Nieuws

Intermezzo

Gepubliceerd
10 april 2002

De Vlaamse schrijver Gerard Walschap schreef een novelle met als titel Genezing door aspirine. De hoofdpersoon is van kleins af keelpijnlijder. ‘Ziek zat ik aan de stoof of het venster, omwonden met een dikke sjaal, magerkens, bleekskens, en wat een ogen had ik toen! Voor een cent trok ik ze wijd open en liet ze bliksemen van woede. Geen oom, tante, kozijn, nicht, die er die cent niet voor overhad, want zij hadden zulke ogen, zeiden zij, nog nooit gezien’. Nu is hij volwassen, getrouwd en heeft kinderen. En de keelpijn keert terug. Hij waant zich ten dode opgeschreven, overpeinst zijn leven en het lot van vrouw en kroost. Met tegenzin wendt hij zich tot de huisdokter. ‘Ik zal, Marie, mijn driften bedwingend, mijn hovaardige gedachten verdrijvend, denken aan u en de kinderen een bescheiden, sympathieke indruk maken. Ik zal niet denken: bij verdommese stommerik, gij omhooggekropen slak, gij prententieuze, vuile intrigant, ik verga liever tot niespoeder dan u iets te vragen.’ Hij krijgt aspirine, valt in slaap en ontwaakt de volgende dag: ‘En zie ik leef voort en ik verzeker u: niet zo maar. Neen, jong en sterk en alle dagen lach ik. Uit volle borst, ongedwongen, joviaal en onaanraakbaar lach ik.’ Het is de onaanraakbaarheid van de genezene. Aspirine. Hans van Maanen, wetenschapsjournalist van het Parool, noemt het in zijn boekje Uit de oude dokterstas een ‘wondermiddel’. ‘Mag het aspirientje in de dokterstas ontbreken?’, vraagt hij zich vervolgens af: ‘Ach ja, het heeft geen diagnostische betekenis en het werkt niet pijlsnel, waardoor de dokter er niet veel aan heeft in acute situaties. Toch hebben de meeste huisartsen het wel in hun tas – als was het maar voor zichzelf.’

Reacties

Er zijn nog geen reacties

Verder lezen