in de kwaliteit van zorg. Een literatuuronderzoek in dit proefschrift naar het bestaande bewijs dat er etnische verschillen zijn in de kwaliteit van zorg onder kinderen tot 19 jaar leverde 17 onderzoeken op, waarvan 6 in Nederland. Het promotieonderzoek richtte zich op 3 aspecten van kwaliteit van zorg: continuïteit van zorg, tijdigheid en adequaatheid. Drie onderwerpen dienden als voorbeeld voor ernstige en minder ernstige aandoeningen en zowel acute als chronische zorg. Kinderen met amblyopie moeten na screening binnen 4 maanden een oogarts hebben bezocht. Indien 3 jaar na de laatste verwijzing het betrokken kind geen oogarts had bezocht werd de zorg als discontinu beschouwd. Bij 37% van de kinderen van Nederlandse herkomst en 51% van de kinderen van niet-westerse herkomst was dit het geval, vooral onder de kinderen van Marokkaanse (58%), Turkse (54%) en Antilliaanse herkomst (53%, niet significant, kleine groep). Vooral kinderen van Surinaamse herkomst deden er langer over. Tien interviews duidden steeds op problemen in de arts-patiëntcommunicatie: verkeerd begrepen, onduidelijk verwoording of niet-uitgewisselde informatie. In het onderzoek naar tijdig consulteren voor diabetesklachten werd de klinische conditie geëvalueerd op het ogenblik van een nieuwe diagnose voor diabetes type 1. Alle kinderen van niet-westerse herkomst hadden slechtere resultaten, behalve voor serum glucosewaarden. Dit was vooral het geval voor kinderen van Turkse en Antilliaanse herkomst. Controle voor sociaal-economische verschillen had weinig effect. Diagnose van diabetes bij deze kinderen vindt later plaats in het beloop van de ziekte. Redenen hiervoor kon dit onderzoek niet aangeven. Adequaatheid van behandeling door de huisarts werd bestudeerd aan de hand van astma. Eenvierde van de kinderen kreeg geen enkel voorschrift voor kortwerkende bèta-2-agonisten. Tweederde van de kinderen met intermittente astma leken te worden overbehandeld, bij milde persistente astma was 15% overbehandeld en eenzelfde percentage onderbehandeld. Na multivariate analyses bleek dat vooral kinderen van Surinaamse en Antilliaanse herkomst significant meer adequaat kortdurende bèta-2- agonisten kregen voorgeschreven, maar de Turks en Marokkaanse groep significant meer onderbehandeld werd. Een audit bevestigde de bevindingen uit de registratiegegevens. Of deze uitkomsten evenzeer gelden voor effectiviteit van zorg en ‘patiëntcentredness’ vraagt om verder onderzoek. De uitkomsten kunnen waarschijnlijk evenmin zomaar geëxtrapoleerd worden naar dagelijkse aandoeningen of eindelevensfases met andere zorgbehoeftes. Aangezien de sociaal-economische positie en taalachterstand niet automatisch verbeteren bij volgende generaties in bepaalde herkomstgroepen, is het niet duidelijk of verschillen in kwaliteit van zorg blijven bestaan. Waarschijnlijk gelden deze bevindingen wel voor andere herkomstgroepen waar zowel taalkennis en sociaal-economische factoren, als afstand tot de Nederlandse maatschappij nog een grotere rol spelen.

Walter Devillé

Reacties

Er zijn nog geen reacties

Verder lezen