Wetenschap

De plank mis

Gepubliceerd
10 februari 2007

Onlangs deed het Centraal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg een vergaande uitspraak.12 De uitspraak heeft bij een consequente uitvoering grote gevolgen voor de inrichting van de gezondheidszorg, in het bijzonder voor de huisartsenzorg. De huisartsenzorg tijdens avond-, nacht- en weekenddiensten (ANW) wordt opnieuw gedefinieerd. Assistentes en andere ondersteuners wordt hun (beperkte) plaats gewezen. Niet feitelijke expertise, maar opleiding is van belang. Daarmee wordt de klok weer jaren teruggedraaid. En dat op grond van wankele juridische argumenten.

De aanleiding

Een vrouw komt om 18.00 uur met haar zoontje van 15 maanden met koorts bij de eigen huisarts. Deze vindt het kind niet ernstig ziek en adviseert paracetamol. Om 20.00 uur belt moeder de eigen huisarts opnieuw omdat de temperatuur is opgelopen. Deze adviseert de (nog niet toegediende) paracetamol alsnog te geven en bij eventuele verdere vragen contact op te nemen met de huisartsenpost (HAP). Als na 4 (!) vervolgcontacten met de HAP (2x), de ambulancedienst (1x) en – in de vroege ochtend – opnieuw de eigen huisarts, het kind gezien wordt op de HAP, is er inmiddels een uitgebreide sepsis, waaraan het kind korte tijd later overlijdt.

De uitspraak

Tegen zowel de huisarts op de HAP als de eigen huisarts werd een klacht ingediend. Ik ga hier alleen in op de zaak tegen de eigen huisarts. Die is opmerkelijk. De eigen huisarts werd veroordeeld omdat hij er niet voor gezorgd had dat de HAP-huisarts bij een eventueel vervolgcontact de situatie meteen zélf had beoordeeld. De eigen huisarts had moeten voorkomen dat de patiënt ‘in de fuik [kon] lopen van een triage door een niet-arts (...) in een situatie waarin voor triage geen plaats is en een triage (..) een ongeoorloofde inbreuk maakt in de sequentie van hulpvragen’. Het tuchtcollege spreekt hier niet alleen meer over kinderen met koorts, maar breidt dit uit tot alle situaties van herhaalde hulpvragen ‘waarin voor triage geen plaats is’. Deze veroordeling moet gelden als waarschuwing ‘uitdrukkelijk gericht aan alle huisartsen’, dus ook aan u. Om welke situaties gaat het? Toekomstige veroordelingen zullen het ons moeten leren. Maar ik kan mij er vele voorstellen. Die maagklachten van de heer Jonker: kan daar een ulcus achter zitten dat vanavond gaat bloeden? Toch maar melden aan de HAP. En die vage druk op de borst van mevrouw Klaassen, was dat vorige keer bij mijn collega ook ter sprake gekomen? En telt dat nu nog als ‘sequentie van hulpvragen’, of is dat al weer te lang geleden? Bij iedere waarschijnlijkheidsdiagnose dien ik me nu af te vragen of het een herhaald contact is (maar hoe ver moet ik teruggaan?), of er iets ernstigs aan de hand kan zijn (dit is – net als meningitis/sepsis – meestal niet waarschijnlijk, maar wel voorstelbaar), en of er een vervolgaanvraag op zal komen (heb ik niet in de hand). Ik heb echter nog meer vragen: Moet ik het ook melden aan de SEH? En er dan voor zorgen dat een kinderarts het kind beoordeelt en niet een pas afgestudeerde poortarts? Omgekeerd: Als ik ’s nachts een kind met koorts zie, heb ik dan met een elektronisch waarneembericht voldoende gegarandeerd dat een hernieuwde hulpvraag overdag goed wordt opgepakt? Of moet ik voorkomen dat ook daar een (verondersteld onvoldoende deskundige) doktersassistente tussen kan zitten? Ook opmerkelijk is dat het college onder triage kennelijk alleen verstaat de telefonische beoordelingen door de assistente (een ‘niet-arts’). De in een dergelijke situatie evenzeer riskante telefonische beoordeling door de HAP-huisarts mag kennelijk wél. Daarmee wordt de positie en ervaring van de assistente op de huisartsenpost miskend. Deze wordt veel vaker dan een gemiddelde huisarts gebeld over kinderen met koorts en is daardoor zeer getraind om daarbij onderscheid te maken tussen pluis en mogelijk niet-pluis. Het is maar de vraag of de huisarts dat beter kan. In de archieven van het tuchtcollege zijn genoeg gevallen te vinden waarin huisartsen deze inschatting verkeerd maakten! Juridisch heeft men de uitspraak niet sterk onderbouwd. Het CMTC verwijst naar de wettelijke regeling van de totstandkoming van de huisartsenposten.3 Inderdaad staat op pagina 4 dat met huisartsenzorg in de ANW-tijden ‘huisartsenzorg van dezelfde kwaliteit én inhoud’ wordt bedoeld als de zorg overdag. Maar men rukt dit te veel uit zijn verband. Triage van spoedeisende en niet-spoedeisende zaken was altijd al een onderdeel van de ANW-diensten. De wetgever heeft dat uitdrukkelijk niet willen veranderen (p. 8). Doel van de regeling was de zorg via huisartsenposten te financieren (p. 2) vanwege de toenemende (over)belasting van de huisarts (p. 3). Tevens wilde men – expliciet – de continuïteit en kwaliteit verhogen door inzet van ondersteunend personeel (p. 5,6). Dat gaat natuurlijk wel eens mis. Een waarschuwing is dan op zijn plaats. Een herinterpretatie van ons gezondheidszorgsysteem niet.

Literatuur

Reacties

Er zijn nog geen reacties

Verder lezen