Nieuws

Gebruik van internet in de huisartsenpraktijk

0 reacties
Gepubliceerd
10 december 2006

Met veel interesse lazen wij het onderzoeksartikel van Dijkstra et al. over het gebruik van internet in de huisartsenpraktijk (Huisarts Wet 2006;49:496-8). Nieuw voor ons Belgische huisartsen is dat driekwart van de Nederlandse huisartsen een internetverbinding in de spreekkamer heeft. Over de situatie in België zijn geen cijfers gepubliceerd. Omdat informatie beter beklijft als deze beschikbaar komt op het moment van vraagstelling, opent dit boeiende perspectieven. Zo gingen wij recent in onze praktijk met 7 huisartsen, waarvan 2 huisartsen in opleiding, na wat het gebruik van internet tijdens de consultatie is.1,2 Wij gebruikten die bronnen die voor huisartsen relevant, gebruiksvriendelijk en bruikbaar zijn tijdens het spreekuur. De nadruk lag daarbij op richtlijnen; medische vakliteratuur in de vorm van artikelen viel daar niet onder. Samen met de patiënt bekeken en bespraken we de informatie. Dit heet OOS, oftewel ‘Online on-the-spot’. Hieruit blijkt dat we gemiddeld bijna 2,5 maal per week informatie opzochten. De NHG-Standaarden raadpleegden we bij een kwart van de zoektochten (n=197), de NHG-Patiëntenbrieven en de Britse Prodigy guidelines in respectievelijk 14 en 25% van de gevallen. We keken slechts in 5% van de zoektochten in de Vlaamse aanbevelingen van de WVVH (ondertussen Domus Medica). De NHG-standaarden en Prodigy-guidelines scoorden zo hoog door het grote aantal onderwerpen waarover informatie beschikbaar is en de gebruiksvriendelijke navigatie. De WVVH-aanbevelingen deden het voor dit laatste minder goed vanwege het pdf-formaat waarbinnen niet systematisch gezocht kan worden. Bij de nieuwere versies is dit ondertussen veranderd naar html-formaat. Het Diagnostisch en Farmacotherapeutisch kompas of de Belgische tegenhangers (BCFI: Belgisch Centrum voor Farmacotherapeutische Informatie) daarvan werden tijdens onze registratie opvallend weinig geraadpleegd. In 97% van alle OOS’en werd informatie gevonden. In de helft van de gevallen leidde dit tot nieuwe inzichten bij de arts en bij een kwart leidde OOS tot een verandering in medische beslissingen of keuzen. Het kostte maar weinig tijd: gemiddeld drieënhalve minuut voor het zoeken en het raadplegen van één bron. Er waren geen opvallende verschillen te vinden tussen het gebruik van het internet bij de jonge huisartsen in opleiding en de oudere praktijkopleiders. Uit de resultaten van Dijkstra en deze van ons blijkt dus duidelijk dat het internet nog heel wat te bieden heeft voor de arts én de patiënt als we dit juist leren gebruiken. Annelies Van Linden, Dirk Van Duppen, Marion Dietrich, Bert Aertgeerts

Literatuur

  • 1.Van Duppen D, Goossens F, Van Linden A, Neirinckx J, Seuntjens L, Van Mackelenbergh A. Online on-the-spot. Evidence-based medicine in de spreekkamer. Huisarts Nu 2003;32:513-8.
  • 2.Van Duppen D, Dietrich M, Van Linden A. In de spreekkamer is opzoekkennis belangrijker dan parate kennis. Ned Tijdschr Geneeskd 2006;150:1206.

Reacties

Er zijn nog geen reacties

Verder lezen