Nieuws

Een sterke man … (1)

Gepubliceerd
24 juli 2009

Zoals mijn trouwe lezers intussen wel weten, ben ik opgevoed zoals vrijwel al mijn leeftijdgenoten: onze ouders moesten na de oorlog het land opbouwen en wilden daarbij door hun kinderen niet worden gestoord. Dat zou ik, toen onze kinderen kwamen, anders doen. Waarom weet ik eigenlijk niet, want ik ben van mijn opvoeding bepaald niet slechter geworden. Ik had me ook voorgenomen mijn kinderen realistisch op te voeden. ‘Als er nou een boef in ons huis komt, wat doe jij dan?’, vroeg mijn oudste zoon na het voorlezen. In zijn pyjamaatje keek hij mij met z’n blauwe ogen vol verwachting aan. ‘Als hij niet heel sterk is, stuur ik hem gelijk de deur weer uit’, antwoordde ik naar waarheid. Mijn antwoord stelde hem duidelijk teleur, maar ik wou hem geen fabeltjes vertellen. De tijd daarna sliep hij slecht en stelde hij de vraag steeds opnieuw. Ik sprak erover met een collega en kreeg te horen dat ik gewoon moest overdrijven; ik moest hem geruststellen, ook al was dat niet realistisch. Die avond kwam weer dezelfde angstige vraag: ‘Als er nou een boef in huis komt?’ Ik liet mijn bedenkingen varen en antwoordde dat ik die boef dan regelrecht het huis uit zou schoppen. Ik had echter de geest al te veel uit de fles gelaten: ‘Maar als hij nou heel sterk is?’ ‘Dan schop ik hem nog veel harder het huis uit.’ Zoonlief werd iets enthousiaster maar was nog niet geheel overtuigd. ‘Maar als het nou een héél, héél sterke boef is, een reus of zo?’, wilde hij voor alle veiligheid nog weten. Ik was intussen door het dolle heen: ‘Dan pak ik hem bij zijn voet en slinger ik hem drie keer boven mijn hoofd en dan laat ik hem zo door het raam naar buiten vliegen, zodat hij beneden in de bosjes terechtkomt.’ Ik weet het, dit was buiten alle proporties, maar het effect was geweldig. Mijn zoon stond opgewonden op, imiteerde mijn zwaaiende gebaar en mijn nakijken van de vliegende reus richting bosjes beneden. Daarna zuchtte hij diep, ging onder zijn Mickey Mouse dekbed liggen en sloot tevreden zijn ogen. Van slaapproblemen was geen sprake meer.

Tijdens mijn ervaringsleren de laatste jaren in de gezondheidszorg moest ik hier vaak aan denken. De tijden zijn veranderd en de dokter moet wel alles weten, maar mag tegenover de patiënt eigenlijk de wijsheid niet langer in pacht hebben of denken in pacht te hebben. Hoewel? Tijdens een vervelend verblijf op de longafdeling suggereerde de zaalarts dat het niet slecht zou zijn als ik een pneumokokkenvaccinatie zou halen. Een week later vond de huisarts dat het beter was tot na de vakantie te wachten in verband met de bijwerkingen. Tijdens een nascholing zei een van de huisartsen spontaan: ‘Hebben ze jou nooit een pneumokokkenvaccinatie gegeven? Zou ik jaren geleden al gedaan hebben!’ Op de longpoli voor mijn finale controle (restloos genezen, dank u) meldde ik genoemde vaccinatie te krijgen. Tja, dat kon ik doen, al was het de vraag of het iets deed, maar als iemand ervoor in aanmerking kwam, was ik het. Een halfuur later, voor de kwartaal-APK bij de hematoloog (ja, het ziekenhuis had het zó gepland dat ik binnen een halfuur twee specialisten kon spreken!!!), vertelde ik even van de vaccinatie. Ho, ho! Dat moest ik vooral niet doen! Bewijs van de werking was nog nooit geleverd, wel van een hoop ellendige bijwerkingen. En bovendien: na zo’n infectie heb je de antistoffen al waar die vaccinatie voor bedoeld is. Laten zitten dus… Hoe zeker waren al die artsen nou eigenlijk van hun standpunt? Of: ‘Moet ik dat niet laten weghalen?’, vroeg de patiënt. De huisarts leek het een goed idee, maar wilde dat de specialist er eerst even naar keek. ‘Dat weghalen? Nergens voor nodig, dat kan absoluut geen kwaad.’ Patiënt opgelucht, tot een keuringsarts er weer over begon: ‘Ik zou dat maar even laten weghalen, als ik u was.’ Op maar weer naar de huisarts, maar een andere dan de eerste keer. ‘Nee hoor, maak je daar maar niet druk over.’ Hoe zeker waren zij?

Je hoort vaak dat mannen het tegenwoordig moeilijk hebben, omdat van hen stoerheid en tegelijkertijd invoelende vermogens en emoties worden verwacht. Zo’n soort probleem hebben artsen eigenlijk ook. Eerlijke dokters zouden natuurlijk heel vaak moeten zeggen: ‘Al sla je me dood, ik heb geen idee.’ Maar als ze ‘nee verkopen' pikken veel patiënten dat niet, omdat die nou eenmaal (veel te) positief over ingrijpen denken. Diep van binnen willen patiënten volgens mij een dokter die de onzekerheid bij z’n voet pakt, drie maal boven het hoofd in de rondte slingert en hem dan zó het raam uit laat vliegen… (Wordt vervolgd.)

Reacties

Er zijn nog geen reacties

Verder lezen