Nieuws

Herkenbaar ‘ego-document’ over de geschiedenis van de eerstelijnszorg

Gepubliceerd
24 juli 2009

‘Het gezondheidscentrum, als geheel gezien, is als een levende persoonlijkheid, die geboren wordt, in de kinderschoenen terechtkomt en door puberale storm en drift heen uitgroeit tot jong volwassenheid’. Deze uitspraak deed Willem Altingh von Geusau in 1977, bij een terugblik op de eerste acht jaar Withuis. Wat direct opvalt bij het lezen van het jubileumboek ter gelegenheid van het 35-jarig bestaan van gezondheidscentrum Withuis is dat die jongvolwassenheid nog steeds voortduurt. En dat is niet bedoeld als kritiek, maar eerder als compliment. Het kan niet anders of de lezer raakt onder de indruk van de energie en vitaliteit, van de gedrevenheid om - altijd tegen de stroom in (aanvankelijk van ziekenfondsen en artsenorganisatie, later van toenemende bureaucratisering en marktwerking) - het denken over kwaliteit en, met een lelijk anglicisme patient-empowerment, vorm te geven in de alledaagse praktijk van een multidisciplinair samenwerkingsverband. De redactie van het jubileumboek spreekt van een ‘ego-document’. En dat is het ook geworden. We krijgen geen diepgaande analyses van de politieke, economische en bestuurlijke omstandigheden te lezen, maar verhalen van mensen die betrokken waren en zijn bij een van de oudste gezondheidscentra van Nederland. Over hun ervaringen en ideologisch georiënteerde gevecht om idealen te verwezenlijken. Het boek bevat dan ook veel herkenbaars voor degenen die betrokken zijn geweest bij een gezondheidscentrum, ergens in het land. De problemen in Limburg blijken niet anders dan die in Amsterdam of Groningen. Aanvankelijk drie, later vier bevlogen huisartsen willen samenwerken, niet alleen met elkaar maar ook met andere disciplines als wijkverpleging, maatschappelijk werk, fysiotherapie et cetera. In de loop van het verhaal komt daar de discipline centrumassistentie bij, die een stormachtige ontwikkeling doormaakt in die tijd, en nog weer later POH, diëtiste en sociaal-psychiatrische zorg. Het is achteraf maar goed dat zij zich niet realiseerden hoeveel zorgen zij zich daarmee op de hals haalden. We lezen over wat we nu kunnen beschouwen als achterhoedegevechten. De huisartsen wilden een loondienstverband om te voorkomen dat financiële zaken een optimale zorg in de weg zouden kunnen staan. Dat werd hen door hun collega’s in het algemeen niet in dank afgenomen; zij waren bang voor verlies van autonomie. Achteraf grappig, maar in de jaren ‘80 zeer actueel is de strijd om de verwijskaart. En bijzonder is de bemoeienis van de echtgenotes van de oprichters, die het gevoel hadden dat er met het verdwijnen van de praktijk aan huis iets van hen werd afgenomen. Zij wilden betrokken blijven en bleven nog lang een rol spelen, bijvoorbeeld als redacteur van de patiëntenkrant. We lezen hoe de samenwerking op de werkvloer gestalte krijgt en zich naar ieders tevredenheid ontwikkelt. Hoe daaruit experimentele zorgvormen voortkomen. We lezen ook over frustraties, die vooral voortkomen uit geworstel met bestuursstructuren en uit de problematiek van ‘ dubbele loyaliteit’ bij de gedetacheerden als maatschappelijk werkenden en wijkverpleegkundigen. We zien duidelijk dat het verdeelde werkgeverschap voor grote problemen zorgde en dat nog steeds doet. Logge bestuursstructuren staan kleinschalige experimenten nu eenmaal in de weg. We lezen hoe toenemende managementproblematiek leidt tot conflicten. Wie is er nu eigenlijk de baas? De inmiddels aangestelde directeur of de medewerkers? Evenals op veel andere plaatsen in Nederland leidt dat tot frequent wisselende directeuren. Wat we ook lezen is dat liefst vier van de huisartsen uit Withuis zijn gepromoveerd, voor een belangrijk deel op onderzoek dat plaatsvond in het kader van de zorgvernieuwing op de eigen werkplek. We lezen dat de omgeving Withuis juist in deze tijd van marktwerking ziet als dé plaats ‘waar het klimaat gunstig is voor experimenten, waar de relatie met de academie innig is en nieuwe zorgverleners kunnen worden opgeleid. Er is behoefte aan een kritische club, die vraagtekens durft te zetten bij een al te voortvarende commercialisering en op tijd tegenwicht biedt’, aldus de directeur van de regionale organisatie van huisartsen in Noord-Limburg. Er is dus wel iets veranderd. Niettegenstaande alle ondervonden barrières is er in Venlo, maar ook op heel veel andere plaatsen in Nederland, thans sprake van multidisciplinaire samenwerking en bestaan er honderden gezondheidscentra. Het is goed te bedenken dat die ontwikkeling heeft plaatsgevonden dankzij de inzet van de eerste vernieuwers en onder andere Withuis was het resultaat van die eerste vernieuwers. Een boekje als dit jubileumboek documenteert de geschiedenis van de gewone mens in de eerstelijnszorg en is daarom de moeite waard voor iedereen die thans werkt in een gezondheidscentrum. Niet alleen de tekst, maar zeker ook de vele foto’s vormen een feest van herkenning. Vergaderingen in te lage stoelen, een huisartsopleider die de dag doorspreekt met zijn aios onder het genot van een vette sigaar. Voor de ouderen is het leuk om hun eigen geschiedenis te lezen, voor de jongeren om te weten hoe het allemaal zo gekomen is. Inspirerend is het in ieder geval. Henk van Weert

Reacties

Er zijn nog geen reacties.

Verder lezen