Nieuws

Kinderen met urineweginfecties

0 reacties
Gepubliceerd
10 april 2008

In hun artikel ‘Verbetering mogelijk in de behandeling van kinderen met urineweginfecties’ constateren Harmsen et al. (H&W 2007:50;649) op grond van LINH-gegevens dat huisartsen slechts bij tweederde van de jonge kinderen met urineweginfecties antibiotica voorschrijven. Mij heeft deze uitkomst verbaasd. In de eerste plaats omdat het niet behandelen van urineweginfecties bij kinderen bij mijn weten de laatste decennia nooit gangbaar is geweest en ik persoonlijk nooit een huisarts heb gesproken die in deze situatie een afwachtend beleid voorstond. Van gemotiveerde huisartsen die aan LINH meewerken zou ik dat al helemaal niet verwachten. Daar komt bij dat huisartsen bij andere infectieuze aandoeningen zoals bijvoorbeeld tonsillitis eerder de neiging hebben om te vaak naar antibiotica te grijpen dan te weinig. Waarom zou dit anders liggen bij urineweginfecties bij kinderen? Door dit alles vraag ik mij af of er een probleem zou kunnen zijn met de gebruikte gegevens. De auteurs gaan hier in hun artikel niet op in en ook niet in de uitgebreidere versie, die in BMC Family Practice verscheen.1 Gaat het hier voor een deel om werkdiagnoses van huisartsen die later verworpen zijn? Stond de diagnose pas vast op het moment dat de klachten al weer over waren? Is de koppeling tussen diagnose en recept in sommige bestanden niet gerealiseerd? Bij een uitkomst zoals deze, die praktiserende huisartsen onwaarschijnlijk zal voorkomen, verwacht ik dat onderzoekers de niet-behandelde groep aan een nader onderzoek onderwerpen. Zeker als onderzoekers op grond van deze gegevens concluderen dat de aanpak door huisartsen moet verbeteren, een conclusie die zelfs de landelijke dagbladen heeft gehaald, zou het eigen materiaal kritisch moeten worden beschouwd en nagedacht moeten worden over een andere verklaring dan het falen van de betreffende huisartsen.

Marjolijn Hugenholtz

  • Harmsen M, Wensing M, Braspenning JC, Wolters RJ, Van der Wouden JC, Grol RP. Management of children’s urinary tract infections in Dutch family practice: a cohort study. BMC Fam Pract 2007;13:8-9.

Antwoord

Wij delen de mening van Marjolijn Hugenholtz dat het denkbaar is dat er niet goed is geregistreerd. Dat zou kunnen betekenen dat de praktijk gelukkig beter is dan voorgesteld in ons onderzoek. Wij hebben echter op verschillende manieren geprobeerd om een zo zuiver mogelijk beeld te verkrijgen. Het betrof LINH-praktijken waarin een goede registratie van belang is en waarin voortdurend wordt gewerkt aan de kwaliteit van de registratie. In LINH wordt gemiddeld bij ruim 60% van de prescripties gelijktijdig een ICPC-code genoteerd. Praktijken die beneden de maat registreerden, zijn buiten ons onderzoek gelaten. Wij hebben in ons onderzoek gekeken naar episodes, wat betekent dat de medicatie niet direct op de dag zelf hoefde te worden voorgeschreven, maar binnen 28 dagen van de registratie van de ICPC-code voor het consult. Het is uiteraard mogelijk dat de klachten alweer verdwenen waren toen de uiteindelijke diagnose werd gesteld, zodat er geen antibioticumvoorschrift te vinden was. Maar dit kan het lage aantal antibioticumrecepten bij een gediagnosticeerde urineweginfectie ons inziens lang niet volledig verklaren. De suggestie van Marjolijn Hugenholtz om de niet-behandelde groep nader te onderzoeken ondersteunen wij van harte; dit viel echter buiten het bestek van onze mogelijkheden. Helaas hebben wij geen ander onderzoek gevonden om onze prescriptiecijfers mee te vergelijken. Als onderzoekers hebben wij geprobeerd om de resultaten evenwichtig weer te geven en menen wij dat uit één onderzoek nooit definitieve conclusies getrokken mogen worden. In de media is deze nuance helaas verloren gegaan.

Mirjam Harmsen, mede namens de co-auteurs

Reacties

Er zijn nog geen reacties

Verder lezen