Wetenschap

‘Het meest verbijsterende van alle wezens’

Gepubliceerd
20 december 2003

Ziekte komt vaak aangeslopen op kousenvoeten, er zijn wat vage voortekenen die van alles kunnen voorspellen. Maar omdat ze meestal niets te betekenen hebben let je er niet op. Dan komt het moment dat je moet erkennen dat er wel degelijks iets mis is. Meestal is het alleen maar een flinke griep die je in zijn greep houdt en maakt dat niets meer aantrekkelijk is, dat niets meer smaakt en dat zelfs de eenvoudigste activiteit te veel energie lijkt te vereisen. Soms is het een ernstige ziekte waarvan je niet of slechts met moeite kan herstellen. Vaak heb je dan tijd – soms meer soms minder – om je in te stellen op de nieuwe situatie. Soms slaat het noodlot van het ene moment op het andere toe. In De klokken van Bicêtre beschrijft Georges Simenon hoe dat noodlot zich voltrekt bij René Maugras, directeur van een grote uitgeverij. Het verhaal begint als hij ontwaakt in een kliniek. Hij is nog heel ver weg, in een diep, zwart gat, waar het even donker is als op de bodem van de oceaan, zonder contact met de wereld om hem heen. Maar zijn rechterarm begint, zonder dat hij het weet, te bewegen met kleine krampschokjes, terwijl zijn wang met komische regelmaat bij iedere uitademing even op zwelt. Ingewijden vermoeden al op grond van dit beeld dat Maugras waarschijnlijk een CVA heeft gehad. Enkele bladzijden later wordt dat bevestigd. Tijdens een lunch met vrienden is hij op het toilet in elkaar gezakt, getroffen door een hersenbloeding. Hij heeft, zoals een bevriende arts die plots opduikt naast zijn bed het uitdrukt, langzaam en duidelijk, met nadruk op elke lettergreep, een he-mi-ple-gie. Met zijn gehoor is echter niets mis, maar helaas kan hij ook niet praten. Zijn arts bezweert hem dat dat slechts tijdelijk is, en dat ook de hemiplegie uiteindelijk zal verdwijnen. Het lijkt allemaal aan Maugras voorbij te gaan die de tijd die hij nu opeens in overvloed heeft, gebruikt om zijn relaties met zijn huidige vrouw en met zijn dochter uit een eerder huwelijk, zijn loopbaan, zijn keuzes daarin, zijn vriendschappen, kortom zijn leven, te overdenken. Terwijl hij daarmee bezig is, verlangt hij eigenlijk niet meer dan dat. De pogingen van artsen en verpleegkundigen om hem moed in te praten en vooral om hem weer op de been te krijgen ervaart hij als storend bij dit proces. Zelfs als hij na een aantal dagen zijn spraakvermogen terugkrijgt, aarzelt hij om dat aan iedereen kenbaar te maken. Het gaat hem zijn rust kosten, terwijl hij eigenlijk niets liever doet dan nadenken en kijken naar de zonneplekken op de muur van zijn kamer of naar de bewegingen van de verpleegster die hem verzorgt. Zijn genezingsproces laat hem vreemd genoeg volledig onverschillig. De draad van zijn leven volgen, terug naar zijn jeugd, om van daaruit naar het heden te komen is voor hem het enig wezenlijke. De fysiotherapeut die met hem oefent, de artsen die hem aansporen mee te werken aan zijn genezing, verwijten hem dat hij zich terugtrekt. Dat terugtrekken wordt meteen ook uitgelegd als een onderdeel van het ziekteproces, waar met kracht tegen opgetreden moet worden. De toestand waarin een lijder aan hemiplegie aanvankelijk altijd verkeert (…) is die van een nagenoeg totale depressie; hij is er praktisch zeker van dat hij doodgaat of, als dat de eerste dagen niet gebeurt, dat hij voor de rest van zijn leven hulpbehoevend zal blijven… Als de patiënt dan zo ligt, zonder zich te kunnen bewegen, vaak ook zonder te kunnen spreken, verbeeldt hij zich dat hij voorgoed van de wereld afgesneden zal blijven… Dat heb jij ook gedacht, beken het maar (…) We hebben het gevoel, Audoire en ik, en ook de mensen die je verplegen, dat (…) je niet beter wilt worden, dat je houding tegenover ons vijandig is … Niet vijandig. Onverschillig. Neen dat is ook het juiste woord niet. Hij ziet hen anders dan zij zich zelf zien. Hij heeft niet meer dezelfde problemen als zij. Hij is al veel verder dan zij. Mensen moeten beter worden, ze moeten althans de wens hebben dat te worden. Alleen in het meest hopeloze geval mag iemand erin berusten, dat moet zelfs, dat hij niet zal herstellen. Zijns ondanks geneest Maugras, nagenoeg zonder restverschijnselen lijkt het, van zijn CVA. Hij pakt de draad van zijn leven weer op. Hij vraagt zich nog wel af of hij het nog zal kunnen: leven zoals de anderen, maar tegelijkertijd is het duidelijk dat alle dagelijkse beslommeringen hem weer op zullen eisen en dat hij zich weer in zijn werk zal begraven als vroeger. Is dit nu een reëel beeld van het herstelproces na een CVA? Of bieden de foto's die Francesco Cinque in een verpleeghuis maakte en die in dit en de volgende twee H&W-nummers geplaatst worden een beeld dat meer overeenkomt met de werkelijkheid? Ik weet het niet. Simenon schreef een roman. Toch maakt hij duidelijk en aannemelijk dat er een wereld van verschil is in denken en voelen tussen artsen en patiënten, en hij laat ook zien hoe dat in zijn werk gaat. Jan Hein Donner heeft op een heel andere manier ook die kloof laten zien. Hij kreeg een CVA en weigerde zich neer te leggen bij inactiviteit. Hij schreef, tikkend met één vinger, stukjes voor het NRC Handelsblad die gebundeld werden in een boek: Na mijn dood geschreven. In die stukjes schrijft hij met veel humor over de merkwaardige uitwassen van onze Nederlandse samenleving en de treurnissen van een regering waarin het CDA een belangrijke rol speelt. Terloops komt er een niet al te rooskleurig beeld van het leven in een verpleeghuis naar voren. Bij zijn beschrijvingen over het voordringen bij de lift in het verpleeghuis verbleken alle ervaringen met het voordringen, van anderen uiteraard, op zaterdag bij de meest gewilde bakker in het dorp. In diverse columns vat hij zijn ziekte en de gevolgen daarvan samen. Wat mij mankeert wil het overgrote deel weten van de brievenschrijvers (…) ik heb een beroerte gehad, een hersenbloeding, de Engelsen spreken van een ‘stroke’. De 23e augustus 1983. Begin oktober van dat jaar werd duidelijk dat ik zou leven, maar tevens merkte ik in een schildpad veranderd te zijn. Eind 1984 begreep ik dat dat definitief zou zijn. Onvermijdelijk komt hij met een aantal dokters in aanraking en met hun - door hem niet altijd gewaardeerde - manier van denken. In de column van 7 juni 1986, getiteld De dokter, doet hij verslag van een aanvaring met het medisch denken. De duizeligheid in mijn hoofd wilde maar niet minder worden, en ik kwam tot de conclusie dat het aan de pillen lag die ik te slikken kreeg. Ik besloot ze weg te gooien – geen motie van wantrouwen tegen de medische stand – maar ik was zo dom de hoofdzuster daarvan op de hoogte te stellen. (…) De volgende dag was hij er voor dag en dauw. Een nog jonge man, de mij bezwoer mijn medicijnen toch te slikken. (…) In veertig of zestig procent van de gevallen die hadden wat ik had hielpen ze enzovoort, enzovoort. Tot mijn verbazing kwam er precies de denkwijze uit waar ik de grootste hekel aan heb. Daar maakte ik al ruzie om met Barendregt die de psychologie op statistische leest schoeide (…). De causaliteit kan verder wel vergeten worden, de statistiek moest verder worden uitgebouwd. Vooral de farmaceutische industrie en de artsen, die daarvan de handlangers zijn, hoorden dat met genoegen aan. Zij hadden al zolang hetzelfde gezegd. En zo slik ik nu pillen die mij een kans van veertig procent geven. Maar niemand weet waarom. Daar staan we dan, met ons goeie gedrag en onze mondvol epidemiologische gegevens en kansberekeningen. We zijn dol op numbers needed to treat en relatieve risicoreductie, maar we kunnen niet duidelijk maken waarom je pillen moet innemen die misschien in jouw geval wel, maar misschien ook niet voorkomen dat je een tweede CVA krijgt. Simenon voorzag zijn boek van een hoogdravende opdracht: A tous ceux, professeurs, médecins, infirmières et infirmiers, qui, dans les hôpitaux et ailleurs, s'efforcent de comprendre et de soulager Noot 1‘être le plus déconcertant: l'homme malade* De essentie van die opdracht zit in het laatste deel van de zin: onze kennis van ziekte en genezingsprocessen blijft ook nu nog, veertig jaar nadat het boek van Simenon verscheen, lacunair, maar hoe zit het met ons begrip? De klokken van Bicêtre en Na mijn dood geschreven gaan beide over de gevolgen van een CVA. Twee mensen die een CVA kregen: de een geneest, haast zijns ondanks, zonder restverschijnselen, maar is gedurende het genezingsproces in zichzelf gekeerd; de ander laat ondanks zijn forse beperkingen weinig mogelijkheden onbenut om te communiceren, en ons van zijn gedachten op de hoogte te stellen en te laten genieten. Beiden bieden ons de gelegenheid iets meer te begrijpen van dat raadselachtige fenomeen waar we slechts een beperkte invloed op uit kunnen oefenen: het herstel. Met aandacht en verwondering kijken naar de foto's van Francesco Cinque op de voorgaande pagina's is een andere manier om te begrijpen.

Voetnoten

  • Noot 1.

    In de Nederlandse vertaling luidt de opdracht: ‘Aan allen – professoren, artsen, verpleegsters en verplegers – die trachten het meest verbijsterende van alle wezens, de zieke mens, te begrijpen en te helpen.’

Literatuur

  • 0.Jan Hein Donner. Na mijn dood geschreven. Amsterdam: Bert Bakker, 1992.
  • 0.Georges Simenon. De klokken van Bicêtre. Utrecht: Bruna & Zoon, 1963.
  • 0.Georges Simenon. Les anneaux de Bicêtre. Parijs: Presse de la Cité, 1963.

Reacties

Er zijn nog geen reacties

Verder lezen