Praktijk

Beroepskeuzedilemma

Gepubliceerd
10 juni 2007

Hoe het vak binnen één generatie volledig van kleur kan verschieten? Lees mee met een gesprek dat mijn vrouwelijke collega had met haar dochter (waarbij ‘M’ en ‘D’ staan voor ‘moeder’ en ‘dochter’).

M: ‘Wil je dókter worden, kind? Zeg alsjeblieft dat het niet waar is…’ D: ‘Ik meen het, mam. Het lijkt mij een heerlijk beroep.’ M (licht hoofdschuddend): ‘Maar waarom kies je niet voor een vak met aanzien en zo…? Alsof het zo leuk is om anno nu dokter te zijn. Als er iets fout gaat, hebben wij het gedaan. Niet de natuur, niet blinde pech, maar wij. Mensen willen niet meer weten dat er ziektes zijn waar wij niks aan kunnen doen. We zijn zielenzorgers, leefstijladviseurs - niet dat iemand zich daar iets van aantrekt - en kop van jut.’ D: ‘Het klinkt ouderwets, maar ik wil gewoon mensen beter maken…’ M (cynischer): ‘Kom op, zeg. Vroeger ja, toen de mensen niet beter wisten dan dat ze doodgingen, toen kon de dokter geen kwaad doen. Maar nu? Lees de krant er maar op na: mensen sterven niet meer ondanks maar dankzij doktershulp... Dat heet vooruitgang!’ D: ‘Overal worden fouten gemaakt, mam, ook in ziekenhuizen. Maar van fouten kun je leren!’ M (nu erg cynisch): ‘Nou, mensen willen niet graag dood lesmateriaal zijn hoor… (Opgewekter): Wie wil er nou naar een dokter? Je kunt beter fysiotherapeut worden, dáár gaan mensen graag heen!’ D: ‘Ik wil gewoon graag dokter worden! Met mensen werken!’ M (heft vingertje): ‘Oh ja? Moet je horen welke klachten we krijgen! Klacht 1: “Heeft u al eens geprobeerd bij een dokter te komen? Liefst een beetje snel, want als je je ziek voelt, wil je meteen geholpen worden. Nou, het duurt dágen voor je mag komen. Dan sta je voor gek, want dan ben je allang weer beter, en als je gezond bent wil zo’n dokter je niet zien, natuurlijk. En dan moet je ook nog maar afwachten of je bij de echte dokter komt of bij een hulpje.” Klacht 2…’ D (valt M in de rede): ‘De niet-patiëntgebonden taken zijn óók belangrijk, mam. Kwaliteitsbeleid, nascholing, accreditatie, intervisie en supervisie.’ M: ‘Waar heb je die taal vandaan? Je luistert te goed naar me…’ D: ‘De dokter is allang geen solist meer. Werken in een groepspraktijk of maatschap, met praktijkondersteuning en zo. Dat lijkt me leuk.’ M: ‘Evengoed kon je vroeger bij die solist wél terecht. Op de dag dat je wilde. Zonder afspraak.’ D: ‘Maar van het woord kwaliteit had jij nooit gehoord.’ M: ‘Nee, maar ook niet van het woord antwoordapparaat… of dienst… Ik dokterde gewoon! En ik kwam mijn bed uit ’s nachts.’ D: ‘Maar zonder controle of je je vakkennis bijhield. Moderne dokters worden gevisiteerd, dat is goed.’ M: ‘Nou, dat zal helpen. Controle met de handen boven elkaars hoofd, dat is wat ze dan zeggen… We lijken wel vogelvrij. En niemand is tevreden: de patiënten mopperen dat ze niet het beste van het beste krijgen. De politiek vindt dat het beste van het beste te duur is. En de collega’s vergaderen zich een hoge bloeddruk omdat ze willen vaststellen wat het beste van het beste eigenlijk is.’ D: ‘Okay, maar jij bent arts. Opa was arts. Ik zet de traditie voort.’ M: ‘Och heden, een roeping… dat is ouderwets!’ D: ‘Niks ouderwets. Zonder roeping gaat het niet.’ M: ‘Alsof ik je opa hoor. Genetisch gepredisponeerd om arts te worden. Maar als je dan met alle geweld… misschien moest je geriater worden. Daar is straks behoefte aan. Hebben je vader en ik er ook baat bij.’ D: ‘Ik dacht het niet. Ik word chirurg!’

Iemantsverdriet

Reacties

Er zijn nog geen reacties

Verder lezen