NHG forum

Interview met Jos De Smedt

Gepubliceerd
10 november 2001

Samenvatting

Al zes jaar hanteert Jos De Smedt de voorzittershamer van de WVVH. Bovendien zit hij vele werkgroepen en commissies voor. De twee dagen per week die hij op het WVVH-kantoor doorbrengt, zitten dan ook vol met besprekingen en vergaderingen. Toch praktiseert hij fulltime als huisarts in een van de weinige groepspraktijken die Vlaanderen rijk is. Hij is een idealist, maar dan wel een met een flinke dosis nuchterheid. We spraken over de positie van de huisartsgeneeskunde in Vlaanderen en de rol van de WVVH.

Er is nogal wat gaande in de Vlaamse huisartsgeneeskunde. Hoe komt dat?

‘Het imago van het vak staat onder druk. Veel huisartsen stoppen vroegtijdig; die gaan iets anders doen of – dat merken we recent – ze vertrekken naar Nederland. Het gezondheidszorgsysteem in Vlaanderen vraagt een erg grote tijdsinzet. En omdat wij geen inschrijving op naam hebben, moet veel service verleend worden om patiënten te winnen of te behouden voor de praktijk. Dat veroorzaakt veel stress. En de beloning is niet in verhouding.’

In de beloningsstructuur worden nu toch veranderingen doorgevoerd?

‘Ja, we zitten nu middenin de ontwikkeling naar een andere vergoedingenstructuur. De huisarts is recent aangewezen als beheerder van het globaal medisch dossier (zie het kader op pag. 578 – Red.) waar een vaste vergoeding tegenover staat. Dit zal mei volgend jaar definitief ingang vinden. Eigenlijk wordt daarmee een aanvang gemaakt met een inschrijving op naam van de patiënten. Verder zijn er wel praktijkvergoedingen en accrediteringsvergoedingen, maar die bedragen liggen heel laag. Het grootste deel van de inkomsten van de huisarts zal dus uit de verrichtingen blijven komen.’

Hoe komt het dat Vlaamse huisartsen zo hard werken, terwijl zij veel minder patiënten van zorg voorzien dan hun Nederlandse collega's?

‘Er zijn vele verschillen. Wij zijn eerder bereid om patiënten naar het spreekuur te laten komen of hen terug te zien. Bovendien leggen wij veel huisbezoeken af. De patiënten zijn dus tevreden, want hun huisarts verzorgt hen goed. En die tevredenheid is belangrijk voor de huisarts; dan gaan de patiënten niet naar een “concurrent” of rechtstreeks naar de specialist, want ook die is in België vrij toegankelijk. In Nederland wordt veel gedelegeerd aan de assistente. De Vlaamse huisarts heeft geen assistente en doet dus alles zelf. In feite is er per Nederlandse huisarts altijd sprake van een team van twee mensen. Dan is er nog de consultduur; die is hier gemiddeld vijftien minuten bij mannelijke en twintig minuten bij vrouwelijke huisartsen. Natuurlijk komen daar telefonische consulten tussendoor, en valt ook de afhandeling van de papierwinkel binnen het consult, maar toch is dat lang. Wie een moeilijk gesprek moet voeren, plant een dubbel consult, dus van een halfuur. Dat gevoegd bij de reistijd die verloren gaat met al die huisbezoeken, maakt dat de tijdsinvestering er hier heel anders uitziet. Verder kunnen werknemers hun huisarts niet onder werktijd bezoeken, dus houden wij avondspreekuren. Diezelfde werknemers moeten een attest hebben van hun huisarts als zij ziek thuisblijven, en zo zien wij patiënten met een griepje die in Nederland nooit naar de huisarts gaan. Maar het ziekteverzuim in België ligt mede daardoor wel lager dan in Nederland.’

Weigeren huisartsen ooit een ziekteattest aan een patiënt, gezien de onderlinge concurrentie?

‘Als een arts het niet eens is met de patiënt, ontstaat er natuurlijk wel een discussie over het al dan niet gerechtvaardigd zijn van het ziekteverzuim. Maar ja, er worden wel oneigenlijke ziekteattesten afgegeven, zoals er ook verwijzingen zijn die de arts niet altijd nodig vindt. Als een patiënt met hoofdpijn bijvoorbeeld op een foto blijft aandringen, zal de huisarts wellicht een discussie aangaan, maar echt weigeren is er niet gauw bij.’

Van regeringszijde wordt nu echter aangegeven dat het wel erg duur wordt allemaal…

‘Er zal inderdaad moeten worden gesnoeid in de kosten van de gezondheidszorg, net als in andere Europese landen. Bij ons wordt tamelijk gemakkelijk voorgeschreven. Dat wordt voor een deel veroorzaakt doordat een patiënt niet graag 620 franc neertelt voor een consult, als slechts een adviesje wordt gegeven om onder de wol te kruipen en te wachten tot het vanzelf overgaat. Maar ook door televisiereclames willen patiënten graag een recept, want daarvan is de boodschap al gauw dat bijna alles is op te lossen met een pilletje. Een ander probleem is dat niet altijd oordeelkundig gebruik wordt gemaakt van de diagnostische mogelijkheden. Soms wordt eenzelfde onderzoek diverse malen herhaald door verschillende disciplines, omdat onderling niet goed wordt gecommuniceerd. Op dergelijke gebieden kan veel worden bezuinigd.’

Zijn de terughoudende Nederlandse standaarden in Vlaanderen niet toepasbaar?

‘We kijken bij de ontwikkeling van onze aanbevelingen natuurlijk wel naar de standaarden, maar de situatie is hier fundamenteel anders. Ik denk trouwens dat dat voor alle landen geldt: aanbevelingen kunnen niet klakkeloos worden overgenomen, maar moeten worden toegeschreven naar de eigen situatie. De randvoorwaarden voor de richtlijnen, en met name de implementatie ervan, verschillen in België sterk. Neem alleen al de situatie dat hier de specialistische geneeskunde zich ook op de eerste lijn beweegt. En de omkadering is anders, onder meer wat betreft diagnostische aanvragen.’

Wat is duidelijk beter in de Belgische gezondheidszorg?

‘Dat er geen wachttijden zijn. Er is dan ook recent verkeer merkbaar van Nederlandse patiënten naar België. Ik zag bijvoorbeeld een Rotterdamse man met echt ernstige plasproblemen die bij mij in het consult zat te huilen van ellende. In het Nederlandse ziekenhuis moest hij nog drie weken wachten op onderzoek, maar hier kon hij meteen terecht. Diezelfde avond was de diagnose gesteld en kon de medicatie starten. Die man was de hemel te rijk.’

Hoe zijn de diensten in Vlaanderen geregeld?

‘In de weekends bestaat overal in Vlaanderen een wachtdienstregeling. Theoretisch gaat die zaterdagmorgen om acht uur in, maar de meeste huisartsen hebben dan nog een ochtendspreekuur, dus in de praktijk begint de weekenddienst meestal pas zaterdagmiddag. Wat betreft de doordeweekse nachtdienst, zijn alleen in de grotere steden wachtdienstregelingen. Ikzelf heb makkelijk praten, want ik werk in een groepspraktijk en wij wisselen met z'n vieren onderling de nachtdiensten af. Wil je dat als solist regelen, dan zul je daarover zelf afspraken moeten maken met een collega in de buurt.’

Waarom bestaat er dan zoveel weerstand tegen een betere onderlinge samenwerking?

‘Men raakt een stukje vrijheid kwijt. Het “bezit” van een eigen patiëntenkring moet anders worden bekeken. Er is angst voor onderlinge controle. En er zijn natuurlijk financiële beslommeringen. De eerste groepspraktijken waren politiek gezien nogal “links”, ook dat roept weerstand op. Al was het maar omdat er toen gezondheidscentra waren die alleen de tarieven berekenden die patiënten konden terugvorderen van de zorgverzekeraars, dus zonder de “remgelden”. Daardoor ontstond oneigenlijke concurrentie. En tot slot is er vrees voor ongelijke berechtiging, onder meer vanwege de startsubsidies voor groepspraktijken.’

Is het wel een taak voor een wetenschappelijke vereniging om samenwerking te stimuleren?

‘Het artsensyndicaat heeft daar inderdaad nogal kritiek op. Wij hebben wel het idee gehad dat de kwaliteit van zorg in een groepspraktijk beter zou zijn, maar dat is wetenschappelijk niet aangetoond, dus daarin zit geen rechtvaardiging van onze bemoeienis. Er is echter een ander zeer belangrijk punt. De WVVH vindt dat de huisarts nog altijd een belangrijke figuur is in het gezondheidszorgsysteem en er zijn nu voor het vak vele negatieve ontwikkelingen. Er is schrikbarend veel uitstroom. Er komen steeds meer vrouwelijke artsen voor wie het onacceptabel is dat zij er niet een normaal gezinsleven op kunnen nahouden en dat er geen goede zwangerschapsregeling is. Bovendien willen jonge huisartsen, óók mannelijke, niet meer op de oude manier werken. Die willen dat hun werkdag op een redelijke tijd eindigt en dat een kwalitatief goed privé-leven mogelijk is. De solistisch werkende huisarts die zeven dagen van de week 24-op-24-uurs zorg levert, raakt uit de tijd. Als we willen dat de huisarts blijft bestaan, zullen we ervoor moeten zorgen dat het vak aantrekkelijk blijft volgens moderne maatstaven. Wij vinden dat we als wetenschappelijke vereniging een taak hebben in het maatschappelijk debat daarover. De WVVH heeft dus activiteiten ontwikkeld om meer onderlinge samenwerking te realiseren. We bekijken hoe samenwerkingsinitiatieven kunnen groeien. En we zorgen voor coaching, facilitating en juridische bijstand.’

Kunt u iets vertellen over een ander speerpunt van de WVVH, het kwaliteitsbeleid?

‘Eigenlijk is het onze hoofdbeleidslijn dat wij proberen de kwaliteit van het huisartsgeneeskundig functioneren te verbeteren. Dat gebeurt op velerlei terreinen. Het ontwikkelen van de aanbevelingen voor een goede medische praktijkvoering is daar een van. Dan zijn er nog de deskundigheidsbevorderingspakketten, de handleidingen, cursussen en vele andere producten en activiteiten die op kwaliteitsbevordering zijn gericht. Ook gaan we wel zelf naar praktijken om te bezien wat nog kan worden verbeterd. De “kwaliteitscyclus” van Richard Grol wordt ook hier veelvuldig toegepast.’

Wat vindt u beter in de Nederlandse situatie?

‘Dat je naast je werk als huisarts de mogelijkheid hebt om nog iets anders te doen. Als je bijvoorbeeld activiteiten voor het NHG verricht, krijg je daar in Nederland ook de ruimte voor. En bij jullie kan een congres gewoon op vrijdag worden georganiseerd, want dat is dan vol. Hier moet dat op zaterdagmiddag, anders komt er geen mens. Als ik vanavond thuiskom, moet ik nog gewoon spreekuur houden en visites afleggen.’

Over anderhalf jaar loopt uw voorzitterschap af. Wat wilt u dan bereikt hebben?

‘Het belangrijkst was de herstructurering van de gezondheidszorg: het beheer van het GMD en een andere beloningsstructuur. Daaraan en aan kwaliteitsverbetering is de afgelopen jaren heel hard gewerkt, ook door anderen. Wat nu nog moet gebeuren is dat het imago van het vak verbetert. De werkomstandigheden moeten zodanig worden, dat het vak weer aantrekkelijk wordt. Dat wil ik nog graag gerealiseerd zien.’ (AS)

Reacties

Er zijn nog geen reacties

Verder lezen