Praktijk

Kennistoets: antwoorden

Gepubliceerd
2 oktober 2013
1. Juist / 2. Onjuist / 3. Juist
Het lichamelijk onderzoek ter differentiatie tussen een structurele en niet-structurele kyfose (houdingsanomalie) bestaat uit drie onderdelen. Eerst wordt het kind gevraagd recht te gaan staan met de schouders naar achteren en de kin omhoog. Daarna bukt het kind voorover. Tot slot tilt het kind in buikligging hoofd, borst en benen op van de onderzoekstafel. Bij een structurele kyfose is deze niet actief te corrigeren met bovengenoemde tests en is bij vooroverbuigen een knik in de contour van de wervelkolom zichtbaar.
Visser JD. Kinderorthopaedie: pluis of niet pluis. Een leidraad voor de eerstelijnsgezondheidszorg. 10e druk. Groningen: Van Denderen, 2009.
4. Onjuist / 5. Juist / 6. Juist
Risicofactoren voor een extra-uteriene graviditeit (EUG) zijn: aanwijzingen voor tubapathologie (PID, een eerdere EUG, of subfertiliteit in de anamnese); tubachirurgie in de voorgeschiedenis; gebruik van DES door de moeder (bij vrouwen geboren voor 1976); zwangerschap ondanks sterilisatie of gebruik van IUD; toepassing van ovulatie-inductie, IVF of vergelijkbare technieken. Met name een eerdere EUG, tubapathologie, tubachirurgie, een zwangerschap onder IUD-gebruik en expositie in utero aan diëthylstilbestrol (DES) blijken sterke risicofactoren voor een EUG te zijn.
Flikweert S, Wieringa-de Waard M, Meijer LJ, De Jonge A, Van Balen JAM. NHG-Standaard Miskraam (tweede herziening). www.nhg.org.
7. Juist / 8. Juist
De huisarts geeft bij slaapproblemen voorlichting over de fysiologie van slaap en levert slaapadviezen: na een kwartier wakker liggen kun je beter opstaan en in een andere kamer iets gaan doen. En pas weer naar bed gaan bij slaperigheid. Bij chronisch slaapmiddelengebruik en een patiënt die gemotiveerd is om te stoppen, probeert de huisarts dit te realiseren via gereguleerde dosisreductie. Hiertoe zet hij het kortwerkende benzodiazepine eerst om in het langer werkende diazepam. Vervolgens verlaagt hij de dosis diazepam wekelijks met 25%. Aan het begin van de dosisreductie licht de huisarts de patiënt in over te verwachten ontwenningsverschijnselen. Die kunnen lijken op de oorspronkelijke klachten en zijn meestal het heftigst aan het eind van de reductieperiode. De meeste ontwenningsverschijnselen gaan echter over.
Knuistingh Neven A, Lucassen PLBJ, Bonsema K, Teunissen H, Verduijn MM, Bouma M. NHG-Standaard Slaapproblemen en slaapmiddelen (eerste herziening). www.nhg.org.
9. Juist / 10. Onjuist
Na een diepe veneuze trombose (DVT) kunnen, zodra er geen oedeem (meer) aanwezig is, therapeutisch elastische kousen worden aangemeten (klasse III = 34-46 mmHg op enkelniveau). Na het doormaken van een DVT draagt de patiënt de kous ter preventie van het ontstaan van posttrombotisch syndroom (PTS: veneuze insufficiëntie als gevolg van een doorgemaakte DVT, gekenmerkt door oedeem, jeuk, pijn, trofische stoornissen, hyperpigmentatie en dilatatie van subcutane venen. Ook kunnen, meestal in een vergevorderd stadium, eczeem en ulceratie voorkomen.). De behandelduur is doorgaans twee jaar (of korter, bijvoorbeeld één jaar, als het oedeem wegblijft na (op proef) achterwege laten van de kous). De patiënt kan de kous daarna blijven dragen zolang hij of zij daarmee minder klachten ervaart die passen bij PTS.
Oudega R, Van Weert H, Stoffers HEJH, Sival PPE, Schure RI, Delemarre J, et al. NHG-Standaard Diepe veneuze trombose. www.nhg.org.

Reacties

Er zijn nog geen reacties

Verder lezen