Praktijk

De puber met angst voor een soa

0 reacties
Gepubliceerd
10 december 2008

Probleem

Een bezoek aan de huisarts voor een mogelijk seksueel overdraagbare aandoening (soa) kan beladen zijn. Onwetendheid, angst en schaamte hebben invloed op het besluit om een huisarts te consulteren en op het consult zelf. Dit geldt voor jongeren nog meer dan voor volwassenen. De vorming en de bewustwording van de eigen persoonlijkheid gaan bij jongeren vaak samen met onzekerheid en het moeilijk grenzen kunnen stellen. Hierdoor neemt de kans op risicogedrag toe. Veel huisartsen vinden het lastig om een soaconsult te voeren vanwege tijdgebrek, onvoldoende training en/of culturele verschillen. Voor een effectief soaconsult zijn vaak twee contacten noodzakelijk.

Wat moet ik weten?

Eenderde van alle patiënten met vragen over soa bezoekt de GGD-soapolikliniek en niet de eigen huisarts. Bijna de helft van deze patiënten is jonger dan 25 jaar. Chlamydia is verreweg de meestvoorkomende soa, gevolgd door genitale wratten, gonorroe, hiv, herpes genitalis en syfilis. Alle soa’s tonen een prevalentiepiek bij 15 tot 24-jarigen. Veertien procent van de vrouwelijke adolescenten en negen procent van de mannelijke adolescenten heeft zich in 2005 laten testen op een soa; negen procent van de geteste vrouwen en vijftien procent van de geteste mannen had een positieve testuitslag. Het soarisico na een eenmalig onbeschermd contact met een besmette partner is aanzienlijk. Voor chlamydia, genitale wratten en gonorroe is deze besmettingskans 50 - 80%; voor hiv 0,1 - 2%. Bijna de helft van de jongeren tussen 15 en 35 jaar gebruikt niet altijd een condoom bij losse partners. Jongeren wisselen vaker van partner en stoppen vaker met het gebruik van condooms als een relatie langer dan drie maanden duurt. Counseling is het begeleiden van patiënten bij het zelf maken van verantwoorde keuzen en het verwerken van een ongewenste situatie. Soacounseling in twee consulten verhoogt het condoomgebruik en verlaagt de incidentie van soa. Een hoger soarisico hebben jongeren met vragen over anticonceptie of de morningafterpil, en jongeren die seksueel misbruikt zijn. Wees bewust van uw rol als vertrouwenspersoon: ouders weten mogelijk niets van de seksuele activiteiten van hun kind.

Wat moet ik doen?

Achterhaal de hulpvraag: welke zorgen of gedachten liggen achter de hulpvraag?

Passen de gepresenteerde klachten bij een soa? Is er een condoom gebruikt? Was er sprake van vaginaal, anaal en/of oraal contact? Is dit van belang? Met hoeveel partners is er onbeschermd seksueel contact geweest? Heeft de partner wisselende seksuele contacten of eerder een soa gehad? Heeft de patiënt homoseksuele contacten?

Achterhaal hindernissen voor verandering van risicogedrag

Vraag naar kennis over soa’s, bijbehorende klachten en mogelijke complicaties. Vraag naar kennis over preventie van soa’s en ga na hoe belangrijk de patiënt preventie vindt. Ga na in hoeverre onzekerheid over seksualiteit en de eigen persoon een rol speelt bij het praten over veilig (willen) vrijen met vorige en aanstaande partners.

Bespreek de noodzaak tot aanvullend onderzoek

Beslis samen met de patiënt of aanvullend onderzoek zinvol is. Indien wenselijk kan een laagrisicopatiënt zonder klachten getest worden op chlamydia en gonorroe. Bij besmetting is het noodzakelijk om ook op hiv, hepatitis B en syfilis te testen. Bij een hoog risico - zoals bij homoseksuele mannen, intraveneuze drugsgebruikers en onbeschermde seksuele contacten bij promiscuïteit - is dit meteen zinvol. Bespreek de consequenties van een negatieve of positieve testuitslag.

Wat moet ik uitleggen?

Leg uit wat risicogedrag is en benadruk dat oefenen om gedrag te veranderen effectiever is dan erover te lezen. Formuleer samen een oefening, bijvoorbeeld ‘Ik ga vóór het volgende consult condooms kopen. Omdat ik me daar een beetje voor schaam, doe ik dit samen met een vriend die al wel eens condooms heeft gekocht.’ Evalueer de gedragsoefening in een volgend consult en bespreek de eventuele barrières als de oefening niet gedaan is. Bespreek de testuitslag en sta stil bij gedachten en gevoelens die dit oproept. Kom bij een positieve uitslag terug op de reeds besproken consequenties. Chlamydia wordt behandeld met eenmalig 1 gram azitromycine; gonorroe met eenmalig 1 gram cefotaxim i.m.; verwijs voor syfilis naar de dermatoloog of behandel indien bekwaam zelf met eenmalig 2,4 miljoen E benzathinebenzylpenicilline i.m.; verwijs voor behandeling van hepatitis B en hiv naar de internist. Leg het belang van medicatie en eventuele bijwerkingen uit om de therapietrouw te verhogen. Er is geen meldingsplicht voor soa en partnerwaarschuwing berust op vrijwilligheid. Motiveer de patiënt bij een positieve testuitslag de seksuele partner(s) van de afgelopen zes maanden op te sporen en te waarschuwen. Leg uit dat de GGD hierbij kan helpen. Leg uit dat goede voorlichting en informatie te vinden is op www.soaaids.nl, www.rutgersnissogroep.nl en in de NHG-Patiëntenbrieven over soa.

Literatuur

Reacties

Er zijn nog geen reacties

Verder lezen