Praktijk

Bij de casus over reanimatie: Het ABC aan de telefoon

Gepubliceerd
10 oktober 2003

Vorige maand ging ‘Bij de kennistoets’ over toepassing van het ABCreanimatieschema bij een volwassene die vermoedelijk door een hartstilstand is getroffen. Ditmaal wordt ingegaan op de telefonische instructie indien bij een vermoedelijke hartstilstand niet direct hulp voorhanden is. Bij een reanimatie is snelheid van handelen immers van groot belang voor de overlevingskansen van de patiënt.

Dat kan beter!

In Amsterdam heeft een onderzoek plaatsgevonden bij 1.046 patiënten die in de periode 1995-1997 buiten het ziekenhuis een hartstilstand kregen en bij wie een poging tot reanimatie werd ondernomen. Hieruit blijkt dat er enkele knelpunten bestaan in de overlevingsketen die vatbaar zijn voor verbetering.1

  • Elementaire reanimatiehandelingen worden laat gestart. Mogelijke oplossing: bij twijfel direct starten met reanimeren. Goede scholing in reanimatievaardigheden is dus van belang.
  • De afhandeling per telefoon is soms traag. Een deel van de telefoontjes om hulp bij patiënten met bijvoorbeeld een hartstilstand komt binnen bij de huisarts of dokterspost. De praktijkassistente moet dergelijke telefoontjes snel en adequaat kunnen afhandelen. Mogelijke oplossing: introductie van een triageprotocol.
  • In circa 50 procent van de gevallen van collaps op basis van een circulatiestilstand in bijzijn van een getuige wordt geen reanimatie gestart. Mogelijke oplossing: introductie van reanimatie-instructie per telefoon.
Sinds 2002 kan de praktijkassistente gebruikmaken van de ‘NHGTelefoonwijzer: een leidraad voor triage en telefonisch advies’. Hierin zijn triageprotocollen en een handleiding voor telefonische reanimatie- instructie opgenomen.

Een alarmerend telefoontje

Als de praktijkassistente of huisarts gebeld wordt over een patiënt die waarschijnlijk is gecollabeerd ten gevolge van een hartstilstand, is er uiteraard sprake van een levensbedreigende situatie. Als de praktijkassistente de NHG-Telefoonwijzer volgt, wordt zij via het protocol Bewusteloosheid geleid naar het protocol Reanimeren. Dit volgend belt zij een spoedambulance en/of met spoed de huisarts (urgentieclassificatie U1: levensbedreigende situatie). In de inleiding van de Telefoonwijzer staat dat als de situatie levensbedreigend is, de assistente contact houdt met de beller tot de huisarts of ambulance bij de patiënt arriveert. Als dat niet mogelijk is, dan instrueert de assistente de beller om onmiddellijk contact op te nemen wanneer de situatie verslechtert. De beller mag de patiënt niet uit het oog verliezen.

Leven en dood

Bij een patiënt met een hartstilstand kan de situatie onmogelijk verder verslechteren. De praktijkassistente kan dus, als de hulpvrager of een andere getuige niet start met reanimeren, de hulpvrager telefonisch instrueren om eerste hulp toe te passen. Deze mogelijkheid staat in de Telefoonwijzer beschreven onder Reanimeren. Bij volwassen hartpatiënten geldt het protocol Reanimeren boven de 8 jaar. Aangezien telefonische reanimatie-instructie per definitie in een stressvolle situatie plaatsvindt, is het nuttig dit van tevoren in een rustige situatie te oefenen.

Oefening telefonische reanimatie-instructie

  • Er zijn vier rollen: die van praktijkassistente, de getuige van de collaps, het slachtoffer en een observator. Het is raadzaam de rol van getuige door een leek te laten spelen.
  • Benodigd zijn twee NHG-Telefoonwijzers (één voor de praktijkassistente en één voor de observator).
  • De getuige wordt geïnstrueerd om op de vragen van de assistente te antwoorden dat het slachtoffer buiten kennis is, niet ademt en geen circulatie heeft.
  • De reanimatie (dat wil zeggen de mond-op-mond-beademing en hartmassage) wordt alleen fictief uitgevoerd. Eventueel kan bij de hartmassage een kussentje worden gebruikt om te zien of houding en tempo goed zijn.
  • Startsituatie: de praktijkassistente zit met haar rug naar getuige en slachtoffer toe, zodat zij de handelingen van de getuige niet kan zien. Het slachtoffer gaat op de grond liggen. De getuige ‘belt op’ en vertelt dat er iemand is neergevallen na een minuut of tien te hebben geklaagd over pijn op de borst. De praktijkassistente handelt volgens de stappen beschreven in de NHG-Telefoonwijzer.

Evaluatie

Nadat alle handelingen doorlopen zijn, volgt evaluatie en het formuleren van leer- en verbeteringspunten. Vragen voor de evaluatie zijn:

  • Hoe vonden respectievelijk de getuige, het slachtoffer en de praktijkassistente de oefening verlopen?
  • Heeft de praktijkassistente het probleem adequaat uitgevraagd?
  • Vond de getuige de instructies voldoende helder?
  • Zijn de handelingen behorend bij de ‘mond-op-mond-beademing’ en bij de ‘hartmassage’ goed uitgevoerd? Zo nee, wat kan worden verbeterd?
Oefen de telefonische reanimatie-instructie eens tijdens een werkoverleg en noteer de werkafspraken die eruit voortvloeien.

Literatuur

  • 0.Koster RW, Waalewijn RA. Reanimaties in en rond Amsterdam: uitkomsten en factoren die de uitkomsten bepalen. Ned Tijdschr Geneeskd 2003;147:495-501.

Reacties

Er zijn nog geen reacties

Verder lezen