Nieuws

Het huisbezoek: een plattelandsfenomeen?

0 reacties
Gepubliceerd
10 maart 2004

Op het platteland legt de huisarts relatief veel huisbezoeken af. Dat verschil tussen stad en platteland doet zich vooral voor bij het jongere deel van de bevolking en minder bij 65-plussers en mensen met een ernstige aandoening.

Meer visites op het platteland

Overdag en op werkdagen is gemiddeld 6,1% van alle contacten (n=805.137) met de huisartsenpraktijk een visite. De plattelandshuisarts legt procentueel ruim twee keer zoveel visites af als zijn collega in de stad ( figuur 1). Het aantal visites per ingeschreven patiënt laat soortgelijke verschillen zien (niet in figuur). Hieronder gaan we in op de vraag of dit verschil zich bij verschillende patiëntengroepen in gelijke mate voordoet. We letten daarbij met name op ouderen en patiënten met een ernstige aandoening. Bij deze groepen legt de huisarts relatief vaak een huisbezoek af.

Leeftijd van de patiënt

In figuur 1 is het percentage visites weergegeven naar leeftijd van de patiënt. De verschillen tussen stad en platteland in het percentage visites blijken zich zowel bij 65-plussers als bij patiënten onder 65 jaar voor te doen. Het verschil tussen stad en platteland is echter sterker bij het jongere deel van de bevolking: bij plattelandsdokters is het percentage visites bij patiënten onder 65 jaar meer dan 2,5 keer zo groot als bij collega's in de grote steden. Bij 65-plussers is dit ongeveer 1,4 keer zoveel.

Ernst van de aandoening

Ook als het gaat om ernstige chronische aandoeningen kiest de huisarts op het platteland wat vaker voor een visite dan zijn collega in de stad. Het verschil tussen stad en platteland is daarbij echter niet zo groot als bij minder ernstige aandoeningen. Ter illustratie staat het percentage visites bij patiënten met kanker (n=5485 contacten) en patiënten met een hartinfarct/beroerte (n=2622 contacten) weergegeven in figuur 2.

Conclusie

Huisartsen op het platteland leggen vaker een huisbezoek af dan huisartsen in de steden. Het verschil tussen stad en platteland is echter relatief klein bij de groepen patiënten boven 65 jaar en patiënten met ernstige aandoeningen. Bij deze patiënten hangt het besluit van de huisarts om al of niet een visite af te leggen dus minder sterk samen met de mate van stedelijkheid dan bij jongere patiënten en patiënten met minder ernstige aandoeningen. Vooral bij deze laatste groepen patiënten blijft het dus de vraag welke overwegingen de huisarts heeft voor het al of niet afleggen van een huisbezoek en hoe deze samenhangen met de mate van stedelijkheid. Een aantal mogelijkheden: verschillende taakopvatting van de huisarts; verschillende preferenties van patiënten – op het platteland stelt de patiënt misschien meer prijs op een huisbezoek; de grotere afstand tussen patiënt en huisartsenpraktijk op het platteland (hoewel verkeersdrukte in de grote steden juist een probleem kan zijn) en een hogere werkdruk van de stadshuisarts. Eerder onderzoek heeft laten zien dat het relatieve aantal visites tussen 1987 en 2001 sterk is afgenomen. In het licht van bovenstaande resultaten is het interessant na te gaan of die daling zich in stedelijke gebieden en op het platteland in gelijke mate heeft voorgedaan.

De hier beschreven analyses zijn uitgevoerd op LINH-gegevens (2002). LINH is een project van WOK, NIVEL, LHV en NHG. In 2002 participeerden 96 huisartsenpraktijken. Voor meer informatie over de hier beschreven gegevens kunt u terecht op de website (www.linh.nl). Reacties naar info@linh.nl.

Reacties

Er zijn nog geen reacties

Verder lezen