Wetenschap

Het eten van vis en cognitieve achteruitgang

Gepubliceerd
10 april 2006

Vraagstelling

Beschermt het eten van vis en van omega-3-vetzuren tegen leeftijdgerelateerde cognitieve achteruitgang?

Betekenis voor huisarts en patiënt

In de NHG-Standaard Cardiovasculair risicomanagement staat beschreven dat vis het risico op een CVA verlaagt. Vis bevat omega-3-vetzuren; hoe vetter de vis, hoe meer omega-3-vetzuren. De resultaten van deze prospectieve cohortstudie laten zien dat het eten van vis bovendien samengaat met een langzamere cognitieve achteruitgang. Het eten van vis is dus niet alleen nuttig om een CVA te voorkomen, maar kan ook bijdragen aan een remming van de leeftijdsgerelateerde cognitieve achteruitgang. Er zijn echter geen duidelijke aanwijzingen gevonden dat de omega-3-vetzuren verantwoordelijk zijn voor de vertraging van deze cognitieve achteruitgang.

Korte beschrijving

Inleiding In eerdere onderzoeken brengt men het eten van vis in verband met een lager risico op dementie en CVA. Vis is een directe bron van omega-3-vetzuren, een klasse van meervoudig onverzadigde vetten die in twee prospectieve onderzoeken geassocieerd werden met een lager risico op Alzheimer-dementie en cognitieve achteruitgang. In diermodellen bleek dat omega-3-vetzuren noodzakelijk zijn voor neurocognitieve ontwikkeling en het goed functioneren van de hersenen. In dit prospectieve cohortonderzoek wordt onder een grote populatie bejaarden onderzocht of de consumptie van vis en omega-3-vetzuren beschermt tegen leeftijdsgerelateerde cognitieve achteruitgang.1 Patiëntenpopulatie Dit is een onderzoek met 6158 personen van 65 jaar en ouder in een geografisch afgebakend gebied; 62% heeft een donkere huidskleur, 38% is blank. De patiënten zijn deelnemers aan het ‘Chicago Gezondheid en Veroudering Project’. Onderzoeksopzet Tussen 1993 en 1997 werden op baseline een viertal gevalideerde cognitieve tests uitgevoerd. Daarna werd na 3 jaar en na 6 jaar een vervolgtest uitgevoerd. De deelnemers zelf vulden vanaf de aanvang een voedsel-frequentie-vragenlijst (VFV) in. In totaal werden 4390 personen minstens tweemaal cognitief getest (1298 stierven voortijdig). Hiervan vielen 668 mensen af vanwege een onjuiste VFV of omdat ze de vragenlijst te laat afgerond hadden. Uiteindelijk bleven 3718 personen over voor de cognitieve analyse. Uitkomstmaat De primaire uitkomstmaat was de verandering van de cognitieve score. Deze score werd berekend door de afzonderlijke scores van 4 tests te middelen. Resultaten De gemiddelde cognitieve score bij aanvang van het onderzoek was 0,18 gestandaardiseerde units (range –3,5 tot 1,6 SU). De gemiddelde achteruitgang per jaar was voor de totale groep 0,04 SU. De cognitieve achteruitgang was minder bij personen die minstens 1 maal per week vis aten. In het model waarbij gecorrigeerd werd voor leeftijd, geslacht, ras, opleiding en totale energie-inname was de achteruitgang 0,054 SU per jaar voor de niet-viseters, 0,043 SU voor de viseters (1/wk) en 0,039 voor frequente (=2/wk) viseters. Met een extra correctie voor cognitieve en fysieke activiteit en alcoholconsumptie werd het verschil in achteruitgang ten opzichte van niet-viseters, 0,011 SU/jaar (p=0,03) voor de wekelijkse viseters en 0,013 SU/jaar (p=0,04) voor de frequente (=2/wk) viseters. Dit komt overeen met een jaarlijkse reductie van cognitieve achteruitgang van respectievelijk 10% en 13%. Voor een associatie tussen inname van omega-3-vetzuren en cognitieve achteruitgang was geen bewijs (p=0,78). Conclusie van de onderzoekers De onderzoekers concludeerden dat het eten van vis geassocieerd kan worden met een langzamere leeftijdsgerelateerde cognitieve achteruitgang. Verder onderzoek is nodig om te bepalen welk bestanddeel van het vet in de vis verantwoordelijk is voor dit effect. Bewijskracht Prospectief cohortonderzoek (2b).2 Jolanda van Gestel en Arie Knuistingh Neven, LUMC

Reacties

Er zijn nog geen reacties

Verder lezen