Nieuws

Intieme vloek

Gepubliceerd
10 januari 2005

Met schrijversgretigheid gebruiken vrouwelijke auteurs een moeilijke of pijnlijke menstruatie in hun fictieve werk, zoals Connie Palmen in De vriendschap en Renate Dorrestein in Buitenstaanders. En vermoedelijk zal er geen (auto)biografie van een vrouw zijn, die geen melding maakt van menstruatieklachten… Zo bleef Virginia Woolf altijd de eerste dag in bed (zie de biografie van Hermione Lee). Laat ik mij echter beperken tot de Nederlandse letteren. In het eerste deel van haar Omzien in verwondering schetst Annie Romein-Verschoor de verschrikkingen van het ongesteld zijn: ‘Het optreden van de menstruatie in de loop van mijn veertiende jaar was evenmin een verrassing voor me als ma's reactie erop: “och, och. An ook al een vrouw,” en het uitreiken van banddoeken. Wel een verrassing, en geen aangename, was de ervaring van wat de Engelse vrouwen naar mijn mening niet ten onrechte the curse noemen. Ik heb er heel wat meer onder geleden dan onder de paradijsvloek.’ Het betekende voor haar ‘dat ik me vier of vijf dagen van iedere maand doodongelukkig voelde met krampende pijnen, duizeligheid en dreigende flauwtes en een drukkende melancholie die zich niet liet wegredeneren door de zekerheid dat het natuurlijk dáárvan kwam. Thuis kon er (…) niet over gesproken worden en het verlossende aspirientje heb ik pas in mijn Leidse jaren leren kennen, hetzij omdat het niet eerder bestond, hetzij omdat ma er nooit behoefte aan had gehad. We gingen om zes uur naar school en kwamen om half twee thuis. Ik had hevige bloedingen die zich met één doek niet lieten stelpen, dus deed ik er drie over elkaar. Wij droegen witte “bébéjurken” en dus vroegen de meisjes uit de klas, als ze aan het eind van een uur opstonden, over en weer elkaar gespannen, misschien wel wat opgeschroefd gespannen, of je “niets zag”. Voor het bord komen was een kwelling van onzekerheid, urenlang op die prop katoen zitten ook, en ik had bovendien het gevoel voortdurend in een wolk van dierlijke stank te lopen die iedereen moest opmerken.’ Haar beschrijving past in het gangbare literaire beeld van de menarche: een stigma. ‘De weerzin tegen het “vrouw zijn”, waarmee dit alles me wel moest vervullen’ doet Romein-Verschoor ‘weerloos en verstard staan’. Maar anders dan veel van haar seksegenoten zal de menstruatie bij haar pijnlijk en moeilijk blijven, want die ‘menstruatienarigheden’ lopen als een rode draad door haar autobiografisch werk. Het is voor haar een vloek, een intieme vloek.

Reacties

Er zijn nog geen reacties

Verder lezen