Nieuws

Ja zuster, neen zuster

0 reacties
Gepubliceerd
6 juli 2010

Praktijkondersteuners/-verpleegkundigen (POH’s) zijn niet meer weg te denken uit de huisartsenpraktijk. Nog maar tien jaar geleden hadden we nauwelijks van ze gehoord, maar inmiddels is de POH onmisbaar. Haar inzetbaarheid – een POH is meestal een vrouw – lijkt grenzeloos. We begonnen met het delegeren van diabetes- en hypertensiecontroles, daarna werd het aandachtsgebied breder: hartfalen, COPD, cardiovasculair risicomanagement, psychische klachten, stoppen met roken, open benen. Het is wonderlijk hoe snel de dagelijkse praktijk voor chronische aandoeningen is veranderd, terwijl de evidence die aantoont dat dit verstandig is nog grotendeels ontbreekt.

Effectief

In deze H&W proberen we dat kennishiaat te dichten. Voogdt et al. keken hoe effectief cardiovasculair risicomanagement door een POH is bij patiënten met een verhoogd risico op hart- en vaatziekten. Ze vergeleken dit met de usual care van de huisarts. Na een jaar follow-up bleek de POH het zeker zo goed te doen als de huisarts. Bloeddruk, BMI en rookgedrag verschilden niet tussen de groepen, maar in de POH-groep was het totaalcholesterol sterker gedaald dan in de huisartsengroep. De POH deed het (samen met haar huisarts) in dit Maastrichtse onderzoek dus beter dan de huisarts alleen. In een ander in Limburg uitgevoerd onderzoek screenden Lamers et al. oudere patiënten met COPD of diabetes op stemmingsproblemen. Ze onderzochten of screenpositieve patiënten zijn gebaat bij een minimale psychologische interventie door een POH. Dat bleek inderdaad het geval, de depressieve symptomen verminderden op alle fronten en zelfs het HbA1c daalde in de interventiegroep significant. Ook hier werd de POH-interventie vergeleken met usual care.

Werkwijze

Wat leren we van deze onderzoeken? Ze laten beide zien dat er in de praktijken vaak werk blijft liggen. Dat heeft te maken met de werkwijze van de huisarts: hij reageert vooral op hulpvragen van de patiënt, terwijl de POH veelal protocollair en proactief werkt. Zij geeft de dingen extra aandacht. In de beschreven onderzoeken betekende usual care dan ook dat de huisarts geen extra aandacht had voor de betreffende problematiek – er was immers geen hulpvraag – terwijl de POH, die ook nog eens extra werd getraind, die aandacht wel had. Interessant is dus niet zozeer de vraag wie het beter deed, maar wel de constatering dat het werk van huisarts en POH complementair is. Samen leveren ze de beste zorg. Alle reden dus om de POH in de huisartsenpraktijk in de volle breedte te handhaven. Maar daar ligt ook een punt van aandacht. Het ‘opknippen’ van patiënten is volgens het gangbare paradigma onwenselijk. Patiënten zouden in de huisartsenpraktijk dus niet naar twee of drie verschillende POH’s moeten voor hun verschillende chronische aandoeningen. We willen het liefst een POH die lijkt op de huisarts: eentje die persoonlijke, continue en integrale zorg levert aan de aan haar toevertrouwde individuen. Een wetenschappelijk interessante vraag is dan wat de toepassing van dat paradigma betekent voor de effectiviteit van die POH. Moeten we streven naar POH-specialisten of naar -generalisten? En dat is het leuke van wetenschap. Het is nooit af, er zijn steeds nieuwe vragen. Nu het nieuwe onderzoek nog! Henk Schers

Reacties

Er zijn nog geen reacties

Verder lezen