Praktijk

Kennistoets: vragen

Gepubliceerd
29 september 2015
1. Hoekstra et al. beschrijven de aandoening tinnitus. Welke bewering over tinnitus is correct?
  • Tinnitus is een auditieve fantoomperceptie van betekenisvolle geluiden.
  • Tinitus komt bij minder dan 5% van de volwassenen voor.
  • Tinnitus wordt in de meeste gevallen veroorzaakt door een vorm van gehoorverlies.
  • Tinnitus vereist bij iedere patiënt een MRI.

2. De mate van hinder die patiënten van tinnitus ervaren, hangt samen met een aantal factoren, zoals het opleidingsniveau. Hoe is de relatie tussen de mate van hinder en het opleidingsniveau?
  • Lageropgeleiden ervaren meer hinder van tinnitus dan hogeropgeleiden.
  • Lager- en hogeropgeleiden ervaren dezelfde mate van hinder van tinnitus.
  • Hogeropgeleiden ervaren meer hinder van tinnitus dan lageropgeleiden.

3. De aios ziet de heer Van de Sande, 63 jaar, met toenemende tinnitusklachten. Zij heeft 1) een screeningsaudiogram laten maken en 2) uitgelegd dat er geen behandeling is die tot genezing leidt. Welke handeling(en) van de aios was/waren correct?
  • Alleen het onderzoek (sceeningsaudiogram) is correct.
  • Alleen de uitleg is correct.
  • Beide handelingen zijn correct.
  • Geen van beide handelingen is correct.

4. Van Oeffelen rapporteert verschillende incidentiecijfers van het acuut hartinfarct bij verschillende bevolkingsgroepen in Nederland. Bij welke bevolkingsgroep is de incidentie lager dan bij autochtone Nederlanders?
  • Turkse mannen.
  • Marokkanen.
  • Surinamers.
  • Antillianen.

5. Welke factor is in het artikel van Van Oeffelen geen verklaring gebleken voor onderlinge verschillen in incidentie en prognose tussen verschillende etnische bevolkingsgroepen bij een acuut myocardinfarct?
  • Traditionele risicofactoren (hypertensie, diabetes en hypercholesterolemie).
  • Leefstijl (roken en beweging).
  • Behandeling (uitvoeren van revascularisatieprocedures).
  • Primaire preventie (innemen van bloeddrukverlagende en cholesterolverlagende medicatie).

6. De NHG-Standaard Cardiovasculair risicomanagement geeft richtlijnen voor de behandeling van hypertensie bij volwassen. De standaard maakt onderscheid tussen groepen met specifieke kenmerken. Welk medicament is bij negroïde patiënten eerst aangewezen?
  • Diureticum.
  • Bètablokker.
  • ACE-remmer.
  • ARB (angiotensine receptorblokker).

7. Om een betere inschatting te geven van de ernst van het ziektebeeld en het te verwachten ziektebeloop bepaalt de nieuwe GOLD-indeling bij COPD de ernst van de ziekte aan de hand van:
  • de longfunctiemeting;
  • het aantal recent doorgemaakte exacerbaties;
  • de ernst van klachten;
  • alle bovenstaande factoren.

8. De Chronic Respiratory Questionnaire (CRQ) kan de kwaliteit van leven bij COPD-patiënten voorspellen. Wat wordt daarin onder andere in kaart gebracht?
  • Zuurstofsaturatie.
  • Vermoeidheid.
  • Aantal prednisonstootkuren.
  • Aantal ziekenhuisopnames.

9. Mevrouw Brouwers, 72 jaar, heeft een terminale COPD. Ze is steeds erg benauwd en dat maakt haar angstig. Zij heeft medicatie in maximale doseringen, naast fysiotherapie met ademhalings- en ontspanningsoefeningen. Ze vraagt de huisarts wat haar nog verlichting kan geven. De huisarts bespreekt het verdere beloop van haar ziekte en haar angst om benauwd te worden. Welke medicatie hoort daarbij?
  • Het voorschrijven van morfine.
  • Het geven van een benzodiazepine.
  • Het geven van zuurstof.
  • Alle bovenstaande medicatie.

10. De huisarts en aios hebben visite gedaan bij mevrouw Van Doorenmalen, 63 jaar, die lijdt aan ernstige COPD, GOLD-IV. De longarts wil een onderhoudsbehandeling met zuurstof thuis starten. De huisarts geeft aan dat zuurstof thuis bij deze patiënten de volgende bewezen effecten heeft: 1) toename van de levensverwachting en 2) vertraging in achteruitgang van de longfunctie. Welke uitspraak/uitspraken van de huisarts is/zijn correct?
  • Alleen 1 is correct.
  • Alleen 2 is correct.
  • Beide uitspraken zijn correct.
  • Geen van beide uitspraken is correct.

De toetsvragen zijn gebaseerd op artikelen uit dit nummer van Huisarts & Wetenschap. Daarnaast wordt gebruikgemaakt van bronnen die daarbij aansluiten, zoals NHG-Standaarden, Farmacotherapeutisch Kompas, CBO-richtlijnen. De juiste antwoorden vindt u op pagina 564.

Reacties

Er zijn nog geen reacties

Verder lezen