Praktijk

Boekenwijsheid

Gepubliceerd
10 februari 2007

Wat doet een dokter in zijn vrije tijd? Niet veel, althans ik niet… Ik ben niet het type om romans of zo te lezen, of naar de bioscoop te gaan. Aan verzinsels heb ik, buiten de spreekkamer, nauwelijks behoefte. Ik lees graag en goed de krant, een weekblad (het Vrij Nederland van vroeger is allang ingeruild voor Elseviers Magazine) en – tja – toch de vakliteratuur. Zo goed en zo kwaad als het kan. Nauwelijks boeken dus. Maar nu las ik toch zoiets moois! Het proefschrift van de Leidse collega Har Meijer, met de titel ‘Het vuil, de stad en de dokter’. Uitgegeven op groot formaat, schitterend geïllustreerd, en bijna pijnlijk herkenbaar om te lezen ondanks het historische onderwerp: het functioneren van dokters tijdens cholera-epidemieën in het 19e-eeuwse Leiden. De dissertatie is bijna een jaar oud. Hoe bestaat het dat er nooit een recensie van dit proefschrift in H&W stond?

Onze 19e-eeuwse collega’s werkten zich het leplazarus. Zoveel is zeker. Zeker als het de armenzorg betrof (en de meeste mensen in Leiden waren toen straatarm). Er is een brief bewaard gebleven van ene dokter Dozy aan een Raadscommissie die onderzoek deed naar de behandeling van armen in het stadsziekenhuis. Met gepaste middelen probeert Dozy ziekte in ‘haar beginsel’ te voorkomen of te stuiten. Hij doet zijn best waar mogelijk mensen te genezen; een inspanningsverplichting, zo lijkt het, en geen resultaatsverplichting. Laat ik Meijer citeren: ‘Helaas wordt er door de patiënten ernstig misbruik van de dokter gemaakt, bijvoorbeeld door het voorwenden van ziekten om van de armbezorgers meer bedeling te krijgen, verder door het gebruik van geneesmiddelen zoals levertraan voor andere doeleinden dan waarvoor voorgeschreven, en ten slotte door het consulteren van de geneesheer voor het minste of geringste verkoudheidje.’ Dozy kan over deze situatie niet zijn beklag doen tegen de patiënten, zo meent hij, want dat zou ten koste gaan van zijn reputatie. Al ploeterend ziet de gefrustreerde dokter soms wel negentig patiënten per dag.

De brief dateert uit 1847, maar afgezien van het huiveringwekkende aantal patiënten kon de klaagzang afkomstig zijn van een huisarts van, pakweg, 160 jaar later. Dit terzijde. Belangrijker lijkt mij de constatering dat het gevecht tussen artsen en de, in dit geval lokale, overheid ook van alle tijden is. De mysterieuze cholera was toen berucht: alleen in Leiden waren er in de 19e eeuw maar liefst vier epidemieën. Natuurlijk wilde men lering trekken uit eerdere ervaringen, op eenzelfde manier als waarop wij ons nu voorbereiden op een vogelgrieppandemie, denk ik. De overheid nam ook wis en waarachtig maatregelen. Er kwam een choleracomité. Er kwam een inspectie (dankzij Thorbecke). Er kwam van alles… Het resultaat? In 1832 stierf 44,5 procent van de choleralijders en in 1866 overleed… 66,5 procent! Met andere woorden: de patiënten werden de dupe van het gesteggel tussen overheden en dokters. Zou het nu anders zijn, denkt u? Ik betwijfel het.

Bevat het boek troost? Ja, zij het een cynisch soort troost. Alle slachtoffers vallen onder de arme stadsbevolking. De upper-class bleef buiten schot. Zo ook de dokters. Geen enkele arts overleed aan cholera… Iemantsverdriet

Reacties

Er zijn nog geen reacties

Verder lezen