Praktijk

Curriculumvorming op districtsniveau:

Gepubliceerd
10 juni 2003

Samenvatting

Stimulerend en motiverend bezig zijn met nascholing is om meerdere redenen een uitdaging. In een heel district met elkaar een curriculum ontwikkelen én uitvoeren lukt alleen wanneer het draagvlak heel breed is en alle WDH-neuzen in dezelfde richting wijzen. Maar het levert zoveel meer op dan de som van de afzonderlijke inspanningen dat het de loont om erin te investeren. In district Zuid-Holland-Zuid is het gelukt eenheid te smeden in verscheidenheid.

Wederzijds respect onontbeerlijk

Zuid-Holland-Zuid is een groot district. Het gebied wordt door de grote rivieren in vijf eilanden verdeeld, waardoor er van oudsher onderling weinig werd samengewerkt. Dat veranderde in 1995, toen de zes perifere coördinatoren uit het district (vijf WDH'en) besloten tot samenwerking en vervolgens ook de daad bij het woord voegden. De onderlinge nascholingsculturen verschilden enorm, waardoor koudwatervrees en territoriumdrift aanvankelijk flink remden. Maar door veel informatie-uitwisseling en afstemming over gemeenschappelijke doelen is er in enkele jaren een hechte samenwerking ontstaan. Wederzijds respect was daarbij onontbeerlijk. Resultaat is dat we nu met nog meer enthousiasme een gemeenschappelijk curriculum maken dat op veel aanhang mag rekenen van de huisartsen en praktijkassistentes.

Van de breedte naar de diepte

Een van de belangrijkste voorwaarden voor een gemeenschappelijk curriculum is een heldere visie. Voor Zuid-Holland-Zuid luidt die: ‘Minder in de breedte en meer in de diepte.’ We kiezen dus liever wat minder onderwerpen, zodat we per onderwerp meer energie kunnen steken in implementatie. Zo komen we bij de tweede belangrijke voorwaarde: een breed draagvlak. Niet alleen huisartsen, maar ook praktijkassistentes en in de nabije toekomst de praktijkondersteuners werken met elkaar aan dezelfde doelen. Wij denken dat veranderingen beter totstandkomen als de nascholing zich richt op de gehele werkomgeving van de huisarts en niet alleen op diens persoonlijke kennis en vaardigheid. Bij de keuze van onderwerpen wordt rekening gehouden met deze visie. We kijken daarvoor met name naar NHG-Standaarden. Landelijke ontwikkelingen als het GGZ-beleid worden meegenomen. Wensen van huisartsen, praktijkassistentes of specialisten kunnen worden ingebracht, maar ook die van bijvoorbeeld patiëntenplatforms of de klachtencommissie. Om samenhang te krijgen worden de WDH-onderwerpen van de afgelopen vijf jaren gegroepeerd in grotere clusters zoals hart- en vaatziekten, (acute) huisartsgeneeskunde buiten kantooruren of GGZ. Vervolgens wordt voor de komende drie jaar gepland, waarbij per jaar kan worden bijgesteld en er ruimte blijft voor incidentele of regionale nascholingen. Voorbeeld daarvan is een districtssymposium over bioterrorisme, opgezet door een aantal enthousiaste huisartsen uit ons district toen de miltvuur-angst om zich heen greep.

Samen samenstellen

Eens per jaar komen alle WDH- en WDA-leden bijeen om het curriculum samen te stellen. Huisartsen en praktijkassistentes hebben evenveel inbreng, maar hoeven niet per se in alles op één lijn te zitten. Sommige onderwerpen lenen zich beter voor praktijkassistentes, zoals de telefonische intake aan de hand van de NHG-Telefoonwijzer. Veel onderwerpen zijn echter zowel voor huisartsen als praktijkassistentes interessant. De keuze wordt gemaakt in twee rondes. Elk ingebracht onderwerp wordt besproken, waarna een eerste en vervolgens een tweede schifting plaatsvindt. Hierbij wordt rekening gehouden met de jaarplanning, de capaciteit van de voorbereiders, de benodigde tijd (variërend van drie uur tot twee dagen) en de implementatiestrategie per onderwerp.

Implementatie via koppelcursus

Steeds wordt van tevoren gekeken naar de implementatie. Allereerst richten de cursussen zich op het opfrissen van kennis aan de hand van de NHG-Standaarden. Omdat we weten dat hierdoor nog niets verandert, worden ook de praktijkassistentes en praktijkondersteuners nageschoold. Meestal verandert er dan nog steeds niets. Voor die link tussen kennis en praktijkvoering hebben we de zogenoemde ‘koppelcursus’ ontwikkeld, waarin huisartsen en praktijkassistentes samen knelpunten bepalen, oplossingen daarvoor ontwikkelen en plannen maken. Indien mogelijk wordt per gekozen onderwerp ook een fto-aanbod ontwikkeld en proberen we enige samenhang te krijgen met de klinische lessen in de regionale ziekenhuizen.

Daadwerkelijk aan de slag

Nadat we zo een nieuw curriculum hebben vastgesteld, wordt per onderwerp een werkgroep geformeerd uit huisartsen en praktijkassistentes. De PC'en coördineren het werk in deze groepen en rapporteren over de voortgang. Indien gewenst worden consulenten van buitenaf toegevoegd. Ook maken we gebruik van onderwijskundigen van een extern bureau om de programma's zo optimaal mogelijk op te zetten. Elke werkgroep werkt in een beperkt aantal bijeenkomsten een nascholingspakket uit, dat aan het eind van het jaar in een feestelijke bijeenkomst aan de andere groepen wordt gepresenteerd, waarna het ‘in de markt’ wordt gezet. Intussen wordt het nascholingsprogramma in nieuwsbrieven aan de achterban bekendgemaakt. Gestreefd wordt naar een vorm waarin iedereen aan zijn trekken kan komen, zoals nascholingen van een enkele middag of avond, maar ook van hele dagen en voor huisartsen zelfs in tweedaagsen of nascholingsweken. Op deze wijze is het mogelijk gebleken om op districtsniveau een compleet en samenhangend nascholingspakket te maken voor én door huisartsen, dat enthousiast wordt uitgevoerd en ontvangen. Adrie Evertse, huisarts, districtscoördinator Zuid-Holland-Zuid

Reacties

Er zijn nog geen reacties

Verder lezen