Nieuws

Gepaste afstand…

Gepubliceerd
5 september 2012
Je ziet steeds vaker tv-programma’s waarin ons op een leuke manier – volgens de makers dan – wordt getoond hoe de leden van een gezin tegenwoordig met elkaar omgaan. Ik ben van huis uit sociaal psycholoog en dus geïnteresseerd in het vergelijken van culturen. Wat zijn de verschillen? Welke veranderingen zijn verbeteringen? Et cetera. Opvallend is dat de ouders door de kinderen altijd worden getutoyeerd. Bij mij thuis was daar vroeger natuurlijk geen sprake van. Je mocht niet eens ‘hij’ of ‘zij’ zeggen als je tegen je vader of moeder over de andere ouder sprak. ‘Zij heeft het zelf gezegd!’ ‘Wie “zij”?’ ‘Mama heeft het zelf gezegd.’ ‘Dat dacht ik ook!’
Toen mijn vader was overleden, gingen mijn broers en zussen geleidelijk mijn moeder met ‘jij’ aanspreken. Ikzelf heb dat nooit gekund, maar ook niet gewild. Professor Huygen zei elke keer als ik hem ontmoette en hem met ‘professor’ aansprak: ‘Zeg toch Frans!’ Maar hoewel iedereen in zijn omgeving dat wél deed, heb ik het nooit over mijn lippen kunnen krijgen. Voor mij was hij ‘professor’ en geen ‘Frans’. Ik vind het zelfs met mijn eigen zoons (28 en 25) lastig. Zij zeggen (uiteraard) ‘jij’ en ‘Hans’, maar ik onderteken mijn briefjes en e-mails aan hen altijd met ‘je vader’. En als ik een boodschap van mijn vrouw overbreng, zeg ik: ‘Mama heeft sinaasappels voor jullie geperst’ en niet ‘Gioia heeft …’.
Is het een beter dan het ander? Ik zou het niet weten. Wat ik wél weet is dat het belangrijk is dat je jezelf geen geweld aandoet en dat je dus de aanspreektitels moet gebruiken waarbij je je het gemakkelijkst voelt. En dat bepaal je zelf en niet de aangesprokene. Als je dit niet doet, krijg je van die ingewikkelde situaties. Je gaat dan zoiets als ‘ju’ zeggen of zinsconstructies zoeken waarin je het persoonlijk voornaamwoord niet hoeft te gebruiken. Maar als het om professionele contacten gaat, is het natuurlijk van belang er ook rekening mee te houden hoe de ander de onderlinge verhouding ziet.
In de meeste ziekenhuizen loopt het voltallige personeel tegenwoordig met een bordje op de borst waarop in elk geval de voornaam en de achternaam is te lezen. Vaak ontbreekt tot mijn grote ergernis de functie van de betrokkene. Dat leidt tot pijnlijke situaties waarin ik aan de zaalarts nog een kopje koffie vraag en aan de kantinejuffrouw uitgebreid de ontstoken plek in mijn lies laat zien… Die voornaam maakt de dingen ingewikkeld. De specialist stelt zich aan je voor als – ik zeg maar iets – ‘Henk van Leeuwen’, maar voor mij is hij (voorlopig nog) helemaal geen ‘Henk’. Ik antwoord daarom met ‘Van der Voort’, want voor hem ben ik nog in geen velden of wegen ‘Hans’.
Nog ingewikkelder wordt het als de witte vloed je kamer binnenkomt en de zaalarts ineens zo dicht bij je op bed gaat zitten dat je zelfs je knie moet terugtrekken omdat het anders wel erg intiem wordt, en als die zich vervolgens voorstelt als ‘Herman Benner’. Er valt een hoop op mij aan te merken, maar niet eerder deelde ik het bed met iemand wiens voornaam ik nog niet kende…
Als je je sensitief opstelt, is de afstand (dichtbij of wat verder weg), afhankelijk van de situatie, heel belangrijk. Vanuit mijn ziekenhuisbed bezag ik het volgende tafereel op een mooie, rustige zondagochtend. In het bed naast mij lag een (bijzonder aardige) 85-jarige vrouw, die een tumor en veel uitzaaiingen in de darmen had. Behalve wij tweeën waren er geen andere patiënten. Aan het bed van de vrouw zaten haar 60-jarige dochter en schoonzoon.
De rust werd verstoord door een goed gebruinde arts, gestoken in een modieus, geheel wit werkpak, die de oude dame een hand gaf en vervolgens in… de vensterbank ging zitten. Met z’n rug tegen het raamkozijn, één been opgetrokken en op de vensterbank geplaatst, kon hij kiezen of hij naar de patiënte of naar buiten keek. Zijn hoofd was meer dan twee meter van dat fragiele hoofdje van haar verwijderd.
‘Op verzoek van uw arts’, begon hij, zonder eerst het gordijn netjes dicht te doen om mij het zicht op de voorstelling te ontnemen, ‘heb ik uw plaatjes nog even bekeken. Om eerlijk te zijn – ja, ik moet dat eigenlijk helemaal niet tegen u zeggen want ik ken u helemaal niet – maar om eerlijk te zijn is opereren geen optie. Ik denk niet dat ik de boel weer aan elkaar krijg. En een chemokuur – tja, uw eigen dokter moet eigenlijk met u praten – heeft volgens mij ook geen zin. Een hoop pijn en een heel kleine kans op een positief effect.’
Mevrouw begreep het zojuist uitgesproken doodvonnis heel goed en zei: ‘Nou dokter, dan is het dus afgelopen. Ik wil ook helemaal niks meer. Het heeft geen zin.’ ‘Dat is dan afgesproken’, zei hij, ondertussen van zijn vensterbank afhippend. En bij het handen geven: ‘Het allerbeste, hè!’ Waarna hij de zaal verliet.
Dit is de laatste column die Hans van der Voort schreef voor Huisarts en Wetenschap. Hans overleed op 26 juli jongstleden. De redactie is hem zeer erkentelijk voor zijn jarenlange, altijd lezenswaardige bijdragen.
In het NHG-katern achter in dit nummer is een In Memoriam opgenomen.

Reacties

Er zijn nog geen reacties

Verder lezen