Nieuws

Huisarts tussen twee wereldoorlogen

Gepubliceerd
10 augustus 2006

‘Tijdens het Interbellum is de huisarts, zoals het NHG zich deze voor ogen had en beschreven heeft in het Woudschoten rapport, geboren’. Dat schrijft Bremer in zijn geschiedkundige boekje Huisarts zijn in het Interbellum. Hij beschrijft als zoon van een huisarts in het interbellum – de periode tussen 1919 en 1939 – uitvoerig de geschiedenis van de huisarts. Met welk doel hij dit doet, wordt mij niet duidelijk bij het lezen van dit boekje. Wel ontdek ik opvallende parallellen met de huidige tijd, waarin het bestaan van de huisarts, volgens sommigen tenminste, wordt bedreigd. Helaas rept de auteur hier in zijn beschouwing met geen woord over. Jammer, want misschien kunnen we van de geschiedenis leren. Bremer stelt in zijn boek een aantal onderwerpen aan de orde, waaronder de opleiding, nascholing, nieuwe ontwikkelingen, wetenschappelijk onderzoek en de dagelijkse werkzaamheden van de huisarts. Hij beschrijft het interbellum als een periode waarin het geboorte- en het sterftecijfer daalde en de levensverwachting steeg. De groei van het aantal medisch specialisten vormde een bedreiging voor de huisarts omdat de gezondheidszorg van extra- naar intramuraal verschoof, en de rol van de huisarts veranderde. Huisartsen moesten reageren op ‘de verzuiling’ en de beurskrach van 1929 met de grote werkeloosheid en de heersende armoede. De grootste invloed op de huisartsgeneeskunde had echter het Ziekenfondsenbesluit van 1941, net na het interbellum. Hierin werd het fundament van de huisarts definitief geregeld: de ‘inschrijving op naam’. De huisarts als ‘vrije beroepsbeoefenaar’ stond onder druk doordat de ziekenfondsen zich dreigden te gaan bemoeien met de behandeling van patiënten. De specialisten gaven de opleiding van huisartsen vorm. Zij schreven de leerboeken en de huisarts moest maar zien hoe hij de noodzakelijke kennis bij elkaar moest sprokkelen. Huisartsen deden nauwelijks aan wetenschappelijk onderzoek in het interbellum. Er waren wel gepromoveerde huisartsen, maar die deden hun promotieonderzoek niet in de huisartsenpraktijk. Dit kwam volgens Bremer doordat huisartsen in die tijd nauwelijks iets registreerden over het patiëntencontact. Ook kreeg de huisarts extra taken in deze periode, zoals de preventieve geneeskunde, maar wie dit extra werk moest gaan betalen bleef onduidelijk. Voor psychiatrie was er nauwelijks belangstelling, en de tandheelkunde hoorde ook bij het werkdomein van de huisarts, hoewel deze daarin niet of nauwelijks geschoold was. Wat leer ik nu als jonge huisarts van deze geschiedschrijving? Een veranderende rol van de huisarts, de inschrijving op naam, de dreiging dat derden zich met de behandeling van patiënten zouden gaan bemoeien en gesteggel over financiering: waren dat ook niet de items waar het in het afgelopen jaar meermalen om draaide? De huisarts heeft het interbellum in ieder geval overleefd. De bedreigingen van deze tijd zullen we dus ook wel overleven. T.C. olde Hartman

Reacties

Er zijn nog geen reacties

Verder lezen