Nieuws

Fout geweest…!

Gepubliceerd
7 juli 2011

Dit stukje, dat u – naar ik hoop – leest onder zomerse omstandigheden, schrijf ik in de maand van de herinneringen aan de oorlog. Ik heb Der Untergang en Schindler’s List weer tot mij genomen en ben dus helemaal in de stemming om uit de kast te komen… Ik was fout in de oorlog! Dat kwam zo. Wij woonden recht tegenover een nonnenklooster, dat door de Duitsers was gevorderd. Ik zie de nonnen nóg met gebogen hoofden als een lange rij pinguïns het gebouw verlaten. Toen de nieuwe bewoners kwamen, stond ik (zes jaar oud) bij het grote toegangshek. Het was een indrukwekkend leger van voertuigen en soldaten, voorafgegaan door de baas van het spul op een paard. Bij het hek hield hij halt en keek mij vanuit de hoogte indringend aan. Vervolgens gaf hij een van de soldaten opdracht mij voor hem op het paard te tillen. Zo reden wij samen het royale grindpad op naar de deur. Ik werd afgeladen en mee naar binnen genomen. In de grote kamer (waarin ik mij later als misdienaar zou omkleden) liet hij foto’s zien van zijn zoontje. De gelijkenis met mij was frappant. Hij heette Heinz, net als zijn vader, en ik Hans. Hij had helblonde krulletjes en blauwe ogen, net als zijn vader en… net als ik. Kortom, es klickte en ik was voor de rest van de oorlog zijn Ersatz Sönchen. Dat legde mij geen windeieren, want ik was het enige jongetje in het dorp dat echt snoep had en verder bezat ik alles wat ik nodig had om mij op Heinz’ kantoor elke dag opnieuw te vermaken. Mijn moeder was er minder gelukkig mee. Een van de kapsters in haar salon was verloofd met een Duitser, dus wij hadden de vijand in huis. Mij verbieden naar de overkant te gaan was dus geen optie. Wel toonde mijn moeder zich een ware verzetsheldin door elke middag vanaf vijf uur onafgebroken de deur van het klooster (of de kazerne?) in de gaten te houden. Zodra ik daar – elke dag weer! – met een brood onder elke arm uit kwam stappen, rende mijn moeder mij tegemoet om te zeggen dat ik de broden terug moest brengen. Lachend werden deze dan weer ingenomen. Men kon het dagelijkse ritueel wel waarderen, kennelijk. Ik begreep het niet helemaal, omdat ik het bewuste brood tussen de middag ook at en daardoor minder trek had in de tulpenbollen die mij thuis, op een bedje van suikerbietenmousse, werden voorgezet. Maar dit terzijde. Enig licht ging bij mij pas branden toen ik met Kerstmis werd uitgenodigd om te blijven voor het diner. Ik kwam daar in een zaal vol zingende (en naar ik nu aanneem zuipende) Duitsers, die allemaal een waanzinnig groot stuk vlees op hun bord hadden liggen. Dat dit van geen kant deugde, begreep zelfs ik. Ik draaide mij om en ben zonder iets te zeggen naar de wacht bij de deur gelopen met de vraag mij eruit te laten.

De Nederlandse gezondheidszorg is natuurlijk van grote kwaliteit. Ik zou in vrijwel geen ander land in een ziekenhuis durven liggen of een naald in mijn aderen geduwd willen krijgen. Maar waarom gaat er dan toch zo vaak iets fout? De belangrijkste reden is volgens mij de geringe openheid over risico’s. Vrijwel geen enkele behandeling of medicatie is zonder risico’s. Als daar openheid over zou zijn, heb je het niet meer over een fout, maar over het spijtige feit dat de statistiek in je nadeel is uitgevallen. Dat zou dan ook minder vaak gebeuren, want geconfronteerd met de risico’s zouden vele mensen van behandelingen afzien. De tweede reden is de onuitroeibare dadendrang van nogal wat dokters. In veel gevallen zijn twee handen op de rug de beste behandelaars.

De medische wereld vervrouwelijkt. Een goed teken! Veel eigenschappen van een goede arts zijn ‘vrouwelijke’ eigenschappen. Die kan een man ook hebben, maar de kans dat een vrouw die méér heeft, is in de meeste gevallen groter.

Hans van der Voort hvdvoort@knmg.nl

Reacties

Er zijn nog geen reacties

Verder lezen