Nieuws

Joodse artsen en de holocaust

0 reacties
Gepubliceerd
20 mei 2001

De schrijver van dit boek, Jacob Coppenhagen, geboren in Amsterdam in 1913, was een joodse onderwijzer die als enige van zijn familie de holocaust overleefde. Na de oorlog vertrok hij illegaal naar Israël, waar hij later in Jeruzalem het Bibliographic Institute beheerde. Hier was een groot aantal gegevens van het Nederlandse jodendom opgeslagen. Coppenhagen wilde de herinnering levend houden aan de joden die in de oorlog waren vermoord. Zo heeft hij biografische en bibliografische gegevens vastgelegd van joodse artsen die in de oorlog waren omgekomen. Deze gegevens zijn aanvankelijk gepubliceerd in een zeer beperkte oplage. Van Lieburg heeft er nu, aanvankelijk samen met de auteur, naar gestreefd dit overzicht opnieuw voor een groot publiek uit te geven. Een eerste indruk van dit mooi uitgegeven boek, is die van afschuw. De namen van 208 joodse medici uit Nederland die tijdens de Tweede Wereldoorlog zijn overleden, staan vermeld, soms vergezeld van hun foto. Onder hen treft men namen aan van artsen die ook bij de huidige generatie van artsen niet onbekend zijn. A.A. Hijmans van den Bergh, bekend van het Leerboek der inwendige ziekten, overleed door suïcide in september 1943; H. Pinkhof, auteur van het bekende Geneeskundig woordenboek, overleed in Westerbork op 16 juli 1943. Van Pinkhof wordt tevens gemeld dat vijf zoons in de holocaust omkwamen; drie dochters overleefden de oorlog.

Van Lieburg heeft de uitgave van een indrukwekkende inleiding voorzien. Hij behandelt daarin de geschiedenis van de Nederlandse artsen in oorlogstijd en in het bijzonder die van de joodse medici. Deze laatsten hebben vóór de oorlog vaak een belangrijke rol gespeeld in de geneeskunde, bijvoorbeeld als onderzoeker of als arts in de samenleving. Opvallend is dat de geschiedenis lange tijd is gedomineerd door die van het artsenverzet. Daardoor zijn mogelijk, althans volgens Van Lieburg, de lotgevallen van de Nederlands medici in het algemeen en die van de joodse collegae in het bijzonder lang buiten de schijnwerper van de medische geschiedschrijving gebleven. Zo blijkt nu dat de joodse vluchtelingen hier lang niet altijd op een gastvrij onthaal konden rekenen. Onze joodse collegae die hier de praktijk wilden uitoefenen, moesten hun examens erkend zien te krijgen en kregen te horen dat Nederland met een artsenoverschot te kampen had. Na de oorlog bleek ook dat het verzet van de Nederlandse artsen tegen de anti-joodse maatregelen veel minder krachtig is geweest dan tegen andere maatregelen van de bezetter. Duidelijk is dat de Nederlandse bevolking niet alles heeft gedaan om de ramp die de joden overkwam, te voorkomen dan wel in ernst te doen verminderen, uitzonderingen daargelaten. Het werk van Coppenhagen is een monument ter nagedachtenis aan hen die het slachtoffer werden van een waanzinnige rassenhaat en een waarschuwing voor de huidige generaties.

Reacties

Er zijn nog geen reacties

Verder lezen