NHG forum

Interview met

Gepubliceerd
10 december 2001

Richard Grol is als hoogleraar ‘kwaliteit van zorg’ verbonden aan het UMC St. Radboud te Nijmegen en de Universiteit Maastricht. Verder is hij adviseur van het NHG-bestuur en buitengewoon actief in de internationale huisartsenwereld. Als coördinator van de Werkgroep Onderzoek Kwaliteit Huisartsgeneeskunde (WOK) is hij verantwoordelijk voor het Evaluatieproject GGZ. Wij interviewden hem over de gehouden ‘nulmeting’ en zijn overige bevindingen op het gebied van de kwaliteit van de geestelijke gezondheidszorg door de huisarts.

Wat gaat de WOK nog meer doen rond het thema van de GGZ?

‘Samen met het NHG en de LHV is een heel programma opgesteld om de activiteiten van de komende jaren te evalueren. We willen kijken wat er over een paar jaar is veranderd, vooral gelet op het feitelijk handelen van huisartsen. Worden de richtlijnen van het NHG ook opgevolgd? En zo niet, wat zijn dan de problemen? We willen een aantal programma's ontwikkelen die de huisarts kunnen helpen om beter met GGZ-problematiek om te gaan. En vervolgens willen we kijken of die programma's ook echt werken. Ook zal worden gekeken naar de kant van de patiënten. Hoe ervaren die de rol van de huisarts bij GGZ-problemen? Wat voor soort hulp wil de patiënt van de huisarts en wat loopt daarbij goed en minder goed? Dit is maar een greep uit de onderzoeken die we de komende jaren zullen gaan uitvoeren, maar dit geeft wel een aardig beeld, denk ik.’

Wat vind je de meest verrassende uitkomst van de nulmeting?

‘De grootste problemen die huisartsen ervaren zijn eigenlijk niet zo verrassend. Wat mij het meest aansprak was dat huisartsen zeggen dat zij het een moeilijk toegankelijk veld vinden. Ze hebben dan ook behoefte aan directe steun vanuit dat veld. En aan een betere sociale kaart. Ze willen informatie, liefst online, over waar ze met welke patiënten terecht kunnen. Opvallend is dat bijna alle huisartsen die in de afgelopen tijd iets hebben gedaan aan nascholing op het gebied van GGZ, daarbij hebben gekozen voor depressie. Andere onderwerpen hebben veel minder aandacht gekregen, ook niet als de huisartsen zelf aangeven dat ze er wel problemen mee hebben. Ik denk dat dat is omdat er zoveel nieuwe middelen voor stemmingsstoornissen op de markt zijn gekomen. Er is veel minder nascholing gevolgd over gerelateerde problemen, zoals angststoornissen. Verder zie je duidelijk dat spanningsgerelateerde en nerveus-functionele klachten weer terug zijn op de agenda. Daarvoor was in de jaren zeventig en tachtig al heel veel aandacht, maar nu blijkt dat huisartsen hiermee toch grote moeite houden. En tot slot blijken er op veel plaatsen al goede relaties met vooral eerstelijnspsychologen te zijn gecreëerd.’

Waarop moet het NHG zich de komende tijd richten, vind je?

‘Er moet minder accent worden gelegd op het alleen maar maken van nascholingsprogramma's. De grootste behoefte bestaat aan praktische producten, bijvoorbeeld een sociale kaart, liefst gedigitaliseerd. Dus het NHG moet niet alleen met informatie komen over allerlei ziekten, maar ook aandacht besteden aan dingen die voor het huisartsenwerk net zo belangrijk zijn, gericht dus op taakuitvoering en samenwerking.’

En heb je nog een boodschap aan de huisarts zelf?

‘Veel van de “gewone” psychische problemen zijn bij uitstek een taak voor de huisarts. In toenemende mate zijn er ook oplossingen voor de problemen die daarbij worden ervaren binnen handbereik. Huisartsen zullen merken dat dit deel van hun werk, als zij goed kunnen diagnosticeren, verwijzen en samenwerken, heel effectief en dus heel bevredigend kan zijn.’ (AS)

Reacties

Er zijn nog geen reacties

Verder lezen