Wetenschap

Jeugd-ggz? Terug naar vroeger graag

0 reacties
Gepubliceerd
31 oktober 2018
In 2015 werd de nieuwe Jeugdwet ingevoerd, ondanks heftige protesten uit het veld. Gemeenten werden verantwoordelijk voor de organisatie van alle vormen van jeugdhulp, waaronder de geestelijke gezondheidszorg voor kinderen en jeugdigen met psychische aandoeningen. Wat is daarvan terechtgekomen en wat merken huisartsen ervan?
Protest bij de invoering van de nieuwe Jeugdwet.
Protest bij de invoering van de nieuwe Jeugdwet.
© Hollandse Hoogte

Ontzorgen, demedicaliseren en normaliseren, dat was het motto van de nieuwe Jeugdwet die in 2015 van kracht werd.1 Door de zorg voor jeugdigen over te hevelen naar de gemeenten (transitie) zou het allemaal veel beter worden (transformatie).2

Uit dat motto sprak grote onbekendheid met psychische aandoeningen bij kinderen, zoals autisme, dwangstoornis, depressie, anorexia of Gilles de la Tourette. Het rapport waarop het wetsvoorstel gebaseerd was, ging voornamelijk over de jeugdzorg. Andre Rouvoet, destijds minister voor jeugd en gezin, stelde nog voor de Jeugd-ggz buiten de transitie te houden, maar dat mocht niet baten. Ondanks felle kritiek en intensieve acties werd de wet aangenomen. Het enige substantiële resultaat dat de acties opleverden, was het amendement-Keijzer: de huisarts kon rechtstreeks blijven verwijzen naar de specialistische jeugdhulp (onder die noemer viel de Jeugd-ggz binnen het nieuwe stelsel).3 Gemeenten waren hier niet blij mee: in het oorspronkelijke voorstel zou alle jeugdzorg verlopen via hun wijkteams en het amendement creëerde een verwijsstroom waarop zij geen greep hadden maar waarvoor zij wel moesten betalen. Staatssecretaris Van Rijn bezwoer de Eerste Kamer weliswaar dat gemeenten niet op de stoel van de huisarts zouden gaan zitten, maar het was niet moeilijk te voorspellen dat ze dat toch zouden proberen.

Hoe is de praktijk nu, ruim drie jaar later? Vriend en vijand zijn het erover eens dat er op diverse fronten grote problemen zijn; van de transformatie is niets terechtgekomen. Wat dat voor huisartsen betekent, weten we eerlijk gezegd niet precies. In elk van de bijna 400 Nederlandse gemeenten is het weer anders, totaalcijfers ontbreken. We moeten het hebben van horen zeggen en gissen. Er zijn forse wachtlijsten, soms is de zorg tegen het eind van het jaar al ‘op’ en nodigt een gemeente huisartsen uit voor een gesprek over de verwijzingen naar de specialistische ggz. Maar of huisartsen zich onder druk gezet voelen durf ik niet te zeggen. In Amsterdam was er even sprake van dat huisartsen een plan zouden moeten invullen, maar dat ging niet door.

Wat mij zorgen baart, is dat zelfs voor een professional niet meer te overzien is hoe de jeugdzorg in iedere gemeente geregeld is, welke gemeente nog wel geld heeft en welke niet, en met welke aanbieders die gemeente een contract heeft. Voor een huisarts lijkt het me helemaal ondoenlijk het overzicht te bewaren, ook al omdat de situatie elk jaar verandert. Het zal ook de informatieoverdracht geen goed doen dat de Jeugd-ggz uit het medische domein is gehaald. Ik denk dat de huisarts van veel ontwikkelingen niet meer op de hoogte wordt gebracht en dat zal alleen maar erger worden. De identiteit van de Jeugd-ggz vervaagt en voor een huisarts wordt het steeds lastiger te bepalen waar hij zijn patiënt het best heen kan sturen. Als de Jeugd-ggz niet terugkeert naar de gezondheidzorg, zie ik het somber in.

Men zegt dat een nieuwe stelselherziening niet te verwachten is, maar ik vind het niet reëel dat een beschaafd land de geestelijke gezondheidszorg voor zijn kinderen zo op zijn beloop laat. Op den duur zal de Jeugd-ggz geen gemeentelijke voorziening meer zijn, maar weer worden ondergebracht bij de medische zorg met de huisarts als eerste lijn. Volgens mij maak ik dat nog mee.

Oosterhoff M. Jeugd-ggz? Terug naar vroeger graag. Huisarts Wet 2018;61(101):DOI:10.1007/s12445-018-0303-0.
Mogelijke belangenverstrengeling: niets aangegeven.

Reacties

Er zijn nog geen reacties