Praktijk

Column

Gepubliceerd
10 oktober 2006

‘Dokter, wat vindt u er nou van…?’ Zoiets hoor ik dagelijks. Toch blijft die vraag verraderlijk. Zeker wanneer gesteld in een soort familieberaad, zoals mij onlangs weer eens overkwam. Het theater, de kleine huiskamer, was uitverkocht. Het programma was kort, want bestond uit slechts zes letters: moeder. Preciezer geformuleerd: wat moest er met moeder gebeuren? De verzamelde kinderen vormden de jury. Toos, de oudste, tikte met haar koffielepeltje op de rand van het schoteltje. Ze wenste te beginnen. Zij was altijd al een no-nonsensetype.

‘Het gaat niet langer zo. Moeder moet naar een verzorgingstehuis, denk ik. Ze wordt zo dement als een kwartje.’ ‘Is het nou echt zo erg?’, vraagt Pieter. ‘Ik kan het weten’, snerpt Toos, ‘want ik kom er dagelijks. Ze kan niet meer voor zichzelf zorgen. En het is gevaarlijk: ze vergeet bijvoorbeeld rustig dat ze water heeft opgezet en als ze daar onverwacht wel aan denkt, vergeet ze het gas weer dicht te draaien onder de lege fluitketel. Trouwens, hoe lang ben jij al niet meer langsgeweest?’ ‘Rustig’, sust Daan, ‘dat doet niet ter zake. Laten we vooruitkijken. Willen we haar in een verzorgingstehuis wegstoppen? Zo’n menselijke parkeergarage?’ Toos: ‘Bespaar ons je wrange vergelijkingen, alsjeblieft. Bedenk liever een oplossing. Is er een alternatief?’ Dat is er natuurlijk, maar alle kinderen aarzelen om dat als eerste te opperen. Bij de buren jankt de hond, hoor ik. ‘Kunnen wij niet met z’n allen voor haar zorgen?’ Wie anders dan Toos… ‘Ploegendienst, bedoel je?’

Daar vliegen de argumenten als one-liners rond: ‘Ik kan zeker niet.’ ‘Het is toch je moeder?’ ‘Eenmaal per veertien dagen, meer is voor mij niet haalbaar.’ ‘Trouwens, jij werkt niet. Jij hebt meer tijd.’ ‘Jij hebt makkelijk lullen, jij hebt geen kinderen, dus…’ ‘Hoor hem… Jij woont het dichtst bij haar!’ ‘Moet ik mijn eigen kinderen soms verwaarlozen?’ Er valt een stilte... En dan, bijna eensgezind, klinkt het unisono: ‘Dokter, wat vindt u er nou van…?’

Informele zorg… het blijft een kluwen van argumenten en drogredeneringen. Want wie is er, uiteindelijk, de klos? Degene die dichtbij woont? De dochter die zelf geen kinderen heeft? De zoon zonder werk? Het moederskindje? Lastig. En de kinderen mogen dan graag het doorslaggevende argument – en liefst het finale oordeel – van de huisarts horen. Vandaar die vraag. Maar als huisarts zie ik mijzelf natuurlijk het liefst in de rol van coach, en zo min mogelijk in de rol van scheidsrechter. Als coach help ik in dit soort gevallen met het wegen van de argumenten. En mocht ik toch in de scheidsrechtersrol worden gedrukt, dan geef ik… een scheidsrechtersbal.

Iemantsverdriet

Reacties

Er zijn nog geen reacties

Verder lezen