Nieuws

Doordacht handelen…

Gepubliceerd
19 oktober 2009

Een parabel… Het kostte mij wel enige overredingskracht, maar ten slotte had ik ze toch zover gekregen dat ze met mij op pad gingen: mijn twee jaar jongere broertje Dick van 9 en mijn vriendje Siem van 11. We gingen lopend ‘naar zee’. Op het benauwde ‘is het ver?’ van mijn broertje had ik geantwoord dat het ‘wel een heel eindje’ was, maar dat we dat er wel voor overhadden omdat de zee tenslotte niet niks was. Jaren later leerde ik dat het ruim vijftien kilometer was. Op onze door het voetballen afgetrapte schoenen en zonder enig proviand hadden we in een modern tv-programma over survival niet misstaan. De eerste kilometers gingen nog zo gek niet. Dat werd echter anders naarmate wij ons dorp verder achter ons lieten. Details kon ik niet meer verstrekken, omdat we opa’s landje al voorbij waren. Het halen van het volgende dorp, naar later bleek op de helft van de route, gaf weer enige moed. Het was wel jammer dat wij niets tegen de knagende honger konden kopen, want het mij tegenwoordig zo vertrouwde gebaar van naar mijn kontzak grijpen, kende ik nog niet. We hadden, sámen, 25 cent zakgeld per week en dat uiteraard al op de dag van ontvangst in een ijsje van vijf en enkele vellen eetpapier van Kees de Pissert omgezet. Al snel werd het uiterste van mijn overredingskracht en leiderschap gevraagd. Nadat wij uit een bakkerskar ieder een krentenbol hadden gepikt, kreeg ik ze weer enige tijd aan het lopen. Het begon al donker te worden toen ik hen, aan de rand van Noordwijk, met lepe verleidingskracht juichend attent maakte op een bordje ‘Naar zee’. Ik meende zelfs duinen te zien, voegde ik er gluiperig aan toe, maar niets bleek meer in staat mijn kompaantjes nog te motiveren. Mijn broertje wist zeker dat er een laag bloed in zijn schoenen stond en Siempie wilde ‘naar huis’, waarop ik snedig reageerde dat ie dan maar alleen terug moest lopen. Zelfs zijn naar huis willen, triggerde bij mij nog steeds niet het besef dat we ook nog terug moesten. De zee was het einddoel; over het leven na de zee had ik nog niet nagedacht. Dickie ging op een muurtje zitten en dreinde dat-ie verder gedragen moest worden en Siempie wist ineens ‘een kortere weg…’(???), zodat ik al spoedig in m’n eentje de bordjes naar het einddoel volgde. Het was al vrijwel donker toen ik eindelijk de zee zag. De overrompelende ervaring die dat had moeten zijn, werd hevig getemperd door de ongerustheid over m’n reisgenoten en – eindelijk - wat zorg over de weg naar huis terug. Argeloos vroeg ik aan een mevrouw of zij de weg naar Sassenheim wist. Dat wist ze wel, maar haar gevoel voor pluis/niet-pluis deed haar mij op het politiebureau afleveren. Daar zaten de andere twee al als ellendige hoopjes op een bankje. Dickie was door een ‘plissie’ huilend aangetroffen op eerdergenoemd muurtje en Siempie was, net als ik, ‘aangegeven…’. De dienstdoende agent, die ons duidelijk haatte, had onze beide vaders gebeld. Zij waren op de fiets onderweg om ons op te halen. De vader van Siempie knuffelde zijn verloren schaapje tot huilens toe, maar de mijne zette Dickie voor- en mij achterop en reed zonder ook maar één woord te zeggen de lange weg naar huis. Zijn woede begreep ik pas toen ik thuis, in de teil staande (het was Zaterdag!), met kokende billen van het slaan, de woorden van mijn vader tot mij liet doordringen: ze hadden in doodsangst gezeten. Het hele dorp was gealarmeerd geweest, de brandweer had staan dreggen in de sloten waar wij altijd visten, de politie te paard was alle stille weggetjes afgegaloppeerd en het halve dorp had op hooizolders en in kelders naar ons gezocht.

Reacties

Er zijn nog geen reacties

Verder lezen