Praktijk

Cataractoperatie en het risico op ablatio retinae

Gepubliceerd
1 december 2015
Dossier

Casus

Een 57-jarige man, met in de voorgeschiedenis een herpes-zosterinfectie OS (1999), een cataractoperatie ODS (2011) en myopie (S-8) meldt zich op het spreekuur. Sinds een dag heeft hij momenten waarop hij met zijn rechteroog wazig ziet, maar dit herstelt steeds weer. Bij veel knipperen ziet de patiënt ook een zwarte vlek aan de nasale zijde van dit rechteroog. Deze vlek trekt vervolgens weer weg. Hij heeft geen last van lichtflitsen. Bij het lichamelijk onderzoek blijkt de patiënt met correctie een normale visus te hebben (OD 1,0 en OS 1,25). Zijn oogvolgbewegingen zijn ongestoord. In het centrum ziet hij dubbel na knipperen, maar dit herstelt direct weer. Omdat de huisarts op dat moment geen objectiveerbare afwijkingen constateert, besluit zij een afwachtend beleid te voeren. Zij instrueert de patiënt bij aanhoudende klachten of bij veranderingen terug te komen.
Drie dagen later, op een zaterdag, wordt de patiënt wakker en ziet duidelijk een vlek aan de binnenzijde van zijn rechteroog. Deze vlek wordt in de volgende uren groter. Hij besluit contact te zoeken met de poli oogheelkunde. De oogarts adviseert hem om maandag op het spreekuur te komen. Zijn gezichtsveld rechts is die maandag verder verslechterd. De oogarts constateert een ablatio retinae van 4 tot 12 uur aan zijn rechteroog. Door de uitgebreide netvliesloslating is ook zijn macula afliggend. Dit verklaart zijn slechte visus, die op dat moment OD 0,1 is. De dag daarop krijgt de patiënt in een academisch ziekenhuis een vitrectomie. Het herstel van zijn visus duurt maanden, maar is uiteindelijk verbeterd tot OD 0,8. Daarnaast blijft hij een vervormd beeld zien ter plaatse van de vlek, maar dit hindert hem weinig.

Beschouwing

Cataractoperaties komen in Nederland zeer frequent voor, zo’n 140.000 maal per jaar. Ablatio retinae is een relatief zeldzame (0,7%), maar serieuze complicatie in de vroege of late postoperatieve fase. De casus laat zien hoe belangrijk het is deze complicatie vroeg te onderkennen.
Andere risicofactoren voor ablatio retinae zijn: middelbare leeftijd (tussen 50 en 65 jaar), myopie, trauma en het mannelijk geslacht. Het spreekt voor zich dat een combinatie van risicofactoren de kans op het krijgen van een netvliesloslating verder vergroot.
Bij een klassieke loslating bemerkt de patiënt mouches volantes die enigszins vertraagd meebewegen met de blikrichting. Lichtflitsen kunnen in 50% van de gevallen ontstaan als tractie wordt uitgeoefend op het netvlies. Uitval of verandering van het gezichtsveld ontstaat pas als er glasvocht via de randen van het netvliesdefect in de subretinale ruimte komt.
De huisarts onderzoekt bij vermoedelijke netvliesloslating de visus en let op beeldvertekening door middel van de Amslerkaart. Het gezichtsveldonderzoek geeft inzicht in eventuele perifere uitval. Een geoefend huisarts kan funduscopie doen.
Als een patiënt met een eerdere cataractoperatie, mouches volantes, lichtflitsen of een veranderd gezichtsveld bij de huisarts komt, is acute verwijzing naar de oogarts geïndiceerd. Er zijn verschillende soorten behandelingen mogelijk. De oogarts behandelt een netvliesdefect met een poliklinische laser- of cryocoagulatie. Als er een daadwerkelijke loslating is, kiest hij in de meeste gevallen voor een netvliesoperatie. Gecompliceerde netvliesloslatingen vormen een indicatie voor vitrectomie. Hierbij verwijdert de oogarts het glasvocht en plaatst er gas of siliconenolie voor in de plaats. De prognose is afhankelijk van de mate en de duur van de loslating en eventuele betrokkenheid van de macula. Herstel van visus en gezichtsveld zijn nog tot maanden na de operatie mogelijk.

Literatuur

  • 1.La Heij EC, Hendrikse F. Netvliesloslatingen en netvlieschirurgie. Stand van zaken. Ned Tijdschr Geneeskd 1999;143:781-5.
  • 2.Haug SJ, Bhisitkul RB, Riskfactors for retinal detachtment following cataract surgery. Curr opin ophthalmol 2011;23:7-11.
  • 3.Kang HK, Luff AJ. Management of retinal detachment: a guide for non-ophtalmologists. BMJ 2008;336:1235-40.

Reacties

Er zijn nog geen reacties

Verder lezen