Wetenschap

De kennistoets

Gepubliceerd
10 januari 2001

Samenvatting

Toetsing is een onmisbaar onderdeel van kwaliteitsbeleid. Het doel van een kennistoets is het opsporen van lacunes in kennis zodat de huisarts diens nascholingskeuzes daarop kan baseren. Ook dit jaar werd als voorbereiding op het NHG-Congres aan de deelnemers een kennistoets toegestuurd. Onderstaand wordt ingegaan op enkele uitkomsten daarvan.

Parate kennis getoetst

Vanwege het brede scala aan onderwerpen in de spoedeisende geneeskunde, was anders dan voorheen deze kennistoets gebaseerd op zowel de NHG-Standaarden als op literatuuronderzoek. De parate kennis van de deelnemers werd expliciet getest. Geheel nieuw was dat werd gewerkt met een van tevoren door experts bepaalde absolute norm, ofwel referentiescore* om vast te stellen of iemand was geslaagd of gezakt. Van de congresdeelnemers deed 63 procent mee. De gemiddelde score van de huisartsen die geen literatuur raadpleegden tijdens het maken van de toets, was 49 procent.

Een kind met koorts

De experts meenden dat de casus over het stille kind van vijf maanden met koorts en sufheid, bij wie de huisarts niet direct een focus voor de infectie kon vinden, gemakkelijk zou zijn. Zij verwachtten dat 92 procent van de huisartsen zou weten dat het kind moet worden onderzocht op de aanwezigheid van petechiën (vraag 57). De score op deze vraag was 99,6 procent. De experts waren er minder zeker van dat de huisarts zou weten dat ook gericht onderzoek moet plaatsvinden naar de aanwezigheid van maculo-papuleus exantheem (vraag 58). Dit onderzoek is bij het beschreven patiëntje obligaat volgens de NHG-Standaard Kinderen met koorts. De inschatting was dat 54 procent van de deelnemers dit zou weten. Deze vraag werd door 50 procent van de huisartsen goed beantwoord.

De locatie voor coniotomie

De experts vonden de vraag over de coniotomie moeilijk. De in de casus beschreven locatie om de naalden in te brengen (vraag 26) was onjuist. De inschatting was dat slechts 58 procent van de deelnemers zou weten dat de naalden niet boven de derde trachearing moeten worden ingebracht. Dat dit niet de juiste locatie is, wist inderdaad 67 procent van de huisartsen, hetgeen overigens natuurlijk niet betekent dat zij ook paraat hebben wat wél de juiste locatie is voor een coniotomie (het ligamentum cricothyroideum medianum) of dat zij deze techniek ook op het essentiële moment daadwerkelijk kunnen uitvoeren.

Onderlinge verschillen

Kijkend naar ervaringsjaren zijn de scores 51 procent voor degenen die nul tot zeven jaar praktiseren; 49 procent voor degenen die dat acht tot vijftien jaar doen en 46 procent voor degenen die meer dan vijftien jaar praktiseren. Er was nauwelijks verschil in de scores van mannelijke en vrouwelijke huisartsen of van huisartsen die op het (verstedelijke) platteland werken of in de stad. De haio's die de kennistoets maakten, haalden een gemiddelde score van 53 procent. De NHG-stafleden tot slot scoorden gemiddeld 56 procent en de huisarts-opleiders 49 procent.

Gezakt en geslaagd

De experts vonden de kennistoets vrij gemakkelijk en legden de lat daarom hoog. De referentiescore lag op 53 procent; met een hogere score is iemand dus geslaagd.* Van de huisartsen die de kennistoets inleverden, slaagde 37 procent. Degenen die volgens de referentiescore niet slaagden, hebben tijdens het congres hopelijk veel kunnen leren over spoedeisende geneeskunde, zodat zij tevreden naar huis konden gaan met het gevoel weer helemaal ‘bij’ te zijn. Natuurlijk behandelde de kennistoets niet alle onderwerpen van spoedeisende geneeskunde en zijn alleen kennis en geen praktische vaardigheden getoetst. Ondanks deze beperkingen kunnen kennistoetsen een goede en leuke manier zijn om na te gaan op welk vlak de huisarts mogelijk lacunes heeft in parate kennis. Zo wordt duidelijk waar de prioriteit moet liggen bij de nascholingskeuze om het professionele handelen op een hoog peil te houden.

Literatuur

  • 1.Een aantal huisarts-experts op het terrein van de spoedeisende geneeskunde schatte van tevoren in hoe moeilijk elke vraag zou zijn. Op grond daarvan kon vervolgens de absolute norm, ofwel de referentiescore, worden vastgesteld die de huisarts moest halen om voor de toets te slagen. De score voor de kennistoets werd berekend door het aantal goed beantwoorde vragen te verminderen met het aantal fout beantwoorde, gedeeld door het totaal aantal vragen. Vragen waarbij is gekozen voor de vraagtekenoptie, telden niet mee. Vraag 14 kwam te vervallen. De antwoordsleutel en toelichting staan vermeld in het congresboek.

Reacties

Er zijn nog geen reacties

Verder lezen